Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1378

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
23-002318-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onprofessioneel gedrag opsporingsambtenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002318-12

datum uitspraak: 22 april 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 mei 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-124289-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1:
hij op of omstreeks 5 mei 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een snorfiets (met kenteken [kenteken]) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.


2:
hij op of omstreeks 5 mei 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (snorfiets met kenteken [kenteken]), daarmee rijdende op de weg, de Haarlemmerdijk, komende uit de richting van de Singel en gaande in de richting van het Haarlemmerplein, met een snelheid van ongeveer 40 km/u, althans met hoge snelheid, over de fietsstrook tussen overige weggebruikers (fietsers) door is geslingerd en/of ter hoogte van het Haarlemmerplein een rood uitstralend verkeerslicht heeft negeerd en/of (vervolgens) ter hoogte van de Haarlemmerweg twee maal een rood uitstralend verkeerslicht heeft negeerd en/of (vervolgens) met een snelheid van ongeveer 45 km/u, althans met hoge snelheid, over het fietspad van de Haarlemmerweg heeft gereden, terwijl een maximum snelheid van 25 km/u is toegestaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg(en) werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg(en) werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3:
hij op of omstreeks 5 mei 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, toen een opsporingsambtenaar hem als verdachte van een strafbaar feit naar zijn identiteitsgegevens vroeg, aan die opsporingsambtenaar (een) andere dan zijn werkelijke naam heeft opgegeven;

4:
hij op of omstreeks 5 mei 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets met kenteken [kenteken]), daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Haarlemmerdijk, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsverweren

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is door de verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verbalisanten weliswaar in hun proces-verbaal hebben gerelateerd dat de verdachte roekeloos, te hard (tot 45 km/u) en meermalen door rood licht reed, maar hem hebben laten gaan en pas na geruime tijd hebben staandegehouden voor (alleen) door rood licht rijden, terwijl de snorfiets van de verdachte de maximumsnelheid niet heeft overschreden, nu deze niet harder dan 25 km/u kan rijden. Mitsdien moet de verdachte worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daaromtrent het volgende. De omstandigheid dat de verdachte niet al na de eerste waarneming van de verbalisanten inzake zijn rijgedrag is staandegehouden, is te verklaren door de verkeersdrukte ter plaatste, zoals door verbalisant [kenteken] ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard. Het feit dat bij de staandehouding van de verdachte slechts is gezegd dat dit was voor het door rood licht rijden, doet niet af aan het feit dat de verbalisanten tevens hebben gezien (en gerelateerd) dat de verdachte slingerend om fietsers heen reed en met een hogere snelheid reed dan was toegestaan. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de snorfiets van de verdachte niet harder dan 25 km/u kon rijden. Een en ander brengt mee dat het aangevoerde niet in de weg staat aan een bewezenverklaring.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij niets heeft gezegd over zijn naam en dat, zo al moet worden aangenomen dat hij een valse naam heeft genoemd, hij dit pas deed nadat hij was geboeid en in een politiecel zat en niet reeds bij zijn aanhouding.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daaromtrent dat er geen enkele reden is te twijfelen aan hetgeen in het daarvan opgemaakte proces-verbaal is gerelateerd over de wijze en het tijdstip waarop de verdachte de naam Hollingsworth als zijn naam heeft opgegeven, zodat kan worden vastgesteld dat de valse identiteit voorafgaand aan de aanhouding is opgegeven. Het feit dat de verdachte geboeid is bij zijn aanhouding, staat daar verder los van.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3, 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 5 mei 2011 te Amsterdam als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een snorfiets met kenteken [kenteken] te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

2:
hij op 5 mei 2011 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig, snorfiets met kenteken [kenteken], daarmee rijdende op de weg, de Haarlemmerdijk, komende uit de richting van het Singel en gaande in de richting van het Haarlemmerplein, met een snelheid van ongeveer 40 km/u over de fietsstrook tussen overige weggebruikers (fietsers) door is geslingerd en op het Haarlemmerplein een rood uitstralend verkeerslicht heeft negeert en vervolgens op de Haarlemmerweg twee maal een rood uitstralend verkeerslicht heeft negeert en vervolgens met een snelheid van ongeveer 45 km/u over het fietspad van de Haarlemmerweg heeft gereden, terwijl een maximum snelheid van 25 km/u was toegestaan, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die wegen kon worden veroorzaakt en het verkeer op die wegen kon worden gehinderd;

3:
hij op 5 mei 2011 te Amsterdam toen een opsporingsambtenaar hem als verdachte van een strafbaar feit naar zijn identiteitsgegevens vroeg, aan die opsporingsambtenaar een andere dan zijn werkelijke naam heeft opgegeven;

4:
hij op 5 mei 2011 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig, snorfiets met kenteken [kenteken], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Haarlemmerdijk, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden.

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

door het bevoegd gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse naam opgeven.

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot vier geldboetes (van éénmaal € 500,- en driemaal € 250,-) en ter zake van feit 1 voorts tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.



De verdachte heeft op een drukke weg met fietsers slingerend gereden en hij heeft met hoge snelheid en meermalen door rood gereden. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich gevaarzettend en hinderlijk voor andere verkeersdeelnemers gedragen. Bovendien was de snorfiets niet verzekerd, waardoor bij een eventueel verkeersongeval de benadeelden niet zeker konden zijn dat hun schade zou worden vergoed. Vervolgens heeft de verdachte een valse naam opgegeven, waardoor hij de politie heeft misleid.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 maart 2014 voor rijden onder invloed onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, geldboetes van na te melden hoogte passend en geboden voor de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit (weigeren van de ademanalyse) overweegt het hof als volgt. Voorafgaand aan dit feit was de verdachte naar het politiebureau vervoerd, alwaar hij meermalen gevraagd had gebruik te mogen maken van het toilet omdat hij moest urineren. Nadat hem was verteld dat daarvoor pas op een later moment gelegenheid zou zijn, heeft de verdachte ter plekke geürineerd. Vervolgens heeft een van de opsporingsambtenaren het t-shirt van de verdachte uitgetrokken om daarmee de urine op de grond op te vegen en dit t-shirt daarna weer terug te geven aan de verdachte.

Het is niet geheel onbegrijpelijk dat de verdachte door deze volstrekt ongepaste actie van de desbetreffende opsporingsambtenaar zo boos was dat hij niet meer in staat was adequaat te reageren op het bevel medewerking te verlenen aan de ademanalyse. Het hof ziet hierin aanleiding te bepalen dat ten aanzien van dit feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24a, 24c, 62, 63 en 435 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3, 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat het totaal van de geldboetes mag worden voldaan in 10 (tien) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 75,00 (vijfenzeventig euro).

Dit arrest is gewezen door de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting had mr. A.M. van Woensel, in tegenwoordigheid van A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 april 2014.