Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1189

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2014
Datum publicatie
07-04-2014
Zaaknummer
23-004371-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag. De verdachte heeft met een vuurwapen in een hotellobby de overledene in de rug geschoten. Het hof is van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van de overledene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-004371-12

datum uitspraak: 7 april 2014

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 9 oktober 2012 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-740226-11 (hierna telkens: zaak A) en 15-710337-12 (hierna telkens: zaak B), alsmede 15-700600-10 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum],

thans gedetineerd in [plaats].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van zaak B

De verdachte is door rechtbank Haarlem vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak B is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 maart 2014, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog van belang, ten laste gelegd dat:

Zaak A

1.
hij op of omstreeks 20 februari 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade[overledene] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (meermalen) met een vuurwapen op het lichaam van die [overledene] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [overledene] is overleden;

2.
hij op of omstreeks 19 februari 2011 te Assendelft, gemeente Zaanstad, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (terwijl verdachte en die [slachtoffer] in een auto waren gezeten) een pistool, althans een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gepakt en/of de loop naar achter getrokken en/of drie maal, althans meermalen, met dat pistool, althans een vuurwapen op/door de voorruit van die auto geschoten

en/of

hij op of omstreeks 19 februari 2011 te Krommenie en/of Assendelft, althans in Nederland, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten , [slachtoffer] op/tegen haar neus en/of haar oor en/of haar wang, althans op/tegen haar gezicht, althans haar hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, niet in stand blijven, gelet op de in hoger beroep gevoerde verweren en omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 (zaak A)

De standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van moord nu de voorbedachte raad niet bewezen kan worden en heeft de bewezenverklaring gevorderd van de in zaak A onder 1 tenlastegelegde doodslag.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van zowel moord als doodslag omdat de verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachten rade en geen opzet heeft gehad op het doden van[overledene]. Er is volgens de raadsman evenmin sprake van voorwaardelijke opzet. De verdachte erkent weliswaar dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig of roekeloos heeft gehandeld, maar dat kan er volgens zijn raadsman slechts toe leiden dat hij schuld heeft aan het overlijden van het slachtoffer. De verdachte heeft het slachtoffer op het moment van het fatale schot namelijk niet gezien en ook niet kunnen zien en hij kon evenmin weten dat zij zich op de plaats bevond waar zij door de kogel werd getroffen.

De feiten waarvan het hof uitgaat

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende over hetgeen direct voorafgaand aan en tijdens het onderhavige schietincident is gebeurd.

In de ochtend van 20 februari 2011 reden de verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vanuit Zaandam naar het hotel Van der Valk te Hoofddorp om drank te kopen.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn vervolgens het hotel binnen gegaan. De verdachte en[medeverdachte 3] bleven wachten achterin de auto.

In het hotel kwamen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] [man van overledene] en [overledene] tegen, die net in het hotel hadden ingecheckt. In het internetcafé ontstond vervolgens een ruzie tussen beide stellen. De ruzie is uitgelopen op een vechtpartij.

De vechtpartij verplaatste zich vervolgens naar de draaideur bij de hoofdingang van het hotel.[medeverdachte 3] zag vanuit de auto dat er een vechtpartij gaande was en vertelde dit aan de verdachte.

De verdachte stapte de auto uit en ging via de draaideur het hotel binnen. Hij zag de vrouwen [medeverdachte 1] en [overledene] en de mannen [medeverdachte 2] en [man van overledene] met elkaar vechten.

In de draaideur pakte de verdachte zijn vuurwapen uit zijn broeksband. Met het vuurwapen in zijn rechterhand liep hij het hotel binnen. De verdachte schoot in het hotel vervolgens twee keer in de grond teneinde de vechtende partijen uit elkaar te halen. De mannen stopten met vechten maar de vrouwen niet. Daarop schoot de verdachte nogmaals met zijn vuurwapen in de grond.

Vervolgens werd het glas van de vitrine van de stilstaande draaideur vernield. De verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] probeerden naar buiten te gaan. [overledene] en haar vriend [man van overledene] vluchtten vervolgens de draaideur uit, de lobby van het hotel in. De ruzie is dan kennelijk beëindigd. Voor [overledene] en [man van overledene] staat op dat moment geen andere vluchtweg open dan rechtdoor, de lobby van het hotel in, hetgeen voor de verdachte zichtbaar was.

[overledene] liep de draaideur uit en links van de lobby probeerde zij een deur van de naastgelegen zaal te openen. Nadat dit kennelijk niet lukte draaide zij zich om en liep om het bankje heen de lobby in, in de richting van het internetcafé. [man van overledene] liep eveneens de lobby van het hotel in; naar rechts, in de richting van de zithoek. Ook [man van overledene] bevond zich op dat moment in de hal, in het verlengde van de mat voor de draaideur. Hij liep rechts de mat af in de richting van de zithoek, zo is te zien op de camerabeelden.

Op de camerabeelden is voorts te zien dat de verdachte (die zich nog steeds in de draaideur bevond en zich had omgedraaid met zijn gezicht naar de lobby van het hotel) direct daarna zijn rechterarm met daarin het vuurwapen voor zich uit strekte.

Op dat moment viel er een schot en zakte [overledene] door haar benen waarna zij op de grond viel.

De verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verlieten daarop het hotel.

Op de plaats delict zijn in totaal elf hulzen aangetroffen. Negen daarvan werden aangetroffen op en bij de uitloopmat dan wel in/bij de draaideuren, één lag bij binnenkomst in de hal direct links nabij de voet van een folderstandaard vlak voor de draaideur en één bevond zich naast het rode vloerkleed in de receptiehal (proces-verbaal van sporenonderzoek, forensisch dossier p. 29-30).

De hulzen zijn zeer veel waarschijnlijker verschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan dat zij zijn verschoten met meerdere vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken (NFI rapport, forensisch dossier p. 269-274).

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij daar op dat moment de enige was met een vuurwapen en dat hij daarmee in totaal 11 keer heeft geschoten, waaronder meermalen in de grond. Voorts heeft hij verklaard dat hij, na afloop van de vechtpartij in de draaideur, [overledene] en [man van overledene] zag weglopen in de richting van de lobby, dat hij zich toen omdraaide in de draaideur, en met gestrekte arm met daarin zijn vuurwapen richting de hotellobby heeft gestaan, waarna er een schot is gevallen/het vuurwapen is afgegaan.

De verklaring van de verdachte wordt ondersteund door de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde (compilatie van de) camerabeelden. Op de camerabeelden is eveneens te zien dat [overledene], op het moment van het vallen van het laatste schot, door haar knieën zakt en op de grond valt (eigen waarneming van het hof ter terechtzitting van 24 maart 2014).

In de betonnen pilaar bij de lounge in de hal van het hotel, voor het internetcafé en tegenover de draaideur, werd op ruim 2 meter hoogte, in de houten ombouw van de pilaar een inschot aangetroffen (forensisch dossier, p. 31).

Gelet op het silhouet van het projectiel in het hout om de pilaar in de hal, is het aannemelijk dat dit projectiel ten tijde van het in aanraking komen met dit hout instabiel was, omdat het onder een hoek van 90 graden ten opzichte van zijn bewegingsrichting stond en niet over zijn lengteas in die bewegingsrichting roteerde. Dit is een indicatie voor een ricochet- en/of een doorschot. In het papieren reclamebillboard, dat gezien vanaf de binnenkomst door de draaideur richting het daartegenover gelegen internetcafé halverwege haaks op de hoek met de lounge aan de linkerzijde van de lobby heeft gestaan, werd een beschadiging opgemerkt op circa 1.80 meter hoogte, die mogelijk als een doorschot van een projectiel kan worden aangemerkt (forensisch dossier, pagina’s 32-35).

De betreffende kogel is aangetroffen tussen de houten beplating en het beton van de pilaar op de vloer.

Behalve het inschot in de pilaar worden er, gezien vanaf de draaideur naar binnen toe, geen hulzen, sporen van mogelijk inschoten of (delen van) projectielen aangetroffen voorbij of achter de plaats van het stoffelijk overschot.

Van het projectiel, dat in de pilaar is geslagen, is een DNA-profiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer, [overledene]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen vrouw matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard (NFI rapport, pagina 279-285).

Op het stoffelijk overschot van [overledene] is sectie verricht. Uit de sectie is gebleken dat de kogel de rug van [overledene] is binnengedrongen ter hoogte van het rechter schouderblad op een hoogte van 1.30 meter. De kogel heeft haar lichaam verlaten links van de borstkast op een hoogte van 1.32 meter.

Het intreden van de dood valt zonder meer te verklaren door de algehele weefselschade, opgelopen ten gevolge van de inwerking van een uitwendig mechanisch perforerend geweld, passend bij één doorschot, hetgeen fors bloedverlies en functieverlies van de longen heeft veroorzaakt (NFI rapport, forensisch dossier p. 298-317).

Voorbedachte raad

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Opzet

Het hof acht op grond van het vorenoverwogene bewezen dat de verdachte met een vuurwapen in de richting van [overledene] heeft geschoten, ten gevolge waarvan zij is overleden.

Het hof is voorts van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van [overledene].

De verdachte heeft immers, nadat de vechtpartij was beëindigd, gezien dat [overledene] en [man van overledene] de draaideur verlieten en de hotellobby inliepen. Direct daarop heeft de verdachte, zoals te zien is op de camerabeelden, met gestrekte arm met daarin zijn vuurwapen, de hotellobby ingeschoten. [overledene] is door dit laatste, fatale, schot geraakt in haar rug en ten gevolge van dit (door)schot overleden.

De verdachte heeft zich door met een vuurwapen te schieten in de richting van de lobby van het hotel waar (onder meer) [overledene] zich op dat moment bevond, blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij, of een andere daar aanwezige persoon, dodelijk getroffen zou worden. Aangezien het schot door de verdachte lukraak is gelost komt daarmee naar het oordeel van het hof genoegzaam vast te staan dat de verdachte door zijn handelwijze willens en wetens de aanmerkelijke kans dat hij voornoemde persoon dodelijk zou treffen, heeft aanvaard. Nu het slachtoffer is overleden heeft deze kans zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt.

Gelet op hetgeen hiervoor op p. 3 is overwogen met betrekking tot de vluchtweg van [overledene], de lobby van het hotel in, en haar aanwezigheid aldaar, gaat het hof voorbij aan de stelling van de verdachte, inhoudende dat hij [overledene] niet heeft gezien danwel niet heeft kunnen zien.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A

1.
hij op 20 februari 2011 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk[overledene] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen op het lichaam van die [overledene] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [overledene] is overleden;

2.
hij op 19 februari 2011 te Assendelft, gemeente Zaanstad, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend terwijl verdachte en die [slachtoffer] in een auto waren gezeten, een vuurwapen gepakt en de loop naar achter getrokken en drie maal, met dat vuurwapen op/door de voorruit van die auto geschoten

en

hij op 19 februari 2011 te Krommenie en/of Assendelft, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, [slachtoffer] tegen haar neus en haar oor en haar wang heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het in de zaak A onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

het in de zaak A onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de verdachte is door J.J. Baneke, forensisch psycholoog, op 25 oktober 2011 een de verdachte betreffend rapport uitgebracht. Dat rapport houdt onder meer in, dat de verdachte ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens in de zin van een verhoogde psychische kwetsbaarheid en van een stoornis in de impulsregulatie en een persoonlijkheidsstoornis NAO met afhankelijke en antisociale trekken en dat hij kan worden beschouwd als licht/enigszins verminderd toerekeningsvatbaar terzake van het hem onder 1. ten laste gelegde.

Het hof verenigt zich met gemelde conclusie en maakt die tot de zijne.

Overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op 20 februari 2011 schuldig gemaakt aan doodslag op[overledene] door met een vuurwapen op haar te schieten. De verdachte heeft daarmee niet alleen een einde gemaakt aan het leven van de 25-jarige [overledene], hij heeft daarnaast ook onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden, onder wie haar ouders en haar zussen met wie zij een hechte relatie had. De nabestaanden ondervinden tot op heden de psychische gevolgen van deze schietpartij. De ter terechtzitting van het hof door een zus van het slachtoffer en namens andere nabestaanden afgelegde slachtofferverklaringen houden in dat het leven van de gezinsleden vanaf die avond drastisch is veranderd en dat zij hun dochter en zus nog iedere dag missen.

Daarbij komt dat de verdachte heeft geschoten in de (vroege) ochtend op een openbare plek, namelijk een hotel, waardoor ook vele anderen, hotelgasten en hotelmedewerkers, getuige zijn geweest van de schietpartij en geconfronteerd werden met een dodelijk gewond slachtoffer. Dit kan grote invloed hebben op hun gevoelens van onbezorgdheid en veiligheid. Het staat buiten kijf dat de rechtsorde door een dergelijke gebeurtenis zeer ernstig is geschokt.

Daarnaast heeft de verdachte zich in de nacht van 19 februari 2011, schuldig gemaakt aan bedreiging en mishandeling van zijn (voormalige) vriendin[slachtoffer]. De verdachte heeft haar, terwijl zij een auto bestuurde, meermalen geslagen en vervolgens zijn vuurwapen gepakt waarmee hij drie keer door de voorruit van de auto heeft geschoten. De verdachte heeft door zo te handelen de lichamelijke integriteit van die [slachtoffer] geschonden en haar gevoelens van angst en onveiligheid bezorgd.

Het hof is van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur recht doet aan de aard en de ernst van in het bijzonder het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde feit.

Het hof zal een hogere gevangenisstraf opleggen dan de rechtbank nu de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten pas 19 dagen vrij was, hij bij voortduring een (doorgeladen) vuurwapen bij zich droeg en dit vuurwapen op 19 februari 2011 alsmede in het bijzonder op 20 februari 2011 op zeer ingrijpende wijze heeft gebruikt, hetgeen het hof hem zwaar aanrekent. Daarbij komt dat de verdachte het magazijn van zijn vuurwapen, na het schietincident op 19 februari 2011, moet hebben aangevuld nu hij naar eigen zeggen de volgende ochtend met hetzelfde vuurwapen met een vol magazijn heeft geschoten. Voorts heeft de verdachte in eerste instantie zijn verantwoordelijkheid proberen te ontlopen door na het schietincident zijn vuurwapen in stukken te slijpen en weg te gooien, en te vluchten naar Suriname.

De verdachte dient te worden beschouwd als licht/enigszins verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het hem onder 1. ten laste gelegde. Het hof zal daar rekening mee houden bij de strafoplegging in de zin dat het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar in plaats van 14 jaar, met aftrek van voorarrest, zal opleggen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 maart 2014 is de verdachte eerder veelvuldig ter zake van (ernstige) strafbare feiten – waaronder poging tot doodslag en verboden wapenbezit - veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 6 oktober 2010 in de zaak met parketnummer 15/700600-10 heeft de politierechter te Haarlem de verdachte veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof is – met de advocaat-generaal en de rechtbank – van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, aangezien de politierechter te Haarlem op 24 mei 2011 reeds beslist heeft tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf, welke beslissing op 24 mei 2011 onherroepelijk is geworden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak B ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak A onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 15-700600-10.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.A.M. Berben, mr. E. Mijnsberge en mr. D. Radder, in tegenwoordigheid van mr. A. Wilkens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 april 2014.

Mr. I.M.A.M. Berben en Mr. A. Wilkens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen