Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1472

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
13-10-2014
Zaaknummer
200.130.932-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kortgeding. Aspirant-huurster met urgentieverklaring vordert dat sociale verhuurster wordt veroordeeld tot aanbieden van woning. Verhuurster weigerde aanbieding wegens openstaande huurschuld bij vorige verhuurster. Gold ten tijde van instelling hoger beroep een beschermingsbewind? Tussenarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.130.932/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/202043/KG ZA 13-162

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van: 8 april 2014

inzake

[APPELLANTE],

wonend te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. R. Wernik te Haarlem,

tegen

de stichting STICHTING WOONOPMAAT,

gevestigd te Heemskerk,

geïntimeerde,

advocaat: mr. G.P. Poiesz te Velsen-Noord.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Woonopmaat genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 20 juni 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland van 28 mei 2013, in kort geding gewezen tussen [appellante] als eiseres en Woonopmaat als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord;

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog - uitvoerbaar bij voorraad - Woonopmaat zal veroordelen aan [appellante] een passende woning aan te bieden, met veroordeling van Woonopmaat in de proceskosten in eerste aanleg, alsmede de kosten in hoger beroep.

Woonopmaat heeft geconcludeerd het bestreden vonnis in stand te laten, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten opgesomd die bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt zijn genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt, aangevuld met andere feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [appellante] huurde tot augustus 2011 een woning aan de [adres 1] van de corporatie Pré Wonen. Na daartoe strekkende uitspraak van de kantonrechter heeft Pré Wonen de woning van [appellante] in augustus 2011 ontruimd. [appellante] verbleef daarna bij kennissen.

(ii) Een brief van Budgetondersteuning Nederland aan [appellante] van 20 augustus 2012 vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“Uw WSNP bewindvoerder van Tanger Advocaten meldde ons dat u vaak in gebreke blijft om tijdig aan uw informatieplicht te voldoen.

Wij willen u middels deze op de hoogte stellen dat wij als beschermingsbewindvoerder of budgetbeheerder voor u niet mogen voldoen aan u informatieplicht. (…)”

(iii) Bij besluit van 12 december 2012 heeft de gemeente Beverwijk medegedeeld dat aan [appellante] urgentie voor het verkrijgen van woonruimte wordt toegekend.

(iv) Bij brief van 30 januari 2013 heeft Woonopmaat [appellante] een woning aan de [adres 2] te huur aangeboden en haar uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek. De brief vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“Om gegevens te kunnen controleren en vast te stellen of u een geschikte kandidaat bent, hebben wij de in bijlage II genoemde documenten nodig. Wilt u deze documenten meenemen op 31-01-2013.”

Bijlage II bij de brief van 30 januari 2013 vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“Naar het kennismakingsgesprek moet u de volgende originele documenten meenemen:
(…)

Verhuurdersverklaring
Dit is een verklaring waarin uw woongedrag en goed betalingsgedrag wordt beoordeeld. De bijgevoegde verhuurdersverklaring (bijlage III) moet ingevuld en ondertekenen zijn door uw huidige verhuurder.
(…)”

( v) Op 31 januari 2013 heeft het kennismakingsgesprek plaatsgevonden. Omdat [appellante] geen verhuurdersverklaring bij zich had, heeft Woonopmaat een verhuurdersverklaring opgevraagd bij Pré Wonen. Woonopmaat ontving die verklaring op 6 februari 2013. De verklaring vermeldt dat Pré Wonen nog een vordering heeft op [appellante] van € 4.567,51.

(vi) Bij email van 6 februari 2013 heeft Woonopmaat aan de bewindvoerder van [appellante] meegedeeld dat geen woning aan [appellante] wordt toegewezen vanwege haar openstaande huurschuld bij Pré Wonen.

3.2.

[appellante] heeft -samengevat- gevorderd dat Woonopmaat wordt veroordeeld tot het aanbieden van een passende woning aan haar, op verbeurte van een dwangsom.

3.3.

De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellante] afgewezen en -kort gezegd- overwogen dat Woonopmaat een verplichting heeft om een urgent woningzoekende voorrang te verlenen op overige woningzoekenden, zonder dat dit betekent dat Woonopmaat geen eisen mag stellen aan een urgent woningzoekende. Er is, aldus de voorzieningenrechter, geen verplichting voor Woonopmaat om zonder meer een huurovereenkomst te sluiten met urgent woningzoekenden. Woonopmaat mocht besluiten om met [appellante] geen huurovereenkomst te sluiten, omdat de vorige huurovereenkomst met [appellante] is beëindigd vanwege een huurachterstand. Niet weersproken is dat [appellante] hangende de op haar van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling huurschulden heeft gemaakt. Daarom komt zij evenmin in aanmerking voor het zogenoemde tweede kans beleid. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat Woonopmaat niet het gerechtvaardigd vertrouwen bij [appellante] heeft gewekt dat een huurovereenkomst met haar tot stand zou komen.

3.4.

[appellante] komt met drie grieven tegen het vonnis van de voorzieningenrechter op.

3.5.

Het hof zal eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordelen. Uit de brief van 20 augustus 2012 van Budgetondersteuning Nederland te Zaandam aan [appellante] maakt het hof op dat Budgetondersteuning Nederland fungeert als budgetbeheerder of als beschermingsbewindvoerder van [appellante]. Het hof wenst daarover van [appellante] nadere inlichtingen te verkrijgen.

3.5.1.

[appellante] zal bij akte op de eerste plaats (zoveel mogelijk onderbouwd met bescheiden) inlichtingen dienen te verstrekken met betrekking tot de vraag of ten tijde van het instellen van dit hoger beroep sprake was van budgetbeheer dan wel beschermingsbewind. Indien het laatste het geval is, vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte bij handelingen in verband met de onder bewind staande goederen. Ook het aangaan van een huurovereenkomst en de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen kunnen onder het bereik van bewind vallen. Het aangaan van een huurovereenkomst heeft immers gevolgen voor de financiële positie (en daarmee voor de goederen) van [appellante], hetgeen ook geldt voor het voeren van een procedure als de onderhavige. Indien blijkt dat een eventueel (beschermings)bewind alle goederen van [appellante] betreft en dat het bewind ook gold ten tijde van het instellen van dit hoger beroep, dient [appellante] daarin niet-ontvankelijk verklaard te worden omdat zij niet bevoegd is om over het aangaan van een huurovereenkomst zelf, zonder daarbij vertegenwoordigd te zijn door de bewindvoerder, te procederen, hoezeer daarbij ook haar niet-vermogensrechtelijke belangen in geding zijn.

3.5.2.

Indien sprake is (geweest) van bewind, zal [appellante] (eveneens zoveel mogelijk onderbouwd met bescheiden) tevens inlichtingen dienen te verstrekken met betrekking tot de vraag vanaf wanneer goederen van haar onder bewind zijn gesteld, of dat bewind ten tijde van het instellen van het hoger beroep nog van kracht was en of het bewind al haar goederen betreft of een deel daarvan en in het laatste geval, over welke specifieke goederen het bewind gold.


3.5.3. De zaak zal naar de rol worden verwezen als hierna te melden voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellante]. Woonopmaat zal desgewenst bij antwoordakte kunnen reageren.

3.6.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 6 mei 2014 voor het nemen van de in r.o. 3.5.3 bedoelde akte aan de zijde van [appellante];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C Meijer, E.M. Polak en R.H.C. van Harmelen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 april 2014.