Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1348

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
200.124.294/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; Enquete; beeindiging onderzoek en onmiddellijke voorzieningen; vaststelling vergoeding onderzoeker; artikel 2:350 lid 3 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 350, geldigheid: 2014-04-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummers: 200.124.294/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 15 april 2014

inzake

de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR INTERFISC HOLDING,

gevestigd te Den Haag,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. B.T.M. Steins Bisschop, kantoorhoudende te Den Haag,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERFISC HOLDING B.V.,

gevestigd te Den Haag,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. B.T.M. Steins Bisschop, kantoorhoudende te Den Haag,

e n t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARALT HOLDING B.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. [B],

wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. J.A. Meijer, kantoorhoudende te Den Haag,

e n t e g e n

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C],

gevestigd te [....] ,

4. de naamloze vennootschap naar het recht van Curaçao,

RAVIL INTERSURANCE N.V.,

gevestigd te Curaçao,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. B.T.M. Steins Bisschop, kantoorhoudende te Den Haag.

1 Het verloop van het geding

1.1

Partijen en andere personen en rechtspersonen zullen in het navolgende (ook) als volgt worden aangeduid:

- Interfisc Holding B.V. met Interfisc of de vennootschap;

- [A] met [A] ;

- Maralt Holding met Maralt;

- [B] met [B] ;

- [E] met [E] ;

- Maralt, [B] en [E] gezamenlijk met Maralt c.s.;

- prof. mr. P.C. van den Hoek met Van den Hoek of de bestuurder;

- dr. mr. C.B. Schutte met Schutte of de beheerder van aandelen;

- mr. A.L. Leuftink met Leuftink of de onderzoeker.

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 3 juni 2013, 10 juni 2013, 12 juni 2013 (met zaaknummer 200.124.294/01 OK) en 3 september 2013 (met zaaknummers 200.124.294/01 OK en 200.124.294/02 OK).

1.3

Bij de beschikkingen van 3, 10 en 12 juni 2013 heeft de Ondernemingskamer - voor zover thans van belang - een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Interfisc over de periode vanaf 1 januari 2012, Leuftink benoemd tot onderzoeker, bepaald dat het onderzoek ten hoogste € 25.000 (exclusief BTW) mag kosten, alsmede bij wijze van onmiddellijke voorzieningen en vooralsnog voor de duur van het geding Van den Hoek benoemd tot bestuurder van Interfisc en bepaald dat de aandelen in Interfisc ten titel van beheer aan Schutte zijn overgedragen.

1.4

Bij brief van 19 maart 2014 heeft mr. A.M. Dumoulin, kantoorgenoot van mr. Steins Bisschop, de Ondernemingskamer bericht dat partijen een minnelijke regeling hebben getroffen en - met instemming van mr. Meijer - namens alle betrokken partijen verzocht om het bevolen onderzoek en de getroffen onmiddellijke voorziening in deze zaak te beëindigen. Voorts heeft hij daarbij verzocht de kosten van het onderzoek vast te stellen.

1.5

Bij brief (met bijlage) van 31 maart 2014 heeft de onderzoeker de Ondernemingskamer verzocht het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten, te verhogen tot € 38.682,50 (exclusief BTW) en voorts zijn vergoeding op dat bedrag vast te stellen. Ter toelichting van de verzoeken van de onderzoeker staat in die brief onder meer het volgende: “Het in deze zaak door mij in juni 2013 aangevangen onderzoek is gaandeweg gekanteld naar bemiddeling, welke ik heb verricht op verzoek van betrokkenen. (…) Aanvankelijk heb (ik) de kosten voor ‘onderzoek’ en ‘bemiddeling’, ofschoon wel arbitrair, willen splitsen, waarover ik partijen destijds in detail heb ingelicht. Tevens heb ik van betrokkenen afzonderlijk voorschotten verlangd. Intussen stuit dit splitsen op bezwaar van betrokkenen, en ook wordt - overigens onduidelijk - bezwaar gemaakt tegen mijn kosten van de latere fase. Ik vind in het een en ander aanleiding de splitsing niet langer aan te houden en, waar ook de bemiddelingsfase m.i. voldoende verband houdt met de onderzoeksfase, nu voor het gehele traject één kostenvaststelling te verzoeken.

1.6

Bij brief van 1 april 2014 van de secretaris van de Ondernemingskamer zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich over de verzoeken van de onderzoeker uit te laten. Mr. Dumoulin (bij brief met bijlagen van 7 april 2014) en mr. Meijer (bij brief met bijlagen van 11 april 2014) hebben bezwaar gemaakt tegen de verzoeken van de onderzoeker.

2 De gronden van de beslissing

2.1

Nu partijen een minnelijke regeling hebben getroffen op grond waarvan alle bij deze procedure betrokken partijen om beëindiging hebben verzocht, en de Ondernemingskamer voorts niet is gebleken van enig belang dat zich tegen beëindiging verzet, zal de Ondernemingskamer het bij de beschikking van 3 juni 2013 bevolen onderzoek en de bij die beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen met ingang van heden beëindigen.

2.2

Ten aanzien van het verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget en het verzoek tot vaststelling van de vergoeding van de onderzoeker overweegt de Ondernemingskamer als volgt.

2.3

De onderzoeker heeft aangevoerd dat hij zich tot 13 augustus 2013 heeft beziggehouden met onderzoek en nadien uitsluitend met bemiddeling. De tot 13 augustus 2013 verrichte werkzaamheden vertegenwoordigen blijkens de door de onderzoeker overgelegde urenspecificatie een bedrag van € 23.647,60 (exclusief BTW). Partijen hebben verzocht de vergoeding van de onderzoeker op dat bedrag vast te stellen, en kunnen zich in zoverre verenigen met het verzoek van de onderzoeker. Ten aanzien van het resterende bedrag van
€ 15.034,90 (exclusief BTW) hebben partijen zich op het standpunt gesteld dat dat bedrag - gelet op de eerder door de onderzoeker zelf aangebrachte splitsing - niet behoort tot de door de Ondernemingskamer op de voet van artikel 2:350 lid 3 BW vast te stellen vergoeding van de onderzoeker.

2.4

Gelet op hetgeen de onderzoeker en partijen in dit verband hebben aangevoerd en op de door partijen overgelegde correspondentie stelt de Ondernemingskamer vast dat (i) de onderzoeker sinds medio augustus 2013 op verzoek en met instemming van partijen als bemiddelaar is opgetreden, (ii) de onderzoeker met partijen in augustus 2013 heeft afgesproken dat de kosten van zijn bemiddelingswerkzaamheden niet door Interfisc, maar bij helfte door Maralt c.s. enerzijds en [A] anderzijds worden gedragen en (iii) de onderzoeker, Maralt c.s. en [A] aan die afspraak aldus uitvoering hebben gegeven dat Maralt c.s. en [A] in september 2013 met het oog op de bemiddeling ieder een voorschot van € 10.000 (exclusief BTW) op verzoek van de onderzoeker aan hem hebben betaald. De onder (ii) genoemde afspraak staat naar het oordeel van de Ondernemingskamer in de weg aan toewijzing van de verzoeken van de onderzoeker tot verhoging van het onderzoeksbudget en vaststelling van de vergoeding op het aldus verhoogde bedrag ten laste van de vennootschap. De Ondernemingskamer zal de vaststelling van de vergoeding van de onderzoeker op de voet van artikel 2:350 lid 3 BW daarom beperken tot de tot 13 augustus 2013 verrichte werkzaamheden. De kosten van die werkzaamheden zijn niet in geschil.

3 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beëindigt met ingang van heden het bij haar beschikking van 3 juni 2013 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Interfisc;

beëindigt met ingang van heden de bij haar beschikking van 3 juni 2013 getroffen onmiddellijke voorzieningen;

bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 23.647,60 (exclusief BTW);

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Faber, voorzitter, mr. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en mr. G.C. Makkink, raadsheren, en H. de Munnik en drs. J. van den Belt, raden, in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 15 april 2014.