Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1410

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
05-03-2015
Zaaknummer
200.124.895/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, voortgezet gebruik woning, gebruiksvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 22 april 2014

Zaaknummer: 200.124.895/01

Zaaknummer eerste aanleg: 193101/12-1836 (es) en 198299/12-4086 (vd)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. A.W. Morot te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 8 april 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 januari 2013 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem), met kenmerk 193101/12-1836 (es) en 198299/12-4086 (vd).

1.3.

De vrouw heeft op 7 juni 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De man heeft op 16 april 2013 en op 16 september 2013 nadere stukken ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 13 september 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 26 september 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1995 in gemeenschap van goederen gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind a] [in] 2000 en [kind b] [in] 2003 (de kinderen). Partijen leven sinds maart 2011 gescheiden.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1964.

Hij is maat in […] (de Maatschap). De Maatschap bestaat uit acht maten. Een aantal maten is werkzaam bij […] (RKZ) en een aantal bij […] (KG). Daarnaast zijn alle maten werkzaam bij […] (de Kliniek).

Het maatschapsaandeel van de man in de inkomsten uit RKZ, KG en de Kliniek bedraagt 8/61. Daarnaast ontvangen de maten inkomsten uit […] (de Stichting) in verband met niet vergoede behandelingen, ('eigen rekening patiënten').

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vrouw bewoonde voormalig echtelijke woning betaalt hij € 5.467,- per maand aan rente. Aan premie voor de levensverzekering die verband houdt met de hypothecaire lening, betaalt hij € 242,- per maand. De WOZ-waarde is laatstelijk vastgesteld op € 1.553.000,-.

Zijn huur bedraagt € 2.350,- per maand, exclusief € 66,- per maand aan belastingen.

Hij betaalt premie voor een zorgverzekering. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 29,- per maand. Dit bedrag wordt geheel verbruikt.

Hij betaalt een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 597,50 per kind per maand.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met de kinderen van € 105,- per maand.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1966. Zij vormt samen met de kinderen een eenoudergezin.

Zij ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Volgens een betaalspecificatie van januari 2013 bedroeg de uitkering in die maand € 1.838,- bruto, exclusief vakantietoeslag.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang;

- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- bepaald dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de voormalig echtelijke woning aan [adres] (de woning) te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;

- bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal betalen van € 9.617,06 per maand voor de periode dat de vrouw de woning bewoont en de woning nog niet is verkocht;

- bepaald dat de man met ingang van het moment dat de woning is verkocht en de vrouw deze woning heeft verlaten een uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van € 12.029,67 per maand.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat:

- de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op maximaal € 3.600,- per maand wordt gesteld, althans op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten in de situatie dat de man in de woning woont c.q. de woning aan hem is geleverd en dat de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op maximaal € 1.333,- per maand wordt gesteld, althans op een zodanig bedrag als het juist zal achten in de situatie dat de vrouw in de woning woont;

- hij tegenover de vrouw het recht heeft om in de woning te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- uitsluitend in het geval het hof van oordeel is dat de vrouw in de woning mag blijven wonen, te bepalen dat zij met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een gebruiksvergoeding van € 1.000,- per maand aan de man zal betalen totdat de woning aan een opvolgend derde is verkocht en geleverd dan wel in eigendom aan de man is overgedragen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op de woning rustend hypothecaire geldlening is ontslagen.

3.3.

De vrouw verzoekt:

- primair het door de man verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;

- subsidiair, voor zover het hof de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw wijzigt, de uitkering vast te stellen op een bedrag van € 5.995,- bruto per maand voor de periode dat de woning nog niet is verkocht en de vrouw deze woning bewoont en op een bedrag van € 10.465,- per maand met ingang van de datum waarop de woning is verkocht, althans een zodanige uitkering vast te stellen als het hof juist zal achten.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Echtscheiding

4.1.

In eerste aanleg hebben partijen een ouderschapsplan ingediend. Ter zitting in eerste aanleg is evenwel gebleken dat zij ten aanzien van de invulling van de zorgregeling nog op enkele punten verdeeld waren.

De man heeft betoogd dat de rechtbank de beslissing op het verzoek tot echtscheiding had moeten aanhouden totdat partijen overeenstemming hadden bereikt over de zorgregeling. Wat daarvan zij, ter zitting in hoger beroep hebben partijen desgevraagd verklaard dat de rechtbank inmiddels een zorgregeling heeft vastgesteld, inhoudende dat de kinderen eenmaal per veertien dagen van donderdag tot dinsdag bij de man verblijven. Gelet daarop heeft de man geen belang meer bij beoordeling van zijn grief gericht tegen de echtscheiding, zodat de bestreden beschikking op dit punt zal worden bekrachtigd.

Voortgezet gebruik woning

4.2.

De man stelt dat hij een groter belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning dan de vrouw. Hij voert daartoe aan dat niet aannemelijk is dat de woning, die te koop staat, binnen afzienbare tijd zal zijn verkocht, dat de vrouw niet in staat is de woning over te nemen, dat hij alle lasten van de woning voldoet en daardoor niet in staat is de aankoop van een woning elders te financieren, dat hij in het kader van de verdelingsprocedure heeft verzocht de woning aan hem toe te delen en dat de vrouw met het recht van voortgezet gebruik geen enkele prikkel heeft om aan die toedeling mee te werken.

De vrouw heeft dat betoog betwist. Zij heeft te kennen gegeven dat zij geen bezwaar heeft tegen toedeling van de woning aan de man, indien die plaatsvindt tegen de huidige vraagprijs en voorts dat zij voornemens is op termijn zelf een woning te kopen, doch dat de man in april 2012 ermee heeft ingestemd dat zij de woning kon blijven bewonen totdat die zou zijn verdeeld.

Het hof overweegt als volgt.

4.3.

Vaststaat dat de vrouw, anders dan de man, niet over vervangende woonruimte beschikt en dat zij de zorg heeft voor de kinderen. Reeds om die reden dient het belang van de vrouw bij het voortgezet gebruik van de woning te prevaleren boven dat van de man. Dat de vrouw gedurende de periode van het voortgezet gebruik niet zal meewerken aan toedeling van de woning aan de man in het kader van de verdeling acht het hof, bij gebrek aan nadere onderbouwing, niet aannemelijk. Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking in zoverre zal worden bekrachtigd.

Ten overvloede overweegt het hof in dit verband nog het volgende. Het hof acht het redelijk dat, indien na de periode van het voortgezet gebruik de woning nog niet is verdeeld, dan wel is verkocht aan een derde, de man de woning weer zal bewonen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de man de volledige lasten van de woning voldoet, dat hij heeft verzocht de woning aan hem toe te delen en de vrouw tegen die toedeling op zichzelf geen bezwaar heeft, dat de vrouw voornemens is elders een woning te betrekken, dat de periode van het voortgezet gebruik haar daartoe voldoende gelegenheid biedt en dat tegen die achtergrond de vrouw de man naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet langer kan houden aan de in april 2012 gedane toezegging.

Gebruiksvergoeding

4.4.

Gelet op de beperkte financiële draagkracht van de vrouw als hierna te melden, ziet het hof geen aanleiding tot het vaststellen van een gebruiksvergoeding. Bovendien zal een door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding de hierna te beoordelen draagkracht van de man navenant doen toenemen.

Uitkering tot levensonderhoud van de vrouw

4.5.

Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Het hof zal de draagkracht van de man eerst beoordelen.

Draagkracht man

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomsten van de man in 2012 als uitgangspunt hebben te gelden bij de bepaling van diens draagkracht. Zij zijn verdeeld over de hoogte van dat inkomen. Het hof overweegt daarover als volgt.

4.6.1.

Bij de stukken bevindt zich een brief van RKZ van 11 april 2013 (productie 38 beroepschrift), waarin een inschatting is gemaakt van de individuele honorariumomzet van de man op basis van de voorlopige afrekening van 2012. Hoewel het geen definitief stuk betreft, ziet het hof geen aanleiding aan de juistheid van de in die brief vermelde cijfers te twijfelen en zal het die cijfers tot uitgangspunt nemen. Uitgaande van de in de brief genoemde honorariumomzet maatschap Plastische chirurgie van € 1.184.233,- en na aftrek van € 42.988,- aan administratiekosten (3% van de omzet, vermeerderd met B.T.W.), bedraagt het aandeel van de man daarin € 149.671,-.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat op de omzet een bedrag van € 30.000,- in mindering dient te worden gebracht in verband met kosten verschuldigd aan RKZ wegens het opereren van eigen rekening patiënten in de tijd van de stafmaatschap. In het licht van de betwisting door de vrouw heeft de man die kosten onvoldoende onderbouwd.

Verder gaat het hof voorbij aan het betoog van de vrouw dat de man mogelijk meer inkomsten van RKZ heeft ontvangen op grond van individuele afspraken tussen de man en RKZ en in verband met bijzondere prestaties. In het licht van voornoemde brief van 11 april 2013 en de daarin genoemde cijfers heeft de vrouw dat betoog onvoldoende onderbouwd.

4.6.2.

Het hof gaat ten aanzien van KG uit van de afrekening 2012, zoals opgenomen in de brief van 1 juli 2013 (productie 39 beroepschrift). Daaruit volgt een praktijkopbrengst in 2012 van € 644.750,-.

Uit de stukken is gebleken dat de opbrengst is behaald door 2,68 FTE waarvan de Maatschap in 2012 voor 2 FTE deel uitmaakte. Gebleken is dat de Maatschap haar werkzaamheden in KG per 1 juli 2013 heeft uitgebreid naar 2,68 FTE. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien die uitbreiding, in 2012 met de volledige praktijkopbrengst (op basis van 2,68 FTE) rekening dient te worden gehouden. Het hof volgt haar daarin niet. Nog daargelaten dat de uitbreiding niet ziet op 2012, kan, bij gebrek aan nadere onderbouwing, niet zonder meer gezegd worden dat de uitbreiding ertoe zal leiden dat het aandeel van de man in de praktijkopbrengst van KG in de toekomst zal toenemen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de praktijkopbrengst van € 644.750,- voor 2/2,68 deel in aanmerking zal worden genomen, zijnde voor een bedrag van € 481.157,-. Het aandeel van de man daarin bedraagt € 63.103,-. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man daarnaast variabele inkomsten van KG ontvangt, bij gebrek aan nadere onderbouwing.

4.6.3.

Ter onderbouwing van de door hem gestelde inkomsten uit de Kliniek heeft de man zich beroepen op twee transactieoverzichten van twee rekeningen bij de Rabobank. De vrouw heeft betoogd dat die overzichten niet uitsluiten dat nog uit te keren bedragen op de rekening van Kliniek staan, dan wel dat bedragen naar andere bankrekeningen zijn overgeboekt. Het hof volgt de vrouw daarin. Het had op de weg van de man gelegen een nader overzicht (van de Kliniek) in te dienen waaruit zijn inkomsten blijken, hetgeen hij heeft nagelaten. Anderzijds heeft de vrouw niet weersproken dat de huurlasten zijn gestegen, dat extra investeringen zijn gedaan, dat de eigen rekening patiënten in aantal zijn teruggelopen, en dat de behandelingen goedkoper zijn geworden. In het licht daarvan zal het hof in redelijkheid uitgaan van het gemiddelde van de door de vrouw gestelde inkomsten van € 46.362,- (het gemiddelde over 2010 en 2011) en de door de man gestelde inkomsten van € 31.127,-. Dit brengt met zich dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 38.745,-.

4.6.4.

Ten aanzien van de inkomsten uit de Stichting heeft de man zich beroepen op twee transactieoverzichten van een rekening bij de Rabobank, waaruit inkomsten blijken van in totaal € 21.376,- (KG: € 6.096,-, RKZ: € 15.280,-). De vrouw heeft de hoogte van die inkomsten betwist. Ter onderbouwing heeft zij overzichten ingediend van de ontvangsten en uitgaven van de Stichting (productie 14 verweerschrift). Daaruit blijkt dat na aftrek van het voorschot van € 6.096,- dat aan de man is uitgekeerd en na aftrek van de overige voorschotten en kosten, de Stichting vanuit KG een bedrag van € 42.161,88 heeft ontvangen voor eigen rekening patiënten. De juistheid van dat stuk is niet ter discussie gesteld, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Op grond daarvan zal het hof naast het reeds uitgekeerde voorschot rekening houden met het aandeel van de man in het bedrag van € 42.161,88, zijnde een bedrag van € 5.529,-, hetgeen leidt tot een bedrag van in totaal € 11.625,-.

Uit voornoemde productie blijkt voorts dat de Stichting in 2012 voor eigen rekening patiënten van RKZ een bedrag van € 336.722,- heeft ontvangen, dat de kosten (exclusief reeds uitgekeerde voorschotten) € 193.131,- bedroegen en dat op grond daarvan de te verdelen netto inkomsten € 143.591,- bedroegen. De juistheid van dat stuk is evenmin ter discussie gesteld, zodat het hof daarmee rekening zal houden. Het aandeel van de man in die netto inkomsten kan daarmee worden bepaald op € 18.832,-.

Gezien het voorgaande volgt het hof de vrouw in haar stelling dat met een bedrag van in totaal € 30.456,- rekening dient te worden gehouden.

4.6.5.

In een door de man ingediende brief van zijn accountant van 22 augustus 2013 (productie 45 beroepschrift) is een overzicht opgenomen van de praktijkkosten de man. Op basis van dat overzicht bedragen de kosten in totaal € 44.150,- inclusief pensioenlasten van € 21.500,-. De vrouw heeft de in dat overzicht opgevoerde posten 'Telefoonkosten' en 'Vakliteratuur en studiekosten' ter zitting ter discussie gesteld en, met verwijzing naar haar verweerschrift, betoogd dat dient te worden uitgegaan van praktijkkosten van € 39.405,-. Ter zitting heeft zij aangevoerd dat telefoonkosten in de voorgaande jaren niet zijn opgevoerd en dat de man geen verklaring heeft gegeven voor de stijging van de kosten voor vakliteratuur en studie van € 1.500,- naar € 6.000,-.

Het hof overweegt als volgt. Uit de toelichting op de in 2008, 2009 en 2010 opgevoerde 'Kantoorkosten' blijkt dat een bedrag van gemiddeld € 1.635,- ziet op 'Telefoon en porti'. In 2012 heeft de man een bedrag van € 3.000,- aan telefoonkosten opgevoerd. Gelet op die aanzienlijke stijging kon van de man worden gevergd dat hij daarover een toelichting had gegeven. Nu hij dat heeft nagelaten, zal het hof uitgaan van voornoemd bedrag van € 1.635,- en de in 2012 opgevoerde kosten dienovereenkomstig corrigeren. Met de vrouw stelt het hof vast dat de post 'Vakliteratuur en studiekosten' in 2012 aanzienlijk is gestegen ten opzichte van 2010. De man heeft voor die stijging evenmin een verklaring gegeven, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Gelet daarop ziet het hof aanleiding uit te gaan van het door de vrouw gestelde bedrag van € 1.500,- en zal het hof de door de man opgevoerde post 'Vakliteratuur en studiekosten' dienovereenkomstig corrigeren.

In het licht van het voorgaande komt het hof de door de vrouw opgevoerde praktijkkosten van € 39.405,- redelijk voor, zodat met dat bedrag rekening zal worden gehouden.

4.6.6.

De vrouw heeft betoogd dat voorts rekening dient te worden gehouden met het aandeel van de man in het gemiddelde van de inkomsten van de Maatschap uit overige bronnen in 2008, 2009 en 2010, zoals opgenomen in de toelichting op de winst- en verliesrekeningen van 2008, 2009 en 2010. Zij heeft daarbij verwezen naar de posten 'Stichting Plastische Chirurgie', 'Opbrengst littekensalaris', 'Keuringen, controles en info' en 'Vergoeding medisch management'. De man heeft niet weersproken dat hij aanspraak maakt op zijn maatschapsaandeel in voornoemde inkomsten, zodat het hof met die inkomsten rekening zal houden. De in de winst- en verliesrekening opgenomen post 'Stichting Plastische Chirurgie' bedroeg in 2008, 2009 en 2010 gemiddeld € 73.138,-. Het maatschapsaandeel van de man in die inkomsten kan daarmee worden bepaald op € 9.592,-. De posten 'Opbrengst littekensalaris', 'Keuringen, controles en info' en 'Vergoeding medisch management' bedroegen in 2008, 2009 en 2010 gemiddeld respectievelijk € 2.739,-, € 10.528,- en € 1.967,-, in totaal derhalve € 15.234,-. Het maatschapsaandeel van de man in die inkomsten kan daarmee worden gesteld op € 1.998,-. Gezien het voorgaande gaat het hof uit van inkomsten uit overige bronnen van in totaal € 11.590,-.

De enkele stelling van de vrouw ter zitting dat de man werkzaamheden verricht dan wel gaat verrichten voor de firma [d] te [a] acht het hof onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

Ten slotte gaat het hof voorbij aan het betoog van de vrouw dat rekening dient te worden gehouden met goodwill vergoedingen die de man heeft ontvangen van compagnons, die tot de maatschap toetreden. Zij heeft daartoe onvoldoende aangevoerd.

4.6.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof met een winst uit onderneming van € 254.160,- bruto per jaar rekening zal houden.

4.6.8.

In haar draagkrachtberekening(en) is de vrouw uitgegaan van een box III vermogen aan de zijde van de man van € 389.441,-. Ter zitting heeft de advocaat van de man namens hem aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met een vermogen van € 90.000,-.

Het hof stelt vast dat het box III vermogen van de man blijkens het fiscaal rapport IB 2011 op 1 januari 2011 € 503.404,- bedroeg. Niet in geschil is dat de man nadien een bedrag van € 200.000,- aan de vrouw heeft voldaan in het kader van de verdeling. Verder heeft de vrouw erkend dat de man haar terzake van de verdeling van de waarde van de goodwill een bedrag van € 100.000,- verschuldigd zal zijn. Met de vrouw acht het hof het redelijk dat de man dat bedrag uit zijn vermogen zal voldoen. Voor zover de man heeft betoogd dat hij nog overige betalingen ten laste van zijn vermogen heeft voldaan, volgt het hof hem daarin niet, bij gebrek aan voldoende nadere onderbouwing.

Gezien het voorgaande zal het hof rekening houden met een box III vermogen van € 203.404,- (€ 503.404,- -/- € 200.000,- -/- € 100.000,-). Zoals gebruikelijk zal rekening worden gehouden met een rendement van 4% per jaar.

4.7.

De vrouw heeft betoogd dat de man met zijn partner samenwoont en dat met de helft van zijn woonlasten rekening dient te worden gehouden. Daarbij heeft zij zich beroepen op een observatierapport van VMB Security & Solutions te Almere van 13 september 2013, op verklaringen van de kinderen, op het feit dat de partner van de man op het adres van diens moeder en stiefvader staat ingeschreven en het adres van de man als postadres gebruikt, en op het gegeven dat de man een extra bankpas voor haar heeft aangevraagd. De man heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zijn partner nog gehuwd is in Istanbul en daar een kind heeft, dat zij regelmatig voor langere tijd in haar woning aldaar verblijft en dat zij gedurende haar verblijf in Nederland afwisselend bij hem en bij zijn familie verblijft.

Het hof acht het observatierapport onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de man met zijn partner samenwoont, gelet op het aantal observatiedagen en het aantal dagen waarop de partner van de man in de woning van de man is waargenomen. Bovendien strookt het feit, zoals ook in dat rapport is vermeld, dat de partner van de man staat ingeschreven op het adres van diens moeder en stiefvader, niet met de gestelde samenleving van de man en diens partner. Ook overigens heeft de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk gemaakt dat de man met zijn partner samenwoont. Het hof zal dan ook rekening houden met de volledige door de man opgevoerde huurlasten voor de periode dat hij die woning bewoont.

Daarnaast houdt het hof rekening met de hypotheekrente van de voormalig echtelijke woning en de aan die hypotheek gekoppelde levensverzekering. De man heeft verzocht rekening te houden met een bedrag van € 195,- per maand aan eigenaarslasten. Ter onderbouwing heeft hij een bewijs van de door hem betaalde eigenaarslasten in 2012 en 2013 ingediend. De vrouw heeft betoogd dat zij in 2013 een deel van de eigenaarslasten voor haar rekening heeft genomen en dat uitsluitend met de door de man daadwerkelijk betaalde lasten rekening dient te worden gehouden.

In navolging van hetgeen in 4.3 is overwogen, gaat het hof ervan uit dat de man de woning, na afloop van de periode van het voortgezet gebruik door de vrouw, wederom zal bewonen. Gelet op de relatief korte periode van het voortgezet gebruik acht het hof het redelijk dat de man thans reeds de volledige eigenaarslasten voor zijn rekening zal nemen. Gelet op de hoogte van de door de man en de vrouw betaalde eigenaarslasten in 2013 komt het hof de door de man opgevoerde last van € 195,- per maand niet onredelijk voor, zodat daarmee rekening zal worden gehouden.

Daarnaast houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en met een draagkrachtpercentage van 60.

4.8.

Uit productie 32 bij het beroepschrift van de man leidt het hof af dat de man € 137,- per maand aan premie voor een zorgverzekering betaalt. Uit voornoemde productie blijkt voorts dat de man een premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalt van € 4.568,- per kwartaal. Het hof zal met die bedragen rekening houden.

Blijkens het fiscaal rapport IB 2011 bedraagt de door de man te betalen premie voor een lijfrenteverzekering € 8.000,- per jaar, zodat het hof daarmee, in navolging van de vrouw, rekening zal houden.

4.9.

Het hof houdt geen rekening met het door de man opgevoerde bedrag van € 252,- per maand aan bijzondere kosten. Voor zover die kosten niet reeds zijn verdisconteerd in de praktijkkosten van de man, althans in de in aanmerking te nemen bijstandsnorm, wordt de man geacht die kosten uit zijn vrije ruimte te voldoen.

4.10.

Met verwijzing naar hetgeen onder 4.6.8 is overwogen, wordt de man geacht het bedrag dat hij in het kader van de verdeling van de waarde van de goodwill aan de vrouw verschuldigd zal zijn uit zijn vermogen te voldoen. Tegen die achtergrond ontbreekt de noodzaak van de door de man in zijn draagkrachtberekeningen opgevoerde schuld in verband met de verdeling van de waarde van de goodwill, zodat het hof met de aflossing op die schuld geen rekening zal houden.

4.11.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen is de man na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in staat een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te voldoen van € 3.595,- per maand gedurende de periode dat de vrouw de woning bewoont en van € 6.615,- per maand vanaf het moment dat hij de woning bewoont.

Behoefte vrouw

4.12.

Uit de stukken is gebleken dat de vrouw een bipolaire stoornis heeft, dat zij 80 tot 100% arbeidsongeschikt is verklaard en dat zij gedurende 13 jaar niet aan het arbeidsproces heeft deelgenomen. Tegen die achtergrond is niet aannemelijk geworden dat de vrouw binnen afzienbare tijd een inkomen kan verwerven hoger dan haar arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De rechtbank heeft aan de zijde van de vrouw rekening gehouden met inkomsten uit vermogen, uitgaande van een vermogen van € 200.000,- en een rendement van 4% per jaar. Die inkomsten zijn in hoger beroep niet ter discussie gesteld, zodat het hof daarmee rekening zal houden.

4.13.

Bij de bepaling van de behoefte van de vrouw heeft als uitgangspunt te gelden dat rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.

4.14.

De vrouw heeft haar behoefte aan de hand van een door haar ingediend behoefteoverzicht onderbouwd. In haar overzicht komt zij uit op een behoefte van € 12.850,- netto per maand. De man heeft een groot aantal posten ter discussie gesteld en betoogd dat dient te worden uitgegaan van een behoefte van € 4.000,- netto per maand.

4.15.

In haar behoefteoverzicht heeft de vrouw onder meer kosten in verband met de financiering van een eigen woning opgevoerd. Zij is daarbij uitgegaan van een woning met een aankoopwaarde van € 600.000,- een hypothecaire geldlening van € 640.000,-, een hypotheekrente van 5,5% per jaar en een aflossingsperiode van 12 jaar. In reactie daarop heeft de man aangevoerd dat een woning met een aankoopwaarde van € 500.000,- redelijk is en dat de vrouw geacht kan worden een bedrag van € 100.000,- aan eigen vermogen in te brengen, waardoor zij een hypotheek nodig heeft van € 400.000,-. Uitgaande van een aflossingsvrije hypotheek van € 200.000,-, een hypotheek van € 200.000,- die in 30 jaar dient te worden afgelost en een rente van 3,8% per jaar, kan de rente en aflossing volgens hem worden bepaald op respectievelijk € 4.000,- netto per jaar en € 6.660,- netto per jaar. De vrouw heeft daarop subsidiair betoogd dat de man in zijn berekening niet heeft onderkend dat ook rente verschuldigd is over de aflossingsvrije hypotheek, dat de rente over de aflossingsvrije hypotheek volgens de nieuwe normen niet fiscaal aftrekbaar is en dat een rente van 3,8% per jaar niet realistisch is.

Gelet op de waarde van de voormalig echtelijke woning en de daarmee verband houdende huwelijkse welstand acht het hof een woning met een waarde van € 600.000,- niet onredelijk. Voor zover de man al kan worden gevolgd in zijn stelling dat de vrouw geacht kan worden een bedrag van € 100.000,- aan eigen vermogen in te brengen en de woning overigens met een aflossingsvrije en een niet aflossingsvrije hypotheek te financieren, onderschrijft het hof het standpunt van de vrouw dat, anders dan de man in zijn behoefteberekening heeft gedaan, rekening dient te worden gehouden met het feit dat over beide hypotheken rente verschuldigd is en dat de rente over het aflossingsvrije deel volgens de nieuwe normen niet fiscaal aftrekbaar is. Verder zal het voorgaande leiden tot een hogere aflossing dan de man heeft opgevoerd, voor zover al kan worden uitgegaan van een aflossingsperiode van 30 jaar. Daarnaast komt het hof de door de vrouw gestelde hypotheekrente van 5,5% per jaar reëel voor. Gezien het voorgaande behoeft de door de man gestelde behoefte van € 4.000,- netto per maand correctie. Reeds gezien die correctie is, uitgaande van de onder 4.12 genoemde inkomsten van de vrouw, haar behoefte aan de onder 4.11 genoemde bedragen komen vast te staan, zodat de man geen belang heeft bij bespreking van hetgeen hij overigens ten aanzien van het door de vrouw opgevoerde behoefteoverzicht heeft aangevoerd. Het hof zal de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw dan ook overeenkomstig de onder 4.11 vermelde bedragen vaststellen.

4.16.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op € 3.595,- (DRIEDUIZEND VIJFHONDERD VIJFENNEGENTIG EURO) per maand gedurende de periode waarin de vrouw de woning bewoont en op € 6.615,- (ZESDUIZEND ZESHONDERD VIJFTIEN EURO) per maand met ingang van de datum waarop de man de woning bewoont;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, A.R. Sturhoofd en J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2014.