Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1486

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
12/00457
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3137
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aanslag precariobelasting is terecht opgelegd.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 228, geldigheid: 2014-04-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1060
V-N Vandaag 2014/852
Belastingblad 2014/265

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 12/00457

24 april 2014

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/4021 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 april 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag precariobelasting (liggeld) opgelegd ten bedrage van (in totaal) € 1.378,60.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 1 juli 2010, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 25 januari 2011 heeft de rechtbank het beroep in de onderhavige zaak ongegrond verklaard.

1.4.

Het door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 14 maart 2011, aangevuld bij brief van 18 maart 2012. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014. Hierbij waren belanghebbende en diens gemachtigde aanwezig. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen op 20 februari 2014 is verzonden.

De gemachtigde van belanghebbende heeft direct na sluiting van het onderzoek

door de voorzitter, een verzoek gedaan tot wraking van de belastingkamer. De raadsheren van de betreffende belastingkamer (mr. Leijdekker, mr. Haas en mr. Goes) hebben

te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Door de wrakingskamer is het wrakingsverzoek behandeld ter terechtzitting van 18 maart 2014. De wrakingskamer heeft bij beslissing van 3 april 2014 het wrakingsverzoek afgewezen (rekestnummer: 200.142.174/01).

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“2.1. Eiser is op (…) 1 januari 2010, eigenaar en gebruiker van een woonboot, gelegen aan de [A-straat 1] te [Z].

2.2.

De woonboot is gelegen boven grond die eigendom is van de gemeente Amsterdam en is gelegen in het gebied dat is aangewezen als grootstedelijk project [B].”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan. Hieraan voegt het Hof nog het volgende toe.

2.3.

De gemeente heeft de eigendom van de onder 2.1 bedoelde grond verworven in 2005 door middel van een ruilovereenkomst met de Staat der Nederlanden (Rijkswaterstaat), waarbij aan de grond een verrekenwaarde is toegekend van € 1,00 per m².

2.4.

De grond waarboven de woonboot is gelegen maakt deel uit van het stadsdeel [C].

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de aanslag precariobelasting voor het jaar 2010 terecht is opgelegd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en daartoe, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“4.1. Eiser voert allereerst de volgende argumenten aan:

- dat hij niet te zien krijgt van de gemeente wat de voorwaarden zijn bij een vergunning;

- dat hij niet te zien krijgt welke afspraken tussen Amsterdam [C] en Provincie Noord-Holland zijn gemaakt over de toekomst van de woonboten aan de [A-straat];

- dat hij gedwongen/gechanteerd wordt door de gemeente om een nieuwe ligplaats te accepteren;

- dat zijn woonboot door stadsdeel [C] wordt wegbestemd, terwijl stadsdeel [C] niet bevoegd is dit te doen;

- dat zijn vragen over de toekomst van de huidige bestemming van de woonboot niet worden beantwoord door de gemeente Amsterdam en het stadsdeel [C];

- dat hij geen inspraak heeft bij de bestemming;

- dat de ombudsman de informatievoorziening van de gemeente als onbehoorlijk kwalificeert;

- dat de gemeente subsidiefraude pleegt door ecologische gelden economisch te gebruiken; en

- dat een nieuwe ligplaats eiser dwingt tot een situatie van erfpacht.

4.2.

De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van de onder 4.1. vermelde standpunten. Deze hebben geen betrekking op de aanslagen precariobelasting (...) die aan eiser zijn opgelegd en zien ook niet op de in dat kader gevoerde procedures, maar op de onzekerheid met betrekking tot de toekomst van de ligplaats van de woonboot. De grieven van eiser treffen geen doel, nu zij niet kunnen leiden tot vermindering of vernietiging van de aanslagen precariobelasting (...).

4.3.

Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder (...) in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid op lichtvoetige, slordige en /of willekeurige wijze aanslagen [heeft] opgelegd. Eiser stelt in dit verband pas eerst in 2009 aanslagen met terugwerkende kracht te hebben ontvangen vanaf 2007. Eiser acht het opleggen van aanslagen met terugwerkende kracht onbehoorlijk en in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.4.

Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Nu de aanslagen alle binnen de in artikel 11, derde lid, van de Awr genoemde termijn zijn vastgesteld, kan niet geoordeeld worden dat deze aanslagen enkel vanwege het feit dat de aanslagen eerder opgelegd hadden kunnen worden, niet meer opgelegd mochten worden. Uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat heeft geleid tot de oorspronkelijke wettekst van de Awr, blijkt dat de termijnbepaling van artikel 11, derde lid, van de Awr in de eerste plaats de rechtszekerheid dient. Het is in de woorden van de minister 'voor de belastingplichtigen (…) dat zij binnen een redelijke termijn hun belastingafrekening ontvangen'. Verder blijkt uit de memorie van toelichting dat aan deze bepaling ook de wens ten grondslag ligt om geschillen te voorkomen over de vraag wat nu nog een aanvaardbare termijn is waarbinnen de aanslag moet worden opgelegd. Nu de aanslagen binnen de termijn van drie jaren zijn opgelegd is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

De verwijzing van eiser naar een uitspraak van de civiele rechter waarbij het met terugwerkende kracht berekenen van huur zou zijn uitgesloten, maakt vorenstaande niet anders. Deze civielrechtelijke casus valt immers niet binnen de reikwijdte van artikel 11, derde lid, van de Awr.

4.5.

Voor zover eiser bepleit dat artikel 11, derde lid, van de Awr een onredelijke termijn bevat dient opgemerkt te worden dat ingevolge artikel 11 van de Wet algemene bepalingen de rechter volgens de wet recht spreekt en niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

Precariobelasting

4.6.

Ingevolge artikel 228 van de Gemeentewet kan ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, een precariobelasting worden geheven.

4.7.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de verordeningen op de heffing en de invordering van de precariobelasting van stadsdeel [C] (tekst 2007, 2008, 2009 en 2010) (hierna: Verordeningen precariobelasting) wordt voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond een belasting geheven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel zijn de Verordeningen precariobelasting van toepassing op belastbare feiten in stadsdeel [C].

4.8.

Ingevolge artikel 3 van de Verordeningen precariobelasting wordt de belasting geheven van degene van wie dan wel ten behoeve van wie voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond afkomstig zijn of worden aangetroffen.

4.9.

Ingevolge artikel 4 van de Verordeningen precariobelasting wordt de belasting geheven aan de hand van en naar de maatstaven en de tarieven die zijn opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

4.10. (…)

De tarieventabel 2010 vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…)

Nummer omschrijving eenheid tijdseenheid tarief in euro

4 woonschip, bedrijfsvaartuig of m 2 jaar 5,65

stationerend vaartuig, vlotten en aanhorigheden”

4.11.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder e, van de Verordeningen precariobelasting worden de belastingen en de rechten niet geheven ter zake van voorzieningen aan of in de onmiddellijke nabijheid van percelen, bestaande uit rolluiken, alarminstallaties, televisiecamera’s, lampen en dergelijke die uitsluitend ten behoeve van de veiligheid zijn aangebracht.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder i, van de Verordeningen precariobelasting worden de belastingen en de rechten niet geheven ter zake van een voorwerp onder, op of boven gemeentegrond dat niet aan het stadsdeel in eigendom is overgedragen, indien en voorzover dat voorwerp bij de overdracht aanwezig was en in verband met de inrichting van het betrokken perceel bezwaarlijk kan worden verwijderd.

4.12.

Tussen partijen is allereerst in geschil of het stadsdeel [C] bevoegd is tot het heffen van precariobelasting voor de woonboot. Eiser heeft dienaangaande ter zitting aangevuld dat zijn woonboot niet in het stadsdeel [C] is gelegen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen van de gemeente Amsterdam, worden de grenzen van de stadsdelen aangegeven op een bij deze verordening horende kaartbijlage. Uit kaart G blijkt dat de plaats waar de woonboot van eiser is gelegen, binnen het gebied van het stadsdeel [C] valt.

4.13.

Omtrent de heffingsbevoegdheid van het stadsdeel [C] overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet kan de Gemeenteraad aan het college, een door hem ingestelde bestuurscommissie en een deelraad bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 156, tweede lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet kan de raad de heffing van precariobelasting overdragen.

4.14.

Uit de Verordening op de stadsdelen van de gemeente Amsterdam blijkt dat de Gemeenteraad, behoudens het bepaalde in art. 156 van de Gemeentewet, daadwerkelijk zijn bevoegdheid tot het heffen van precariobelasting heeft overgedragen aan de stadsdeelraad.

4.15.

Eiser stelt dat de bevoegdheid tot het heffen van precariobelasting in het kader van het grootstedelijk project [B] door de centrale stad is teruggenomen.

4.16.

Ingevolge artikel 34 van de Verordening op de stadsdelen van de gemeente Amsterdam is er met betrekking tot het grootstedelijk project onder andere het Besluit Bevoegdhedenverdeling grootstedelijk project [B] (hierna: het Besluit) genomen. In dit Besluit staat – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…) is besloten tot aanwijzing van het gebied [B] als grootstedelijk project. Dit houdt in dat alle bevoegdheden ten aanzien van dit project door de centrale stad zijn teruggenomen (…)”

4.17.

Naar het oordeel van de rechtbank valt uit voormelde passage van het Besluit niet af te leiden dat de bevoegdheid tot het heffen van precariobelasting van het stadsdeel [C] door de centrale stad is teruggenomen. Voormelde passage vermeldt immers expliciet dat alle bevoegdheden in het kader van het grootstedelijk project zijn teruggenomen. Dat betekent dat alleen bevoegdheden die een rechtstreeks verband hebben met dit project zijn teruggenomen. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de heffing van precariobelasting op woonboten en het grootstedelijk project, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat het Besluit niet tot gevolg heeft gehad dat de bevoegdheid tot heffing van precariobelasting door de centrale stad is teruggenomen. Deze conclusie vindt steun in het feit dat in het Besluit nergens iets vermeld staat over precariobelasting, terwijl wel specifiek de leges worden genoemd ten aanzien van bouw-, aanleg-, sloop- en kapvergunningen.

4.18.

Eiser stelt zich vervolgens op het standpunt dat indien het stadsdeel bevoegd is tot heffen er geen sprake is van voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Eiser geeft hierbij aan dat nergens is vastgelegd dat de grond die onder zijn woonboot ligt, openbaar is en niemand anders van die plek gebruik mag maken dan de eigenaren van de woonboten aan de [A-straat]. Het publiek mag niet de loopplank en woonboot betreden.

4.19.

Deze grief van eiser faalt. De voorwaarde dat de gemeentegrond voor de openbare dienst bestemd moet zijn moet zo uitgelegd worden dat de grond voor eenieder toegankelijk is en tevens door eenieder gebruikt kan worden. Ten aanzien van de grond onder de woonboot is dat het geval. Dat eiser deze grond vervolgens in gebruik heeft genomen met de woonboot, maakt dit niet anders, maar beperkt het recht van een ieder om de grond te kunnen gebruiken en daarvoor betaalt eiser nu juist de precariobelasting.

4.20.

Voor zover eiser bepleit dat niet duidelijk is of precariobelasting wordt geheven op grond van artikel 228 of 229 van de Gemeentewet, merkt de rechtbank op dat artikel 228 van de Gemeentewet de heffing van precariobelasting regelt. Nu de Verordeningen precariobelasting ook spreken over de heffing van precariobelasting en de tekst zoals neergelegd in artikel 228 van de Gemeentewet in de Verordeningen precariobelasting zijn overgenomen, kan er geen twijfel bestaan over de grondslag van de precarioheffing. Deze grief faalt derhalve.

4.21.

Eiser heeft voorts gesteld dat de woonboot onder de vrijstelling van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder e, van de Verordeningen precariobelasting valt. Ingevolge voormeld artikel worden belastingen en rechten niet geheven ter zake van voorzieningen aan of in de onmiddellijke nabijheid van percelen die uitsluitend ten behoeve van de veiligheid zijn aangebracht. Eiser heeft gesteld dat de steiger bij de woonboot zo’n veiligheidsvoorziening vormt. Zonder deze steiger kunnen de hulpdiensten niet op de woonboot komen. De rechtbank verwerpt eisers stelling, alleen al omdat de steiger niet uitsluitend, zoals de vrijstellingsbepaling voorschrijft, ten behoeve van de veiligheid is aangebracht. Primair is de steiger immers bedoeld om eiser gemakkelijk van en op de woonboot te doen komen.

4.22.

Voorts stelt eiser dat geen precarioheffing mag plaatsvinden ten aanzien van de woonboot omdat deze onder de vrijstelling van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder i, van de Verordeningen precariobelasting valt. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. Voorwaarde om in aanmerking te komen voor deze vrijstelling is dat de woonboot in verband met de inrichting van het perceel bezwaarlijk verwijderd kan worden. Dat aan deze voorwaarde wordt voldaan is onvoldoende aannemelijk geworden. Het perceel zal ingericht worden als ecologische zone/rietmoeras. Gesteld noch gebleken is dat de woonboot met het oog op de ecologische zone bezwaarlijk verwijderd kan worden.

Het feit dat eiser zelf het als bezwaarlijk ervaart om de woonboot te verwijderen, maakt vorenstaande niet anders, nu dit geen voorwaarde van de vrijstelling betreft.

4.23.

Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat de provincie aan hem en de andere bewoners aan de [A-straat] het recht had moeten geven om de grond onder de woonboten te kopen in plaats van aan de Gemeente Amsterdam.

4.24.

Het is aan de eigenaar van een stuk grond om te beslissen aan wie hij de grond wil verkopen. Dat de provincie Noord-Holland verplicht zou zijn geweest de grond ook aan te bieden aan eiser en de andere bewoners van de woonboten aan de [A-straat] vindt geen steun in het recht. Van een voorkeursrecht van koop van de bewoners is niet gebleken.

4.25.

Gelet op het karakter van de precariobelasting is het stadsdeel [C] in beginsel vrij in de vaststelling van de daarbij te hanteren tarieven. Het stadsdeel is daarbij gehouden de heffing van precariobelasting op zodanige wijze vorm te geven dat wordt voorkomen dat een onredelijke of willekeurige heffing plaatsvindt, waarop de wetgever niet het oog heeft gehad. Een schending van die norm doet zich hier echter niet voor. Het enkele feit dat de tarieven leiden tot een jaarlijkse, hogere aanslag dan de prijs die voor de grond onder de woonboten door de gemeente Amsterdam aan de provincie Noord-Holland in 2005 is betaald is daartoe, anders dan eiser stelt, onvoldoende.

4.26.

Eiser stelt dat de heffing in strijd is met artikel 3 en 30 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat anders dan bij pachtrecht eiser bij precarioheffing niet de vrije keuze heeft om voor dit systeem te kiezen, nu bij een pachtovereenkomst een handtekening van eiseres noodzakelijk is en precario eenzijdig wordt opgelegd door de overheid. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. De bevoegdheid van gemeentes om precario te heffen is op democratische wijze tot stand gekomen. Bovendien miskent eiser dat het zijn vrije keuze is om de woonboot boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond neer te leggen. Van een feodaal systeem van slavernij is, anders dan eiser betoogt, derhalve geen sprake.

4.27.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder (...) terecht aanslagen precariobelasting opgelegd voor de jaren (...) 2010.

(…)

4.35.

Gelet het vorenoverwogene dienen de beroepen betreffende de precariobelasting (…) ongegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

In hoger beroep richten de grieven van belanghebbende zich allereerst tegen het oordeel van de rechtbank dat het stadsdeel [C] bevoegd is precariobelasting te heffen.

5.2.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank ter zake van dit geschilpunt tot een juist oordeel is gekomen en maakt de overwegingen 4.12 tot en met 4.17 van de uitspraak van de rechtbank tot de zijne.

5.3.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de heffingsambtenaar niet bevoegd is precariobelasting ter zake van de woonboot van belanghebbende te heffen, omdat de grond waarboven zijn woonboot en de steiger zich bevinden niet “voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond” is. Naar het oordeel van het Hof is de gemeentegrond waarboven de woonboot is afgemeerd (de (water)bodem aan de [A-straat]; een openbaar water dat bij de gemeente in beheer is) voor de openbare dienst bestemd, omdat uit de stukken afgeleid kan worden dat de grond tot algemeen nut strekt waarbij iedereen belang kan hebben. Daaraan doet niet af dat de woonboot en de steiger bij belanghebbende persoonlijk in gebruik zijn.

5.4.

Belanghebbende heeft gesteld dat voor hem ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de vrijstelling opgenomen in artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel i, van de Verordening precariobelasting [C]. In het onderhavige jaar luidt deze bepaling als volgt:

“2. De belastingen en rechten worden niet geheven ter zake van:

(…)

i. een voorwerp onder, op of boven gemeentegrond dat niet aan het stadsdeel in eigendom is overgedragen, indien en voorzover dat voorwerp bij de overdracht aanwezig was en in verband met de inrichting van het betrokken perceel bezwaarlijk kan worden verwijderd.”

Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat deze vrijstelling niet van toepassing is op de onderhavige woonboot. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat de woonboot in verband met de inrichting van het perceel, wat er zij van zijn persoonlijke bezwaren, bezwaarlijk had kunnen worden verwijderd na de overdracht van de grond door Rijkswaterstaat aan de gemeente.

5.5.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat het onredelijk is dat de aanslag met terugwerkende kracht is opgelegd. Hij voert daarbij aan dat uit artikel 1, 2 en 25 van de Universele verklaring van de rechten van de mens (hierna: UVRM) voortvloeit dat de gemeente Amsterdam de situatie waarin hij verkeerde vóór de verkrijging van de eigendom van de grond door de gemeente, dient te respecteren.

Naar het oordeel van het Hof heeft de rechtbank met juistheid in overweging 4.4 en 4.5 geoordeeld dat de aanslag is opgelegd binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn en dat de innerlijke waarde of de billijkheid niet door de rechter mag worden beoordeeld. Heffing van de onderhavige belasting is voorts niet in strijd met enige bepaling van internationaal recht. In het bijzonder is het Hof van oordeel dat uit de genoemde artikelen van de UVRM niet kan worden afgeleid dat het stadsdeel na verkrijging van de eigendom van de grond niet van zijn bevoegdheid tot heffing van precariobelasting gebruik zou mogen maken. Zulks nog daargelaten dat de UVRM zich richt tot de staten die deze hebben ondertekend en niet kan worden aangemerkt als een regeling met rechtstreekse werking, waardoor de burger er rechtstreeks een beroep op kan doen.

5.6.

Belanghebbende heeft gesteld dat nu de precariobelasting een vergoeding vormt voor het gebruik van de grond, de waarde van de grond als maatstaf zou moeten gelden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de gemeente de grond waarboven de woonboot zich bevindt, in 2005 heeft gekocht voor een bedrag van € 1,00 per m².

Hieromtrent overweegt het Hof als volgt. De precariobelasting moet worden aangemerkt als een belasting. Dat brengt met zich mee dat er geen relatie behoeft te zijn tussen de waarde van de grond en de hoogte van het tarief van de precariobelasting.

De gemeentelijke wetgever is in beginsel vrij om binnen de uit de wet voortvloeiende beperkingen de tarieven van de gemeentelijke heffingen vast te stellen, mits dit niet leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad. Naar het oordeel van het Hof voldoet de tarieventabel 2010 aan die voorwaarde. Daaraan doet niet af dat anderen dan belanghebbende – zolang zijn woonboot niet van ligplaats verandert – de onderhavige grond niet kunnen gebruiken.

Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in overweging 4.25 met juistheid heeft geoordeeld dat er geen sprake is van willekeurige of onredelijke tarieven en maakt de daartoe gebezigde overwegingen tot de zijne. Deze grief kan derhalve niet tot vermindering of vernietiging van de aanslag leiden.

5.7.

Ook alle overige door belanghebbende aangevoerde grieven en argumenten kunnen naar het oordeel van het Hof niet tot vernietiging van de aanslag leiden.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (in verbinding met artikel 8:108 van die wet).

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de aanslag precariobelasting voor het jaar 2010.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 24 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.