Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1439

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
26-05-2014
Zaaknummer
23-2212-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplichting - bedrijf bewogen tot afgifte (zonder betaling) van goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-2212-13

datum uitspraak: 23 april 2014

tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 13 april 2012 in de strafzaak onder parketnummer 14-255512-10 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging ten aanzien van het primair ten laste gelegde is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair

hij in omstreeks de periode van 25 november 2009 tot en met 4 december 2009 te Zwaag, gemeente Hoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (een of meer medewerkers van) firma "Mooij Verf VOF" heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid/partij verf(stof)/latex en/of een scooter en/of een laptop en/of een playstation, in elk geval van enig(e) goed(eren), hebbende verdachte en/of diens mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - (zich tegenover/aan) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (een of meer medewerkers van) firma "Mooij Verf VOF" voorgedaan als bonafide klant die de rekening van de door hem bestelde goederen kon en/of wilde betalen en/of verteld dat hij als voorzitter van/namens/op rekening van "Stichting Slachtoffers voor Slachtoffer" een partij verf wilde bestellen en/of verteld dat hij de verf nodig had voor het opknappen van woningen voor opvang van slachtoffers en/of verteld dat die Stichting van de Gemeente Hoorn subsidie ontvangt en dat hij bij ontvangst van die subsidie de verf zal betalen en/of (aldus) de indruk gewekt dat hij, verdachte, voldoende geld had om de rekening te betalen, waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (een of meer medewerkers van) firma "Mooij Verf VOF" werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 25 november 2009 tot en met 8 september 2009 te Zwaag, gemeente Hoorn, althans in Nederland, opzettelijk een hoeveelheid/partij verf(stof)/latex en/of een scooter en/of een laptop en/of een playstation, in elk geval enig(e) goed(eren) geheel of ten dele toebehorende aan firma Mooij Verf VOF, in elk geval een ander of anderen dan aan verdachte, welk€ goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als koper/ontvanger/bezitter, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 25 november 2009 tot en met 4 december 2009 te Zwaag, gemeente Hoorn, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid/partij verf en een scooter en een playstation, hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid –

zich tegenover die [slachtoffer 2] voorgedaan als bonafide klant die de rekening van de door hem bestelde goederen kon en wilde betalen en

verteld dat hij als voorzitter van "Stichting Slachtoffers voor Slachtoffer" een partij verf wilde bestellen en verteld dat hij de verf nodig had voor het opknappen van woningen voor opvang van slachtoffers en

verteld dat die Stichting van de Gemeente Hoorn subsidie ontvangt en dat hij bij ontvangst van die subsidie de verf zal betalen en aldus de indruk gewekt dat hij, verdachte, voldoende geld had om de rekening te betalen, waardoor [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

oplichting.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tachtig uur, subsidiair veertig uur hechtenis en voorts met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij Mooij Verf B.V. tot een bedrag van € 1.840,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van Mooij Verf B.V. in [plaatsnaam]. Hij heeft zich uitgegeven als voorzitter van een Stichting die zich inzet voor slachtoffers van geweldsdelicten en heeft door een samenweefsel van verdichtsels de assistent filiaalmanager ([slachtoffer 2]) van Mooij Verf B.V. bewogen tot afgifte (zonder betaling) van een scooter, een laptop en een playstation en een partij verf, waarbij het de verdachte volgens de verklaring van de verdachte ter zitting in hoger beroep, uitsluitend te doen is geweest om de in het kader van een reclamecampagne van Mooij Verf B.V. ‘gratis’ bij de verf geleverde goederen (scooter, laptop en playstation). De verdachte heeft geen enkele betaling verricht voor de ontvangen goederen. Hierdoor is Mooij Verf B.V. financieel benadeeld en heeft de verdachte het vertrouwen in het handelsverkeer geschaad, hetgeen een strafbaar feit oplevert waarop een werkstraf in beginsel een passende bestraffing is.

Uit een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 maart 2014 blijkt dat de verdachte in november 2011 strafrechtelijk is veroordeeld voor winkeldiefstal en in augustus 2007 voor een diefstal van een fiets, telkens tot een geldboete. Het hof zal met deze laatste veroordeling, gezien de geruime tijd die sedertdien is verstreken, ten nadele van de verdachte geen rekening houden.

De verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep verschenen en heeft het ten laste gelegde feit bekend. Hij heeft verklaard dat hij schoon schip wil maken en actief bezig is om een punt te zetten achter zijn verleden. Hij is sinds enige tijd bezig met hulp van gemeente Purmerend zijn leven weer op orde te krijgen, hetgeen hem tot nu toe aardig lukt. Hij krijgt binnenkort een eigen woning en met zijn basis uitkering is hij bezig zijn schulden die hij in het verleden heeft gemaakt, af te lossen. Hij hoopt binnenkort werk te vinden of een eigen stratenmaker bedrijf te beginnen. Hij heeft daarvoor ook de benodigde diploma’s behaald. De verdachte heeft het hof verzocht hiermee in positieve zin rekening te houden bij de oplegging van zijn straf.

Het hof is van oordeel, alles afwegende, mede gelet op de omstandigheid dat het onderhavige feit inmiddels alweer geruime tijd geleden is gepleegd, en gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht dat thans kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur en acht deze straf, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij Mooij Verf B.V. heeft zich in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering van € 3.303,46 tot vergoeding van door haar geleden materiële schade als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde. Deze vordering is in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van € 1.840,00.

De verdachte heeft de hoogte van deze vordering niet betwist.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv gevoegd met de vordering zoals in eerste aanleg is toegewezen. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij verklaard dat zij haar oorspronkelijke vordering beperkt, tot het bedrag zoals in eerste aanleg toegewezen, te weten € 1.840,00.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting is voor het strafproces, zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Nu de verdachte tegen de gevorderde schadevergoeding geen verweer heeft gevoerd en voldoende is komen vast te staan dat het schadebedrag ziet op de geleverde en niet betaalde goederen, staat daarmee vast dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden en wel tot een bedrag van € 1.840,00. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij dan ook tot dat bedrag toewijzen. De verdachte is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij voornoemd, de verdachte de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de Mooij Verf B.V. te Zwaag een bedrag van € 1.840,00 (eenduizend achthonderdveertig euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot

€ 1.840,00 (eenduizend achthonderdveertig euro), zulks ten behoeve van Mooij Verf B.V. voornoemd.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.C.P. Haentjens, mr. P. Greve en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. F. Hardonk-Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 april 2014.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]