Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1273

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
23-005465-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meermalen hennep geteeld in woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-005465-12

Datum uitspraak: 11 april 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 14 december 2012 in de strafzaak onder parketnummer 14-701109-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 24 december 2009 tot en met 22 september 2010 te Blokker, gemeente Hoorn, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/woning, gelegen op/aan het [straatnaam]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 330 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij in of omstreeks de periode van 24 december 2009 tot en met 22 september 2010 te Blokker, gemeente Hoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit een pand/woning, gelegen op/aan het [straatnaam]) heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan "Liander N.V.", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of een valse sleutel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 24 december 2009 tot en met 22 september 2010 te Blokker, gemeente Hoorn, opzettelijk heeft geteeld in een woning, gelegen aan het [straatnaam], een hoeveelheid hennepplanten;

2:
hij in de periode van 24 december 2009 tot en met 22 september 2010 te Blokker, gemeente Hoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan het [straatnaam] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan "Liander N.V.", waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van gevoerd verweer

De raadsman heeft aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode een of meermalen heeft geoogst. De MMA-melding is daartoe onvoldoende. De verklaring van de verdachte dat de aangetroffen hennepplantage zijn eerste kweek was, wordt ondersteund door de schriftelijke verklaring van [getuige] en gedane warmtemetingen.

Het hof overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen (p. 11) voldoende redengevende feiten en omstandigheden blijken dat de verdachte eerder dan pas vanaf twee weken voorafgaand aan de doorzoeking, heeft geteeld. In het proces-verbaal heeft de opsporingsambtenaar namelijk geverbaliseerd dat hij zag dat twee koolstoffilters naast elkaar en tegen elkaar hingen. Op het moment dat deze filters van elkaar waren losgetrokken, zag hij dat de gedeeltes van de filterdoeken van beide filters die tegen elkaar hadden gehangen, schoon waren. Dit in tegenstelling tot de rest van het filterdoek van beide filters. De verdachte heeft verklaard dat hij de benodigdheden voor de kwekerij tweedehands heeft aangeschaft en dat deze daarom onder het stof of aanslag zaten. Het hof gaat aan deze verklaring voorbij nu het niet waarschijnlijk is te achten dat de koolstoffilters door een tweede gebruiker op precies dezelfde manier tegen elkaar aan zijn opgehangen.

Daarnaast heeft de opsporingsambtenaar geconstateerd dat op de armaturen een lag stof zat. Als dit stof aanwezig was omdat het tweedehands armaturen betroffen, dan is op z’n minst genomen te verwachten dat de opsporingsambtenaar tevens had waargenomen dat er in het stof vegen te zien waren, veroorzaakt toen de armaturen werden geplaatst.

Tevens heeft de opsporingsambtenaar gezien dat de aangebrachte pur geel verkleurd was, dat op het grondzeil sprake was van algengroei en dat op de vloer in de kwekerij en bij de deurpost hennepresten lagen.

Gelet op deze aanwijzingen voor langer gebruik van de ruimte voor de hennepteelt dan aangegeven door de verdachte, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat deze in de ten laste gelegde periode meermalen hennep heeft geteeld. De ter zitting overgelegde verklaring van [getuige] inhoudende dat hij tijdens een bezoek aan het huis van de verdachte geen hennepplantage heeft waargenomen, doet daar niet aan af, reeds wegens de omstandigheid dat in die verklaring niets vermeld wordt over de vraag hoe diepgrondig het huis van verdachte tijdens dat bezoek is bekeken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis, waarvan 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in zijn woning een hennepkwekerij gehad, waarbij 330 hennepplanten zijn aangetroffen. De elektriciteit ten behoeve van die kwekerij werd, na aanpassingen aan de elektriciteitsvoorziening, illegaal afgenomen. Door het inrichten van een hennepkwekerij in een woning, zeker als ongecontroleerde aanpassingen in de elektriciteitsvoorziening worden aangebracht, ontstaat gemakkelijk een brandgevaarlijke situatie, waardoor naast de verdachte ook omwonenden gevaar lopen. Bovendien is door de diefstal van elektriciteit, de energiemaatschappij benadeeld.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 maart 2014 is de verdachte eerder ter zake van diefstal onherroepelijk veroordeeld.

Het LOVS hanteert bij een hennepteelt van dergelijke omvang een oriëntatiepunt van een taakstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand. Daarbij zij opgemerkt dat dit oriëntatiepunt ziet op één kweek. Tevens ziet dit uitgangspunt niet op de diefstal van de elektriciteit. Zonder daartoe een motivering te geven heeft de politierechter aan de verdachte een lagere straf opgelegd dan als uitgangspunt gebruikelijk is.

Het hof is van oordeel dat aan de verdachte een hogere straf opgelegd dient te worden dan in eerste aanleg is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist. In de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg met een paar maanden, ziet het hof echter aanleiding om de hogere taakstraf te matigen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij Liander

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 12.408,28. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu ter terechtzitting in hoger beroep vragen zijn gerezen over de hoogte van deze vordering naar aanleiding van een door de raadsman overgelegde herziening van de factuur d.d. 24 november 2010. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij Liander

Verklaart de benadeelde partij Liander in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel, mr. H.J. Bronkhorst en mr. P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. S.P.H. Brinkman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 april 2014.

Mr. P.H.M. Kuster is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.