Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1190

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
14-04-2014
Zaaknummer
23-001918-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-001918-12

Datum uitspraak: 27 februari 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 6 april 2012 in de strafzaak onder parketnummer 14-700040-12 tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

adres:[adres].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Alkmaar vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 augustus 2013 en 13 februari 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hogere beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat

1:
hij op of omstreeks 07 september 2010 te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Zijpe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning (te weten kamer nr. 23 in het pension/hotel [het Karrespoor] aan de Rijksweg 39) en in gebruik bij [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s);

2:
hij op of omstreeks 07 september 2010 te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Zijpe, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer koffers en/of een hoeveelheid kleding en/of schoenen en/of een tondeuze, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot andere beslissingen dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 7 september 2010 te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Zijpe, tezamen en in vereniging met een ander, wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning, te weten kamer nr. 23 in het pension/hotel het Karrespoor aan de Rijksweg 39, en in gebruik bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2].

2:
hij op 7 september 2010 te Sint Maartensvlotbrug, gemeente Zijpe, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk koffers en een hoeveelheid kleding en schoenen, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de verdediging aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat het de verdachte en zijn medeverdachte zijn geweest die de spullen uit het raam hebben gegooid.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en wel om het navolgende.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij zag dat er koffers en persoonlijke spullen uit een kamer naar beneden gegooid werden waar [medeverdachte] (het hof begrijpt hier en hierna steeds: medeverdachte[medeverdachte]) was (doorgenummerde dossierpagina 73).[getuige 2] heeft verklaard dat zij zag dat er spullen naar beneden gegooid werden terwijl zij [medeverdachte] hoorde schreeuwen (doorgenummerde dossierpagina 76).

[getuige 3] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de kamerdeur van kamer 23 geforceerd was en op de grond lag en dat hij, toen hij de betreffende kamer binnen kwam lopen, zag dat de Nederlandse vriend van [medeverdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) spullen uit het raam gooide en dat [medeverdachte] later ook spullen uit het raam gooide.

Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze drie verklaringen. In dit verband wordt nog opgemerkt dat het hof geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de (blote) stelling van de raadsman dat een en ander in scène zou zijn gezet.

Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep blijkt voorts dat de verdachte en diens medeverdachte[medeverdachte] zich samen toegang tot de desbetreffende kamer hebben verschaft door de deur van die kamer eruit te halen, met behulp van een theelepeltje en een stuk ijzer, waarna zij deze kamer zijn binnengegaan, en dat zij boos waren dat de kamer in gebruik was genomen door anderen dan de medeverdachte[medeverdachte].

Deze omstandigheden en de hierboven genoemde verklaringen maken dat naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte[medeverdachte] de goederen van de aangevers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft vernield, onbruikbaar heeft gemaakt en/of heeft beschadigd. Daaraan doet niet af dat zich geen foto’s van de beschadigde en/of vernielde goederen in het dossier bevinden, zoals de raadsman heeft aangevoerd, nu het hof steun vindt voor de verklaringen van de aangevers daaromtrent in de zojuist aangehaalde verklaringen van getuigen waaruit volgt dat persoonlijke bezittingen van de aangevers uit het raam zijn gegooid. Daarbij merkt het hof op dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ook de tondeuse is vernield. Dit goed is niet meer aangetroffen en derhalve is onduidelijk gebleven of dit goed is vernield.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is met zijn vriend meegegaan die boos was omdat zijn kamer in gebruik was genomen door andere bewoners. Zij zijn met veel agressie en door het forceren van een deur die kamer binnen gedrongen en hebben zich aldus schuldig gemaakt aan huisvredebreuk. De bewoners van die kamer werd zoveel vrees aangejaagd dat de één zich heeft verstopt en de ander uit het raam is gesprongen. Eenmaal binnen hebben zij spullen van de bewoners uit het raam gegooid waardoor deze spullen vernield, dan wel beschadigd en/of onbruikbaar werden.

Het hof is van oordeel dat een bewezenverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, zoals door de raadsman verzocht, geen recht doet aan de ernst van deze feiten.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 februari 2014 is de verdachte echter niet eerder ter zake van soortgelijke delicten strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn voordeel weegt.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof ook rekening met de omstandigheid dat de verdachte, toen de politie eenmaal was gearriveerd, zich coöperatief heeft opgesteld om verdere escalatie tussen zijn vriend en de politie te voorkomen. Tevens houdt het hof er rekening mee dat de strafbare feiten lange tijd geleden zijn gepleegd en dat niet is gebleken dat de verdachte zich sindsdien heeft schuldig gemaakt aan andere strafbare feiten.

In deze omstandigheden ziet het hof aanleiding om de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal geëiste taakstraf te minderen en geheel voorwaardelijk op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 138 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. F.M.D. Aardema en mr. J.A. Peters, in tegenwoordigheid van mr. S.P.H. Brinkman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2014.

Mr. C.N. Dalebout en mr. J.A. Peters zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.