Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1274

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
23-005466-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering meermalen telen van hennep in woning. Zie ook arrest: 23-005465-12.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-005466-12

Datum uitspraak: 11 april 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 14 december 2012 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 14-701109-11 tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

adres: [adres].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 55.385,68.

De veroordeelde is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 14 december 2012 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van het telen van hennepplanten en diefstal met verbreking van elektriciteit.

Voorts heeft de politierechter in de rechtbank Alkmaar bij vonnis van 14 december 2012 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 40.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 april 2014 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - het telen van hennepplanten en de diefstal met verbreking van elektriciteit.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 55.685,68 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

In het aan de ontnemingsvordering ten grondslag liggende proces-verbaal met onderwerp ‘berekening wederrechtelijk verkregen voordeel’, zijn in paragraaf 5.2.2 als ‘aanwijzingen’ voor het in de hennepkwekerij in de woning van de veroordeelde plaatsvinden van (een of meer) oogsten onder meer vermeld (samengevat), een in werking zijnde afzuiger die vanaf december 2009 hoorbaar was, sterk vervuilde koolstoffilters terwijl ze schoon waren opgehangen, hennepresten die op de grond lagen, kalkaanslag aan de bloempotten die in de kwekerij stonden, algengroei op het grondzeil, een laag stof op de armaturen en vergeelde pur die in de naden van de kwekerij was gespoten.

Op grond van deze omstandigheden acht het hof aannemelijk dat de kwekerij langere tijd in werking is geweest. Gezien de gemiddelde kweekcyclus van tien weken, is het alleszins redelijk dat in het rapport uit wordt gegaan van twee eerder gerealiseerde oogsten.

Het hof gaat voorbij aan de verklaring van [getuige], inhoudende onder meer dat hij in juni 2010 op de zolder van de woning van de veroordeelde geen hennepplanten hebben gezien en dat diens cv-ketel zo’n herrie maakte. Deze verklaring is naar het oordeel van het hof weinig stellig en legt daarom op zichzelf staand geen gewicht in de schaal. Daarenboven blijft staan dat de anonieme meldster in december 2009 een sterke wietlucht heeft geroken.

In het dossier en in eerste aanleg is steeds uitgegaan van de standaardwaarden die zijn opgenomen in het BOOM-rapport van 2010. Dit rapport is echter gedateerd op 1 november 2010 en ziet derhalve op een periode die is gelegen na de in het arrest in de strafzaak bewezenverklaarde periode van 22 december 2009 tot en met 22 september 2010. Het hof zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aldus acht slaan op de waarden die zijn opgenomen in het BOOM-rapport van 2005 en komt tot de volgende berekening.

Bruto-opbrengt:

330 planten x 27,7 gram per plant = 9,141 kilogram hennep per oogst.

Uitgaande van een kiloprijs van € 2.379,00 levert één oogst een bruto opbrengst op van € 21.664,17.

Kosten:

De afschrijvingskosten bedragen € 250,00 per oogst.

De variabele kosten bedragen (€ 4,40 x 330=) € 1.702,00.

Wederrechtelijk verkregen voordeel:

Het wederrechtelijk verkregen voordeel bij twee oogsten wordt geschat op (€ 21.664,67 –

€ 1.702,00) x 2 = )) € 39.924,34.

Het hof ontleent deze schatting aan de inhoud van de bewijsmiddelen.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die nopen tot matiging van de betalingsverplichting ten opzichte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof van oordeel dat aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting dient te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 39.924,34.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 39.924,34 (negenendertigduizend negenhonderdvierentwintig euro en vierendertig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 39.924,34 (negenendertigduizend negenhonderdvierentwintig euro en vierendertig cent).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel, mr. H.J. Bronkhorst en mr. P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. S.P.H. Brinkman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 april 2014.

Mr. P.H.M. Kuster is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.