Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1241

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
200.131.880-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inschaling stewards/stewardessen bij vast (deeltijd)dienstverband na stand-by overeenkomst(en) en soms ook (voltijds)diensverband voor bepaalde tijd. Beroep op uitspraken Commissie Gelijke Behandeling en eerder arrest hof Amsterdam ((ECLI:NL:GHAMS:BD:8713). Verjaring? Rechtbank wijst vorderingen af wegens verjaring. Het hof bekrachtigt het vonnis: de vorderingen stranden op inhoudelijke gronden, terwijl ze tevens zijn verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/430

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.131.880/01

kenmerk rechtbank Amsterdam: CV 12-19671

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 april 2014

inzake

1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

2. [appellante sub 2], wonende te [woonplaats 1],

3.[appellante sub 3], wonende te [woonplaats 2])

4. [appellante sub 4], wonende te[woonplaats 3],

5. [appellante sub 5], wonende te[woonplaats 4],

6. [appellante sub 6], wonende te [woonplaats 5],

7.[appellante sub 7], wonende te [woonplaats 6],

8.[appellante sub 8], wonende te [woonplaats 7],

9. [appellante sub 9], wonende te [woonplaats 8],

10. [appellante sub 10], wonende te[woonplaats 9],

11. [appellante sub 11], wonende te [woonplaats 10],

12.[appellante sub 12], wonende te [woonplaats 11],

13. [appellante sub 13], wonende te[woonplaats 12],

14. [appellante sub 14], wonende te[woonplaats 1],

15. [appellante sub 15], wonende te [woonplaats 13],

16. [appellante sub 16], wonende te [woonplaats 1],

17. [appellante sub 17], wonende te [woonplaats 3],

18. [appellante sub 18], wonende te[woonplaats 14],

19. [appellante sub 19], wonende te[woonplaats 15],

20. [appellante sub 20], wonende te[woonplaats 12],

21. [appellant sub 21], wonende te [woonplaats 1],

22. [appellante sub 22], wonende te[woonplaats 16],

23. [appellante sub 23], wonende te [woonplaats 17],

24. [appellante sub 24], wonende te [woonplaats 18],

25. [appellante sub 25], wonende te [woonplaats 19],

26. [appellante sub 26], wonende te [woonplaats 20],

27. [appellante sub 27], wonende te [woonplaats 1],

appellanten,

advocaat: mr. M.A.C. Vijn te Amsterdam,

tegen:

de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.M. Van Slooten te Amsterdam.

Partijen worden hierna FNV (appellante sub 1), [appellanten sub 2 tot en met 27] (appellanten sub 2 tot en met 27) en KLM genoemd. FNV en [appellanten sub 2 tot en met 27] worden gezamenlijk ook FNV c.s. genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

FNV c.s. zijn bij dagvaarding van 29 juli 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 mei 2013, onder bovenvermeld kenmerk gewezen tussen hen als eisers en KLM als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel

beroep, met producties;

- memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel beroep, tevens akte uitlating

producties.

Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 19 februari 2014 nader doen toelichten door hun in de kop van dit arrest genoemde advocaten. Die deden dit aan de hand van pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. FNV c.s. hebben ter gelegenheid van de pleidooien nog een nadere productie in het geding gebracht.

FNV c.s. hebben, in principaal beroep, geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis (hierna: het vonnis) zal vernietigen en alsnog - uitvoerbaar bij voorraad - het in eerste aanleg gevorderde zal toewijzen, met veroordeling van KLM in de kosten van beide instanties. In het voorwaardelijk incidenteel beroep van KLM hebben FNV c.s. geconcludeerd tot afwijzing van dat beroep, met veroordeling van KLM in de kosten ervan.

KLM heeft, in principaal beroep, geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis en veroordeling van FNV c.s. in de kosten van dat beroep. In voorwaardelijk incidenteel beroep heeft KLM geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen voor zover daarin wordt uitgegaan van een startdatum van de verjaringstermijn van 18 november 1999 en, opnieuw rechtdoende, als start van de verjaringstermijn zal uitgaan van het moment waarop ieder van [appellanten sub 2 tot en met 27] in vaste dienst bij KLM is gekomen, met veroordeling van FNV c.s. in de kosten van dit beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het vonnis in overweging 1, onder 1.1 tot en met 1.10, een aantal feiten als vaststaand aangemerkt. In grief 1 in principaal beroep wordt geklaagd over de onder 1.4, 1.5 en 1.10 in het vonnis opgenomen feiten.

2.2

Met betrekking tot 1.4 luidt de klacht dat de kantonrechter de uitspraken van de (toen zo geheten) Commissie Gelijke Behandeling (hierna: CGB) van 15 januari 1997 niet juist heeft weergegeven. Volgens FNV c.s. heeft de CGB geoordeeld dat KLM een niet gerechtvaardigd indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door op het moment waarop in vaste dienst werd getreden de werkervaring van ex stand-by werknemers niet in beschouwing te nemen, waarbij - aldus FNV c.s. - de CGB niet enkel doelt op de werkervaring uit (door partijen aldus benoemde) stand-by overeenkomsten, maar ook op werkervaring uit overeenkomsten voor bepaalde tijd. Het hof merkt op dat uit de door FNV c.s overgelegde uitspraak van de CGB (die overigens, blijkens het daarin in de laatste volzin van 3.10 overwogene, betrekking heeft op een werkneemster die zelf niet (ook) op basis van een contract voor bepaalde tijd bij KLM werkzaam is geweest) valt op te maken dat de CGB haar aanbeveling onder 4.9 dat KLM “criteria opstelt aan de hand waarvan de door haar als relevant erkende werkervaring van stand-by’s wordt meegewogen bij de inschaling en promotie” heeft gebaseerd (onder meer) op de daaraan voorafgegane overweging dat ook volgens KLM sprake was van een “topgroep”, gevormd uit stand-by’s die de werkervaring hadden die KLM relevant acht in het kader van inschaling en promotie. De CGB heeft aldus niet bepaald welke werkervaring van stand-by’s door de KLM in beschouwing diende te worden: zij heeft aan KLM overgelaten criteria op te stellen aan de hand waarvan de door de KLM als relevant erkende werkervaring kon worden meegewogen. Voor zover de grief overweging 1.4 van het vonnis uitgebreid wenst te zien op de door FNV c.s. aangeduide (hiervoor genoemde) wijze faalt ze dan ook.

2.3

De klacht met betrekking tot overweging 1.5 ziet op het resultaat van het overleg tussen KLM en de Vakbond voor Nederlands Cabinepersoneel (hierna: VNC), welk overleg heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de uitspraken van de CGB. Volgens FNV c.s. heeft de kantonrechter in dit verband ten onrechte als vaststaand feit vermeld dat dit resultaat (hierna: de Regeling) de afspraken tussen KLM en VNC behelzen over de wijze waarop de werkervaring uit stand-by overeenkomsten alsnog zou worden verdisconteerd. In de visie van FNV c.s. staat nergens in de Regeling dat die niet ook ziet op werkervaring uit contracten voor bepaalde tijd. Het hof volgt FNV c.s. niet in dit betoog. Allereerst valt in de regeling het volgende te lezen: “Hiermee wordt gehonoreerd dat er tussen de standby en de KLM een min of meer bestendige relatie heeft bestaan waarin werkervaring is opgedaan. (..) Met het honoreren van deze relatie (..) wordt recht gedaan (..)”. Deze passage valt moeilijk anders te lezen dan dat de Regeling ziet op werkervaring als stand-by (en niet ook op werkervaring als werknemer op basis van een contract voor bepaalde tijd). Daar komt bij dat KLM, als een van de partijen bij de Regeling, stelt dat de Regeling inderdaad slechts ziet op werkervaring als stand-by. Dat VNC dat anders ziet is gesteld noch gebleken. Op grond van een en ander faalt ook dit onderdeel van de grief.

2.4

De klacht ter zake van overweging 1.10 ziet op de formulering “op (verdergaande) verdiscontering van werkervaring tijdens stand-by overeenkomsten”, die de kantonrechter heeft gebruikt als samenvatting van hetgeen waarop (enkele) toenmalige eisers aanspraak hebben gemaakt bij brieven van 18 juni 2009 en 29 juni 2009. Het hof zal de bewuste passage aldus lezen: “op verdiscontering van de werkervaring zowel opgedaan tijdens stand-by overeenkomsten als tijdens overeenkomsten voor bepaalde tijd”. Erg relevant is deze aanpassing overigens niet, nu wel duidelijk is welk standpunt FNV c.s. in de onderhavige procedure met betrekking tot te verdisconteren werkervaring innemen.

2.5

Het hof zal al met al van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan, met dien verstande dat het overweging 1.10 van het vonnis zal lezen in de onder 2.4 aangeduide aangepaste zin.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [appellanten sub 2 tot en met 27] zijn als steward/stewardess bij KLM in vaste (deeltijd) dienst gekomen in de jaren ’70, ‘80 of begin ’90. Voordien hadden zij allen al bij de KLM gewerkt op basis van een (of meer) stand-by overeenkomst(en), waarbij op min of meer incidentele basis werkzaamheden werden verricht. Een aantal van hen had voordien, voorafgaand aan laatstbedoelde werkzaamheden, ook reeds bij KLM gewerkt op basis van een (voltijds) overeenkomst voor bepaalde tijd.

(ii) Bij de inschaling op het moment waarop [appellanten sub 2 tot en met 27] in vaste dienst traden heeft KLM de werkervaring, opgedaan tijdens de stand-by overeenkomsten en de (eventuele) overeenkomsten voor bepaalde tijd buiten beschouwing gelaten.

(iii) Bij uitspraken van 15 januari 1997 heeft de CGB met betrekking tot een drietal (niet in onderhavige procedure betrokken) werkneemsters van KLM, waarvoor het hiervoor onder (i) vermelde evenzo van toepassing is, geoordeeld dat KLM jegens hen indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in (het toenmalige) artikel 7A:1637ij BW zonder dat dit objectief gerechtvaardigd is.

(iv) KLM heeft daarop met VNC de Regeling getroffen (zie ook hiervoor onder 2.3). Ingevolge de Regeling is de werkervaring uit stand-by overeenkomsten, mits tussen de overgang van de stand-by overeenkomst naar het vaste dienstverband niet meer dan drie maanden verstreken was, alsnog - in de in de Regeling beschreven mate - in beschouwing genomen voor diegenen die op of na 1 januari 1988 in vaste dienst waren gekomen en wel vanaf 1 juli 1999. Aan betrokkenen zijn, met terugwerkende kracht tot 1 juli 1999, nabetalingen verricht.

( v) Bij brief van 1 maart 2001 heeft FNV namens een aantal leden, waaronder vijftien in deze procedure betrokkenen, aanspraak gemaakt op een verdergaande honorering van werkervaring van stand-by’s dan waarin de Regeling voorziet.

(vi) In 2002 hebben FNV en twee ex stand-by’s ([X] en [Y]) een procedure tegen KLM aanhangig gemaakt. In hoger beroep heeft dit hof bij tussenarrest van 8 mei 2008 in die zaak onder meer als volgt overwogen:

“4.8 Op zichzelf is het treffen van een collectieve regeling een doelmatig middel om het indirecte onderscheid dat KLM bij de inschaling van betrokkenen heeft gemaakt te repareren. KLM en VNC hadden belang bij een systeem, waarbij de ervaring opgedaan tijdens de periode dat op basis een stand-by overeenkomst was gewerkt, bij de inschaling in aanmerking zou worden genomen zonder dat die voorervaring voor iedere belanghebbende afzonderlijk specifiek zou moeten worden gewaardeerd, hetgeen - zo al mogelijk - niet alleen uiterst ingewikkeld zou zijn geweest maar ook zou leiden tot beoordelingsgeschillen. Het treffen van een regeling was ook door de CGB aanbevolen. Als vertegenwoordigster van ruim negentig procent van het cabinepersoneel was VNC voor KLM de meest geëigende partij om een overeenkomst als de onderhavige mee te sluiten. Het feit dat de partijen bij de Regeling met die overeenkomst beoogden de normen van gelijke behandeling ‘in te vullen” brengt ook mee dat aan die “invulling” een belangrijke betekenis toekomt. Het bereikte resultaat valt, mede in het licht van hetgeen KLM heeft gesteld omtrent de wijze waarop de betrokken belangen zijn meegewogen, op zichzelf te billijken. Vanwege het noodzakelijke compromiskarakter van de Regeling is onvermijdelijk dat sommige betrokkenen meer gebaat kunnen zijn geweest bij een strikte individuele benadering. Dat brengt evenwel niet mee dat toepassing van de regeling per definitie achterwege moet blijven. Een en ander brengt mee dat, hoewel FNV c.s. bij het tot stand komen van de Regeling niet waren betrokken, toepassing van de Regeling in beginsel de indirecte discriminatie, die bij de inschaling van betrokkenen bij het ingaan van een vast dienstverband heeft plaatsgevonden, repareert, tenzij toepassing van de Regeling in individuele gevallen tot een te grote discrepantie leidt tussen de jaren dat betrokkene voor KLM heeft gewerkt en de intensiteit van die werkzaamheden enerzijds en de inbouw van anciënniteit in het salaris conform de Regeling anderzijds. Daarvan zal sprake kunnen zijn indien de desbetreffende werknemer onmiddellijk voorafgaand aan het vaste dienstverband op regelmatige wijze (derhalve zonder onderbrekingen van meer dan incidentele aard) langjarig substantiële werkzaamheden voor KLM heeft verricht.”

Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat in het specifieke geval van[X] sprake was van een uitzonderingssituatie als in het citaat beschreven en dat daarvan in het specifieke geval van [Y] geen sprake was.

Het hof overwoog in genoemd tussenarrest voorts ook nog het volgende:

“4.12 Of met betrekking tot de leden voor wie FNV in deze procedure optreedt het toekennen van ervaringsjaren conform de Regeling tot te grote discrepantie leidt, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Daarvoor is de door FNV ingestelde collectieve actie niet geschikt. Toewijzing van het in algemene termen geformuleerde petitum is (met uitzondering van de vordering sub III, strekkende tot een verklaring voor recht dat het in strijd is met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel 7:646 BW om de onderbreking wegens zwangerschap- en bevallingsverlof op de ervaringsjaren in mindering te brengen) daarom niet aan de orde.”

Het eindarrest in de bewuste zaak (waarbij KLM werd veroordeeld [X] een bedrag ter zake van achterstallig salaris te voldoen alsook de hiervoor weergegeven vordering sub III werd toegewezen en de overige vorderingen werden afgewezen) dateert van 28 januari 2009. Beide arresten hebben inmiddels gezag van gewijsde gekregen.

(vii) Bij de hiervoor onder 2.4 al genoemde brieven van 18 juni 2009 en 29 juni 2009 is namens enkele van de in deze procedure betrokkenen (brief 18 juni 2009) respectievelijk namens alle leden van het FNV (brief 29 juni 2009) aanspraak gemaakt op verdiscontering van werkervaring als onder 2.4 aangeduid.

(viii) FNV c.s. vorderen in deze procedure (zoals op een enkel punt ter zitting in hoger beroep nader toegelicht en zakelijk weergegeven) te verklaren voor recht dat

( a) KLM verboden onderscheid maakt naar geslacht door de werkervaring opgedaan vóór 1988 niet dan wel onvoldoende te compenseren bij het in vaste dienst treden;

( b) de Regeling de door de CGB vastgestelde ongelijke behandeling niet opheft voor diegenen onder appellanten (in het petitum opgesomd) die vóór 1988 in vaste dienst zijn getreden;

( c) de werkervaring opgedaan in tijdelijke vijfjaars contracten en/of andere vaste contracten die met een interval van maximaal drie maanden zijn voorafgegaan aan de stand-by periode dient te worden meegenomen bij de berekening van het gemiddeld aantal gemaakte vlieguren bij het in vaste dienst treden;

( d) een gemiddeld aantal van 20, althans 22 vlieguren per maand voldoende relevante ervaring is om met de desbetreffende jaren (op basis van 50%) bij de inschaling in vaste dienst rekening te houden.

Voorts vorderen FNV c.s. dat, in het geval deze verklaringen voor recht worden toegewezen, de KLM zal worden veroordeeld - op straffe van een dwangsom - tot het verrichten van de daaruit voortvloeiende nabetalingen aan de betrokkenen, met wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede dat de KLM in dat geval zal worden veroordeeld - op straffe van een dwangsom - aan het pensioenfonds opgave te doen van de herziene salarissen en hierover een nabetaling aan dit fonds te verrichten. Ten slotte vorderen FNV c.s. dat KLM in de proceskosten wordt veroordeeld (inclusief nakosten).

(ix) De kantonrechter heeft het beroep van KLM op verjaring gehonoreerd en op die grond de vorderingen van FNV c.s. afgewezen.

3.2

De grieven 2 tot en met 7 in principaal beroep - die ertoe strekken dat de vorderingen van FNV c.s. alsnog worden toegewezen - lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

3.3

Het hof leest de hiervoor onder 3.1 sub (vi) geciteerde overweging 4.8 in het tussenarrest van dit hof van 8 mei 2008 (hierna: het tussenarrest) aldus dat dit hof daarin als zijn oordeel gaf dat de Regeling de indirecte discriminatie bij de inschaling van voormalige stand-by’s afdoende repareert, tenzij sprake is van de aan het slot van die overweging (hiervoor eveneens) geciteerde uitzonderingssituatie. Met dat oordeel, dat het hof - gelet ook op hetgeen KLM in deze procedure naar voren heeft gebracht met betrekking tot de belangen die in casu moesten worden afgewogen - geheel onderschrijft, is onverenigbaar de kennelijk door FNV c.s. verdedigde visie dat de in de Regeling opgenomen grens voor toepasselijkheid van de Regeling, inhoudend dat betrokkene op of na 1 januari 1988 bij KLM in vaste dienst moet zijn getreden, hoe dan ook (dus niet enkel in de in het tussenarrest omschreven uitzonderingssituatie) indirect discriminerend is. Reeds op deze grond zijn de verklaringen voor recht als hiervoor onder 3.1 sub (viii) onder a en b vermeld niet toewijsbaar. Overigens geldt voor diegenen onder [appellanten sub 2 tot en met 27] die behoorden tot diegenen namens wie FNV in de bewuste procedure optrad (het hof wijst in dit verband op overweging 4.1.1. in het tussenarrest) dat aan toewijzing al niet kan worden toegekomen op de grond dat voor hen het tussenarrest (alsook het eindarrest in die zaak van 28 april 2009) gezag van gewijsde heeft gekregen.

3.4

Voor wat betreft de gevorderde verklaring voor recht sub c (zie eveneens onder 3.1 sub (viii)) stelt het hof allereerst vast dat de Regeling slechts ziet op werkervaring opgedaan als stand-by: zie het hiervoor overwogene onder 2.3. Het hof heeft geen aanleiding te veronderstellen dat dit hof dit gegeven niet heeft betrokken bij zijn hiervoor onder 3.3 al gereleveerde oordeel dat de Regeling, behoudens meerbedoelde uitzonderingssituatie, de bewuste indirecte discriminatie afdoende repareert. De vordering treft daarom hetzelfde lot als de onder 3.3 behandelde vorderingen. Zo bezien ten overvloede overweegt het hof nog dat KLM ook afdoende heeft toegelicht waarom partijen bij de Regeling niet ook werkervaring opgedaan tijdens een aan de stand-by overeenkomst voorafgegane overeenkomst voor bepaalde tijd hebben betrokken bij de ingevolge de Regeling in acht te nemen werkervaring van stand-by’s. Het hof noemt in dit verband - de ter mondelinge behandeling door KLM nader toegelichte en door FNV c.s. niet weersproken - omstandigheid dat het van op dat moment beschikbare vacatures afhing of tussen het dienstverband voor bepaalde tijd en de stand-by overeenkomst een periode van drie maanden of meer zat en dat daarom het in beschouwing nemen van (werkervaring opgedaan tijdens) dienstverbanden voor bepaalde tijd die binnen drie maanden waren opgevolgd door een stand-by overeenkomst een jegens diegene met wie pas na die termijn een stand-by overeenkomst was gesloten een niet goed te verdedigen, want willekeurig, resultaat zou hebben opgeleverd. De KLM heeft in dit verband ook nog een veelheid van andere redenen genoemd waarom partijen bij de Regeling geen rekening hebben gehouden met ervaring opgedaan tijdens aan de stand-by overeenkomst voorafgegane contracten voor bepaalde tijd en FNV c.s., op wiens weg het lag ten minste aannemelijk te maken dat de Regeling op dit punt hoe dan ook onredelijk is, heeft hier onvoldoende tegenover gesteld. Op grond van het vorenstaande is ook deze verklaring voor recht niet toewijsbaar. Voor zover in het bewuste deel van het petitum ook nog wordt gesproken over “en/of andere vaste contracten” is dit reeds zo, omdat FNV c.s de betekenis van deze toevoeging in het geheel niet hebben toegelicht.

3.5

De verzochte verklaring voor recht met betrekking tot het aantal vlieguren (zie hiervoor onder 3.1 sub (viii) onder d) miskent dat dit hof in het tussenarrest de vordering van [X] heeft toegekend en die van [Y] heeft afgewezen na beoordeling van de op hen betrekking hebbende specifieke omstandigheden. Het is dan ook niet zo dat de vordering van [X] is toegewezen enkel omdat bij haar sprake was van een gemiddeld aantal vlieguren van 24,02 per maand: als omstandigheid valt in de desbetreffende overweging van het tussenarrest (4.10) eveneens te lezen dat [X] bijna acht jaar als stand-by werkzaam was geweest alvorens bij KLM in dienst te treden. En zo heeft dit hof destijds bij de beoordeling van [Y] gekeken naar het aantal ervaringsjaren en niet alleen het gemiddelde aantal vlieguren gedurende die jaren, maar ook specifiek naar het aantal vlieguren per die voorafgaande jaren. Kortom: de verzochte verklaring voor recht staat haaks op de hiervoor onder 3.1 sub (vi) geciteerde overweging 4.12 uit het tussenarrest. Ook deze vordering is dus niet toewijsbaar.

3.6

Waar de vorderingen ter zake van nabetalingen aan [appellanten sub 2 tot en met 27] en aan het pensioenfonds gekoppeld zijn aan de verzochte verklaringen voor recht en deze, als gezegd, worden afgewezen, zijn ook deze betalingsvorderingen niet toewijsbaar.

3.7

Bij dit alles komt nog dat de vorderingen - zoals de kantonrechter heeft overwogen - zijn verjaard. De vorderingen van FNV c.s. zijn alle terug te voeren op de verplichting tot juiste inschaling op het moment waarop [appellanten sub 2 tot en met 27] in dienst traden. De vorderingen uit hoofde van die verplichting zijn verjaard vijf jaar na de respectieve data van indiensttreding, althans vijf jaar na de door de rechtbank ter zake in acht genomen datum 18 november 1999, de dag waarop de Regeling tot stand kwam (KLM heeft tegen dit onderdeel van het vonnis voorwaardelijk gegriefd, maar aan die grief komt het hof niet toe, nu de voorwaarde niet is vervult). De loonvorderingen van [appellanten sub 2 tot en met 27] moeten als sequeel van deze hoofdverplichting van KLM worden gezien en verjaren daarmee ingevolge artikel 3:312 BW op hetzelfde moment als de vordering uit deze hoofdverplichting, derhalve op 18 november 2004, tenzij tijdig gestuit. Voor zover FNV c.s. mochten hebben beoogd te betogen dat hun vorderingen zijn gestuit door de exploten die in de hiervoor onder 3.1 sub (vi) genoemde procedure zijn uitgebracht, stuit dat betoog af op het bepaalde in artikel 3:316 lid 2, nu de met de in deze procedure min of meer overeenkomende vorderingen voor recht in die procedure zijn afgewezen (waarbij voorts nog geldt dat die exploten hoe dan ook slechts stuitende werking konden hebben voor diegenen onder [appellanten sub 2 tot en met 27] die destijds in de bewuste procedure betrokken waren). Dat destijds een andere verklaring voor recht (zie hiervoor onder 3.1 sub (vi), slot) wel werd toegewezen maakt dit niet anders. Waar de stuitingshandeling van 1 maart 2001 niet binnen vijf jaar is gevolgd door een nieuwe stuitingshandeling, valt het doek voor de vorderingen van [appellanten sub 2 tot en met 27]

3.8

De conclusie is dat de grieven falen en het vonnis zal worden bekrachtigd.

3.9

FNV c.s. zullen, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verklaart FNV c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van KLM tot op heden begroot op € 683,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, M.A. Goslings en J.E. Molenaar en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 april 2014.