Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1366

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
12/00570 en 12/00571
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betalingen voor materialen, die zijn overgebleven bij de productie van kledingstukken, maken geen deel uit van de douanewaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1059

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 12/00570 en 12/00571

17 april 2014

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[A] B.V. te [P], belanghebbende,

gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma (Customs Knowledge BV)

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerk AWB 11/1875 en 11/1876 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 25 januari 2010 en 6 mei 2010 aan belanghebbende

uitnodigingen tot betaling (UTB’s) uitgereikt voor bedragen van € 17.460,65 (UTB nr. [...]0003), en € 55.708,97 (UTB nr. [...]0006) aan douanerechten.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 25 maart 2011, de UTB’s gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 4 juli 2012 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde

beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 9 augustus

2012, aangevuld bij brief van 12 december 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2014. Het onderzoek in deze zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaken met de kenmerken 12/00572, 12/00573, 12/00661 en 12/00662. Van het verhandelde

ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1. tot en met 2.5. van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Eiseres exploiteert een bedrijf bestaande uit de im- en export van textielgoederen, het doen confectioneren daarvan, alsmede de groothandel hierin. Het goederenassortiment bestaat hoofdzakelijk uit overhemden, blouses en truien.

2.2.

In de door of ten behoeve van eiseres gedane aangiften voor het brengen in het vrije verkeer is de douanewaarde steeds gebaseerd op artikel 29 van het CDW. Dit betreft de transactiewaardemethode.

2.3.

Op grond van artikel 78 van het CDW heeft de douane bij eiseres een controle na invoer (hierna: cni) ingesteld over de periode 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2009. Hiervan is een controlerapport opgesteld met datum 27 mei 2010, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“ (…)

3.4

Leftovers

Tijdens de controle zijn in de administratie van [belanghebbende] kostenfacturen aangetroffen waarop verschillende leveranciers de waarde van zogenoemde “leftovers” aan [belanghebbende] in rekening brengen. Aan de hand van de crediteurenkaarten van de verschillende leveranciers is vastgesteld dat deze kostenfacturen door [belanghebbende] zijn betaald.

Leftovers zijn resten van stoffen die na de productie van monsters en/of handelszendingen over blijven. Op grond van artikel 32, lid 1, letter b onder i CDW moet de douanewaarde worden verhoogd met de waarde van de toegeleverde stoffen.

Uit de bestanden van de in opdracht van [belanghebbende] gedane aangiften voor het vrije verkeer is gebleken, dat de waarde van de leftovers in de gecontroleerde periode niet in de douanewaarde is begrepen. Met inachtneming van het gegeven dat de leftovers eveneens betrekking hebben op monsters waarvoor een vrijstelling van toepassing is, leidt de correctie van de douanewaarde tot de volgende navordering:

Correctie 2b :

Jaar navordering bijlage

leftovers alle leveranciers 2007 € 4.906,80 Bijlage 14

leftovers [C] 2008 € 3.018,27 Bijlage 15

leftovers overige leveranciers 2008 € 75,49 Bijlage 16

leftovers alle leveranciers 2009 € 830,96 Bijlage 17

3.5

Toeleveringen

Tijdens de controle zijn in de administratie van [belanghebbende] facturen aangetroffen van onder andere:

•[B]BV., [adres 1];

• [D]);

• [E] (Hong Kong);

• [E]China).

De facturen hebben betrekking op stoffen en fournituren (labels, badges, ritsen, tickets en dergelijke

artikelen) die in de ingevoerde goederen zijn verwerkt. Op 1 juli 2009 heeft mevrouw[X] verteld dat bovengenoemde goederen door [belanghebbende] gratis ter beschikking worden gesteld aan de fabrikant van de invoergoederen. De fabrikant verwerkt de materialen, zogenoemde toeleveringen, vervolgens in het eindproduct. Op het moment van invoer zijn de goederen dan ook voorzien van de tickets, labels en dergelijke. De facturen welke betrekking hebben op deze toeleveringen zijn in de gecontroleerde jaren geboekt op de grootboekrekeningen

22580 :[B]B.V.;

50100 : Inkoop stoffen;

53000 : Inkooprekening Fournituren;

53500 : Inkoop fournituren t.b.v. FOB NL;

53510 : Inkoop fournituren t.b.v. FOB EU;

53520 : Inkoop fournituren t.b.v. FOB EXP;

53700 : Ontwikkelingskosten Fabric.

Bij het bepalen van de douanewaarde, zijnde de transactiewaarde, kan de voor de goederen werkelijk

betaalde of te betalen prijs verhoogd worden met de waarde van deze toeleveringen (artikel 32 lid 1 letter b onder i CDW). Naar aanleiding van het door het LWT ingestelde onderzoek (zie paragraaf 4.4.3 en 4.5.1 van bijlage AA) stelt de Belastingdienst/Douane zich op het standpunt dat, nu de materialen kosteloos ter beschikking zijn gesteld van de fabrikant, de kosten van bovengenoemde toeleveringen bij de bepaling van de douanewaarde meegenomen dienen te worden.

Gebleken is dat de waarde van de toeleveringen bij de bepaling van de douanewaarde niet is meegenomen. Als gevolg hiervan is er een onjuiste douanewaarde aangegeven en zijn er te weinig douanerechten afgedragen. Dit leidt tot de navolgende correcties:

Correctie 3: 2007 (…)

€ 6.509,03 (stoffen) bijlage 19

2008 (…)

€ 17.819,04 (stoffen) bijlage 21

2009 (…)

€ 9.096,74 (stoffen) bijlage 23

(…)”

2.4.

Bij de cni is verweerder bijgestaan door het Landelijk Waardeteam van de Belastingdienst/Douane Rotterdam Rijnmond (hierna: het LWT). In het op 19 maart 2010 door het LWT uitgebrachte controlerapport staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“(…)

4.5.2

Left overs

[belanghebbende] krijgt regelmatig zogenaamde “left overs” in rekening gebracht door [C] of een

stoffenleverancier. Dit is stof dat overblijft na productie van monsters en of de handelszendingen.

Dit heeft te maken met het feit dat bij de fabricage van monsters er minimaal 30 yard stof en bij de productie van handelszendingen minimaal 1000 yard (of 700 yard indien er een surcharge wordt betaald) afgenomen moet worden. Soms moet er echter maar een paar overhemden/blouses gemaakt worden, waar bijvoorbeeld 20 yard voor gebruikt wordt. Dit houdt in dat 10 yard over blijft. Deze kosten worden aan [belanghebbende] doorbelast. De douanewaarde moet gebaseerd worden op de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs en dient op grond van artikel 32, lid 1, letter b, i, CDW te worden verhoogd met de waarde van de gratis toegeleverde materialen, zoals stoffen.

De waarde van de toegeleverde stoffen is de totale betaling die voor de stoffen is of moet worden gedaan. In de controleperiode zijn de kosten van de “left overs” niet in de douanewaarde begrepen.

De behandelend ambtenaren van Douane Nijmegen, km Duiven 1 zullen de hierdoor te weinig afgedragen douanerechten navorderen.

Opgemerkt wordt, dat, als de “left overs” betrekking hebben op met vrijstelling (C30 of C07)

ingevoerde monsters, de vrijstelling ook automatisch van toepassing is op de “left overs”.

(…)”

2.5.

Naar aanleiding van de hiervoor opgenomen controlerapporten heeft verweerder de utb’s opgelegd. De utb met nummer [...]0006 (zaak 11/1876) is opgelegd voor een bedrag van € 55.708,97. Hiervan heeft een bedrag van € 33.424,81 betrekking op de levering van stoffen en een bedrag van € 22.284,16 op de levering van fournituren.”

2.1.2.

Het Hof gaat voor de beslechting van het geschil uit van voormelde feiten.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de betalingen die belanghebbende heeft verricht voor materialen die zijn overgebleven bij de productie van kledingstukken (hierna: left-overs), deel uitmaken van de douanewaarde van de ingevoerde kledingstukken, zoals de inspecteur stelt, doch belanghebbende bestrijdt.

3.2.

Voor de standpunten van partijen worden verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4 Relevante wettelijke bepalingen

Artikel 29 van het CDW

1. De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig de artikelen 32 en 33, mits:

(…)

3. a) De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop aan de ingevoerde goederen, hetzij door de koper aan de verkoper, hetzij door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper, werkelijk zijn of moeten worden gedaan. (…)

Artikel 32 van het CDW

1. Voor het vaststellen van de douanewaarde met toepassing van artikel 29 wordt de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met:

a. (…);

b. de op passende wijze toegerekende waarde van de onderstaande goederen en diensten indien deze gratis of tegen verminderde prijs direct of indirect door de koper worden geleverd om te worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover deze waarde niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs is begrepen:

i. materialen, samenstellende delen, onderdelen en dergelijke die in de ingevoerde goederen worden verwerkt;

ii. werktuigen, matrijzen, gietvormen en dergelijke voorwerpen die bij de

voortbrenging van de ingevoerde goederen worden gebruikt;

iii. materialen die bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen worden

verbruikt; (…)

5 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.

“(…)

Zaak 11/1875

4.4.

De utb met nummer [...]0003 is opgelegd voor een bedrag van
€ 17.460,65. De rechtbank stelt aan de hand van de paragrafen 3.3 en 3.4 van het controlerapport van 27 mei 2010 (zie 2.3) in samenhang met de bij de opgelegde utb behorende bijlagen vast, dat de utb voor een bedrag van € 8.629,13 betrekking heeft op de door eiseres ingevoerde monsterzendingen. Dit laatste bedrag is, zo begrijpt de rechtbank, niet in geschil.

Ter zitting hebben gemachtigde en[X] bovendien verklaard dat ‘fabric charges’, anders dan de left overs, betrekking hebben op de stof die ook daadwerkelijk is aangewend voor de fabricage van kledingstukken en in de ingevoerde goederen is verwerkt en dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de bedragen die verband houden met de left overs. Op basis van de bijlagen 14 tot en met 17 van het voormelde controlerapport (vergelijk de bijlagen 6 tot en met 9 bij de utb) stelt de rechtbank vast dat de navordering, na aftrek van de bedragen die betrekking hebben op fabric charges, development charges, upcharges, FOB surcharges en accessoires (charges), voor een totaalbedrag van € 3.010,94 betrekking heeft op de left overs (inclusief ‘left fabric’). Het geschil met betrekking tot de left overs beperkt zich derhalve tot het laatstgenoemde bedrag van € 3.010,94.

4.5.

De rechtbank stelt voorop dat uit de aanhef van artikel 32, eerste lid, sub b, van het CDW blijkt dat uitsluitend de goederen en diensten die voldoen zowel aan de aldaar gestelde voorwaarden als aan een van de onder i. tot en met iv. vermelde omschrijvingen, in de douanewaarde worden opgenomen. Artikel 32, derde lid, CDW impliceert dat artikel 32, eerste lid, sub b, van het CDW strikt dient te worden uitgelegd, hetgeen is bevestigd in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 4 februari 1986, zaak 65/85, Van Houten International GmbH (hierna: Van Houten). Uit de aanhef van laatstbedoelde bepaling blijkt dat de goederen en diensten dienen te worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen.

De rechtbank zal derhalve uitsluitend beoordelen of eiseres gratis of tegen verminderde prijs direct of indirect onder i. tot en met iii. bedoelde goederen of diensten heeft geleverd om deze te laten gebruiken bij de voortbrenging en de verkoop van de ingevoerde goederen.

4.6.

Vaststaat dat eiseres, als koper van de ingevoerde goederen, de rollen stof ten behoeve van de vervaardiging van monsters en handelszendingen kosteloos ter beschikking heeft gesteld aan de fabrikant(en) om te worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen. Eiseres heeft bij het bepalen van de douanewaarde uitsluitend de waarde van de daadwerkelijk ten behoeve van de ingevoerde goederen aangewende stof meegenomen. De stof die op de rollen achterblijft, de zogenaamde left overs, heeft zij buiten beschouwing gelaten, omdat die volgens haar niet is verwerkt in of verbruikt bij de vervaardiging van de ingevoerde goederen. Aangezien eiseres de gehele rollen stof, inclusief left overs, heeft gekocht teneinde de ingevoerde goederen te kunnen vervaardigen, wordt zij separaat gefactureerd voor de left overs.

4.7.

Ingevolge artikel 32 van het CDW moet de waarde van de goederen in de douanewaarde worden opgenomen indien de goederen worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen. In het commentaar 1 van het Comité Douanewetboek (afdeling douanewaarde) (hierna: Comité) ‘betreffende de toepassing van artikel 32, lid 1, onder b) van het douanewetboek inzake de douanewaarde van de goederen’ is bepaald dat artikel 32, eerste lid, sub b, van het CDW dient te worden toegepast overeenkomstig de aantekening voor de interpretatie van deze bepaling, die in bijlage 23 bij de Verordening 2454/93 van de Commissie, houdende de vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het CDW (hierna: TCDW), is opgenomen. In het commentaar van het Comité is bepaald dat de desbetreffende aantekening naar analogie ook op de overige bepalingen van artikel 32, eerste lid, sub b, van het CDW dient te worden toegepast. Uit het commentaar van het Comité en de aantekening in bijlage 23 van de TCDW vloeit voort dat de kosten in verband met toeleveringen, voor zover zij niet reeds in de prijs van de ingevoerde goederen zijn begrepen, overeenkomstig artikel 32, eerste lid, sub b, van het CDW in de douanewaarde moeten worden begrepen en daarvan ook deel uitmaken. De vastgestelde waarde van de kosten van toeleveringen moet alsdan aan de ingevoerde goederen worden toegedeeld.

4.8.

Het Bundesfinanzhof heeft in zijn uitspraak van 9 januari 1997, VII B 164/96, in dit verband onder meer overwogen dat “Entscheidend sind die für den Erwerb der eingeführten Ware aufgewendeten Kosten” en “Dazu gehören auch die Kosten für den im Herstellungsland verbleibenden Verschnitt des zur Herstellung der Waren vom Käufer beigestellten Materials, soweit es vom Hersteller nicht vergütet oder für den Käufer anderweitig verwendet wird.”

Nu eiseres de grondstoffen kosteloos ter beschikking heeft gesteld en de grondstoffen worden gebruikt bij de vervaardiging van de ingevoerde goederen, is de rechtbank van oordeel dat, in lijn met de uitspraak van het Bundesfinanzhof, de voor de left overs in rekening gebrachte bedragen overeenkomstig artikel 32, eerste lid, sub b, van het CDW moeten worden opgenomen in de douanewaarde. Hieraan doet niet af dat de left overs zelf niet in de ingevoerde goederen zijn verwerkt. De voor de left overs betaalde bedragen betreffen immers kosten die moeten worden gemaakt om de ingevoerde goederen te kunnen vervaardigen en dragen daarmee direct of indirect bij aan de waarde van de ingevoerde goederen. Het betreffen kosten die rechtstreeks verband houden met en ook noodzakelijk zijn voor de vervaardiging van de ingevoerde goederen.

Het feit dat de stof achterblijft in het land van vervaardiging van de ingevoerde goederen, hetgeen verweerder niet heeft weersproken, doet hier evenmin aan af. Nu voor zover gesteld niet dan wel onvoldoende is gebleken dat de in het geschil zijnde left overs door eiseres anderszins zijn gebruikt dan wel dat zij daarvoor een vergoeding heeft ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de left overs overeenkomstig artikel 32, eerste lid, sub b, van het CDW in de douanewaarde moet worden begrepen. Verweerder heeft de onder 1.1 bedoelde utb derhalve terecht opgelegd. Het beroep faalt.

Zaak 11/1876

4.9.

Zoals uit paragraaf 3.5 van het controlerapport blijkt, heeft verweerder bij de controle in de administratie van eiseres facturen aangetroffen van leveranciers van – voor zover hier van belang – stoffen, die in de ingevoerde goederen zijn verwerkt (zie 2.3). Verweerder heeft vastgesteld dat de facturen van die toegeleverde stoffen door eiseres zijn betaald doch dat de waarde van die stoffen telkens niet in de douanewaarde van de ingevoerde goederen is opgenomen. Eiseres heeft dit niet weersproken en ter zitting verklaard dat de voor toeleveringen in rekening gebrachte bedragen moeten worden gerekend tot de douanewaarde. De door verweerder opgelegde utb heeft, zoals blijkt uit de bijlagen 1 tot en met 3 behorende bij de utb, betrekking op de naar aanleiding van de cni aangebrachte correcties, zoals weergegeven onder 3.5 van het controlerapport in samenhang met de bijlagen 19, 21 en 23. Nu niet (meer) in geschil is dat bedragen die verband houden met toeleveringen, anders dan left overs, overeenkomstig artikel 32, eerste lid, sub b, onder i, van het CDW moeten worden opgenomen in de douanewaarde en de rechtbank heeft vastgesteld dat de utb betrekking heeft op de toelevering van stoffen, dient het beroep van eiseres met nummer 11/1876 ongegrond te worden verklaard.”

6 Beoordeling van het geschil

6.1.

Partijen hebben ter zitting desgevraagd bevestigd dat in UTB [...]0006 geen left-overs zijn begrepen, zodat het hoger beroep betreffende deze UTB (zaaknr. 12/00571) reeds om die reden faalt. Het Hof volgt partijen hierin.

6.2.

Tussen partijen staat vast dat in UTB [...]0003 (zaaknr. 12/00570) een bedrag van € 3.010,94 is begrepen dat betrekking heeft op left-overs. De overige in deze UTB begrepen correcties (€ 14.449,71) zijn tussen partijen niet in geschil.

6.3.

Blijkens de vermelding in de bijlagen bij UTB [...]0003, heeft bijtelling van de kosten van left-overs in alle gevallen plaatsgevonden op basis van aangetroffen facturen van belanghebbendes leverancier [C] Limited, met als factuuromschrijving ‘left fabric’. Gelet op deze facturen en de daaruit voortvloeiende betalingen van belanghebbende aan [C] Limited, is geen sprake van gratis door de koper geleverde goederen als bedoeld in artikel 32, lid 1, onder b, van het CDW.

6.4.

Op grond van artikel 29, derde lid, onder a, van het CDW dient te worden vastgesteld of de betalingen voor left-overs betalingen zijn die moeten worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde kledingstukken, zodat zij deel uitmaken van de werkelijk betaalde prijs en daarmee onderdeel zijn van de transactiewaarde van deze kledingstukken. Tussen partijen staat vast dat belanghebbende in het productieland de beschikkingsmacht verkrijgt over de left-overs. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat zij deze – door tussenkomst van [C] Limited – verkoopt of gebruikt voor de vervaardiging van textielproducten. Onder deze omstandigheden vormen de betalingen voor left-overs naar ’s Hofs oordeel geen betalingen voor de ingevoerde kledingstukken, maar betalingen voor de aanschaf van de desbetreffende (rest)materialen. De enkele omstandigheid dat deze materialen zich in Azië bevinden biedt geen grond voor een andersluidend oordeel.

Slotsom

6.5.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

7 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit)

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 4 [2x beroepschrift + 2x zitting] x € 487 x 1 = € 1.948.

8 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het UTB [...]0006 betreft;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het UTB [...]0003 betreft;

- verklaart het beroep inzake UTB [...]0003 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar met kenmerk 10/352/46206/143;

- vermindert UTB nr. [...]0003 met € 3.010,94 tot een bedrag van € 14.449,71;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 1.948;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende betaalde griffierecht ad € 302 (beroep bij de rechtbank) en € 466 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 768 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en U.E. Tromp, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als griffier. De beslissing is op 17 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.