Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1417

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
200.096.362-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst. Bank heeft de overeenkomst opgezegd en legt daaraan een overschrijding van het krediet en een gebrek aan vertrouwen ten grondslag. In hoger beroep wordt alsnog geoordeeld dat de bank het krediet rechtmatig kon en mocht opzeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.096.362/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 463122/HA ZA 10-2073

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 april 2014

inzake

de naamloze vennootschap

DEUTSCHE BANK NEDERLAND N.V.,

na splitsing en naamswijziging rechtsopvolgster van de ABN AMRO N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. R. Dijkema te Hilversum,

tegen

[GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [woonplaats] en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHUT & PARTNERS JURISTEN B.V.,

gevestigd te Putten,

GEÏNTIMEERDEN,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

De bank is bij dagvaarding van 3 augustus 2011 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2011, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen de bank als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden.

Aan [geïntimeerden] is verstek verleend. De bank heeft een memorie van grieven genomen. Ten slotte is arrest gevraagd.

De bank heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog bij arrest - uitvoerbaar bij voorraad - haar vordering zal toewijzen met beslissing over de kosten, en voorts [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen in de kosten van de conservatoire maatregelen, met inbegrip van de over de deurwaarderskosten verschuldigde BTW.

De bank heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 t/m 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze vaststellingen zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.2

De bank is met Schut & Partners een kredietovereenkomst d.d. 28 januari 2004 aangegaan voor een krediet in rekening-courant met een kredietlimiet van € 25.000,- en tegen een kredietvergoeding van 8,4% per jaar. [geïntimeerde sub 1] heeft zich hoofdelijk verbonden voor hetgeen Schut & Partners uit hoofde van de kredietovereenkomst aan de bank verschuldigd zal zijn en heeft daartoe de overeenkomst op 1 februari 2004 medeondertekend. Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden en de Algemene Bepalingen voor Kredietverlening van de bank mede van toepassing verklaard.

3.3

De bank heeft de kredietovereenkomst bij brief van haar incassogemachtigde, Solveon Incasso B.V. d.d. 19 januari 2010 met kopie aan [geïntimeerde sub 1] met onmiddellijke ingang opgezegd wegens overschrijding van de kredietlimiet en een gebrek aan vertrouwen. [geïntimeerden] hebben aan de daaropvolgende sommaties en ingebrekestellingen van de bank om de schuld uit het krediet af te lossen geen gehoor gegeven.

3.4

De bank vordert in dit geding dat [geïntimeerden] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van die schuld begroot op - na vermindering van eis in eerste aanleg - € 27.588,48, vermeerderd met de overeengekomen rente vanaf 19 april 2010. [geïntimeerden] hebben in eerste aanleg de vordering bestreden, stellende dat de overeenkomst ten onrechte (geen sprake van overschrijding van de kredietlimiet), althans onregelmatig (niet gebaseerd op de kredietovereenkomst), althans in strijd met de overigens op de bank rustende zorgplicht (voortvloeiende uit haar maatschappelijke positie) en/of eisen van redelijkheid en billijkheid en van proportionaliteit en subsidiariteit is opgezegd. Voorts hebben zij de omvang en de opeisbaarheid van de vordering van de bank betwist.

3.5

De rechtbank heeft overwogen en beslist dat op de door de bank gestelde debetstand per 19 januari 2010 van € 27.178,22 in mindering moet worden gebracht:

- € 326,72 aan door de bank vanaf 19 mei 2006 in rekening gebrachte garantieprovisie;

- € 965,- aan door de bank op 15 januari 2010 in rekening gebrachte incassokosten van Solveon;

- € 700,- aan door de bank op 22 september 2008 in rekening gebrachte incassokosten van Solveon;

- € 52,70 aan rente over provisie;

- € 79,87 aan rente over de incassokosten,

dat dit resulteert in een debetstand per 19 januari 2010 van € 25.069,13, dat mitsdien de debetstand toen met (slechts) € 69,13 ongeoorloofd was overschreden en dat, gelet op deze slechts geringe overschrijding en de overige omstandigheden van het geval, de bank haar zorgplicht heeft geschonden door het krediet op te zeggen en dat mitsdien de vordering van de bank moet worden afgewezen. De bank is met vijf grieven tegen het vonnis opgekomen.

3.6

Grief I klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de kredietrekening na 19 mei 2006 ten onrechte maandelijks is gedebiteerd ter zake garantieprovisie tot per saldo € 326,72 en dat dit bedrag op de overstand per 19 januari 2010 in mindering moet worden gebracht. De bank betoogt in de toelichting op de grief dat zij de garantieprovisie terecht in rekening heeft gebracht omdat zij het origineel van de bankgarantie in kwestie nooit retour heeft ontvangen, waardoor de begunstigde van de garantie de garantie nog had kunnen claimen. Dit betoog vindt in de visie van de bank steun in het feit dat Schut & Partners nooit tegen de afschrijvingen hebben geprotesteerd.

3.7

Bij de beoordeling van de grief neemt het hof als gesteld en niet weersproken tot uitgangspunt dat de bank op 19 mei 2006 het in verband met de garantie in deposito gehouden bedrag op een rekening van [X] heeft teruggestort. Dit wijst erop dat de bank de originele bankgarantie toen weldegelijk retour had ontvangen, althans, in ieder geval, dat de bank op goede grond meende dat de garantie niet meer kon worden geclaimd. Daarmee is het betoog van de bank weerlegd; het enkele feit dat niet tegen de afschrijvingen is geprotesteerd, maakt dat niet anders. Het hof concludeert dat de bank de garantieprovisie na 19 mei 2006 ten onrechte in rekening heeft gebracht. Tot zover faalt de grief.

3.8

De bank heeft het bedrag dat zij na 19 mei 2006 voor garantieprovisie in rekening heeft gebracht, gesteld op (15 x € 20,42=) € 306,30. Uitgaande van een over dat bedrag aan Schut & Partners verschuldigde rente van € 52,70, zou de schuld uit het krediet met € 359,- moeten worden verminderd, aldus (subsidiair) de bank. Bij gebreke van verweer op dit punt zal het hof van dit bedrag uitgaan. De debetstand per 19 mei 2010 zal mitsdien met dit bedrag worden verminderd. Tot zover slaagt dus de grief.

3.9

Grief II klaagt over de bedragen van € 950,- en € 700,- die de rechtbank op de overstand per 19 januari 2010 in mindering heeft gebracht. De bank bestrijdt allereerst de juistheid van de overweging van de rechtbank, inhoudende dat Schut & Partners op 15 januari 2010 zijn gedebiteerd voor een bedrag van € 950,- voor incassokosten van Solveon, terwijl Solveon op dat moment nog geen incassowerkzaamheden had verricht. Het hof begrijpt dat de bank wil betogen dat Solveon toen wel incassowerkzaamheden had verricht die een afschrijving van € 950,- rechtvaardigen. De bank beroept zich voor haar standpunt op een brief van Solveon van 26 december 2009 waarin zij (Solveon) aankondigt dat zij (Solveon) de extra kosten die de bank moet maken om de vordering te incasseren bij Schut & Partners in rekening zal brengen.

3.10

Naar het oordeel van het hof laat deze brief geen andere uitleg toe dan dat de bank daarin aanspraak maakt op vergoeding van de kosten gemoeid met nadien (na 26 december 2009) nog door Solveon te verrichten incassowerkzaamheden. Gesteld noch gebleken is echter dat nadien incassowerkzaamheden zijn verricht, laat staan voor een bedrag van € 950,-. De bank licht verder niet toe - zoals zij verder aanvoert - dat artikel 8 van haar Algemene Voorwaarden voor Kredietverlening en artikel 28 van haar Algemene Voorwaarden de afschrijving van € 950,- rechtvaardigen. Bij deze stand van zaken houdt het hof het ervoor, dat de bank het bedrag van € 950,- ten onrechte heeft afgeschreven en dat mitsdien dat bedrag op de overstand per 19 januari 2010 in mindering moet worden gebracht. Tot zover is de grief ongegrond.

3.11

De bank heeft verder onweersproken betoogd dat het op 22 september 2008 voor incassokosten afgeschreven bedrag van € 700,- op 10 oktober 2008 weer is teruggestort. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van dit betoog en verbindt daaraan de conclusie dat de rechtbank de overstand per 19 januari 2010 ten onrechte heeft verminderd met dat bedrag. Tot zover treft de grief doel.

3.12

Grief III bouwt voort op de beide voorgaande grieven. De grief slaagt in zoverre dat gelet op de gedeeltelijke gegrondbevinding van de grieven I en II de schuld uit het krediet per 19 januari 2010 op (€ 27.178,22 minus € 359,- en € 950,- =) € 25.869,22 dient te worden gesteld.

3.13

Grief IV strekt tot betoog dat de bank het krediet per 19 januari 2010 - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - wel degelijk regelmatig heeft opgezegd wegens overschrijding van de kredietlimiet en een gebrek aan vertrouwen.

3.14

Bij de beoordeling van de grief dient, als gesteld en in eerste aanleg noch in hoger beroep weersproken, het navolgende het hof tot uitgangspunt. De kredietovereenkomst bepaalt in samenhang met de Algemene Voorwaarden en de Algemene Bepalingen Kredietverlening - kort samengevat - dat de bank het krediet op ieder gewenst moment onder opgaaf van redenen kan opzeggen. De kredietlimiet is destijds gebaseerd op de (toenmalige) jaaromzet van Schut & Partners. Vanaf 2007 vertoonde de rekening een structurele overstand en kwam onvoldoende omzet binnen op de rekening. Op de herhaalde schriftelijke verzoeken van de bank om de overstand aan te zuiveren - zoals daarvan blijkt uit de in eerste aanleg als producties 2 tot en met 11 overgelegde brieven - is niet adequaat gereageerd. Tot slot mocht de bank - zo blijkt uit het voorgaande - per datum opzegging (19 januari 2010) uitgaan van een debetstand van € 25.869,22.

3.15

Tegen deze achtergrond heeft naar het oordeel van het hof de bank het krediet regelmatig kunnen opzeggen tegen 19 januari 2010. De op de bank rustende zorgplicht en de eisen van redelijkheid en billijkheid en van proportionaliteit en subsidiariteit nopen niet tot een ander oordeel. Het verweer van [geïntimeerden] dat de herhaalde schriftelijke verzoeken van de bank om de overstand aan te zuiveren nooit zijn ontvangen, kan hen niet baten, aangezien Schut & Partners reeds op grond van de kredietovereenkomst gehouden was om de kredietlimiet te bewaken en een overstand aan te zuiveren. Dat de bank uiteindelijk gerechtvaardigd het vertrouwen in Schut & Partners heeft opgezegd, wordt nog eens bevestigd door het feit dat na 19 januari 2010 geen substantiële betalingen meer op de rekening zijn binnengekomen en het debetsaldo per 17 augustus 2012 is opgelopen tot € 32.225,17. Grief IV is mitsdien terecht voorgesteld.

3.16

Grief V bouwt voort op de eerdere grieven en klaagt enkel over de kostenveroordeling in eerste aanleg. De grief wordt - zo blijkt uit het navolgende - gehonoreerd.

3.17

De slotsom is dat het vonnis moet worden vernietigd. Door de opzegging van het krediet is de vordering van de bank, begroot op € 25.869,22, terstond opeisbaar geworden. De vordering zal mitsdien tot dit bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met - als gevorderd en op zichzelf niet weersproken - de overeengekomen rente van 8,4% vanaf 19 april 2010. De vordering tot veroordeling van (alleen) [geïntimeerde sub 1] in de kosten van het beslag is niet toewijsbaar. Voor toewijzing van die vordering is vereist dat het beslag rechtmatig is gelegd. Dit kan echter niet worden getoetst, omdat de beslagstukken - de toezegging in de inleidende dagvaarding ten spijt - niet zijn overgelegd.

3.18

[geïntimeerden] worden als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, zoals hierna in het dictum van dit arrest bepaald.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en

opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd tot betaling aan de bank van een bedrag van € 25.869,22, vermeerderd met de contractuele rente van 8,4% met ingang van 19 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd in de proceskosten van het geding in eerste aanleg tot op heden aan de zijde van de bank begroot op € 899,95 aan verschotten en € 1.447,50 voor salaris van de advocaat en van het hoger beroep tot op heden aan de zijde van de bank begroot op € 1.879,90 aan verschotten en € 1.158,-voor salaris van de advocaat;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, C. Uriot en M.W.E. Koopmann en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 april 2014.