Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1455

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
200.139.225/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming voor verhuizing naar IJsland. Vaststelling zorgregeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a, geldigheid: 2014-04-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 april 2014

Zaaknummer: 200.139.225/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/533192 / FA RK 12-10594 (DR, TN)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.G. Hendriks te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G.J.R. van der Kolk te Hilversum.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 20 december 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 13 november 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/533192 / FA RK 12-10594 (DR, TN).

1.3.

De man heeft op 3 februari 2014 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 14 februari 2014 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 7 en 17 maart 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 10 maart 2014 een nader stuk ingediend.

1.7.

De zaak is op 19 maart 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer C. de Wilde, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

Mevrouw C.E.M. van Lingen is opgetreden als tolk in de Engelse taal ten behoeve van de vrouw. Mevrouw L.T. Valckx is opgetreden als tolk in de Franse taal ten behoeve van de man.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2008. De man heeft [de minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige]. [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.

2.2.

Bij beschikking van 6 maart 2013 heeft de rechtbank Amsterdam de Raad verzocht een onderzoek ten aanzien van een eventuele verhuizing van [de minderjarige] met de vrouw naar IJsland te verrichten en ter zake advies uit te brengen. Met het oog op dit onderzoek is de zaak pro forma aangehouden.

2.3.

De Raad heeft op 13 mei 2013 een rapport uitgebracht. Hierin heeft de Raad geadviseerd de vrouw geen vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar IJsland te verhuizen. De Raad acht een verhuizing naar IJsland in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige].

2.4.

Bij beschikking van 28 augustus 2013 heeft de rechtbank Amsterdam partijen in de gelegenheid gesteld concrete, realistische en afdwingbare afspraken te maken voor het geval de vrouw geen toestemming krijgt om met [de minderjarige] te verhuizen naar haar geboorteland IJsland en genoodzaakt is haar verblijf in Nederland samen met [de minderjarige] voort te zetten en voor het geval de vrouw die toestemming wel krijgt en met [de minderjarige] naar IJsland verhuist, en de zaak pro forma aangehouden.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar IJsland te verhuizen per 1 februari 2013 of een andere datum die de rechtbank juist acht afgewezen. De vrouw heeft, voor het geval haar verzoek zou worden toegewezen, het volgende aanbod voor een zorgregeling gedaan:

  • -

    [de minderjarige] verblijft in de herfst-, kerst, paas- en pinkstervakantie bij de man, alsmede drie weken in de zomervakantie;

  • -

    de vrouw vergoedt in het kader van de vakantieregeling minimaal twee keer per jaar de reiskosten van de man en [de minderjarige]. Tevens kan de man haar appartement gebruiken indien de man [de minderjarige] in IJsland wil bezoeken. De vrouw zal dan elders verblijven. Hij kan ook verblijven in het appartement van haar grootmoeder in [plaatsnaam];

  • -

    [de minderjarige] heeft minimaal één keer per week en zoveel vaker als zij aangeeft dat te willen, middels Skype contact met de man;

  • -

    [de minderjarige] zal geplaatst worden op een crèche en later op een school waar Frans wordt onderwezen, zodat zij haar vaardigheid in de taal van de man behoudt en deze verder ontwikkelt;

  • -

    [de minderjarige] zal aan het programma van de Alliance Française deelnemen waar extra-curriculair taalonderwijs wordt geboden aan Franstalige kinderen vanaf de leeftijd van 5-6 jaar, zodra zij daarvoor de leeftijd heeft;

Bij de bestreden beschikking zijn de zelfstandige verzoeken van de man afgewezen. De man heeft verzocht om, in het geval dat het verzoek van de vrouw zou worden toegewezen, de door de vrouw in paragraaf 5 van haar verzoekschrift weergegeven zorgregeling op te leggen onder de voorwaarden dat:

- hij [de minderjarige] zes keer per jaar kan zien in Nederland of voor vakantie elders,
en dat de vrouw dan de helft van de reiskosten van IJsland naar Amsterdam
en vice versa voor haar rekening neemt;

- er precies omschreven frequent Skype-contact is;

- [de minderjarige] de Franse taal onderhoudt bij Alliance Française;

- de toestemming wordt ingetrokken als na een jaar blijkt, dat de zorgregeling
niet correct wordt nagekomen waarna [de minderjarige] naar Nederland terug dient te
verhuizen;

- en voorts met bevel tot afgifte van [de minderjarige] bij niet-nakoming van de regeling en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke overtreding.

De man heeft in eerste aanleg verzocht om, in het geval dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen en de vrouw toch naar IJsland gaat, te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem zal zijn vanaf twee dagen voor het vertrek van de vrouw naar IJsland of naar elders met bevel tot afgifte van [de minderjarige] en met bepaling dat de vrouw zal meewerken aan overschrijving van [de minderjarige] naar de gemeente waar hij woont, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor elke dag dat de vrouw hieraan niet voldoet.

3.2.

De vrouw verzoekt – naar het hof begrijpt –, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, haar vervangende toestemming te verlenen om per 1 februari 2014 of een andere datum door het hof in goede justitie te bepalen, met [de minderjarige] te verhuizen naar IJsland, onder de voorwaarde dat een zorgregeling zal gelden zoals zij in haar (gewijzigd) inleidend verzoek heeft aangeboden, of onder andere door het hof in goede justitie te bepalen voorwaarden.

3.3.

De man verzoekt in principaal appel het hoger beroep van de vrouw af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, zijn zelfstandige verzoeken toe te wijzen.

3.4.

De vrouw refereert zich in incidenteel appel aan het oordeel van het hof.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel hoger beroep:

4.1.

De grieven in principaal en in incidenteel hoger beroep lenen zich, gelet op hun onderlinge samenhang, voor gezamenlijke bespreking.

4.2.

De vrouw voert aan dat het in het belang van [de minderjarige] is om met haar naar IJsland te verhuizen. De vrouw heeft in Nederland geen uitzicht op een stabiel leven met werk en voldoende inkomen. Het is haar niet gelukt om een vaste en betaalbare woonruimte in [a] en een vaste baan te vinden. Haar laatste contract is afgelopen in december 2012, waarna zij een WW-uitkering heeft ontvangen. Haar WW-uitkering zal eindigen op 13 april 2014 en zij komt, zolang zij geen vaste verblijfplaats heeft, niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Sinds 8 december 2013 hebben de vrouw en [de minderjarige] geen woning meer en sindsdien trekken zij van logeeradres naar logeeradres. Het door de man aangeboden bedrag van € 450,- per maand is onvoldoende om een woning te kunnen huren in [a]. De vrouw zal daarom naar IJsland moeten verhuizen, ook als haar geen toestemming wordt verleend om [de minderjarige] mee te nemen. De vrouw heeft in IJsland een eigen appartement, haar familie en vrienden. Voorts heeft zij in IJsland meerdere aanbiedingen voor werk gekregen en kan zij direct aan de slag. De vrouw acht het in het belang van [de minderjarige] dat zij haar hoofdopvoeder blijft. [de minderjarige] kan in IJsland profiteren van de verbeterde sociaal-economische omstandigheden van de vrouw alsmede van de nabijheid van haar familie. Het is voor [de minderjarige] gunstig om de overgang naar IJsland juist nu te maken, omdat kinderen in IJsland leerplichtig worden als zij zes jaar oud zijn en [de minderjarige] nu nog geen achterstanden heeft. De door de vrouw voorgestelde contactregeling en haar toezeggingen om het Frans van [de minderjarige] op peil te houden waarborgen dat het contact tussen de man en [de minderjarige] niet verwatert. De vrouw realiseert zich heel goed dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij een goede band heeft en houdt met de man. De communicatie tussen partijen is sterk verbeterd en staat ook niet aan een verhuizing in de weg. In het geval dat de vrouw zonder [de minderjarige] vertrekt, verliest [de minderjarige] de vrouw als hoofdverzorgende ouder en zal [de minderjarige] haar vaardigheid in het IJslands verliezen. De vrouw spreekt Frans en kan [de minderjarige] helpen als zij in de communicatie met de man naar een woord moet zoeken. De man spreekt echter geen IJslands en IJslands wordt in Nederland ook niet onderwezen, aldus de vrouw.

4.3.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist. Volgens de man zijn er meerdere oplossingen te bedenken voor de problemen van de vrouw om een baan en woonruimte te vinden en zijn deze problemen tijdelijk van aard. De vrouw heeft jegens [de minderjarige] de plicht te blijven zoeken naar woning en werk in Nederland, zodat de huidige band van [de minderjarige] met zowel de vrouw als de man gehandhaafd kan blijven. Partijen wonen ruim tien jaar in Nederland en hebben beiden onafhankelijk van elkaar ervoor gekozen om hun leven hier in te richten. Voorts is de man bereid de vrouw zoveel mogelijk financieel te steunen en is hij ook bereid en in staat om [de minderjarige] volledig te verzorgen zolang de vrouw haar leven in Nederland nog niet op orde heeft. De vrouw heeft onvoldoende aangetoond dat [de minderjarige] van de huidige situatie nadelige gevolgen ondervindt en [de minderjarige] functioneert thans goed, aldus de man. Hij vreest dat hij, ondanks de door de vrouw aangeboden contactregeling, het contact zal verliezen, mede omdat [de minderjarige] haar vaardigheid in het Frans zal verliezen en de communicatie tussen partijen stroef verloopt. In het ouderschapsplan is een co-ouderschapsregeling afgesproken, welke afspraak nog steeds bindend is. Nu de vrouw concreet aangeeft dat zij, indien zij geen vervangende toestemming voor de verhuizing van [de minderjarige] krijgt, naar IJsland zal vertrekken zonder [de minderjarige], heeft hij er belang bij dat zal worden bepaald dat de hoofverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem zal zijn zodra de vrouw vertrekt, aldus de man.

4.4.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep het advies zoals opgenomen in het onder 2.3 genoemde rapport gehandhaafd, ook al beschikte de vrouw ten tijde van het rapport nog over middelen van bestaan en is dat binnenkort waarschijnlijk niet meer zo.

4.5.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij de beoordeling dient de rechter de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar af te wegen. Het belang van het kind staat daarbij voorop, maar dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

4.6.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Zowel de man (geboren [in] 1976) als de vrouw (geboren [in] 1972) zijn in 2003 in Nederland komen wonen. Partijen hebben van 2006 tot eind 2009 een relatie gehad en hebben ongeveer twee jaren samengewoond. De man heeft de Franse nationaliteit en de vrouw heeft de IJslandse nationaliteit. Partijen spreken geen Nederlands. Gedurende tien maanden hebben partijen samengewoond in Frankrijk, waarna partijen in [a] gingen samenwonen en de vrouw zwanger werd. [de minderjarige] is geboren te [a], zit in [a] op school en behaalt goede resultaten. [de minderjarige] spreekt Frans met haar vader en IJslands met haar moeder. Na het uiteengaan van partijen hebben partijen een ouderschapsplan opgesteld waarin de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vrouw is bepaald en een co-ouderschapsregeling is opgenomen. Sinds 2012 is de zorgregeling gewijzigd in die zin dat [de minderjarige] om de week van donderdag na school tot dinsdagochtend naar school bij de man verblijft en de overige tijd bij de vrouw verblijft. [de minderjarige] heeft een goed contact met beide ouders en zij zijn het erover eens dat het thans goed gaat met [de minderjarige]. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat het zwaartepunt van de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige] al geruime tijd bij de vrouw ligt en het belang van [de minderjarige] op zichzelf het meest is gediend met voortzetting van haar verblijf bij de vrouw.

4.7.

Het belang van de vrouw bij een verhuizing naar IJsland is evident. Zij is geboren en getogen in IJsland. Zij heeft in IJsland haar BA-opleiding in Literatuur en Engels aan de Universiteit van IJsland afgerond en vervolgens heeft zij gewerkt als stewardess voor Icelandair. In 2003 is de vrouw naar Nederland gekomen om een opleiding in Multimedia and Audio Engineering te volgen. Na het uiteengaan van partijen heeft de vrouw in de loop van drie jaar op negen adressen gewoond. Sinds 8 december 2013 heeft de vrouw geen geschikte woning in [a] kunnen vinden, zwerft zij van logeeradres naar logeeradres en onduidelijk is hoelang deze situatie nog zal voortduren. Onweersproken is dat de vrouw een eigen appartement in [plaatsnaam] heeft, waarover zij per direct kan beschikken.

Haar laatste tijdelijke arbeidsovereenkomst in Nederland is in december 2012 geëindigd. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat het haar, ondanks haar pogingen daartoe, niet is gelukt en ook niet spoedig zal lukken om een baan te vinden en (duurzaam) zelfstandig een inkomen te verwerven. Haar positie op de arbeidsmarkt in Nederland is niet gunstig, gelet op haar opleiding, werkervaring, leeftijd en gebrek aan beheersing van het Nederlands. Dat haar kansen op de arbeidsmarkt in IJsland aanzienlijk groter zijn dan in Nederland blijkt onder meer uit de door haar overgelegde schriftelijke bevestiging dat zij als Managing Director of Operations bij […], Law Firm te [plaatsnaam] aan de slag kan, welk aanbod thans nog steeds geldt. In Nederland zal zij na 13 april 2014 zijn aangewezen op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, waarvan overigens nog onzeker is of zij daarvoor in aanmerking kan komen. Aannemelijk is verder dat de vrouw een ruimer sociaal netwerk in IJsland heeft, waar haar ouders, haar twee grootmoeders, haar broer en zijn twee kinderen en haar vrienden wonen, dan in Nederland.

4.8.

Tegenover het belang van de vrouw bij een verhuizing naar IJsland en het belang van [de minderjarige] om met de vrouw in gezinsverband te verblijven, staan het belang van de man en van [de minderjarige] bij regelmatige omgang met elkaar. Indien de vrouw met [de minderjarige] naar IJsland verhuist, kan de huidige zorgregeling van om de week van donderdag na school tot dinsdagochtend naar school niet worden gehandhaafd.

De man vreest dat hij na verhuizing naar IJsland niet meer goed met [de minderjarige] zal kunnen communiceren, omdat zij haar uitdrukkingsvaardigheden in het Frans zal verliezen. Hoewel het hof aannemelijk acht dat de Franse taalvaardigheid van [de minderjarige] in enige mate zal afnemen en het IJslands haar primaire taal zal worden, acht het hof de vrees van de man voor vervreemding in het contact tussen hem en [de minderjarige] niet reëel. Partijen zijn het erover eens dat het contact tussen [de minderjarige] en de man goed is en dat [de minderjarige] in haar eerste zes levensjaren goed Frans heeft leren spreken. Bovendien heeft de vrouw aangeboden om [de minderjarige] deel te laten nemen aan het lesprogramma van de Alliance Française en Franse les op school. Ook zal [de minderjarige] in de voorgestelde zorgregeling tussen haar en de man nog steeds regelmatig contact met de man onderhouden, waaronder contact via Skype. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat [de minderjarige] naar behoren met de man zal kunnen blijven communiceren. Het hof acht de stelling van de man dat hij, indien de vrouw en [de minderjarige] naar IJsland verhuizen, alle contact met [de minderjarige] zal verliezen, niet aannemelijk, temeer nu genoegzaam is gebleken dat de vrouw openstaat voor regelmatig contact tussen de man en [de minderjarige] en heeft gepoogd de man bij haar remigratieplannen te betrekken. Voorts is het met moderne communicatiemiddelen zoals e-mail en Skype voor ouders relatief eenvoudig om overleg te voeren. Dat de communicatie tussen partijen na hun uiteengaan was verslechterd en thans nog stroef kan verlopen, maakt het vorenstaande niet anders.

4.9.

Het hof is niet gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich tegen een verhuizing naar IJsland verzet. Het hof acht aannemelijk dat [de minderjarige] zich gelet op haar leeftijd, het feit dat zij een goede leerling is en IJslands spreekt, alsmede gelet op de aanwezigheid van familie en vrienden in IJsland relatief snel zal kunnen aanpassen aan de nieuwe leefomgeving.

4.10.

Al het voorgaande in aanmerking genomen en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is het hof van oordeel dat het belang van de vrouw en van [de minderjarige] om samen naar IJsland te verhuizen dient te prevaleren boven het belang van de man om [de minderjarige] in zijn directe omgeving te zien opgroeien, te meer daar er – zoals nog te bespreken – voldoende waarborgen zijn voor een aanvaardbare zorgregeling. Het hof zal de vrouw derhalve vervangende toestemming verlenen om met [de minderjarige] naar IJsland te verhuizen.

4.11.

Met betrekking tot de invulling van de zorgregeling overweegt het hof als volgt. Uitgangspunt is dat [de minderjarige] recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. De verhuizing naar IJsland mag er dan ook niet toe leiden dat de inhoud en de frequentie van het contact tussen de man en [de minderjarige] niet in aanvaardbare mate in stand kan worden gehouden. Voor de invulling van de zorgregeling sluit het hof aan bij de door de man verzochte regeling, zoals hiervoor aangehaald onder 3.1, omdat met deze regeling in voldoende mate compensatie plaatsvindt voor de nadelen van een verhuizing van [de minderjarige] voor het contact tussen haar en de man. De vrouw heeft zich in deze gerefereerd aan het oordeel van het hof. Gelet op het verhandelde ter zitting en de stukken in het dossier is het hof niet gebleken dat de communicatie tussen partijen dermate tekortschiet dat een bevel tot afgifte van [de minderjarige] bij niet nakoming van de regeling en een dwangsom van € 500,- voor elke overtreding bepaald dient te worden, zodat het hof dit verzoek van de man zal afwijzen. Het hof zal eveneens afwijzen het verzoek van de man te bepalen dat de toestemming wordt ingetrokken als na een jaar blijkt, dat de zorgregeling niet correct wordt nagekomen waarna [de minderjarige] naar Nederland terug dient te verhuizen, nu het hier een toekomstige onzekere gebeurtenis betreft waarmee in dit stadium geen rekening kan worden gehouden. Het hof zal vanaf het moment van de verhuizing naar IJsland de volgende zorgregeling bepalen:

- [de minderjarige] verblijft bij de man in Nederland of voor vakantie elders gedurende de herfst-, kerst-, paas- en pinkstervakantie, alsmede drie weken in de zomervakantie en een in onderling overleg te bepalen periode van maximaal één week, waarbij de vrouw de helft van de reiskosten van IJsland naar Amsterdam en vice versa voor haar rekening neemt en een en ander op de wijze zoals de vrouw heeft aangeboden in haar verzoek over een eventueel bezoek van de man in IJsland aan [de minderjarige];

- de man heeft minimaal twee maal per week op een tussen partijen in onderling overleg te bepalen tijdstip via Skype contact met [de minderjarige];

- [de minderjarige] volgt Franse les op school en bij Alliance Française.

4.12.

Nu het hof de vrouw vervangende toestemming zal verlenen om met [de minderjarige] naar IJsland te verhuizen, zal het hof hetgeen de man in incidenteel appel heeft verzocht voor het geval dat geen vervangende toestemming wordt verleend, wegens gebrek aan belang afwijzen.

4.13.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, en, opnieuw rechtdoende:

verleent vervangende toestemming aan de vrouw om met [de minderjarige] naar IJsland te verhuizen;

stelt vanaf het moment van de verhuizing naar IJsland de volgende zorgregeling vast:

- [de minderjarige] verblijft bij de man in Nederland of voor vakantie elders gedurende de herfst-, kerst-, paas- en pinkstervakantie, alsmede drie weken in de zomervakantie en een in onderling overleg te bepalen periode van maximaal één week, waarbij de vrouw de helft van de reiskosten van IJsland naar Amsterdam en vice versa voor haar rekening neemt en een en ander op de wijze zoals de vrouw heeft aangeboden in haar verzoek over een eventueel bezoek van de man in IJsland aan [de minderjarige];

- de man heeft minimaal twee maal per week op een tussen partijen in onderling overleg te bepalen tijdstip via Skype contact met [de minderjarige];

- [de minderjarige] volgt Franse les op school en bij Alliance Française.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, A.N. van de Beek en M.F.G.H. Beckers in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. van Boheemen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2014.