Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1148

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
200.135.718/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:6413, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invulling zorgregeling. Vaststelling kinderalimentatie. Behoefte. Draagkracht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a, 392, 404, geldigheid: 2014-04-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 april 2014

Zaaknummer: 200.135.718/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/199794/FA RK 13-316

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellant,

advocaat: mr. J.C.I. Veerman te Volendam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. I. Vledder te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 18 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 juli 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/199794/FA RK 13-316.

1.3.

De man heeft op 11 november 2013 een nader stuk ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 3 december 2013 een verweerschrift ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 23 januari 2014 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 28 januari 2014 nadere stukken ingediend. De man heeft op 10 februari 2014 zijn hoger beroep gewijzigd.

1.7.

De zaak is op 12 februari 2014 ter terechtzitting behandeld.

1.8.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw M. Dirkzwager, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

1.9.

De minderjarige […] (hierna: [kind a]) is voorafgaand aan de zitting door de voorzitter gehoord, in aanwezigheid van de Raad.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben tot december 2011 een relatie gehad. Uit hun relatie zijn geboren [kind a] [in] 2000, […] (hierna: [kind b]) [in] 2002 en […] (hierna: [kind c]) [in] 2002 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). De man heeft de kinderen erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1972. Hij is alleenstaand.

Hij was in 2009 werkzaam in loondienst bij [de gemeente 1]. Blijkens de aangifte inkomstenbelasting 2009 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 744,-.

Hij is werkzaam in loondienst bij [bedrijf]. Blijkens de aangiften inkomstenbelasting 2009 en 2010 bedroeg zijn fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 69.329,- en € 72.305,-. Blijkens de jaaropgaven over 2011, 2012 en 2013 bedroeg zijn fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 78.267,-, € 84.356,- en € 81.016,-.

Hij is werkzaam in loondienst bij [de gemeente 2], thans veiligheidsregio […]. Blijkens de aangiften inkomstenbelasting 2009 en 2010 bedroeg zijn fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 7.168,- en € 10.978,-. Blijkens de jaaropgaven over 2011, 2012 en 2013 bedroeg zijn fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 9.199,-, € 10.241,- en € 9.349,-.

In verband met de hypothecaire leningen gevestigd op de door de man bewoonde woning betaalt hij € 360,- per maand aan rente. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 193.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalde hij in 2013 € 130,- per maand. Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij in 2014 € 124,- per maand.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met de kinderen.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1974. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

Zij is per 5 januari 2013 werkzaam in loondienst bij [x] voor 2,25 uur per week tegen het bruto minimum uurloon, alsmede 8% vakantietoeslag. Blijkens de jaaropgave over 2013 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 1.051,-.

Zij is per 24 januari 2013 werkzaam in loondienst bij [y] voor 2,25 uur per week tegen het bruto minimum uurloon, alsmede 8% vakantietoeslag. Blijkens de jaaropgave over 2013 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 989,-.

Zij is per 17 mei 2013 werkzaam in loondienst bij [B.V.] op oproepbasis. Haar salaris bedroeg volgens de salarisspecificaties over mei 2013 en november 2013 respectievelijk € 203,- en € 1.096,- netto per maand, inclusief vakantietoeslag. Blijkens de jaaropgaven over 2013 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 3.943,-.

Aan huur betaalt zij € 666,- per maand. De huurtoeslag bedraagt € 3.565,- per jaar.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalde zij in 2013 € 140,- per maand. Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij in 2014 € 134,- per maand. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 865,- per jaar.

In 2013 ontving zij een kindgebonden budget van € 1.863,- per jaar. In 2014 ontvangt zij een kindgebonden budget van € 2.044,- per jaar.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen € 399,- per kind per maand met ingang van 1 november 2012 en voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts is de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld: de kinderen verblijven een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot maandag naar school bij de man, alsmede de helft van de zomervakantie en van tweewekelijkse schoolvakanties.

Deze beschikking is gegeven op:

  • -

    het (gewijzigd) verzoek van de vrouw te bepalen dat de man aan haar zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 399,- per kind per maand met ingang van 1 november 2012, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en te bepalen dat partijen gehouden zullen zijn tot naleving van de door als productie 8 bij haar inleidend verzoekschrift weergegeven regeling, en te bepalen dat deze regeling onderdeel uitmaakt van de in deze te geven beschikking, met toewijzing van de zomervakantieregeling zoals door de man is verzocht;

  • -

    het zelfstandig verzoek van de man een zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen inhoudende primair dat de kinderen gedurende één week per twee weken bij hem verblijven en subsidiair dat de kinderen een weekend per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school en wekelijks van dinsdag uit school tot woensdag naar school bij hem verblijven, alsmede zowel primair als subsidiair gedurende de laatste drie weken van de zomervakantie in de oneven jaren en de eerste drie weken van de zomervakantie in de even jaren en met betrekking tot de korte vakanties en feestdagen te bepalen dat die worden gevierd daar waar de kinderen op dat moment verblijven.

3.2.

De man heeft verzocht – zoals gewijzigd bij brief van 10 februari 2014 –, met vernietiging van de bestreden beschikking, zijn inleidend verzoek tot vaststelling van een zorgregeling alsnog toe te wijzen en te bepalen dat hij een door het hof vast te stellen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal zijn verschuldigd waarbij de door hem te betalen bijdrage over de periode:

  • -

    van 1 november 2012 tot 5 januari 2013 zal worden vastgesteld op basis van de oude rekenmethode;

  • -

    van 5 januari 2013 tot 17 mei 2013 zal worden vastgesteld zodanig dat op de behoefte van de kinderen in mindering wordt gebracht het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget en de draagkracht wordt berekend volgens de oude rekenmethode;

  • -

    vanaf 17 mei 2013, althans een zodanige datum dat het hof juist acht, zal worden vastgesteld volgens de nieuwe rekenmethode.

3.3.

De vrouw heeft verzocht het hoger beroep van de man af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten in beide instanties.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Zorgregeling

4.1.

Partijen hebben ter zitting in hoger beroep overeenstemming bereikt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Zij zijn overeengekomen dat met ingang van de datum van de beschikking van het hof [kind b] en [kind c] bij de man verblijven de ene week van donderdag uit school tot maandag naar school en de andere week van donderdag uit school tot vrijdag naar school. Partijen zijn het erover eens dat in onderling overleg de zorgregeling tussen de man en [kind a] kan worden uitgebreid, waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van [kind a] en dat [kind a] de vrijheid heeft om bij de vrouw of de man te verblijven. Voorts zijn zij overeengekomen dat met ingang van de datum van de beschikking van het hof de kinderen in de oneven jaren de laatste drie weken van de zomervakantie en in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de man verblijven alsmede dat de korte vakanties en feestdagen worden gevierd daar waar de kinderen op dat moment verblijven.

4.2.

Nu niet is gebleken dat deze regeling niet in het belang van de kinderen is, zal het hof dienovereenkomstig beslissen.

Periodes/ingangsdata kinderbijdrage

4.3.

Het hof dient te beoordelen met welk bedrag de man vanaf 1 november 2012 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.4.

De man betoogt dat zich met ingang van 5 januari 2013 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, omdat de vrouw sinds die datum inkomen geniet uit hoofde van een dienstverband bij zowel [x] als [y]. Voorts stelt hij dat zich met ingang van 17 mei 2013 een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, omdat de vrouw sindsdien inkomen geniet uit hoofde van een dienstverband bij [B.V.] Het hof volgt de man niet in deze stellingen. Niet is gesteld of gebleken dat deze inkomstenbronnen van de vrouw hebben geleid tot een situatie aan haar zijde van zodanige aard en omvang dat die leiden tot de conclusie dat haar draagkracht en haar capaciteit om een hogere bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in relevante mate zijn toegenomen. Deze gestelde wijzigingen leveren geen relevante grond voor wijziging van de onderhoudsbijdrage op.

4.5.

De man stelt verder dat met ingang van de datum van de bestreden beschikking opnieuw sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat de zorgregeling is gewijzigd. De zorgregeling is bij de bestreden beschikking in die zin gewijzigd dat hij naast de reguliere regeling de kinderen tijdens de helft van de zomervakantie en tweewekelijkse schoolvakanties bij zich heeft. Daarnaast stelt hij dat vanaf de datum van de door het hof in deze te geven beschikking sprake is van een wijziging van omstandigheden, omdat de zorgregeling sinds die datum wederom is gewijzigd. Naar het oordeel van het hof leveren de wijzigingen van de zorgregeling per 24 juli 2013 en per 1 april 2014 wijzigingen in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) op, zodat het hof daarmee rekening zal houden.

Kinderbijdrage in de periode van 1 november 2012 tot 24 juli 2013

4.6.

De man voert aan dat de behoefte van de kinderen € 380,- per kind per maand bedraagt. De man stelt dat hij wisselende inkomsten heeft bij [bedrijf] en de brandweer, waardoor het gemiddelde inkomen over de jaren 2009, 2010 en 2011 in aanmerking dient te worden genomen. De vrouw betoogt dat de rechtbank terecht de behoefte van de kinderen heeft vastgesteld op € 399,- per kind per maand.

4.7.

Het hof overweegt dat de behoefte van de kinderen volgens de gebruikelijke normen dient te worden bepaald aan de hand van het netto gezinsinkomen tijdens de relatie van partijen. Het gezinsinkomen dient als maatstaf te worden gehanteerd, omdat dit bepalend is voor de uitgaven die ten behoeve van het kind zijn gedaan en uitgangspunt is dat een kind in financieel opzicht niet slechter af behoort te zijn na het uiteengaan van zijn ouders. Nu niet in geschil is dat partijen in december 2011 feitelijk uit elkaar zijn gegaan, zal het hof het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2011 als uitgangspunt nemen. In hetgeen de man heeft aangevoerd, ziet het hof geen aanleiding om niet aan te sluiten bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van het laatste jaar van samenwonen (2011). Vastgesteld kan worden dat de vrouw in 2011 geen inkomen had en de man in 2011 inkomen uit arbeid verdiende. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat het netto gezinsinkomen van partijen in 2011 € 4.304,- per maand bedroeg. Gelet daarop en de overige omstandigheden van dit geval zal de behoefte van de kinderen worden vastgesteld op het bedrag dat de vrouw heeft gesteld, te weten € 399,- per kind per maand.

4.8.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van partijen uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.2 en 2.3 weergegeven, behoudens voor zover in het navolgende hiervan zal worden afgeweken.

4.9.

Het hof zal bij het vaststellen van de draagkracht van de man uitgaan van het fiscaal loon in 2013 bij [bedrijf] van € 81.016,- en het fiscaal loon in 2013 bij [de gemeente 2] van € 9.349,-.

4.10.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man voorts rekening houden met de kosten van omgang met de kinderen. Vaststaat dat in de periode van 1 november 2012 tot 24 juli 2013 de kinderen iedere twee weken van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij hem verbleven. Het hof zal rekening houden met het gebruikelijke forfaitaire bedrag van € 5,- per kind per dag en daarmee met omgangskosten van € 98,- per maand.

4.11.

Wat betreft het inkomen van de vrouw gaat het hof uit van het fiscaal loon zoals deze is vermeld op haar jaaropgaven over 2013 van [x], [y] en [B.V.], te weten in totaal € 5.983,-. Anders dan de man meent, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof voldoende inzicht gegeven in haar inkomsten. Blijkens de door de vrouw overgelegde arbeidscontracten verricht zij schoonmaakwerkzaamheden in en om de woning bij zowel [x] als [y] voor 2,25 uur per week. Zij ontvangt daarvoor een beloning op basis van het bruto minimum uurloon, alsmede 8% vakantietoeslag. De in de arbeidscontracten genoemde beloning komt overeen met de door de vrouw ontvangen bedragen zoals deze zijn vermeld op haar bankafschriften en de jaaropgaven over 2013. Daarnaast is de vrouw sinds 17 mei 2013 werkzaam in loondienst bij [B.V.] op oproepbasis, waarbij haar werkzaamheden bestaan uit het stoppen van papier in een vouwmachine. Mede gelet op de salarisspecificatie over november 2013 heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat haar contract bij [B.V.] de dato 28 oktober 2013 – net als haar contract de dato 17 mei 2013 – een nul uren contract betreft. Zij is afhankelijk of er werkzaamheden zijn waarvoor zij in aanmerking komt. Nu het verdere verloop van haar werkzaamheden bij [B.V.] onzeker is, ziet het hof geen aanleiding haar inkomen over de maanden november en december 2013 bij [B.V.] te extrapoleren naar een jaarinkomen.

4.12.

Het hof zal partijen bij de draagkrachtvergelijking als alleenstaande beschouwen en uitgaan van een draagkrachtpercentage van 70.

4.13.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is de door de rechtbank vastgestelde door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 399,- per kind per maand in de periode van 1 november 2012 tot 24 juli 2013 in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Kinderbijdrage in de periode van 24 juli 2013 tot 1 april 2014 en vanaf 1 april 2014

4.14.

Ten aanzien van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in de periode van 24 juli 2013 tot 1 april 2014 en vanaf 1 april 2014 overweegt het hof als volgt. Aangezien op 1 april 2013 de nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Werkgroep Alimentatienormen in werking zijn getreden en in de onderhavige zaak zich voor de bijdrage relevante wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan op 24 juli 2013 en 1 april 2014, zal het hof de nieuwe richtlijnen toepassen voor de periode van 24 juli 2013 tot 1 april 2014 en vanaf 1 april 2014.

4.15.

Voor de berekening van de door de man verschuldigde bijdrage zal het hof allereerst het eigen aandeel in de behoefte van de kinderen opnieuw vaststellen, nu bij vaststelling van de behoefte met ingang van 1 januari 2013 het kindgebonden budget als een bijdrage in de behoefte van de kinderen wordt beschouwd. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen dient daarom te worden vermeerderd met het kindgebonden budget voor zover partijen daarop ten tijde van hun relatie recht hadden. Vervolgens dient de behoefte van de kinderen aan de hand van de tabel te worden bepaald. Ten slotte dient het kindgebonden budget na het uiteengaan van partijen te worden berekend en in mindering te worden gebracht op de behoefte van de kinderen. Wat resteert is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen.

4.16.

De behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen is berekend aan de hand van de gegevens van partijen over 2011. Nu partijen op basis van hun inkomen ten tijde van hun samenleving geen aanspraak maakten op het kindgebonden budget, blijft de behoefte van de kinderen € 399,- per kind per maand. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de behoefte geïndexeerd naar 2014 € 403,- per kind per maand bedraagt. Ten behoeve van de berekening van het kindgebonden budget waarop de vrouw in de periode van 24 juli 2013 tot 1 april 2014 en vanaf 1 april 2014 aanspraak kan maken, sluit het hof aan bij het inkomen uit arbeid van de vrouw van € 5.983,- per jaar. De vrouw kan bij dit inkomen aanspraak maken op een kindgebonden budget van € 163,- per maand, dat wil zeggen € 54,- per kind per maand. Het eigen aandeel in de kosten van de kinderen bedraagt dan in 2013 € 345,- en in 2014 € 349,- per kind per maand.

4.17.

Bij de berekening van de draagkracht van de man zal het hof het netto besteedbaar inkomen van de man tot uitgangspunt nemen. Het hof zal aan de zijde van de man uitgaan van zijn fiscaal loon in 2013 bij [bedrijf] van € 81.016,- en zijn fiscaal loon in 2013 bij [de gemeente 2] van € 9.349,-.

De draagkracht van de man in de periode van 24 juli 2013 tot 1 april 2014 en vanaf 1 april 2014 zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 850,-)] respectievelijk 70% [NBI - (0,3 NBI + € 860,-)], nu zijn netto besteedbaar inkomen hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man op het besteedbaar inkomen 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 850,- respectievelijk € 860,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Rekening houdend met het fiscaal voordeel kan de draagkracht van de man in de periode van 24 juli 2013 tot 1 april 2014 en vanaf 1 april 2014 worden bepaald op € 1.744,- respectievelijk € 1.653,- per maand.

4.18.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.11 is weergegeven zal het hof bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw uitgaan van haar fiscaal loon in 2013 bij [x], [y] en [B.V.], te weten in totaal € 5.983,-. Haar netto besteedbaar inkomen bedraagt € 498,- per maand. Nu het inkomen van de vrouw ligt onder de voor haar geldende bijstandsnorm, is zij niet in staat een bijdrage ten behoeve van de kinderen te betalen.

4.19.

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.

Onbetwist is dat in de periode van 24 juli 2013 tot 1 april 2014 de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot maandag naar school bij de man verbleven, alsmede de helft van de zomervakantie en van tweewekelijkse schoolvakanties. Gelet op die regeling zal het hof een percentage van 15% in aanmerking nemen. Nu het eigen aandeel van de ouders in de kosten € 345,- per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 52,- per kind per maand. Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen, omdat de man voldoende draagkracht heeft om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is weergegeven heeft de man in het vervolg 2,6 dagen per week de zorg voor [kind b] en [kind c] en 1,7 dagen per week de zorg voor [kind a], zodat ten aanzien van de zorgkorting een percentage geldt van 25% respectievelijk 15%. Nu het eigen aandeel van de ouders in de kosten € 349,- per kind per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting voor [kind b] en [kind c] een bedrag van € 87,- per kind per maand en voor [kind a] € 52,- per maand. Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen, omdat de man voldoende draagkracht heeft om in de behoefte van de kinderen te voorzien.

4.20.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is de man in staat aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen:

- met ingang van 24 juli 2013 tot 1 april 2014 € 293,- per kind per maand;

- met ingang van 1 april 2014 voor [kind b] en [kind c] € 262,- per kind per maand en voor [kind a] € 297,- per maand.

4.21.

Voor zover vanaf 24 juli 2013 tot heden door de man meer is betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 4.20 vermelde bijdrage, kan van de vrouw, gelet op haar financiële situatie en de omstandigheid dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.

4.22.

Het hof ziet onvoldoende aanleiding de man te veroordelen in de kosten in beide instanties, zoals door de vrouw is verzocht. Het hof zal op de gebruikelijke wijze de proceskosten compenseren.

4.23.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is bepaald dat [kind b] en [kind c] bij de man verblijven een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot maandag naar school en de kinderen bij de man verblijven de helft van de zomervakantie en van tweewekelijkse schoolvakanties, vanaf 1 april 2014, en voor zover het de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vanaf 24 juli 2013 betreft, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat met ingang van 1 april 2014:

- [kind b] en [kind c] bij de man verblijven de ene week van donderdag uit school tot maandag naar school en de andere week van donderdag uit school tot vrijdag naar school;

- de kinderen in de oneven jaren de laatste drie weken van de zomervakantie en in de even jaren de eerste drie weken van de zomervakantie bij de man verblijven alsmede dat de korte vakanties en feestdagen worden gevierd daar waar de kinderen op dat moment verblijven;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen:

- met ingang van 24 juli 2013 tot 1 april 2014 op € 293,- (TWEEHONDERD DRIEËNNEGENTIG EURO) per kind per maand;

- met ingang van 1 april 2014 voor [kind b] en [kind c] op € 262,- (TWEEHONDERD TWEEËNZESTIG EURO) per kind per maand en voor [kind a] op € 297,- (TWEEHONDERD ZEVENENNEGENTIG EURO) per maand;

vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 24 juli 2013 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, M. Wigleven en P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. van Boheemen als griffier, en in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer op 1 april 2014.