Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1434

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
23-002687-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3220, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen gewapende overval op een juwelier en medeplegen poging doodslag na overval. Ook verantwoordelijk voor gevolgen na overval als je zelf wapen niet gehanteerd hebt. Bezit en gebruik van wapen dat je zelf niet gehanteerd hebt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/178

Uitspraak

parketnummer: 23-002687-12

datum uitspraak: 16 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 juni 2012 in de strafzaak onder de parketnummers 13-660502-11 en 13-410485-09 (TUL) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

adres: [adres], thans gedetineerd in[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2013, 19 maart 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4 primair, 5, 6 en 7 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:

  • -

    acht heeft geslagen op de door de advocaat-generaal op de zitting van 22 november 2013 gevorderde en door het hof toegewezen vordering wijziging tenlastelegging waarbij aan feit 6 een subsidiair feit is toegevoegd;

  • -

    niet overneemt de overweging van de rechtbank onder het kopje “4.4 Het oordeel van de Rechtbank”: “Medeplegen? Ter terechtzitting heeft de verdachte…” (pagina 5) tot en met “van de poging tot doodslag” (pagina 7);

  • -

    voor 4.4 Het oordeel van de Rechtbank” leest: “4.4 Het oordeel”;

  • -

    acht heeft geslagen op de justitiële documentatie van de verdachte van 5 maart 2014 en rekening heeft gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    nog de volgende bewijsmiddelen toevoegt op pagina 5 van dit vonnis na het zesde liggende streepje, en

  • -

    de verweren in hoger beroep bespreekt.

Bewijsmiddelen

1.

Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011125368-39 van 18 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], doorgenummerde bladzijden 23 tot en met 25.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Op 18 mei 2011 omstreeks 10:45 uur bevond ik mij op de openbare weg het Osdorpplein te Amsterdam. Ik zag een scooter aan komen rijden, en dat de bestuurder de capuchon van zijn jas over zijn hoofd getrokken had. Ik zag tevens dat het gezicht bedekt was met een zwart, vermoedelijk kunststof, masker (NN1) (het hof begrijpt gelet op zijn verklaringen ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep: verdachte). Ik zag een tweede persoon (NN2), gekleed in een donkerkleurige broek, een donkergekleurde gewatteerde jas en zwarte schoenen aan komen lopen. Ik zag dat NN2 de capuchon over zijn hoofd had getrokken, en dat hij onder de capuchon een grijs kleurig mutsje droeg dat zijn voorhoofd bedekte. Omstreeks 10:48 uur zag ik NN1 en NN2 naar buiten lopen. NN1 kwam als eerste naar buiten en ging op de motorscooter zitten en startte de motor. NN2 kwam ook naar buiten en had in zijn rechterhand een vuurwapen. Ik zag dat NN2 dit vuurwapen richtte op enkele mannen die nog in de Shoperade stonden en kennelijk achter NN2 aanliepen. Ik zag dat het vuurwapen dat NN2 richtte op de mannen in de Shoperade, sterke gelijkenis vertoonde met een vuurwapen van het merk Walther, type P38. Ik zag dat NN1 wegreed. Ik zag dat NN2 wegrende in dezelfde richting als NN1 en dat NN2 nog steeds het vuurwapen in zijn hand hield. Ik zag dat drie mannelijke personen achter NN1 en NN2 aanrenden, kennelijk omdat zij hen wilden aanhouden. Ik zag op dat moment ook dat een geüniformeerde collega, [verbalisant 2], NN1 vastgreep. Ik heb vervolgens NN1 samen met [verbalisant 2] onder controle gebracht en aangehouden. Ik zag dat naast NN1 een grijs kleurig vuurwapen op de grond lag. Tijdens het onder controle brengen van NN1 zag ik dat NN2 op enkele meters van ons bleef staan en in onze richting keek. Ik zag dat hij in zijn rechterhand nog steeds het vuurwapen vasthield en dit meerdere malen op mij en [verbalisant 2] richtte. Ik zag dat hij afwisselend met het wapen naar ons en naar omstanders richtte. Toen ik weer naar NN1 keek en probeerde zijn handen op zijn rug te brengen hoorde ik een schot.

2.

Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011125368-56 van 18 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], doorgenummerde bladzijden 27 tot en met 29.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangever [verbalisant 2], zakelijk weergegeven:

Op 18 mei 2011 te 10:45 uur op het Osdorpplein te Amsterdam is het feit gepleegd. Persoon 2 heeft het vuurwapen in mijn richting afgevuurd. Hij kwam kennelijk terug voor zijn maatje, hierdoor wist ik dat de kogel voor mij bestemd was en mogelijk voor de omstanders die mij hielpen tijdens de aanhouding.

3.

Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011125368-66 van 19 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], doorgenummerde bladzijden 31 tot en met 36.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangever [slachtoffer 1], zakelijk weergegeven:

Op 18 mei 2011 te 10:45 uur werd op het Osdorpplein te Amsterdam het feit gepleegd. Ik bevond mij in het winkelcentrum Shoperade. Ik hoorde “overval”. Ik zag 2 jongens, waarvan 1 met een pistool in zijn hand (NN1) (het hof begrijpt gelet op de verklaringen van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg: medeverdachte). Ik zag dat de ander (NN2) (het hof: gelet op dossierpagina 72 is dit verdachte) de etalage van de juwelier aan het leeghalen was. Ik zag NN1 met de achterkant van het pistool op het hoofd van de juwelier inhakken. Ik hoorde NN1 roepen “ik schiet, opzij, ik ga schieten, ga weg”. Ik zag dat de jongens wilden wegrennen. Ik hoorde dat zij riepen “ga opzij”. Ik ging achter NN1 aan. NN1 riep “ga weg, ga weg, of ik schiet”. Hij zwaaide hierbij met zijn pistool in mijn richting. Hij richtte ook op mij. Hij rende het plein op en ik rende achter hem aan. Hij dreigde te gaan schieten. Ik zag dat hij weer op mij richtte en ik hoorde dat hij 1 keer schoot. Ik pakte hem vast, waarna hij zich losrukte. Op ongeveer een meter of twee afstand richtte hij weer op mij. Ik hoorde dat hij weer een schot loste. Ik zag bloed op mijn linker bovenarm. Ik zag dat ik geraakt was. Ik zag later dat de kogel door mijn arm gegaan is. In het ziekenhuis zag ik een gaatje in mijn jas zitten, ter hoogte van mijn linker borstzak. Ik zag daarna dat mijn portemonnee stuk was. Ik zag dat de kogel dwars door mijn portemonnee gegaan was. Deze portemonnee droeg ik in mijn linker borstzak, ter hoogte van mijn hart tijdens het schietincident.

4.

Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011125368-75 van 19 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], doorgenummerde bladzijden 40 tot en met 44.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangever [getuige], zakelijk weergegeven:

Op 18 mei 2011 op het Osdorpplein te Amsterdam is het feit gepleegd. Ik stond te praten met [slachtoffer 1]. Opeens hoorden wij “overval, overval”. Ik zag twee overvallers. Ik zag dat ze bezig waren met vullen. Een van de overvallers hield een wapen (NN1) (het hof begrijpt gelet op de verklaringen van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep: medeverdachte). vast en richtte dit op de mensen die er omheen stonden. Ik zag dat NN1 het wapen op mij en [slachtoffer 1] richtte. Ik zag dat de andere overvaller bezig was met het vullen van een tas met sieraden. Buiten sprong ik op NN2, de persoon op de scooter. Ik zag dat [slachtoffer 1] bezig was met NN1. Toen ik NN2 van de scooter trok, hoorde ik schoten. Ik heb twee schoten gehoord.

5.

Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011125368-65 van 19 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6], doorgenummerde bladzijden 45 tot en met 48.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangever [slachtoffer 2], zakelijk weergegeven:

Op 18 mei 2011 te 10:45 uur op het Osdorpplein is het feit gepleegd. Mijn vader is eigenaar van de juwelierszaak “Ganpat juweliers”, gevestigd in de Shopperhal aan het Osdorpplein te Amsterdam. Ik zag dat twee jongens over de vitrinekasten sprongen. Ik zag dat 1 van de jongens direct sieraden begon te pakken uit de vitrine die nog open stond (het hof begrijpt gelet op de verklaringen van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg: de medeverdachte). De tweede dader (het hof begrijpt: de mededader) liep direct naar mij toe en begon mij met zijn vuurwapen te bedreigen. Ik hoorde deze dader (NN1) roepen: “Ik ga je schieten.” Vervolgens zag en voelde ik dat NN1 (het hof leidt uit dossierpagina 159 af: de mededader) mij met het vuurwapen achter op mijn hoofd sloeg. Dit deed hij met de kolf. Ik voelde direct pijn. Ik hoorde NN1 roepen dat ik moest gaan liggen. Vervolgens zag en voelde ik dat NN1 mij met het vuurwapen nogmaals op mijn achterhoofd sloeg. Ik zag dat de andere jongen (NN2) (het hof leidt uit dossierpagina 159 af: de verdachte) bezig was om sieraden te pakken uit de vitrinekast.

Gevoerde verweren

De raadsvrouw acht de verdachte geen medepleger van de feiten na de overval en heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het medeplegen van het voorhanden hebben van een (echt) wapen (feit 3) en het voorwaardelijk opzet op het gebruik van het wapen (feit 1 geen opzet op het gericht schieten danwel op het toegepaste geweld op [slachtoffer 1], [getuige], [verbalisant 2] en [verbalisant 1]) en de poging doodslag (feit 2). Zij heeft daartoe het volgende – kort samenvat – aangevoerd.

Verdachte heeft het wapen voorafgaand aan de overval nooit gezien en weet niet hoe de mededader er aan komt. Dit blijkt ook uit tapgesprekken met familie. De verdachte had zelf een gaspistool mee, naar hij heeft verklaard om uit te sluiten dat een ander wapen nodig was. Hij stelt dat hij naar buiten is gerend toen hij het wapen in handen van de mededader zag, als enige mogelijkheid om van diens optreden afstand te nemen. Een andere mogelijkheid om zich te distantiëren was er niet.

De afspraak “dat hij alles onder controle moest houden” en dat “de mededader een agressief type is en vaker overvallen pleegt” is onvoldoende om hieruit de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor het bezit en het gebruik van een vuurwapen door de mededader op te baseren. Er kan niet uit geconcludeerd worden dat “het onder controle houden” met een vuurwapen zou gebeuren. De afspraak was immers dat dat met een mes zou gebeuren. De verdediging wijst nog naar een, volgens de verdediging, soortgelijke zaak namelijk de Arnhemse scooterzaak (HR 29 oktober 2013), en verzoekt het hof dezelfde lijn te volgen als het hof Arnhem in deze. Het opzet van de medeverdachte ging verder dan het opzet van verdachte (pleitnota pagina 9).

De verdediging concludeert dat nauwe en bewuste samenwerking terzake het voorhanden hebben van het wapen niet bewezen kan worden, en dat vrijspraak moet volgen (feit 3).

Ook ten aanzien van het gebruik van het vuurwapen bevat het dossier onvoldoende bewijs dat de verdachte als mededader kan worden beschouwd. Volgens de verdediging schiet de mededader om zichzelf van zijn achtervolger te bevrijden en niet om de verdachte te verlossen van diens belagers. Voorts is de afstand tussen de reeds op de grond liggende verdachte en de mededader te ruim om van directe nabijheid tijdens het schieten te kunnen spreken. Er zijn twee gescheiden en individuele situaties van de verdachten na de overval (pagina 7 pleitnota). Voorts leert bijvoorbeeld een arrest van het hof Den Bosch (LJN BR1512) dat wat na voltooiing van het delict gebeurt op zichzelf nog geen medeplegen oplevert. De wijze waarop is geschoten is een volgende contra-indicatie, want de verdachte liep net zoveel risico geraakt te worden als de omstanders. Er was geen plan met betrekking tot het gebruik van het vuurwapen, zoals blijkt uit de verklaring van de verdachte, er blijkt niet van enige samenwerking of overleg tussen de verdachte en de mededader over de wijze van vluchten, de verdachte kón zich niet distantiëren door het optreden van omstanders en de mededader en het feit dat hij op de grond lag met omstanders bovenop hem, en de mededader is veel verder gegaan dan de afgesproken overval en door een wapen te richten op achtervolgers en te schieten is het duidelijk een soloactie.

De verdediging bepleit dat het hof niet tot medeplegen kan komen nu de verdachte niet betrokken is geweest bij de wilsvorming en uiting van de medeverdachte terzake het schieten. De verdachte heeft geen opzet gehad op het gericht schieten dan wel op het toegepaste geweld op [slachtoffer 1], [getuige], [verbalisant 2] en [verbalisant 1] danwel op het medeplegen hiervan en hij dient te worden vrijgesproken voor feit 1 en 2.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft voorafgaand aan de overval met zijn mededader besproken hoe zij de overval zouden plegen. Zij hebben daarbij een rolverdeling afgesproken. Dat, volgens de verdachte, niet ter sprake zou zijn gekomen dat de mededader een schietklaar vuurwapen mee zou nemen, maakt nog niet dat de verdachte niet bewust het risico heeft aanvaard dat de mededader een echt vuurwapen bij zich zou hebben, nu de mededader “alles onder controle zou houden”1 en verdachte “zou dekken”2. Verdachte wist dat zijn mededader “een raar type jongen was”3 die al vaker een overval had gepleegd en die volgens verdachte ook “wel wat agressief overkwam”4. Verdachte heeft bij de rechtbank verklaard: “In de voorbespreking hebben we het over de rolverdeling gehad. Ik was de graaier en hij de backup.”5

Het hof oordeelt dat de verdachte op zijn laatst in de winkel van de juwelier heeft geweten dat de mededader over een vuurwapen beschikte dat mogelijk tot daadwerkelijk schieten geschikt was: de mededader heeft met de kolf van het vuurwapen op het hoofd van de juwelier geslagen en heeft hem gedreigd te zullen schieten6en de slede van het vuurwapen naar achteren gehaald. De verdachte heeft dit geweld in ieder geval deels gezien7, maar van een op dat moment nog mogelijke terugtred door verdachte is echter niet gebleken. Niets van dat alles: de verdachte is doorgegaan met zijn deel van de afgesproken taakverdeling en is pas gestopt nadat de mededader had geroepen “we gaan, we gaan”.8

Vervolgens zijn beide verdachten samen vlak achter elkaar de winkel en de Shoperade uit gevlucht. Buiten de Shoperade is verdachte door omstanders naar de grond gewerkt. De mededader rende aanvankelijk door, maar draaide zich om en kwam terug, waarna hij op de omstanders schoot.

Dit schieten is onderdeel geweest van de vlucht na de overval. Dat blijkt uit het korte tijdsbestek waarin de overval en de vlucht hebben plaatsgevonden en het feit dat de verdachten zowel over de overal als over de vlucht afspraken hebben gemaakt9.

Verdachte verklaart voorts zelf: “We hebben het (het hof begrijpt uit de context: vóór de overval) gehad over wat ons te wachten stond. Ik bedoel wat de een en wat de ander gaat doen.”10

Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld, of aan verdachte ook het medeplegen van de poging tot doodslag op de omstanders kan worden verweten. Vast staat dat het opzet op het plegen van de poging tot doodslag bij de mededader aanwezig was. Door na de overval gericht te schieten op [slachtoffer 1], [verbalisant 2], [verbalisant 1] en omstanders, heeft deze mededader bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze personen dodelijk zouden kunnen worden getroffen. Dat dit uitsluitend toeval is dat dit niet is gebeurd, blijkt wel uit de kogel die dwars door de portemonnee van [slachtoffer 1] die ter hoogte van zijn hart zat, is geschoten, en ook nog in de arm van [slachtoffer 1].

Om tot een bewezenverklaring van medeplegen door verdachte te komen, dient sprake te zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. Uit het dossier valt af te leiden dat verdachte en zijn mededader hebben afgesproken een overval te plegen op de juwelier waarmee verdachte naar eigen zeggen nog een appeltje te schillen had en die hij terug wilde pakken. Zij spraken onder meer af welke spullen zij zouden meenemen, dat er een vluchtscooter zou zijn, alsmede een fifty-fifty verdeling van de buit. Verder spraken zij af dat verdachte de juwelierszaak binnen zou gaan en zou “graaien” en dat de mededader hem “zou dekken” en “alles onder controle zou houden”. Uit het dossier blijkt dat verdachte en zijn mededader de vooraf gemaakte afspraken ook hebben uitgevoerd: verdachte is de buit bij elkaar gaan graaien en de mededader is de juwelier gaan bedreigen. Hierbij is de mededader ook direct overgegaan tot het toepassen van grof geweld: de juwelier werd met de kolf van het pistool tot bloedens toe op het hoofd geslagen. Ondertussen ging verdachte door met het pakken van sieraden uit de vitrines. Verdachte heeft verklaard dat hij gezien heeft dat zijn mededader tijdens de overval de juwelier met de kolf van een pistool op het hoofd sloeg.11 Na het verzamelen van de buit, zijn verdachte en zijn mededader over de toonbank van de juwelierszaak gesprongen en wilden zij vluchten. Zij werden hierin echter belemmerd door omstanders en hierop heeft de mededader gericht op hen geschoten.

Het hof acht, anders dan de verdediging, bewezen dat verdachte het – voorwaardelijk - opzet heeft gehad op de poging tot doodslag van de slachtoffers. In de eerste plaats heeft verdachte samen met zijn mededader plannen gemaakt om op klaarlichte dag in een drukbezocht winkelcentrum en in het zicht van vele omstanders over te gaan tot het plegen van een gewapende overval op een juwelier. Verdachte had al geruime tijd plannen om deze juwelier te overvallen. Door in zee te gaan met een mededader die al vaker overvallen had gepleegd en die verdachte zelf als “een raar type jongen” en als “agressief” omschrijft en met deze mededader af te spreken dat hij hem zou “dekken” gedurende de overval, terwijl verdachte tijdens de overval zag dat deze mededader met een pistool agressief te keer ging tegen de juwelier, heeft verdachte – door bovendien ook na het zien van de agressie bij zijn medepleger door te gaan met de overval – bewust het risico aanvaard dat het uit de hand zou lopen en dat de mededader hierbij zijn vuurwapen ook daadwerkelijk zou gebruiken. Verdachte kan dan ook zowel als medepleger van de overval, als als medepleger van de poging tot doodslag op de omstanders, worden gezien. Door zijn actieve bijdrage aan de overval en het doorgaan met die de overval na het toepassen van het geweld door de mededader, heeft verdachte als het ware ingestemd met de agressie van zijn mededader die daarop volgde, te weten het gericht schieten op omstanders die hen de vlucht belemmerden.

Het hof is dan ook van oordeel dat ook de verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor medeplegen van de poging tot doodslag.

Het hof verwerpt de verweren en acht de verdachte dan ook verantwoordelijk voor het medeplegen van het bezit/voorhanden hebben en het gebruik van het vuurwapen tijdens en na de overval.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. H.W.J. de Groot en mr. D. Radder, in tegenwoordigheid van mr. A.M.R. Karsemeijer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 april 2014.

[...]

.

1 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 154-160.

2 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 69-75.

3 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 69-75.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 154-160.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting bij de rechtbank in de zaak van verdachte, dossierpagina 3.

6 Aangifte [slachtoffer 2], dossierpagina 45 en verder.

7 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 159

8 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 72.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 159.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 155.

11 Proces-verbaal verhoor verdachte, dossierpagina 159.