Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1211

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
14-04-2014
Zaaknummer
23-003963-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anoniem gebleven getuigen. Bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003963-13

datum uitspraak: 14 februari 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2013 in de strafzaak onder parketnummer

13-053063-13 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1970,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

14 februari 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 07 december 2012 te Amsterdam zich op en/of aan de weg, te weten de Nieuwendijk heeft opgehouden, terwijl aannemelijk is, dat zulks gebeurde om middelen als bedoeld in art. 2 of 3 van de Opiumwet althans daarop gelijkende waar, en/of slaapmiddelen en/of kalmeringsmiddelen en/of stimulerende middelen of daarop gelijkende waar te kopen en/of te koop aan te bieden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten vier weken hechtenis.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het bewijsminimum.

Het hof stelt het volgende voorop.

Volgens het eerste lid van artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend of in beslissende mate worden gegrond op schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt. Volgens het derde lid van artikel 344a Sv mag een dergelijke anonieme getuigenverklaring niet tot het bewijs worden gebruikt tenzij:

  • -

    de bewijsbeslissing in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal en

  • -

    de verdediging niet op enig moment te kennen heeft gegeven de persoon wiens identiteit niet blijkt te (doen) ondervragen.

Het bovenstaande geldt eveneens in de situatie dat verklaringen van anonieme getuigen zijn opgenomen in een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

In de onderhavige zaak hebben anoniem gebleven getuigen (vijf Engelse toeristen) tegen de verbalisanten verklaard dat de verdachte hun drugs wilde verkopen.

De verdachte heeft ontkend het tenlastegelegde feit te hebben gepleegd.

De raadsman heeft bij brief van 4 september 2013 verzocht de vijf Engelse toeristen, die niet nader bij naam zijn aangeduid, te (doen) ondervragen.

Het hof heeft ter terechtzitting van 14 februari 2014 afgezien van de oproeping van deze getuigen, nu het onaannemelijk is dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zullen verschijnen.

Nu de eigen waarnemingen van de verbalisanten onvoldoende concreet en specifiek zijn om reeds daaruit de conclusie te trekken dat de verdachte de in de tenlastelegging bedoelde gedragingen heeft verricht, de verklaringen van de anonieme getuigen gelet op het hiervoor overwogene niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd en zich overigens onvoldoende wettig bewijs voor het ten laste gelegde in het dossier bevindt, dient de verdachte te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.J.F. Thiessen, mr. E. Mijnsberge en mr. R.A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van

J.K. Krijnen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

14 februari 2014.

mr. R.A.F. Gerding is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen