Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1282

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
23-005277-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging vonnis - betrouwbaarheid verklaring aangeefster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-005277-12

datum uitspraak: 14 april 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2012 in de strafzaak onder parketnummer 13-650763-12 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

thans gedetineerd in [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van 6 maart 2014, 31 maart 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit bevestigen met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof een in hoger beroep gevoerd verweer zal bespreken en de overweging van de rechtbank met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde – zoals hierna vermeld – deels terzijde zal stellen en vervangen.

Bespreking van een bewijsverweer - feit 1

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat er zodanige verschillen bestaan tussen de verklaringen van aangeefster [naam] zoals afgelegd bij de politie, de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep en dat deze afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van haar aangifte van hetgeen gebeurd zou zijn op 19 mei 2012. De raadsman heeft hierbij met name gewezen op:

  • -

    het feit dat de aangeefster ontkent eerder op de avond erotisch te hebben gedanst en dat zij een joint heeft gerookt terwijl uit de getuigenverklaringen juist volgt dat aangeefster dit samen met de verdachte wel heeft gedaan;

  • -

    het feit dat aangeefster heeft verklaard tijdens de verkrachting te hebben geschreeuwd terwijl dit door geen van de aanwezigen in de woning is gehoord;

  • -

    het feit dat aangeefster ontkent dat zij haar tweede telefoonnummer heeft gegeven toen zij afscheid nam van de verdachte, en

  • -

    het feit dat aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de stoel waarop zij verkracht is (vrijwel) geheel plat op de grond lag met de rugleuning en niet schuin tegen de muur zoals zij eerder verklaard heeft.

Daarnaast heeft de raadsman naar voren gebracht dat aangeefster een motief zou kunnen hebben om te verklaren dat sprake is geweest van een verkrachting. De raadsman heeft betoogd dat aan voornoemde tegenstrijdigheden de conclusie moet worden verbonden dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is.

Het hof heeft geconstateerd dat de verklaringen van aangeefster, zoals afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris, op onderdelen afwijken van de verklaring zoals door haar afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep. Hieruit volgt echter niet dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn en onbruikbaar voor het bewijs. Hiervoor is redengevend dat aangeefster kort na de gebeurtenis, zowel bij de politie als tijdens het studioverhoor bij de rechter-commissaris en ook in hoger beroep op de wezenlijke onderdelen uitgebreid en zeer consistent heeft verklaard. De verschillen tussen de eerdere verklaringen van aangeefster en haar verklaring ter terechtzitting in hoger beroep laten zich naar het oordeel van het hof verklaren door het tijdsverloop, de zichtbare spanning die aangeefster ter terechtzitting in hoger beroep heeft ervaren door opnieuw met verdachte geconfronteerd te worden en mogelijk door de verstandelijke beperking van aangeefster.

Voor de suggestie van de raadsman dat sprake zou zijn van een motief bij aangeefster om onjuist te verklaren heeft het hof noch in het dossier noch in hetgeen verhandeld is ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Overweging met betrekking tot het bewijs - feit 2

Het hof stelt hetgeen onder 4.3.2.1 is opgenomen op pagina 10 onder “Verdachte heeft geen verklaring … de ten laste gelegde verkrachting van [slachtoffer]” in het vonnis van de rechtbank terzijde en overweegt in plaats daarvan als volgt:

Het hof gaat – evenals de rechtbank – ervan uit dat [slachtoffer] op 4 november 2011 in de grijze Renault Mégane, toebehorende aan de vader van verdachte, is verkracht.

De vader van verdachte heeft bij de politie op 15 november 2011 verklaard dat zijn zoon [verdachte] degene moet zijn geweest die zijn auto heeft geleend op 4 november 2011 en – later in hetzelfde verhoor – dat [verdachte] op 4 november in zijn auto heeft gereden. Bij de raadsheer-commissaris op 27 november 2013 heeft de vader van verdachte verklaard dat hij op de vraag van de verbalisant of verdachte in de auto gereden heeft, heeft geantwoord “niet dat ik weet”. Het hof ziet geen reden de bij de politie afgelegde verklaring terzijde te schuiven, nu deze verklaring kort na de pleegdatum is afgelegd. De vader van verdachte wist toen immers nog niet van de aard van de verdenking tegen zijn zoon. Het hof oordeelt voorts dat de later afgelegde verklaring van de vader van verdachte bij de raadsheer-commissaris kennelijk ook volgens de vader niet uitsluit dat verdachte op 4 november 2011 in de auto reed.

Daarbij komt dat de auto is aangetroffen met een warme motorkap kort na het tijdstip van de verkrachting in de directe nabijheid van de woning waar de verdachte verbleef.


Voor zover de verdediging al heeft willen stellen dat de broer of een vriend van de verdachte de mogelijke gebruiker van de auto op 4 november 2011 is geweest, wordt geoordeeld dat een dergelijk alternatief scenario door de verdediging op geen enkele wijze is onderbouwd dan wel aannemelijk is gemaakt.

Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat de verdachte degene is geweest die op 4 november 2011 [slachtoffer] heeft verkracht in voormelde grijze Renault Mégane. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.863,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, vermeerderd met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.500,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis ten aanzien van de beslissing omtrent de vordering benadeelde partij [slachtoffer] en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. M. Gonggrijp-van Mourik en mr. D.C. van Reekum, in tegenwoordigheid van mr. J.E. van der Ploeg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 april 2014.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]