Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:1104

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
200.136.408-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lijfsdwang na herhaalde onrechtmatige uitlatingen op internet. Beperking vrijheid van meningsuiting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/347

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : SKG 200.136.408/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/205996/KG ZA 13-430

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 april 2014

inzake

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE POLITIE (REGIONALE EENHEID NOORD-HOLLAND),

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

2. [APPELLANT SUB 2],

gekozen woonplaats te [woonplaats],

appellanten, tevens incidenteel geïntimeerden,

advocaat mr. A.J.C.M. van Acht,

tegen

[geïntimeerde] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland,

gekozen woonplaats te [woonplaats],

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

advocaat mr. M.J.R. Roethof.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk de Politie, [appellant sub 2] en [geïntimeerde] genoemd.

De Politie en [appellant sub 2] zijn bij dagvaarding van 18 oktober 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland, afdeling privaatrecht, sectie Handel & Insolventie, locatie Haarlem, van 20 september 2013, in kort geding gewezen tussen hen als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde.

De appeldagvaarding bevat de grieven, met producties.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.

De Politie en [appellant sub 2] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover het de afwijzing van (een deel van) het in eerste aanleg onder D en E gevorderde (zie voor de inhoud hierna) betreft en alsnog die vorderingen toe zal wijzen, met beslissing over de proceskosten en de nakosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van alle oorspronkelijke vorderingen van de Politie en [appellant sub 2], met beslissing over de proceskosten.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1.

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder paragraaf 2 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Zij komen neer op het volgende.

2.2.

[appellant sub 2] is in dienst bij de Politie en heeft in zijn functie van agent op 10 maart 2003 bijstand verleend bij de insluiting van [geïntimeerde] op het politiebureau in Hoofddorp.

2.3.

Naar aanleiding van een klacht van [geïntimeerde] over het optreden van de politie in

verband met haar aanhoudingen op 10 maart 2003 en 31 december 2003, ingediend op 28 augustus 2006, heeft een onderzoek plaatsgevonden door de Nationale ombudsman.

Met betrekking tot het incident op 10 maart 2003 vermeldt de Nationale ombudsman in zijn rapport:

(…)

Voor wat betreft de eerste aanhouding klaagt zij er met name over dat de politie haar heeft uitgescholden, pepperspray heeft gebruikt, haar heeft geboeid en haar geen water en voedsel heeft verstrekt toen zij in de cel zat.

(…)

I. Ten aanzien van het uitschelden

(...)

4. Uit het onderzoek is gebleken dat de lezingen met betrekking tot het uitschelden

uiteenlopen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan aan de ene lezing meer betekenis moet worden toegekend dan aan de andere, zodat de Nationale ombudsman zich moet onthouden van een oordeel over dit klachtonderdeel.

II. Ten aanzien van het gebruik van pepperspray

(…) Naar het oordeel van de Nationale ombudsman heeft de politie middels het gesprek met verzoekster voldoende moeite gedaan om haar zonder geweld te kunnen aanhouden. Zij was hiervoor echter kennelijk niet ontvankelijk, terwijl zij bovendien dreigende taal begon te bezigen. Onder die omstandigheden kon de politie ervoor kiezen om het op zichzelf zware middel van pepperspray te gebruiken. (...)

Alles overziend heeft de politie verzoeksters recht op onaantastbaarheid van haar lichaam niet geschonden door het gebruik van pepperspray.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

III. Ten aanzien van het boeien

(...)

5. Verzoekster was volgens de waarneming van de politie overduidelijk opgewonden en emotioneel, terwijl er tevens sprake was van (enigszins,) verward/gestoord gedrag en agressiviteit (...). Iemand die dergelijk gedrag vertoont is tamelijk onvoorspelbaar. In die omstandigheden kon de politie besluiten om in verband met zowel de veiligheid van verzoekster als die van de politie zelf verzoekster te boeien voor het vervoer naar het politiebureau. Ook hierin ziet de Nationale ombudsman dan ook geen schending van verzoeksters recht op onaantastbaarheid van haar lichaam.

De onderzochte gedraging is behoorlijk.

IV. Ten aanzien van het niet verstrekken van water en voedsel

(…)

6. Volgens verzoekster heeft de politie haar ongeveer 20 uur geen eten en drinken

aangeboden. In het arrestantenregister is opgenomen dat verzoekster voedsel en/of drinken is verstrekt c.q. dat zij dit heeft geweigerd. De Nationale ombudsman hecht meer geloof aan hetgeen door de politie is weergegeven, nu hij gelet op verzoeksters gemoedstoestand niet onaannemelijk acht dat wat zich allemaal precies heeft afgespeeld haar niet meer geheel helder voor de geest staat en hij verder ook geen enkele reden heeft om te twijfelen aan hetgeen in het arrestantenlogboek is opgenomen. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.

(…)

2.4.

In een brief van 13 oktober 2008 namens de Politie, van de teamchef basisteam

Noord district Haarlemmermeer, aan de (toenmalige) advocaat van [geïntimeerde] is onder meer als volgt vermeld:

Naar aanleiding van uw brief van 23 september 2008, met daarin een aangifte van een

aantal strafbare feiten namens uw cliënte mevrouw [geïntimeerde] bericht ik u het volgende.

(...)

In het verleden is mevrouw [geïntimeerde] al vaker in de gelegenheid gesteld aangifte te doen van strafbare feiten die haar overkomen zijn. Het is tot nu toe iedere keer aan het gedrag van mevrouw [geïntimeerde] zelf te wijten dat het niet tot een (voltooide) aangifte komt. Dit gedrag bestaat onder meer uit tieren, vloeken en beledigingen aan het adres van de politie en/of de betrokken politieambtenaar. In het algemeen is onze ervaring, dat mevrouw [geïntimeerde] zich niet houdt aan de minimale eisen van maatschappelijk aanvaard fatsoen. Mocht mevrouw [geïntimeerde] aangifte willen doen

- in aanwezigheid van u – van een strafbaar feit, dan verzoek ik u hiervoor telefonisch contact op te nemen met ondergetekende.

(...)

2.5.

In mei 2006 en april 2008 hebben zich feiten voorgedaan waarvan aangifte is

gedaan door [appellant sub 2]. De aangiften hebben geleid tot de strafrechtelijke vervolging van [geïntimeerde], waarna zij op 23 augustus 2010 door de politierechter te Haarlem is veroordeeld voor respectievelijk smaad en smaadschrift, Tegen dit vonnis heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 16 februari 2012 van dit gerechtshof is [geïntimeerde] onder meer veroordeeld voor smaad en smaadschrift. Het hof overweegt in het arrest onder meer dat het wettig en overtuigend bewezen acht dat:

zij in de periode van 27 april 2008 tot en mei 1 mei 2008 te Hoofddorp, gemeente

Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, opzettelijk, door middel van het openlijk

tentoonstellen van een geschrift, de eer en de goede naam van [appellant sub 2] heeft

aangerand door telastelegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel in een interview en (daarmee) in een weerslag van dat interview gesteld: “Ik wil de agent [appellant sub 2] aanklagen die mij in dit bureau met geweld, eh, met fysiek geweld de kleding van het lijf heeft getrokken; de benen uit mekaar heeft geschopt, mij heeft gehandboeid en mij met bruut geweld vaginaal heeft onderzocht”, openlijk tentoongesteld;

alsmede

zij op 22 mei 2006 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk de eer en

goede naam van [appellant sub 2] heeft aangerand door telastelegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel aan collega’s van die [appellant sub 2] en buurtbewoners van verdachte -zakelijk weergegeven- medegedeeld dat [appellant sub 2] haar drie jaar geleden had verkracht;

In de nadere bewijsoverweging van het hof is als volgt vermeld:

De inhoud van de uitlatingen van de verdachte over [slachtoffer] is van dien aard dat de verdachte moet hebben geweten dat daarmee de eer en goede naam van [slachtoffer] werd aangetast - zo dat niet al haar vooropgezette bedoeling was - en dat met de in het interview en de tegenover de collega’s van [slachtoffer] en buurtbewoners van verdachte gedane uitlatingen geen als algemeen belang te beschouwen doel werd gediend. Wat er ook zij van de beweringen van verdachte dat de door haar gedane uitlatingen op waarheid berusten, het hof is van oordeel dat geen algemeen belang is gediend met de bewezenverklaarde uitlatingen van de verdachte over [slachtoffer] in de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan. Voor het indienen van klachten over overheidsoptreden en het aangifte doen van strafbare feiten bestaan andere mogelijkheden waarvan de verdachte inmiddels ook gebruik

heeft gemaakt.

Ten aanzien van de oplegging van straf heeft het hof overwogen:

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het stelselmatig in het openbaar uiten van beledigingen jegens ambtenaren in functie en andere personen, het in het openbaar mondeling en schriftelijk uiten van smaad jegens een politieambtenaar, het verblijven op de openbare weg waar haar dat niet was toegestaan, alsmede het niet voldoen aan bevelen en/of vorderingen krachtens wettelijk voorschrift gedaan door daartoe bevoegde ambtenaren. Daarnaast heeft de verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan vernieling van goederen van haar zuster. De verdachte gaat zich telkens te buiten aan buitengewoon hinderlijk gedrag ten opzichte van politieambtenaren en belemmert dezen daarmee in de uitoefening van hun taak. Bovendien beledigt de verdachte politieambtenaren stelselmatig door hen te vergelijken met neonazi’s en gebruikt daarbij veelvuldig het woord ‘kanker’. Dit zijn zeer ernstige beledigingen die de waardigheid van een politieman volstrekt miskennen en uiterst kwetsend zijn voor de persoon waartegen dit is gericht.

Noch uit de stukken in het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger

beroep komt naar voren dat hetgeen de verdachte aanvoert als reden voor de manier

waarop zij gezags- en ambtsdragers en haar zuster benadert, haar gedrag rechtvaardigt. De verdachte die slechts lijkt te kunnen schreeuwen dat haar onrecht wordt aangedaan, maar met betrekking daartoe zelfs geen begin van aannemelijkheid weet over te brengen, heeft door op de bewezen verklaarde wijze uiting te geven aan haar weerzin tegen de Nederlandse rechtsorde de grenzen van het toelaatbare ver overschreden. Ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de verdachte het laakbare van haar handelen nog steeds niet wenst in te zien.

2.6.

De Politie en [appellant sub 2] hebben een overzicht overgelegd onder de titel “Overzicht van publicaties van mevrouw [geïntimeerde]’ van 14 augustus 2013 (productie 11 bij inleidende dagvaarding) waarin beschuldigingen van verkrachting worden geuit tegen [appellant sub 2], althans waarin [appellant sub 2] in verband wordt gebracht met verkrachting van [geïntimeerde] in 2003. De volgende publicaties zijn vermeld:

1. Bron: http://gepkedeleef.wordpress.com, publicatie gesignaleerd op 2 juli 2013

“[geïntimeerde] (...) 38 uur naakt en geboeid, geschopt, gestompt en beledigd met grof

geweld in een isoleercel werd opgesloten, nadat zij op grove wijze ook vaginaal werd

onderzocht waar de handboeien waren gebleven. Familielid (van de hoofdcommissaris) [appellant sub 2], de agent die lichamelijk visiteerde, erkende de ombudsman dat [geïntimeerde] zou hebben gezegd: “in mijn kut, kom maar halen!” wat per se niet waar is, en zelfs een aparte leugen. De ombudsman nam dit feit van 10 maart 2003 niet mee in zijn rapport. (Dit alles gebeurde in 2003). Zie de foto’s en persverklaring van de gemeente Haarlemmermeer.”;

2. Bron: http://gepkedeleef.wordpress.com, publicatie gesignaleerd op 2 juli 2013

“2003 bruut vaginaal onderzoek door politieagent [appellant sub 2] = art. 242 verkrachting in politiecel vijf dagen voorarrest geen recht op advocaat.”;

3. Bron; https:/twitter.com, publicatie van 15 juni 2013

“Vandaag precies 10 jaar geleden dat ik ben verkracht door politieagent [appellant sub 2].” [publicatie geïllustreerd met foto van [appellant sub 2]];

4. Bron: http://wijengepke.hyves.nl, publicatie gesignaleerd op 7 mei 2013

“16 april 2013 weer onterecht in detentie voor maanden omdat ik nog steeds wil dat degene die mij verkracht en zwaar letsel hebben toegebracht strafrechtelijk worden vervolgd. Aangiftes zijn gedaan maar politie/OM houden die in de la.”;

5. Bron: http://gepkdeleef.wordpress.com, publicatie gesignaleerd op 2 mei 2013

“[appellant sub 2]: verkrachting, mishandeling, poging tot moord, laster, smaad (…)”;

6. Bron: http://gepkedeleef.wordpress.com, publicatie gesignaleerd op 2 mei 2013

“[appellant sub 2], laster smaad omdat ik hem terecht uitmaak voor verkrachter nadat hij bruut vaginaal onderzoek bij mij had gedaan omdat ze handboeien zochten in mijn vagina. Vader van twee kinderen.”;

7. Bron: http://gepkedeleef.wordpress.com, publicatie gesignaleerd op 2 mei 2013

“Wat verergerde toen ik in 2003 ook nog eens ben verkracht en gefolterd in

politiecellencomplex Hoofddorp door [appellant sub 2] nu hoofdagent in Haarlem en woonachtig in [woonplaats] (...)”;

8. Bron: http://gepkedeleef.wordpress.com, publicatie gesignaleerd op 2 mei 2013

“242- verkrachting: [appellant sub 2].”;

9. Bron: http://gepkedeleef.wordpress com, publicatie gesignaleerd op 2 mei 2013

“Niet onbelangrijk de verklaring die persofficier rechtbank Haarlem [X] gaf op audio vastgelegd door RTV NH dat [geïntimeerde] het brute vaginale onderzoek door [appellant sub 2] heeft ervaren als verkrachting is haar ervaring. (...) en ook de schriftelijke verklaring die [appellant sub 2] opstuurde naar de ombudsman “toen ik [appellant sub 2] [geïntimeerde] vroeg waar de handboeien waren gebleven..riep zij in mijn kut, kom maar halen” en als BIG geregistreerde politieagent heb ik mij dus ten volle aan mijn taak gewijd, ben diep gegaan maar heb geen handboeien in de vagina van [geïntimeerde] gevonden. Daarna hebben wij [geïntimeerde] geheel volgens protocol met peloton in de rug geslagen en geschopt en haar met haar bloten voeten over glas proberen te jagen (...) 246- feitelijke aanranding eerbaarheid, integriteit van het lichaam: [appellant sub 2]/politie Kennemerland (...)”;

10. Bron: http//gepkedeleef.wordpress.com, publicatie gesignaleerd op 2 mei 2013

“[appellant sub 2] uit Hoofddorp eist 200 euro schadevergoeding voor het voor mij

verkrachten! He je had je nazi II pet op! En wist wat je deed!”;

11. Bron: https//:plus.google.com, publicatie van 5 april 2013

“Precies 10 jaar geleden werd ik in het cellencomplex van politie Hoofddorp verkracht door [appellant sub 2]. Ik deed aangifte toen werd ik na zware mishandelingen 68 dagen gevangen gezet onder beperking.”;

12. Bron: https://plus.google.com, publicatie van 21 maart 2013

“[appellant sub 2] de verkrachter uit Hoofddorp.”[publicatie is voorzien van een foto van [appellant sub 2]];

13. Bron: http://gepkedeleef.wordpress.com, publicatie 17 maart 2013

“Dus [appellant sub 2] heeft nooit hoeven antwoorden op de vraag heeft u mevrouw [geïntimeerde] met bruut geweld vaginaal inwendig onderzocht.”;

14. Bron: http://hetbegoninl993.hyves.nl, publicatie van 12 maart 2013

“Een reactie op vandaag precies 10 jaar geleden dat ik ben verkracht door politieagent [appellant sub 2] uit Hoofddorp door [geïntimeerde].”;

15. Bron: https://plus.google.com, publicatie van 10 maart 2013

“Precies 10 jaar geleden werd ik in het cellencomplex van politie Hoofddorp verkracht door [appellant sub 2] deed aangifte toen werd ik na zware mishandelingen 68 dagen gevangen gezet onder beperking.”;

16. Bron: http://gepkedeleefwordpress.com, publicatie 10 maart 2013

“Vandaag precies 10 jaar geleden dat ik ben verkracht door politieagent [appellant sub 2]

uit Hoofddorp. Nu werkzaam in Haarlem als hoofdagent.” [publicatie voorzien van foto van [appellant sub 2]];

17. Bron: http://moetenwenietwillen.nl, publicatie 12 oktober 2012

“Ja, politieagent [appellant sub 2] van politie Kennemerland klauwde met zijn klauwen bruut in mijn vagina en kwam daar tot nu toe ook nog steeds strafrechtelijk niet vervolgd ook af met: ze riep zelf in mijn kut kom maar halen. En daarom wordt mijn aangifte in de bureaulade gehouden bij commissaris [appellant sub 2], zelfs geen sepot”;

18. Bron: http://gepkedeleef.wordpress.com, publicatie aangetroffen op 11 oktober 2012

“242 verkrachting: [appellant sub 2] (...) 246 - feitelijke aanranding eerbaarheid, integriteit van het lichaam: [appellant sub 2]”;

19. Bron: http://www.camilleri.nl, publicatie najaar 2012

“Politieagent [appellant sub 2] tegen wie ik aangifte van verkrachting heb gedaan zat ook in de zaal met hand op dienstwapen.”;

20. Bron: http://www.youtube.com, publicatie uit 2011

“Politie bracht mij naakt, handboeien en met zak over hoofd in busje van bureau naar

bureau. Na vier dagen uit wc-pot moeten drinken om in leven te blijven. Bruut vaginaal onderzoek. Geen aangiften in behandeling willen nemen tot op heden.”;

21.Bron: www.indymedia.nl, publicatie 19 oktober 2010

“[appellant sub 2], de agent die mij lichamelijk visiteerde, erkende de ombudsman dat [geïntimeerde] zou hebben gezegd: “in mijn kut, kom maar halen!” wat perse niet waar is, en zelfs een aperte leugen. De ombudsman nam dit feit van 10 maart 2003 niet mee in zijn rapport. (Dit alles gebeurde in 2003)”;

22. Bron: www.nujij.nl, publicatie 18juni 2010

“Vergeet [Y] niet en agent [appellant sub 2] Hoofddorp. Buitenechtelijke relatie [appellant sub 2] maar rechter geloofd hem op ambtseed (...) [geïntimeerde] verkracht in politiecel.”;

23. Bron: http://nederlandvrij.com, publicatie 24januari 2010

“[geïntimeerde] (...) 38 uur naakt en geboeid, geschopt, gestompt en beledigd met grof

geweld in een isoleercel werd opgesloten, nadat zij op grove wijze ook vaginaal werd

onderzocht waar de handboeien waren gebleven. Familielid (...) van de hoofdcommissaris [appellant sub 2], de agent die lichamelijk visiteerde, erkende de ombudsman dat [geïntimeerde] zou hebben gezegd: “in mijn kut, kom maar halen!” wat per se niet waar is, en zelfs een aperte leugen. De ombudsman nam dit feit van 10 maart 2003 niet mee in zijn rapport. (Dit alles gebeurde in 2003)”;

24. Bron: www.nujij.nl, publicatie omstreeks voorjaar 2010

“Hallo [appellant sub 2] politie Kennemerland. Aangifte 2004 en nog steeds in dienst. Wil zelfs schadevergoeding via via komt zelf niet opdagen bij rechtbank. Heeft het te druk met buitenechtelijke relaties.”;

25. Bron: http://nederlandvrij.com, publicatie van 24 januari 2010 en www. indymedia.nl, publicatie 28 april 2008

“Uiteindelijk belandde zij vanwege haar weigering om onrecht en machtsmisbruik te

accepteren onterecht in de gevangenis, waar zij ondanks de ontkenning van de

burgemeester/korpschef [Z] 38 uur naakt en geboeid, geschopt, gestompt en

beledigd met grof geweld in een isoleercel werd opgesloten, nadat zij op grove wijze ook vaginaal werd onderzocht waar de handboeien waren gebleven. Familielid (van de

hoofdcommissaris) [appellant sub 2], de agent die mij lichamelijk visiteerde, erkende de

ombudsman dat [geïntimeerde] zou gezegd hebben: “In mijn kut, kom maar halen!’ wat per se niet waar is en zelfs een aperte leugen.”;

26. Bron: http://nederlandvrij.com, publicatie van 24 januari 2010

“Familielid (van de hoofdcommissaris) [appellant sub 2], de agent die mij lichamelijk visiteerde, erkende de ombudsman dat [geïntimeerde] zou gezegd hebben: “in mijn kut, kom maar halen!” wat per se niet waar is, en zelfs een aperte leugen. De ombudsman nam dit feit van 10 maart 2003 niet mee in zijn rapport (Dit alles gebeurde in 2003)”.;

27. Bron: www.stomverbaasd.com, publicatie 19 januari 2010

“Wordt [geïntimeerde] veroordeeld tot doodstraf? Omdat zij sinds 2003 aangifte doet (en heeft gedaan, ook door advocaten) tegen bruut vaginaal onderzoek door agent [appellant sub 2] politie Kennemerland”;

28. Bron: http://mobiel.nujij.nl, publicatie omstreeks voorjaar 2010

“Vergeet [Y] niet en agent [appellant sub 2] Hoofddorp. Buitenechtelijke relatie [appellant sub 2] maar rechter gelooft hem op ambtseed (...) [geïntimeerde] verkracht in politiecel.”;

29. Bron: www.sdnl.nl, publicatie 18 september 2007

“Let op met geweld gewroet in vagina ook toegegeven door [appellant sub 2] op papier onder het mom ik zou toen ze om de handboeien vroegen geroepen hebben in me kut kom maar halen.”;

30. Bron: www.sdnl.nl, publicatie 17 september 2008

“Al geruime tijd probeert mevrouw [geïntimeerde] aangifte te doen van strafbare feiten

gepleegd door o.a. enkele agenten van politie wegens het plegen van grof lichamelijk

geweld tijdens haar opsluiting in een politiecel met grove vaginale verkrachting om te

zoeken naar verdwenen handboeien.”

31. Bron: http://dens.blog.nl, publicatie 7 september 2007

“Conclusie ombudsman 2007/183 (1 zat in cel u bent verkracht en gefolterd maar dat is u eigen schuld ook 38 naakt en bloedend in isoleercel. En ja de politie zegt dat u zichzelf heeft uitgekleed op hun verzoek na een paar mnd eerder verkracht te zijn in politiecel door zelfde [appellant sub 2] vies jong”;

32. Bron: www.klokkenluideronline.net, publicatie op 17 augustus 2007

“U verkracht in politiecel ja maar [appellant sub 2] heeft op papier gezet dat u zelf riep toen menu vroeg waar de handboeien waren gebleven die men u in cel hand omgedaan. [appellant sub 2] zei riep in me kut kom maar halen, we hebben haar toen met 10 blauwe neonazi’s tegen de muur geschopt haar benen uit elkaar geschopt en ze hebben toen maar in haar kut lopen graaien en gelachen dat we hebben.”;

33. Bron: www.indymedia.nl, publicatie van 3 juli 2007

“In 2003 verkracht, mishandeld verrot geslagen, uitgekleed met geweld dagen geen eten en drinken (...)”;

2.7.

Bij brief van 14 augustus 2013 van de advocaat van de Politie en [appellant sub 2] is [geïntimeerde] gesommeerd haar publicaties te staken en van internet te verwijderen. Aan deze sommatie heeft [geïntimeerde] geen gehoor gegeven.

2.8.

Bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland van 3 september 2013 is [geïntimeerde] veroordeeld voor smaadschrift in verband met uitlatingen op internet in de periode van 10 maart 2013 tot en met 8 mei 2013 waarin zij beschuldigingen van verkrachting uit tegen [appellant sub 2]. Ter zitting heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] aangekondigd tegen dit vonnis in hoger beroep te gaan.

3 Beoordeling

3.1

De Politie en [appellant sub 2] hebben in eerste aanleg gevorderd –zakelijk en verkort weergegeven - :

A. [geïntimeerde] met onmiddellijke ingang te verbieden om zich op onrechtmatige wijze

mondeling dan wel schriftelijk, op het internet of anderszins uit te laten over [appellant sub 2] en de Politie, waaronder het beschuldigen van verkrachting, vaginale visitatie en marteling dan wel foltering, alsook het doen van onnodig kwetsende uitingen.

B. [geïntimeerde] te gelasten op de eerst zichtbare pagina van haar website en profielpagina een rectificatie te plaatsen van de onjuiste beschuldigingen.

C. 1. [geïntimeerde] te bevelen alle onrechtmatige uitlatingen van de websites die direct of indirect door [geïntimeerde] worden beheerd te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden, waaronder in ieder geval begrepen beschuldigingen van verkrachting, vaginale visitatie en mishandeling dan wel foltering.

2. [geïntimeerde] te bevelen alle desbetreffende zoekmachines te verzoeken om alle zoekresultaten op het internet te verwijderen en verwijderd te houden, ook uit het cachegeheugen, waarin melding wordt gemaakt van de titel en/of delen van de publicaties waarin [appellant sub 2] wordt genoemd en beschuldigd.

D. Primair:

[geïntimeerde] te veroordelen tot een lijfdwang van een week voor iedere overtreding van het

onder sub A bedoelde verbod. En voorts een lijfsdwang van een week voor iedere week dat [geïntimeerde] niet voldoet aan het in sub B gegeven bevel alsmede voor iedere week dat [geïntimeerde] niet voldoet aan het in sub C geven bevel voor zover de schending betrekking heeft op een van de publicaties die zijn opgenomen in productie 11 (zoals opgenomen onder par. 2.6.).

Subsidiair:

[geïntimeerde] te veroordelen tot een dwangsom van € 5.000,- voor iedere overtreding van het onder sub A bedoelde verbod. En voorts een dwangsom € 1.000,- voor iedere week dat [geïntimeerde] niet voldoet aan het in sub B gegeven bevel alsmede voor iedere week dat [geïntimeerde] niet voldoet aan de in sub C gegeven bevelen,

E. de Politie en [appellant sub 2] te machtigen om zich de toegang te verschaffen tot de gebruikersaccounts via welke [geïntimeerde] de onrechtmatige uitlatingen op de diverse websites publiceert om aldaar al het redelijkerwijs noodzakelijke te doen om te verzekeren dat hetgeen waartoe [geïntimeerde] wordt veroordeeld zal geschieden, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die machtiging, en voorts om, bij toewijzing van hetgeen onder sub C 2. is gevorderd, hen te machtigen bedoelde zoekmachines in naam van [geïntimeerde] te benaderen met het doel als hiervoor vermeld;

F. [geïntimeerde] te veroordelen tot voldoening van de buitengerechtelijke kosten,

[geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.

3.2.

De voorzieningenrechter heeft op de wijze zoals in het bestreden vonnis onder 5. bepaald deze vorderingen toegewezen, met uitzondering van de gevorderde oplegging van dwangmiddelen onder D. Hij heeft aan de afwijzing van die dwangmiddelen ten grondslag gelegd dat hij er niet van overtuigd is dat dwangmiddelen zinvol zijn omdat [geïntimeerde] slechts over beperkte middelen zou beschikken en zich weinig gevoelig toont voor dwangmiddelen in het algemeen. Daarbij neemt hij in aanmerking dat lijfsdwang een zeer ingrijpend middel is dat hij, mede gelet op de omstandigheid dat een eerdere veroordeling van [geïntimeerde] tot gevangenisstraf niet heeft geleid tot gedragsverandering bij haar, niet aangewezen acht. Hij acht bovendien de dwangmiddelen niet nodig omdat hij de Politie en [appellant sub 2] machtigt – kort gezegd – onrechtmatige uitlatingen van het internet te verwijderen en de zoekmachines te vragen zoekresultaten van het internet te verwijderen.

3.3.

Tegen deze afwijzende beslissing ten aanzien van de gevraagde dwangmiddelen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen De Politie en [appellant sub 2] met een grief op. Voor zover zij in het petitum opmerken dat een deel van het gevorderde onder E. ook door de kantonrechter is afgewezen valt dat uit het vonnis niet af te leiden. Daartegen is verder ook geen grief gericht zodat het hof aanneemt dat deze opmerking abusievelijk is gemaakt.

3.4.

[geïntimeerde] op haar beurt grieft in incidenteel appel tegen de toewijzing van de overige vorderingen.

3.5.

Het hof ziet aanleiding eerst de grieven in incidenteel appel te bespreken.

3.5.1.

Grief I richt zich allereerst tegen de beslissing van de voorzieningenrechter een bij akte verzochte wijziging van partijaanduiding (van de Politie) toe te laten op grond van de omstandigheid dat sprake is van een verschrijving in de dagvaarding. [geïntimeerde] stelt dat er van een verschrijving geen sprake was en dat een bij akte verzochte wijziging niet kan worden toegelaten, nu is beoogd het landelijk politiekorps als (tweede) procespartij te laten gelden. Dit had bij herstelexploot gemoeten en de dagvaarding is daarom nietig, aldus [geïntimeerde]. De grief richt zich eveneens tegen de beslissing die op grond van een daartoe strekkend verzoek in dezelfde akte is genomen [appellant sub 2] toe te laten als gevoegde partij. [geïntimeerde] betoogt dat [appellant sub 2] geen belang had bij voeging. De akte bevat ook niet de gronden van het verzoek, nu daarin primair wordt gevraagd de dagvaarding zo te lezen dat ook [appellant sub 2] als eisende partij optreedt. Ook een dergelijk verzoek had bij herstelexploot moeten worden gedaan. Zij betoogt onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad dat haar belangen, te weten het kennen van de juiste namen van de eisende partij(en), met een en ander zijn geschaad.

3.5.2.

Ook grief II stelt een processueel punt aan de orde. In de inleidende dagvaarding is vermeld dat [geïntimeerde] niet in persoon, maar vertegenwoordigd door een advocaat ter zitting diende te verschijnen. De voorzieningenrechter heeft een beroep op nietigheid van de dagvaarding vanwege deze misslag verworpen op grond van art. 122 Rv, nu haar advocaat ter zitting is verschenen en uit haar uitlatingen niet anders kan volgen dan dat zij voor [geïntimeerde] is verschenen. Hij heeft daartoe verder overwogen dat nu [geïntimeerde] werd vertegenwoordigd door een advocaat, zij niet geacht kan worden door de onjuiste vermelding in de dagvaarding in haar belangen te zijn geschaad. Dat zij zelf had willen verschijnen maar door de verkeerde tekst op het verkeerde been zou zijn maakt dat niet anders, aldus de voorzieningenrechter. De grief bestrijdt dit oordeel en houdt in dat [geïntimeerde] het beginsel van hoor en wederhoor is ontzegd. Volgens haar volgt daarbij uit een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad dat bij een dergelijk gebrek in de dagvaarding de vraag of zij is benadeeld ook niet relevant is. De voorzieningenrechter heeft ook niet bevolen een herstelexploot uit te brengen, door welk een en ander haar belangen wel degelijk zijn geschaad, aldus [geïntimeerde].

3.5.3.

[geïntimeerde] betoogt terecht dat de inleidende dagvaarding zich kenmerkt door een aantal ergerlijke onzorgvuldigheden. Dit heeft de Politie en [appellant sub 2] genoopt in de procedure in eerste aanleg een “akte overlegging nadere producties tevens houdende wijziging van partijaanduiding tevens incidentele conclusie van tussenkomst” (hierna: de akte) in te brengen waarin onder meer is verzocht een aantal van deze onzorgvuldigheden te herstellen. De inleidende dagvaarding is op 20 augustus 2013 uitgebracht uit naam van De Politie, regionale eenheid Noord-Holland, gevestigd te

’s-Gravenhage. De akte houdt ten aanzien van het verzoek op dit punt het volgende in: De politieregio Kennemerland is per 1 januari 2013 gewijzigd in de politie regionale eenheid Noord-Holland. De dagvaarding noemt deze regionale eenheid ook als eisende partij. Formeel heeft echter als (tweede) procespartij in deze procedure te gelden het landelijk politiekorps, gevestigd te Den Haag (art. 26 jo. Art 1 lid 1, sub b Politiewet 2012 jo. Het Aanwijzingsbesluit vestigingsplaats Politie). De politie verzoekt de rechtbank dan ook hiervan uit te gaan in het in deze procedure te wijzen vonnis.

Gelet hierop moet het verzoek aldus worden gelezen dat het heeft beoogd de aanduiding van de Politie in de dagvaarding in overeenstemming te brengen met de formele eisen neergelegd in voormelde regelgeving, aangezien die aanduiding daarvan afweek en dus op een onnauwkeurigheid berustte. [geïntimeerde] heeft niet concreet gemaakt dat zij door deze aanvankelijke onnauwkeurigheid, die van ondergeschikte aard moet worden geacht, in enig belang is geschaad. Gelet op de overige inhoud van de dagvaarding moest het haar immers volstrekt duidelijk zijn waartegen en tegen wie, te weten de werkgever van [appellant sub 2], zij zich had te verdedigen. Niet voldoende gemotiveerd is dat die verdediging door de bewuste wijziging schade kon oplopen of heeft opgelopen. Andere belangen dan het kennen van de namen van de procespartijen heeft [geïntimeerde] in dit kader niet naar voren gebracht. Terecht heeft de voorzieningenrechter dan ook de bewuste aanduiding hersteld.

3.5.4.

Anders ligt het met betrekking tot de voeging van [appellant sub 2]. Terecht betoogt [geïntimeerde] dat in de akte primair wordt gevraagd de dagvaarding zo te lezen dat ook [appellant sub 2] als eisende partij optreedt. Uit het lichaam en het petitum van de dagvaarding blijkt ook onmiskenbaar dat [appellant sub 2] als eiser bedoeld is, nu daarin (vooral) te lezen is dat deze door het handelen van [geïntimeerde] schade lijdt en het in feite zijn belangen zijn waarvoor wordt opgekomen. [geïntimeerde] stelt dit overigens ook zelf in grief III wanneer zij opmerkt dat haar uitlatingen zich enkel richten tegen [appellant sub 2]. De voorzieningenrechter had de akte daarom op dit onderdeel primair moeten opvatten als een akte strekkend tot rectificatie, ook al vermeldt de kop anders - die is daarvoor niet beslissend - en de dagvaarding in zoverre verbeterd moeten lezen. Het hof zal de akte alsnog zo lezen en derhalve ook [appellant sub 2] als eiser aanmerken. Hierdoor wordt [geïntimeerde] niet in haar belangen geschaad. Op grond van de inhoud van de dagvaarding wist zij immers zoals gezegd waartegen zij zich had te verdedigen en had zij moeten en kunnen begrijpen dat het (vooral) de belangen van [appellant sub 2] waren waarvoor werd opgekomen. Na het nemen van de akte, toen er al helemaal geen misverstand meer over kon bestaan dat [appellant sub 2] zich uitdrukkelijk als eiser wilde presenteren heeft [geïntimeerde] bij monde van haar advocaat vervolgens bij gelegenheid van het pleidooi op de zitting van de voorzieningenrechter nog inhoudelijk verweer gevoerd. Andere belangen dan het kennen van de namen van de procespartijen heeft [geïntimeerde] ook op dit punt niet naar voren gebracht. De slotsom is dan ook dat hoewel de grief op een onderdeel terecht is voorgedragen, zij niet tot vernietiging van het vonnis kan leiden.

3.5.5.

Grief II faalt ook. Appellanten brengen terecht naar voren dat in de uitspraak waarnaar [geïntimeerde] verwijst een andere situatie aan de orde was, te weten een waarin gedaagde niet was verschenen, ook niet bij advocaat, terwijl evenmin door eiser was voldaan aan een bevel een herstelexploot uit te brengen. In dit geval is [geïntimeerde] vertegenwoordigd door haar advocaat die op de zitting is verschenen en die - tegen dat oordeel van de voorzieningenrechter is niet gegriefd - zich voor haar had gesteld, terwijl zij bij monde van die advocaat tegen de vorderingen verweer heeft gevoerd. [geïntimeerde] heeft aldus haar belangen laten behartigen en in zoverre is wel degelijk van hoor en wederhoor sprake geweest. Niets heeft haar in de weg gestaan ook zelf op de zitting te verschijnen en daar het woord te voeren. Gelet op de rechtsbijstand die zij genoot mag immers aangenomen worden dat haar advocaat haar duidelijk heeft kunnen maken dat dit haar recht was. De onjuiste aanduiding in de dagvaarding heeft daar niet aan in de weg gestaan en leidt onder deze omstandigheden niet tot nietigheid.

3.5.6.

Grief III houdt in dat de Politie geen zelfstandig belang heeft bij de vordering omdat deze geen reputatieschade lijdt, noch enige andere schade. Het hof kan [geïntimeerde] hierin niet volgen. De gewraakte uitlatingen hebben betrekking op het handelen van [appellant sub 2] in de uitoefening van zijn functie en stralen in zoverre direct uit op de Politie. Ook wordt de Politie als organisatie zelf in een kwaad daglicht gezet wanneer bijvoorbeeld wordt gesuggereerd dat [geïntimeerde] na haar arrestatie geen eten en drinken kreeg, uit de wc-pot heeft moeten drinken en kennelijk door meer dan een politieambtenaar is geschopt, gestompt en geslagen. Ook heeft de Politie onvoldoende weersproken naar voren gebracht dat de inzet van [appellant sub 2] wordt bemoeilijkt indien zich (weer) een incident met [geïntimeerde] voordoet, welke incidenten, gelet op het hiervoor onder 2.5 weergegeven eerdere oordeel van het hof, zich bij herhaling hebben voorgedaan. De grief faalt.

3.5.7.

Met grief IV bestrijdt [geïntimeerde] het spoedeisend belang bij de vordering nu volgens haar de gestelde onrechtmatigheden al jarenlang spelen. De omstreden publicaties mogen volgens [appellant sub 2] en de Politie dan wel voortduren, maar dat is geen verandering van omstandigheden die een voorziening in kort geding rechtvaardigt, aldus [geïntimeerde]. Voorts brengt zij naar voren dat dit spoedeisend belang ontbreekt omdat de Politie en [appellant sub 2] immers zijn gemachtigd publicaties van het internet te verwijderen en zoekmachines te benaderen met eenzelfde doel. Ook is de zaak volgens haar te ingewikkeld voor een kort geding omdat onvoldoende duidelijk is wie de publicaties op internet heeft geplaatst en vanaf welke computer of IP-adres, zodat geen zekerheid bestaat dat zij dit heeft gedaan. Het hof overweegt dat reeds op grond van de stellingen van [appellant sub 2] en de Politie, die onvoldoende weersproken zijn en waarop bij de bespreking van de principale grief hierna nader op wordt teruggekomen, inhoudend dat de gewraakte uitlatingen voortduren, zich nog steeds op het internet bevinden en dat geen uitvoering is gegeven aan het vonnis van de voorzieningenrechter, het spoedeisend belang is gegeven. Daaraan doet niet af dat de kwestie al jarenlang speelt, te minder nu onweersproken is dat de Politie en [appellant sub 2] diverse pogingen hebben gedaan om de uitlatingen een halt toe te roepen door het doen van aangifte, welke aangiftes ook hebben geleid tot veroordelingen, die echter niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. [geïntimeerde] kan zich in dit verband ook niet verschuilen achter de mogelijkheid die de machtiging de Politie en [appellant sub 2] biedt te doen wat zij zelf behoort te doen, en waartoe zij zelf de noodzakelijke maatregelen dient te nemen. De zaak is ook bepaald niet te ingewikkeld voor een kort geding. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat de publicaties niet van haar afkomstig zijn, integendeel, zij brengt bij grief III naar voren, zo merken de Politie en [appellant sub 2] ook terecht op, dat het haar uitlatingen zijn. Dit is gelet op de inhoud ervan, de omstandigheid dat deze voorkomen op een web- en profielpagina van haarzelf ook niet goed anders voorstelbaar. Ten slotte is door het onherroepelijk arrest als hiervoor bij de feiten onder 2.5 vermeld al in rechte komen vast te staan dat zij hetgeen daar bewezen is verklaard heeft begaan. Enig nader onderzoek is daarom in het kader van deze procedure niet nodig. De grief faalt.

3.5.8.

Haar vrijheid van meningsuiting is in het geding, zo stelt [geïntimeerde] bij grief V. En voor zover haar al enig onrechtmatig handelen kan worden verweten bestaat daarvoor een rechtvaardigingsgrond die het onrechtmatig karakter wegneemt nu zij heeft gehandeld in het algemeen belang door misstanden in het functioneren van de Politie aan de kaak te stellen. De ernst van de misstand, het door (een ambtenaar van) de Politie te zijn mishandeld en verkracht, bezien vanuit het algemeen belang, rechtvaardigde de openbaarmaking en vond voldoende steun in het ten tijde van de publicaties beschikbare feitenmateriaal, immers zij heeft het zelf meegemaakt. Er bestond voor haar geen andere mogelijkheid met een voor de Politie en [appellant sub 2] minder schadelijke weg haar doel te bereiken omdat zij alle wegen al had bewandeld, maar steeds nul op rekest kreeg, zoals bijvoorbeeld bij het onderzoek door de Nationale ombudsman, aldus [geïntimeerde]. Zij merkt in dit verband nog op dat een gepubliceerde foto van [appellant sub 2] onherkenbaar is en dat zij de gevolgen van de publicaties betwist, waarbij nog geldt dat van een politieman mag worden verwacht dat hij opgewassen is tegen smaad en smaadschrift. Ook in strafrechtelijke zin is eerdergenoemde rechtvaardigingsgrond van toepassing, besluit zij.

3.5.9.

Het hof overweegt als volgt. De vraag waar het in het onderhavige geschil om gaat is of de door [geïntimeerde] op haar website en profielpagina gepubliceerde uitlatingen onrechtmatig jegens De Politie en [appellant sub 2] moeten worden geacht. Nu laatstgenoemden [geïntimeerde] verwijten in haar uitlatingen (veel) te ver te zijn gegaan dient het hof te bepalen hoe in dit geval de grens moet worden getrokken tussen uitoefening van het recht op een vrije meningsuiting enerzijds – waarmee mogelijkerwijs bestaande misstanden aan de kaak konden worden gesteld of worden opgeheven – en bescherming tegen onjuiste of in elk geval lichtvaardige verdachtmakingen op internet (en de schade die daarvan het gevolg kan zijn). Het recht op vrijheid van meningsuiting dat hier in het geding is, is immers niet onbegrensd, maar bij wet beperkt gelet op de rechten van anderen. Een wettelijke beperking wordt gevonden in het strafrecht, indien bijvoorbeeld, zoals in deze zaak is vastgesteld, sprake is van smaad of smaadschrift. In het civiele recht wordt een beperking gevonden in de onrechtmatige daad, waarop de onderhavige vordering van de Politie en [appellant sub 2] is gegrond, welke beperking meebrengt dat de vrijheid van meningsuiting begrensd wordt door de zorgvuldigheid en de betamelijkheid die in het maatschappelijk verkeer jegens anderen in acht genomen dienen te worden. Of een uiting onrechtmatig is hangt af van de omstandigheden van het geval. Bij de afweging of een beperking van de vrijheid van meningsuiting niet verder gaat dan strikt noodzakelijk, dient een belangenafweging plaats te vinden. De volgende aspecten spelen daarbij een rol:

a. de aard van de uitlatingen waarin een verdenking of aantijging besloten ligt, en de redelijkerwijs te verwachten gevolgen voor degene jegens wie die verdenking wordt geuit of die aantijging wordt gedaan;

b. de ernst – ook maatschappelijk bezien – van de misstand welke de uitlatingen aan de kaak beogen te stellen;

c. de mate waarin ten tijde van de uitlatingen de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d. de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a t/m c bedoelde factoren;

e. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten uitlatingen via onder meer de pers en internet, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;

f. een mogelijke beperking van het door de uitlatingen te veroorzaken nadeel voor degenen die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat de betrokken uitlatingen, ook zonder de verweten openbaarmaking of terbeschikkingstelling aan onder meer de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen;

g. het gezag dat derden zullen toekennen aan degeen die de uitlatingen deed;

h de maatschappelijke positie en publieke gedragingen van degeen over wie de uitlatingen worden gedaan.

3.5.10.

De aan [geïntimeerde] verweten uitlatingen, en de gestelde onrechtmatigheid ervan jegens De Politie en [appellant sub 2], waardeert het hof aan de hand van de zojuist genoemde criteria aldus. Het gaat hier om beschuldigingen van zeer ernstige misdrijven aan het adres van (een of meer ambtenaren van) de Politie, hetgeen die ernst nog nader inkleurt, die met grote stelligheid door een vermeend slachtoffer worden gepresenteerd en die [appellant sub 2] verstrekkend in zijn persoonlijke levenssfeer alsook de Politie in haar publieke taakuitoefening treffen. Zeker in zo’n geval geldt dat de beschuldigingen een voldoende basis in de feiten moeten hebben om een redelijk denkend mens te kunnen doen concluderen dat zij waar zijn. Daarvan is hier geen enkele sprake. [geïntimeerde] heeft nooit aangifte gedaan van de beweerde feiten. Dat had als eerste op haar weg gelegen om de door haar gestelde misstand aan de orde te stellen en te laten onderzoeken. Dat zij daartoe niet in de gelegenheid is gesteld door de Politie is gezien hetgeen hiervoor onder 2.4 is vermeld onvoldoende onderbouwd. Uit de daar opgenomen passages uit de brief van de Politie volgt dat die gelegenheid wel degelijk is geboden maar dat de omstandigheid dat kennelijk geen aangifte is gevolgd, voor rekening van [geïntimeerde] moet komen. Verder heeft [geïntimeerde] niets aangedragen dat haar beschuldigingen feitelijk ondersteunt, terwijl in de loop der jaren deze al meermalen voorwerp van ander onderzoek zijn geweest, zoals door de strafrechter, in het kader van aangifte(s) van [appellant sub 2], en de Nationale ombudsman. Dit heeft nog geen begin van een vermoeden opgeleverd dat zij op waarheid berusten, maar integendeel geleid tot het oordeel dat die beschuldigingen ongefundeerd zijn, er geen rechtvaardiging voor te vinden is en zij als smaad en smaadschrift strafbaar zijn en daarbij uiterst schadelijk voor [appellant sub 2]. Uit het voorgaande volgt dat er met de veelvuldig herhaalde aantijgingen van [geïntimeerde] geen maatschappelijk belang gediend is, dat – in ieder geval – de ingrijpende gevolgen van die aantijgingen voor [appellant sub 2] en de Politie niet door een zodanig belang worden gerechtvaardigd en dat het belang van de Politie en [appellant sub 2] – dus – niet kan wijken voor het algemeen belang, in het bijzonder nu de door [geïntimeerde] aangesneden ‘misstand’ geen steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Bij dit laatste komt nog dat [geïntimeerde] het door haar nagestreefde doel ook op andere, voor [appellant sub 2] en de Politie minder schadelijke wijze aan de orde had kunnen stellen, namelijk door het doen van aangifte tegen [appellant sub 2] of door het indienen van een klacht tegen de Politie (zoals bij de Nationale ombudsman, tot wie zij zich ook heeft gewend). Er is aldus geen enkele rechtvaardiging te vinden voor het uiten van de beschuldigingen en het telkenmale herhalen daarvan. De Politie en [appellant sub 2] ondervinden grote, door hen in de gedingstukken genoegzaam toegelichte en onderbouwde schade van de uitlatingen in respectievelijk hun persoonlijke levenssfeer en publieke taakuitoefening en die schade staat niet in verhouding tot het belang van [geïntimeerde] bij de vrijheid van meningsuiting. De slotsom is dat terecht is geoordeeld dat de uitlatingen van [geïntimeerde] onrechtmatig zijn en dat een verbod en bevelen als door de voorzieningenrechter opgelegd op zijn plaats zijn. De grief faalt.

3.5.11.

Over grief VI wordt hierna bij de bespreking van de proceskosten een opmerking gemaakt.

3.5.12.

Grief VII houdt in dat de voorzieningenrechter aan de Politie en [appellant sub 2] ten onrechte een machtiging heeft verleend als hiervoor omschreven, nu dit een ontoelaatbare inbreuk oplevert op het recht van privacy van [geïntimeerde]. Deze grief faalt.

Onvoldoende gemotiveerd is hoe de privacy van [geïntimeerde] in het geding is door de Politie en [appellant sub 2] te machtigen zoekmachines te verzoeken zoekresultaten op het internet te verwijderen en verwijderd te houden. Dit geldt ook de machtiging onrechtmatig publicaties van het internet te verwijderen. Voor zover dit al een schending van privacy zou opleveren moet die van dusdanige en zo beperkte aard worden geacht dat zij niet opweegt tegen het belang van de Politie en [appellant sub 2] om datgene te kunnen doen wat [geïntimeerde] nalaat, teneinde hun belang verschoond te blijven van onrechtmatige uitlatingen geldend te maken. In dit verband wordt daarover reeds opgemerkt (daarover hierna bij de bespreking van de principale grief meer) dat - zoals de Politie en [appellant sub 2] onweersproken hebben gesteld - bij het uitbrengen van de appeldagvaarding [geïntimeerde] nog niet had voldaan aan de uitspraak van de voorzieningenrechter en dat ook niet van plan leek. Indien zij haar hier bedoelde privacy wenst te beschermen heeft zij dit ten eerste in eigen hand door te doen wat zij op grond van het vonnis behoort te doen en niet de Politie en [appellant sub 2] te noodzaken door dat na te laten van de machtiging gebruik te maken en daartoe maatregelen te treffen. Ook deze grief faalt.

3.6.1.

Bij deze stand van zaken komt de grief in principaal appel aan de orde. Deze richt zich als gezegd tegen de beoordeling in het vonnis van de vordering tot oplegging van dwangmiddelen en tegen de uit die beoordeling volgende afwijzing van de vordering. Zij houdt in dat de vordering, mede in aanmerking genomen de gedragingen van [geïntimeerde] ná het vonnis, alsnog dient te worden toegewezen, op de grond dat [geïntimeerde] zich niets aantrekt van (strafrechtelijke) veroordelingen en om de Politie en [appellant sub 2] een instrument in handen te geven om [geïntimeerde] haar (toekomstige) uitlatingen te doen staken en gestaakt te doen houden. De verleende machtiging is daartoe onvoldoende, aldus de Politie en [appellant sub 2]. Aangenomen kan ook worden dat [geïntimeerde] haar handelingen voortzet omdat zij daartoe al is overgegaan na het vonnis. Zij heeft immers het vonnis op haar website geplaatst zonder een rectificatie en dit vergezeld laten gaan van dezelfde soort uitlatingen, die zij nadien nog weer heeft herhaald. De redenering van de voorzieningenrechter komt er in de ogen van de Politie en [appellant sub 2] op neer dat omdat [geïntimeerde] vonnissen aan haar laars lapt, sancties geen effect hebben. Ook beschikt [geïntimeerde] wel degelijk over financiële middelen, in de vorm van een uitkering.

3.6.2.

[geïntimeerde] heeft hier tegen in gebracht dat de vordering met betrekking tot de dwangmiddelen moet worden afgewezen. Als zij wordt toegelaten om aangifte te doen, waar zij nooit de gelegenheid voor heeft gehad, zal het probleem zijn opgelost. Daarnaast staan de Politie en [appellant sub 2] andere executiemogelijkheden ter beschikking, zoals gebruik te maken van de rechterlijke machtiging. Gelet op haar beperkte middelen en zwervend bestaan is het verder voor haar niet mogelijk te voldoen aan het bevel tot het plaatsen van rectificaties en ongedaan maken van de reeds gedane uitlatingen. Voor toekomstige uitlatingen is de vordering overigens onvoldoende bepaald en is de primair gevorderde lijfsdwang een buitenproportioneel middel, te meer nu niet duidelijk is dat zij haar handelen heeft voortgezet en de belangen van de Politie en [appellant sub 2] daarmee zijn geschaad.

3.6.3.

De grief is terecht voorgesteld. Hiertoe is het volgende bepalend. Als onweersproken staat vast dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan hetgeen waartoe zij bij voormeld vonnis was veroordeeld. De bedoelde, op het internet openbaar gemaakte uitlatingen kunnen niet anders worden beschouwd dan als een aaneenrijging van ernstige verdachtmakingen en beschuldigingen, diskwalificaties en (anderszins) kwetsende opmerkingen, alle met de kennelijke strekking om de Politie en vooral [appellant sub 2] in diskrediet te brengen. De uitlatingen zijn onrechtmatig en gaan hetgeen rechtens is geoorloofd verre te buiten. De telkenmale herhaling van de bedoelde uitlatingen laten geen ander oordeel toe dan dat [geïntimeerde] zich niets gelegen laat liggen aan strafrechtelijke veroordelingen, de uitkomst van een onderzoek door de Nationale ombudsman, noch het verbod en de bevelen door de voorzieningenrechter opgelegd. Bij dit oordeel slaat het hof mede acht op de uitlatingen van [geïntimeerde] na dat vonnis, waarop de Politie en [appellant sub 2] zich uitdrukkelijk beroepen en die door [geïntimeerde] niet zijn weersproken, in het bijzonder op de website http://gepkedeleef.wordpress.com en haar Facebookpagina, voor zover daarvan prints in het geding zijn gebracht, nu de vordering van de Politie en [appellant sub 2] dient te worden beoordeeld naar de feiten die zij daaraan in hoger beroep ten grondslag hebben gelegd. [geïntimeerde] was gehouden tot onverkorte naleving van hetgeen waartoe het vonnis haar verplichtte. Dat het probleem op te lossen is door haar aangifte te laten doen is in ander verband al aan de orde geweest. Het hof herhaalt dat de stelling dat zij daartoe niet in de gelegenheid is gesteld door de Politie gezien hetgeen onder 2.4 is vermeld onvoldoende is onderbouwd. Uit de daar vermelde brief volgt immers dat die gelegenheid wel is geboden maar dat de omstandigheid dat kennelijk geen aangifte is gevolgd voor rekening van [geïntimeerde] moet komen. Zij kan zich evenmin verschuilen achter de mogelijkheid die de machtiging de Politie en [appellant sub 2] biedt te doen wat zij behoorde te doen, maar dient daartoe zelf de noodzakelijke maatregelen te nemen waarbij nog komt dat zoals hierboven is overwogen de website en profielpagina aan haar toebehoort, zodat niet valt in te zien dat zij het aan haar opgelegde verbod en de bevelen niet zou kunnen naleven. Dat zij zwerft en beperkte financiële middelen heeft weerhoudt haar er niet van de bewuste uitlatingen via het internet te doen en kan er dus ook niet aan in de weg staan het internet aan te wenden om deze ongedaan te maken en te rectificeren.

3.6.4.

In dit hoger beroep is voldoende aannemelijk geworden dat dwangsommen geen afdoende dwangmiddel zijn om [geïntimeerde] te bewegen zich overeenkomstig dat verbod en gebod te gedragen. Op de eerste plaats moet worden aangenomen, zo heeft [geïntimeerde] zelf ook naar voren gebracht, dat zij, gelet op haar beperkte draagkracht, voor door haar eventueel verbeurde dwangsommen geen noemenswaardig verhaal biedt. Op de tweede plaats blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen en in het bijzonder uit uitlatingen van [geïntimeerde] op haar Facebookpagina d.d. 15 oktober 2013, zoals daarvan een print bij memorie van grieven als productie 4 is overgelegd, dat [geïntimeerde] geen serieus voornemen heeft om zich in de toekomst te houden aan dergelijke verboden of geboden. Zij meldt daar immers dat zij niet zal stoppen voordat [appellant sub 2] strafrechtelijk is vervolgd en laat ook die mededeling weer vergezeld gaan van onrechtmatige uitlatingen.

3.6.5.

Voorts is in hoger beroep voldoende aannemelijk geworden dat de Politie en [appellant sub 2] een redelijk belang hebben bij de onverkorte naleving van hetgeen waartoe het vonnis haar verplicht. Op de eerste plaats kan gezien de diffamerende aard van de door het verbod getroffen uitlatingen van [geïntimeerde], hun kennelijke strekking om de Politie en [appellant sub 2] in diskrediet te brengen en het gedurende meerdere jaren voortduren van die uitlatingen, in redelijkheid niet van hen worden verwacht dat zij (openbaarmaking van) de desbetreffende uitlatingen blijven dulden. Op de tweede plaats hebben [appellant sub 2] en de Politie voldoende aannemelijk gemaakt dat zij beroepsmatig en [appellant sub 2] ook persoonlijk last ondervinden van de onrechtmatige uitlatingen van [geïntimeerde], onder andere doordat derden die op het internet inlichtingen zoeken, bij gebruik van zoekmachines [appellant sub 2] in verband gebracht zien met strafbare feiten, met alle gevolgen van dien.

3.6.6.

Uit het vorenstaande volgt dat [geïntimeerde] zich niet heeft gehouden aan het

- uitvoerbaar bij voorraad verklaard - verbod en de bevelen die haar bij vonnis zijn opgelegd, dat dwangsommen geen afdoende dwangmiddel zijn om de naleving daarvan te bewerkstelligen en dat de Politie en [appellant sub 2] een redelijk belang hebben bij de onverkorte naleving van hetgeen waartoe het vonnis [geïntimeerde] verplicht. Dit belang weegt dusdanig zwaar - en zwaarder dan het belang van [geïntimeerde] om van lijfsdwang verschoond te blijven - dat het de toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt. Weliswaar is lijfsdwang een uiterst dwangmiddel dat met behoedzaamheid behoort te worden toegepast, maar de ernst en het voortduren van uitlatingen door [geïntimeerde], de ontoereikendheid van dwangsommen als middel om de naleving van hetgeen in het vonnis is beslist, te bewerkstelligen en het belang van de Politie en [appellant sub 2] bij de naleving daarvan, brengen mee dat dit middel thans aanvaardbaar is, mede in aanmerking genomen dat niet gebleken en evenmin aannemelijk is dat [geïntimeerde] buiten staat is te voldoen aan het haar opgelegde verbod en de bevelen. De vordering tot oplegging van lijfsdwang zal derhalve worden toegewezen. Daarbij dient evenwel te worden bedacht dat lijfsdwang geen (straf)sanctie is op de overtredingen tot dusverre van hetgeen waartoe het vonnis verplicht, maar een middel om [geïntimeerde] ertoe te bewegen zich voortaan overeenkomstig dat vonnis te gedragen. Gelet hierop volstaat een termijn van 18 maanden voor het ten uitvoer leggen van de lijfsdwang. Het hof zal conform artikel 591, eerste lid, Rv bepalen dat de lijfsdwang niet dan na een dag na de betekening van dit arrest zal kunnen worden ten uitvoer gelegd.

4 Slotsom en conclusie

Het vonnis waarvan beroep zal deels worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd. [geïntimeerde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep. Voor compensatie van de proceskosten, zoals [geïntimeerde] in grief VI voorstelt is geen enkele grond aanwezig.

5 Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep, (uitsluitend) voor zover daarbij de vordering van de Politie en [appellant sub 2] als weergegeven onder D. is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

-verklaart het vonnis waarvan beroep aldus uitvoerbaar bij lijfsdwang:

* lijfsdwang van een week voor iedere overtreding van het door de voorzieningenrechter onder 5.1 bedoelde verbod;

* lijfsdwang van een week voor iedere week dat [geïntimeerde] niet voldoet aan het door de voorzieningenrechter onder 5.2 opgelegde bevel;

* lijfsdwang van een week voor iedere week dat [geïntimeerde] niet voldoet aan het door de voorzieningenrechter onder 5.3 opgelegde bevel;

* lijfsdwang van een week voor iedere week dat [geïntimeerde] niet voldoet aan het door de voorzieningenrechter onder 5.4 opgelegde bevel;

- bepaalt de termijn gedurende welke de lijfsdwang ten uitvoer gelegd kan worden op 18 maanden;

- bepaalt dat de lijfsdwang niet eerder ten uitvoer kan worden gelegd dan na het verstrijken van één dag na betekening van dit arrest;

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor al het overige;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Politie en [appellant sub 2] begroot op € 775,85 aan verschotten en op € 894,- voor salaris in principaal appel en op € 447,- voor salaris in incidenteel appel en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, W.H.F.M. Cortenraad en L.A.J. Dun en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.