Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1464

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
30-10-2014
Zaaknummer
200.130.908-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeenschap ten aanzien van appartementen tussen enezijds voormalige vennoot en anderzijds de erfgename van de andere voormalige vennoot. Geschil over de verdeling. Bewijsopdracht inzake een gestelde afspraak of toezegging tussen de voormalige vennoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.130.908/01

zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/516936/HAZA 12-589

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 april 2014

inzake

[appellante],

wonend te[woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. R.V.H. Jonker te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.C. Hendrikse te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 11 juni 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2013 onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie. Het bestreden vonnis is een tussenvonnis. De rechtbank heeft bepaald dat van dat vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.

Partijen hebben de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis in conventie en in reconventie zal vernietigen en het in reconventie gevorderde af zal wijzen, onder terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het in conventie en in reconventie gewezen vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.17 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten, voor zover van belang in hoger beroep, neer op het volgende.

  • -

    i) [appellante] is werkzaam als huisarts. Met ingang van 1 april 1992 heeft zij samen met [A] (hierna: [A]) in de vorm van een maatschap een huisartsenpraktijk bedreven.

  • -

    ii) [A] en [appellante] hebben op 22 juni 1992 gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom verkregen van het recht van erfpacht van het perceel grond en opstal aan de [adres] (hierna: het pand). De huisartsenpraktijk werd gevestigd in de bedrijfsruimte op de begane grond van het pand. Op de eerste etage van het pand bevonden zich (verhuurde) woonruimtes.

  • -

    iii) Bij maatschapsovereenkomst van 30 september 1998 zijn [appellante] en [A] met ingang van 1 oktober 1998 een maatschap aangegaan met prof. dr. [B] (hierna: [B]). Artikel 18 van de maatschapsovereenkomst houdt in dat het aandeel in de maatschap van een overleden partij door diens rechtverkrijgenden niet anders kan worden vervreemd of overgedragen dan aan de overlevende partijen, dan wel aan een derde omtrent wie de overlevende partijen schriftelijk van hun toestemming hebben blijk gegeven.

  • -

    iv) Tegelijk met het aangaan van de maatschap met [B] hebben [appellante] en [A] een huurovereenkomst met de maatschap gesloten met de betrekking tot de bedrijfsruimte op de begane grond die hun in eigendom toebehoorde.

  • -

    v) Op 1 januari 2007 is de maatschap middels een vaststellingsovereenkomst ontbonden. [appellante] is haar huisartsenpraktijk in de praktijkruimte op de begane grond aan de [adres] blijven voortzetten. Er heeft vereffening van de maatschap plaatsgevonden.

  • -

    vi) Op 24 juni 2009 is het aan [A] en [appellante] in eigendom toebehorende pand gesplitst in vijf appartementsrechten:
    a. het appartementsrecht dat ziet op het uitsluitende gebruik van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond, plaatselijk bekend als[adres];
    b. het appartementsrecht dat ziet op het uitsluitende gebruik van de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond, plaatselijk bekend als [adres];
    c. het appartementsrecht dat ziet op het uitsluitende gebruik van de woonruimte gelegen op de eerste verdieping van het gebouw, plaatselijk bekend als [adres];
    d. het appartementsrecht dat ziet op het uitsluitende gebruik van de woonruimte gelegen op de eerste verdieping van het gebouw, plaatselijk bekend als[adres];
    e. het appartementsrecht dat ziet op het uitsluitende gebruik van de berging gelegen op het perceel, plaatselijk niet nader aangeduid, maar gelegen nabij [adres].

    De appartementsrechten a. en b. zullen hierna “de praktijkruimte” worden genoemd.
    De hierboven genoemde onder c. en d. genoemde appartementsrechten zullen hierna worden aangeduid als “de woonruimtes” en het hierboven onder e. genoemde appartementsrecht als “de berging”.

    [appellante] oefent nog steeds de huisartsenpraktijk uit in (een deel van) de praktijkruimte.

  • -

    vii) [A] is op 19 september 2010 overleden. [geïntimeerde] is de weduwe en erfgename van [A].

  • -

    viii) De praktijkruimte en de berging zijn getaxeerd door [C] (hierna: [C]) van [C] Compagnons, makelaars en taxateurs. In het rapport van 21 september 2010 kent [C] aan de praktijkruimte een waarde toe van € 290.000,--. Aan de berging wordt een waarde toegekend van € 3.000,--.

  • -

    ix) Partijen hebben pogingen in het werk gesteld om tot verkoop van de woonruimtes te geraken.[D] Makelaardij B.V./PropInvest I B.V. (hierna: PropInvest I B.V.) heeft zich als geïnteresseerde koper aangediend.
    De makelaar van [appellante] en [geïntimeerde] (laatstgenoemde vertegenwoordigd door [E], haar schoonzoon en gevolmachtigde bij het beheer, de beschikking en de vereffening van de nalatenschap, hierna: [E]) heeft hun per e-mail van 18 februari 2011 een schriftelijke (concept) koopovereenkomst toegezonden, gedateerd 22 februari 2011. Die (concept) koopovereenkomst houdt - kort gezegd - in dat PropInvest I B.V. de woonruimtes en de berging van [appellante] en [geïntimeerde] koopt voor een koopprijs van € 385.000,-- (kosten koper). In de (concept) koopovereenkomst is in artikel 7 bepaald dat de leveringsakte zal worden verleden op 1 mei 2011. Verder is in artikel 14 bepaald dat een voorkeursrecht tot koop door PropInvest I B.V. is bedongen waarbij in het geval dat [appellante] besluit tot verkoop en levering van de praktijkruimte PropInvest I B.V. een voorkeursrecht tot koop heeft. De (concept) koopovereenkomst is niet door partijen ondertekend.

  • -

    x) [geïntimeerde] heeft zich tegenover [appellante] op het standpunt gesteld dat een koopovereenkomst, vastgelegd in de hiervoor genoemde schriftelijke (concept) koopovereenkomst tot stand is gekomen. [appellante] heeft bij de notaris die de levering door [geïntimeerde] van haar onverdeelde helft van de woonruimtes en de berging aan PropInvenst I B.V. zou verzorgen (welke onverdeelde helft volgens [geïntimeerde] aan PropInvest I is verkocht), geprotesteerd tegen de levering. De notaris heeft daarop de levering geschorst.

  • -

    xi) [appellante] heeft op 7 maart 2012 conservatoir beslag tot levering doen leggen op de onverdeelde helft van [geïntimeerde] in de praktijkruimte, berging en woonruimtes.

3.3.

[appellante] heeft in conventie gevorderd -verkort weergegeven-

primair:

veroordeling van [geïntimeerde] tot het verlenen van medewerking aan het verlijden van de akte van toescheiding en levering waarbij aan [appellante] de praktijkruimte wordt toegescheiden alsmede de berging voor een totaalbedrag van € 293.000,-- onder de verplichting van [appellante] tot betaling van € 146.300,-- als vergoeding aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] te veroordelen tot medewerking aan de verkoop en levering van de woonruimtes aan de meest biedende derde en tot verdeling van de opbrengst bij helften na aftrek van eventuele kosten;

subsidiair:
de tussen [appellante] en [geïntimeerde] bestaande gemeenschap te verdelen althans de verdeling vast te stellen op zodanige wijze dat de praktijkruimte alsmede de berging worden toegescheiden aan [appellante] onder verrekening van de waarde van € 293.000,-- alsmede bevel te geven tot verkoop en levering van de woonruimtes aan de meest biedende;

primair en subsidiair:
op verbeurte van een dwangsom;

3.4.

[geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd -verkort weergegeven-

primair:
a. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] beschikkingsbevoegd is en is geweest om de onverdeelde helft van de vijf appartementsrechten aan (een) derde(n) te verkopen en te leveren;

subsidiair:
b. [appellante] te veroordelen tot nakoming van de koopovereenkomst zoals deze op 22 februari 2011 zou worden ondertekend, met dien verstande dat, voor zover noodzakelijk, enkele bepalingen dienen te worden geactualiseerd naar de huidige situatie en te bepalen dat de levering binnen een nader te bepalen redelijke termijn dient plaats te vinden;

meer subsidiair:
c. de tussen [appellante] en [geïntimeerde] bestaande gemeenschap te verdelen met inachtneming van de bepalingen van de voornoemde koopovereenkomst van 22 februari 2011, onder meer inhoudende:
- dat ieder der partijen recht heeft op 50% van de totale waarde c.q. opbrengst van de onroerende zaken in de gemeenschap;

- dat de woonruimtes en de berging zullen worden verkocht en geleverd aan PropInvest I B.V. tegen een koopprijs van € 385.000,-- onder de voorwaarde van het eerste recht op koop van de praktijkruimte, op verbeurte van een dwangsom;
- dat de praktijkruimte aan [appellante] zal worden toegescheiden onder bovenvermelde voorwaarde, waarbij [appellante] een vergoeding ter hoogte van de helft van de nog te taxeren waarde van de praktijkruimte per leveringsdatum van de woonruimtes en berging aan [geïntimeerde] dient te betalen;

- dat er finale afrekening tussen partijen plaatsvindt ter zake van alle (huur)opbrengsten en kosten, waarbij [appellante] [E] de mogelijkheid geeft om de administratie van de VvE te kunnen controleren;
d. te bepalen dat de waarde van de praktijkruimte zal worden vastgesteld door (een) onafhankelijke taxateur(s);

zowel primair als subsidiair:
e. voor recht te verklaren dat het conservatoir beslag tot levering onrechtmatig is en dient te worden opgeheven en dat [appellante] voor alle daarmee verband houdende kosten aansprakelijk is;

f. [appellante] te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding voor alle gemaakte kosten.

3.5.

In het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat niet is komen vast te staan dat [appellante] met verkoop van de woonruimtes en berging aan PropInvest I B.V. heeft ingestemd en dat een koopovereenkomst met betrekking tot de woonruimtes en berging tussen [geïntimeerde] en [appellante] enerzijds en PropInvest I B.V. anderzijds tot stand is gekomen. De subsidiaire vordering in reconventie (veroordeling van [appellante] tot nakoming van de koopovereenkomst met PropInvest I en medewerking aan levering van haar onverdeelde helft in de woonruimtes en berging aan PropInvest I B.V.) is om die reden niet toewijsbaar geoordeeld. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de gemeenschap die tussen partijen bestaat feitelijk wordt gevormd door vijf afzonderlijke gemeenschappen van ieder een appartementsrecht waarvan partijen ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn. Artikel 3:189 lid 1 BW staat daarom niet in de weg aan toepassing van titel 7 van boek 3 BW. Er is in het onderhavige geval geen sprake van een bijzondere gemeenschap voortkomend uit een ontbonden maatschap in de zin van artikel 189 lid 2 BW. De artikelen 3:190 en volgende BW zijn daarom niet van toepassing. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 3:175 lid 1 BW van toepassing is. Omdat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een rechtsverhouding tussen partijen die vervreemding van de onverdeelde helft van de eigendom van de appartementsrechten door [geïntimeerde] in de weg staat, is [geïntimeerde] beschikkingsbevoegd haar onverdeelde helft in de gemeenschap te verkopen en te vervreemden. De rechtbank heeft de zaak naar de rol verwezen ten behoeve van het bij akte verschaffen van nadere inlichtingen door partijen over de door [geïntimeerde] gestelde koopovereenkomst met betrekking tot haar onverdeelde helft.

3.6.

[appellante] heeft tien grieven tegen het vonnis aangevoerd. Gelet op de inhoud van die grieven en omdat geen incidenteel appel is ingesteld tegen het vonnis is in dit hoger beroep niet aan de orde dat, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, geen koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde] en [appellante] enerzijds en PropInvest I B.V. anderzijds overeenkomstig de hiervoor genoemde schriftelijke (concept) koopovereenkomst. Kern van het geschil is of [geïntimeerde] bevoegd is haar aandeel in de gemeenschap van partijen of haar aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk (alsnog) zonder toestemming van [appellante] aan een derde over te dragen. Daarop hebben de grieven II tot en met IV, VIII en X betrekking. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.7.

Gemeenschap is aanwezig wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk (artikel 3:166 lid 1 BW). In beginsel kan ieder van de deelgenoten over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed beschikken. Wanneer de gemeenschap verschillende goederen omvat, kan elke deelgenoot in beginsel over zijn aandeel in ieder afzonderlijk gemeenschappelijk goed beschikken. Het voorgaande leidt uitzondering indien uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit (artikel 3:175 lid 1 BW). Artikel 3:175 lid 1 BW geldt niet voor een maatschap zolang die niet ontbonden is (artikel 3:189 lid 1 BW). Is echter sprake van een bijzondere gemeenschap voortkomend uit een ontbonden maatschap als bedoeld in artikel 3:189 lid 2 BW dan geldt op grond van artikel 3:190 lid 1 dat een deelgenoot niet kan beschikken over zijn aandeel in een afzonderlijk tot de gemeenschap behorend goed zonder toestemming van de andere deelgeno(o)t(en). Op grond van artikel 3:191 lid 1 BW kan een deelgenoot in een bijzondere gemeenschap wel beschikken over zijn gehele aandeel in die gemeenschap tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit.

3.8.

[A] en [appellante] zijn op 1 april 1992 een maatschap aangegaan. Daarnaast hebben zij op 22 juni 1992 gezamenlijk de eigendom van het erfpachtrecht en het pand verkregen. De maatschap waarin de huisartspraktijk werd bedreven en de gemeenschap waartoe het erfpachtrecht en pand behoorden stonden naast en los van elkaar, afgezien van het feit dat de huisartspraktijk in het pand was gevestigd. Dat laatste brengt evenwel niet met zich dat het erfpachtrecht en het pand tot het vermogen van de maatschap behoorden. Weliswaar heeft [appellante] aangevoerd dat het later in appartementsrechten gesplitste pand (met inbegrip van de praktijkruimte) "in de maatschap is geëxploiteerd" en "daarin ook zijn verantwoord", maar zij heeft niet toegelicht wat daarmee wordt bedoeld of welke betekenis daaraan moet worden toegekend. Dat de gemeenschap van [A] en [appellante] met betrekking tot de appartementsrechten naast en los van de maatschap stond, vindt ook bevestiging in het feit dat [A] en [appellante] een huurovereenkomst met de maatschap hebben gesloten, waarmee zij de praktijkruimte aan de maatschap hebben verhuurd nadat een maatschap met [B] tot stand was gekomen. Uit de vaststellingsovereenkomst waarmee de maatschap op 1 januari 2007 is beëindigd blijkt evenmin dat het erfpachtrecht en het pand behoorden tot het vermogen van de maatschap en daarom op enigerlei wijze betrokken zijn bij de beëindiging van de maatschap. In de gedingstukken is geen aanknopingspunt te vinden voor het standpunt van [appellante] dat de door [geïntimeerde] en haar gezamenlijk verkregen erfpachtrecht en het pand zijn gaan behoren en thans nog behoren tot een niet-ontbonden maatschap dan wel thans een bijzondere gemeenschap vormen voortkomend uit een ontbonden maatschap. Dat betekent dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat artikel 3:175 lid 1 BW in het onderhavige geval op de gemeenschap van partijen van toepassing is en dat [geïntimeerde] als deelgenoot in beginsel over haar aandeel in de gemeenschap kan beschikken door dat aandeel te vervreemden aan een derde. Dat geldt ook indien sprake is van één gemeenschap die verscheidene goederen omvat. In dat geval kan [geïntimeerde] in beginsel over haar aandeel in ieder afzonderlijk goed beschikken.

3.9.

Uit een tussen de deelgenoten bestaande contractuele verhouding of andere rechtsverhouding kan voortvloeien dat op hetgeen hiervoor is overwogen uitzondering dient te worden gemaakt, althans dat daarop beperkingen moeten worden aangebracht. Daartoe bestaat naar het oordeel van het hof, anders dan [appellante] heeft betoogd, geen grond. Weliswaar heeft [appellante] het erfpachtrecht en pand (dat later gesplitst is in vijf appartementsrechten) gezamenlijk in eigendom verkregen met [A], met wie zij tegelijkertijd ook een maatschap vormde, maar de gemeenschap heeft, zoals hiervoor al is overwogen, voor het overige naast en los van die maatschap bestaan. Het enkele feit dat [appellante] aanvankelijk tezamen met [A] en later ook met [B] in de ten behoeve daarvan verhuurde bedrijfsruimte in maatschapsverband de huisartsenpraktijk beoefende maakt niet dat sprake is van een contractuele verhouding of andere rechtsverhouding die noopt tot het aanbrengen van beperkingen op de beschikkingsbevoegd van [geïntimeerde] ten aanzien van haar aand(e)el(en) in de gemeenschap. Dat [appellante] als deelgenoot voor wat betreft de bedrijfsruimte en als huisarts in de daarin gevestigde huisartsenpraktijk na overdracht door [geïntimeerde] van haar aande(e)l(en) mogelijkerwijs van doen zal hebben met een deelgenoot die, anders dan bij [A] het geval was, niet ook huisarts is, of de redelijkheid en billijkheid waarop [appellante] zich ook beroept, vormen evenmin aanleiding de beschikkingsbevoegdheid van [geïntimeerde] te beperken.

3.10.

[appellante] heeft aangevoerd dat indien [geïntimeerde] haar aande(e)len aan een derde overdraagt, dat ertoe zal leiden dat [appellante] bij overdracht van haar huisartsenpraktijk aan een opvolgend huisarts niet ook de volledige bedrijfsruimte waarin de praktijk is gevestigd aan die opvolger kan overdragen. Dat nadeel is echter het gevolg van en inherent aan de scheiding die heeft bestaan tussen de (voormalige) huisartsenmaatschap en de gemeenschap tussen [appellante] en [A] met betrekking tot de vijf appartementsrechten. Het door [appellante] bedoelde nadeel blijft overigens achterwege indien bij verdeling van de gemeenschap toedeling aan [appellante] plaatsvindt.

3.11.

Het voorgaande betekent dat de grieven II tot en met IV, VIII en X tevergeefs zijn voorgedragen.

3.12.

Grief IX betoogt dat [A] aan [appellante] heeft toegezegd dat zij in de praktijkruimte mocht blijven en dat uitsluitend nog werd gesproken over de prijs en andere modaliteiten. In verband met de waardebepaling van de praktijkruimte en berging is volgens [appellante] in opdracht van [A] en haar gezamenlijk opdracht tot taxatie aan [C] gegeven. De gemaakte afspraken en het verdere reeds lang lopende traject van onderhandelingen tussen [A] en [appellante] over toedeling van de praktijkruimte aan [appellante] is onderbroken door het overlijden van [A]. Dat neemt niet weg dat [geïntimeerde] gebonden is aan de afspraken die al tussen [A] en [appellante] zijn gemaakt en die er aan in de weg staan dat [geïntimeerde] haar aandeel in de praktijkruimte aan een derde vervreemdt, aldus [appellante] in grief V en grief VI.

3.13.

[geïntimeerde] heeft betwist dat tussen [A] en [appellante] afspraken zijn gemaakt op grond waarvan [appellante] aanspraak heeft op toedeling van de praktijkruimte en berging en dat [geïntimeerde] daarom niet kan overgaan tot vervreemding van haar aandeel daarin. Het hof zal [appellante] toelaten tot het bewijs van haar stelling. Tevens zal een comparitie van partijen worden gelast. Bij die gelegenheid zal ook, indien [appellante] van de mogelijkheid tot bewijslevering door het horen van getuigen gebruik wenst te maken, het getuigenverhoor worden gehouden.

3.14.

Bij de comparitie van partijen zal [geïntimeerde] in de gelegenheid worden gesteld de inlichtingen te verstrekken die door de rechtbank in het tussenvonnis (r.o. 4.10) reeds werden gevraagd. Die informatie wordt van belang indien [appellante] niet in het aan haar opgedragen bewijs zal slagen. Voor het geval tot verdeling van de gemeenschap(pen) tussen [appellante] en [geïntimeerde] overgegaan zal worden, zal [geïntimeerde] zich ter comparitie uit dienen te laten over de vraag welke invloed grief I op die eventuele verdeling heeft nu [appellante] zich daarmee op het standpunt stelt dat de vijf appartementsrechten als één gemeenschap beschouwd dienen te worden en toedeling van de praktijkruimte aan haar in dat geval alleen kan plaatsvinden tezamen met de woonruimtes en berging. Ook andere punten kunnen ter bespreking worden gebracht.

3.15.

Iedere verdere beslissing, waaronder die op grief VII wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat [appellante] toe tot het bewijs van haar stelling dat tussen [A] en [appellante] afspraken zijn gemaakt, althans dat [A] toezeggingen heeft gedaan, op grond waarvan [appellante] aanspraak heeft op toedeling van de praktijkruimte en berging tegen marktwaarde, vast te stellen door een makelaar;

beveelt dat, indien [appellante] getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. R.H.C. van Harmelen, daartoe tot raadsheer commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op woensdag 7 mei 2014 om 9.30 uur;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] dient na te (laten) gaan of partijen, hun advocaten en de door [appellante] voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze – zo dat niet het geval mocht zijn – uiterlijk op 15 april 2014 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van mei 2014 tot en met juli 2014 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

gelast (aansluitend aan het eventuele getuigenverhoor) een comparitie van partijen;

bepaalt dat partijen in persoon respectievelijk, voor zover partijen rechtspersoon zijn, vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is (door schriftelijke machtiging of anderszins) tot het verstrekken van inlichtingen en het aangaan van een schikking, tezamen met hun advocaten, zullen verschijnen ten overstaan van mr. R.H.C. van Harmelen, daartoe als raadsheer commissaris benoemd, op het hiervoor genoemde plaats en tijdstip;

verzoekt partijen, voor het geval zij zich bij het getuigenverhoor en/of ter comparitie willen bedienen van (nog niet in de procedure overgelegde) schriftelijke bewijsstukken, deze uiterlijk 2 weken voor de comparitiedatum toe te zenden aan de raadsheer commissaris, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, C. Uriot en R.H.C. van Harmelen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.