Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3919

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
200.113.247/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om vervangende toestemming voor verhuizing toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 16 april 2013

Zaaknummer: 200.113.247/01

Zaaknummer eerste aanleg: 517072/FA RK 12-3900 (MNDC)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. C.S.F. de Nijs te [D],

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.S. Timmermans te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 14 september 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 25 juli 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 517072/FA RK 12-3900 (MNDC).

1.3. De man heeft op 7 november 2012 een verweerschrift ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 9 november 2012 zowel per faxbericht als per gewone post nadere stukken ingediend.

1.5. De zaak is op 19 november 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door mr. C.L.M. Smeets, kantoorgenoot van mr. Timmermans voornoemd;

- mevrouw S. Benjamin, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

2. De feiten

2.1. Partijen hebben van januari 1999 tot december 2007 een relatie gehad. Uit die relatie is geboren […] (hierna: [het kind]) [in] 2003. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [het kind]. [het kind] verblijft sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw.

De man is gehuwd en vormt met zijn echtgenote en hun dochters [dochter a], geboren [in] 2009, en [dochter b], geboren [in] 2011, een gezin.

2.2. Partijen hebben op 22 respectievelijk 23 september 2009 een convenant tevens ouderschapsplan ondertekend. Zij zijn daarbij een zorgregeling overeengekomen die inhoudt, voor zover van belang, dat de man [het kind] de ene week bij zich heeft van dinsdagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school en de andere week van vrijdag 18:00 uur tot maandagochtend naar school, waarbij de man haar haalt en brengt. Deze zorgregeling is in een beschikking van de rechtbank [C] van 16 december 2009 opgenomen.

2.3. Bij voornoemd convenant zijn partijen voorts het navolgende overeengekomen:

(…)

1.4 De vrouw heeft te kennen gegeven dat zij een verhuizing naar een andere plaats dan de regio [A] / [B] overweegt in verband met haar carrière / verder ontwikkeling als (kandidaat)notaris dan wel in verband met andere omstandigheden. Partijen zijn zich ervan bewust dat een verhuizing met medeneming van [het kind] naar een andere woonplaats naar de huidige stand van jurisprudentie en wetgeving, zonder toestemming van de andere partij of vervangende toestemming van de rechter niet mogelijk is. Voor een verhuizing in de regio [A] / [B] (waaronder partijen verstaan binnen een straal van 10 kilometer van [B] dan wel van [A]) geven partijen elkaar onvoorwaardelijk toestemming. Partijen realiseren zich dat een verhuizing van één van hen, gevolgen kan hebben voor de afgesproken verdeling van verzorgings- en opvoedingstaken en dat zij om die reden bij een voorgenomen verhuizing door één van hen (tijdig) vooraf met elkaar in overleg dienen te treden. In geval van een geschil over dit punt, zijn partijen vrij zich tot de rechter te wenden.

(…)

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is - voor zover van belang en verkort weergegeven - het (voorwaardelijke) verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen voor verhuizing naar [C] en inschrijving van [het kind] op de openbare basisscholen [1], [2] en [3] in [C] afgewezen, evenals het verzoek van de vrouw om de bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2009 vastgestelde zorgregeling, naar het hof begrijpt, met ingang van de datum van verhuizing, te wijzigen in die zin dat de man en [het kind] omgang met elkaar hebben de ene week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19:00 uur en de andere week van dinsdagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school. De rechtbank is niet toegekomen aan het voorwaardelijke zelfstandig verzoek van de man primair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij hem zal zijn, subsidiair de vastgestelde zorgregeling te wijzigen aldus dat [het kind] één weekend per veertien dagen bij hem verblijft.

3.2. De vrouw verzoekt (voorwaardelijk), met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, haar alsnog vervangende toestemming te verlenen om naar [C] te verhuizen en om [het kind] in te schrijven op de openbare basisscholen [1], [2] en [3] in [C], en alsnog de bij beschikking van 16 december 2009 vastgestelde zorgregeling te wijzigen in die zin dat de man en [het kind] omgang met elkaar hebben de ene week van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19:00 uur en de andere week van dinsdagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school.

3.3. De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Ten aanzien van de stukken die de vrouw op 9 november 2012 bij faxbericht heeft ingediend, wordt als volgt overwogen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de voorzitter aan de vrouw meegedeeld dat geen acht zal worden geslagen op productie 17, aangezien het hof de inhoud daarvan beschouwt als een aanvulling op het beroepschrift. De vrouw is door het hof in de gelegenheid gesteld de inhoud daarvan mondeling voor te dragen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de man bezwaar gemaakt tegen productie 18. Het hof zal deze productie echter wel in zijn oordeel betrekken nu het desbetreffende stuk - anders dan de man stelt - geen grief bevat doch slechts een toelichting vormt op de gang van zaken rond de totstandkoming van het convenant, eenvoudig te doorgronden is en overigens ter zitting uitgebreid aan de orde is gesteld.

4.2. Tussen partijen is allereerst in geschil welke uitleg moet worden gegeven aan het hiervoor onder 2.3 geciteerde artikel 1.4 van het convenant, en dan met name het antwoord op de vraag of de vrouw gelet op dit artikel van de man dan wel van de rechter (vervangende) toestemming behoeft om te verhuizen van [A] naar [C].

4.3. De vrouw beantwoordt voormelde vraag ontkennend. Daartoe stelt zij het volgende. Sinds het uiteengaan van partijen heeft zij herhaaldelijk te kennen gegeven dat zij buiten [A] wenst te verhuizen. Tijdens het overleg voorafgaand aan het sluiten van het convenant heeft zij de man laten weten een verhuizing naar onder meer [D] te overwegen. De man heeft daarop de vrouw laten weten dat hij haar zoveel mogelijk ruimte wilde geven om elders een nieuw leven op te bouwen. Dat blijkt ook uit de eerste zin van artikel 1.4 van het convenant. Artikel 1.4 moet dan ook ruim worden uitgelegd. Partijen hebben in het convenant opgenomen dat onvoorwaardelijke toestemming is gegeven “voor verhuizing in de regio [B],” aangezien zij beiden in die regio werkzaam waren. Dit alles brengt met zich dat de in het convenant bedoelde de straal van 10 kilometer van [B] niet alleen geldt voor de man maar ook voor de vrouw. Overigens dient de straal van 10 kilometer te worden berekend vanaf de stadsgrens van [B].

4.4. De man betwist dat hij de vrouw onvoorwaardelijke toestemming heeft verleend om binnen een straal van 10 kilometer van [B] te verhuizen. Volgens de man was het uitgangspunt van partijen ten tijde van het sluiten van het convenant dat zij dicht bij elkaar zouden blijven wonen, zodat de zorgregeling tussen [het kind] en de man uitvoerbaar zou blijven. De man is na het uiteengaan van partijen weliswaar naar [B] verhuisd, maar hij is weer naar [A] teruggekeerd vanwege de reistijd en de stress bij het naar school brengen van [het kind]. Volgens de man brengt dit met zich dat artikel 1.4 van het convenant aldus dient te worden uitgelegd dat onvoorwaardelijke toestemming is verleend aan de man om binnen een straal van 10 kilometer van zijn toenmalige woonplaats [B] en aan de vrouw om binnen een straal van 10 kilometer van haar woonplaats [A] te verhuizen. Daarnaast stelt de man dat, zelfs al zou het zo zijn dat de vrouw onvoorwaardelijke toestemming heeft om te verhuizen binnen een straal van 10 kilometer van [B], het convenant aldus dient te worden uitgelegd dat bedoeld is binnen een straal van 10 kilometer van het stadshart van [B]. [C] valt daarbuiten, aldus de man.

4.5. Het hof overweegt dat de tekst van artikel 1.4 van het convenant geen uitsluitsel biedt ter beantwoording van de vraag of de vrouw uitsluitend in een straal van 10 kilometer vanaf [A], dan wel ook in een straal van 10 kilometer vanaf [B] mag verhuizen. In de formulering van het artikel zijn aanknopingspunten te vinden voor beide standpunten. Het hof zal artikel 1.4. van het convenant dan ook uitleggen aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan artikel 1.4. mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij mede van belang is tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. In dit verband wijst het hof erop dat, ook indien in deze zaak zou worden uitgegaan van de door de vrouw voorgestane ruime uitleg van artikel 1.4. van het convenant voor wat betreft de (woon)plaats waar vandaan verhuisd wordt, en de vrouw derhalve geen toestemming nodig zou hebben van de man (of de rechter) voor een verhuizing binnen een straal van 10 kilometer vanaf [B], dit niet zonder meer leidt tot de conclusie dat de vrouw derhalve geen toestemming behoeft ter zake van de door haar voorgenomen verhuizing naar [C]. In dit verband wijst het hof erop dat (het centrum van) [C] enkel binnen de door partijen genoemde straal van 10 kilometer valt, indien bedoelde afstand wordt berekend vanaf de stadsgrens van [B]. De tekst van artikel 1.4, noch het doel, noch de strekking daarvan bieden steun voor de stelling dat partijen met de zinsnede “waaronder partijen verstaan binnen een straal van 10 kilometer van [B] dan wel van [A]” hebben bedoeld een straal van 10 kilometer gerekend vanaf de stadsgrens van [B] (dan wel [A]). Een redelijke uitleg van deze zin brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat moet worden gerekend van woning tot woning. Dit zou wellicht anders zijn geweest, indien partijen een (veel) grotere afstand hadden opgenomen in het convenant of indien (een van) partijen op of nabij de stadsgrens van [B] woonde(n), doch die situatie doet zich hier niet voor. Een en ander betekent dat [C] valt buiten het gebied, waarvoor de man onvoorwaardelijke toestemming heeft verleend, zodat de vrouw, bij gebreke van toestemming van de man, voor de voorgenomen verhuizing vervangende toestemming van de rechter behoeft.

4.6. Aan het hof ligt thans dan ook ter beoordeling voor het verzoek van de vrouw haar op de voet van artikel 1:253a BW vervangende toestemming te verlenen om zich samen met [het kind] in [C] te vestigen nu de man weigert daarvoor zijn toestemming te verlenen.

4.7. De vrouw voert in dit verband het volgende aan. Zij heeft belang bij de voorgenomen verhuizing en haar komt de vrijheid toe om haar leven opnieuw in te richten. Zij heeft zich in [A] nooit thuis gevoeld, maar heeft met een verhuizing gewacht, nu [het kind] al geconfronteerd werd met vele andere veranderingen in haar leven, zoals het feit dat de man naar [B] verhuisde, een nieuwe partner kreeg en met deze partner twee kinderen kreeg. De vrouw verwacht dat zij zich in [C] wel thuis zal voelen. Zij heeft daar vrienden en een sociaal netwerk en ook [het kind] heeft daar al een vriendinnetje. Bovendien is zij ook genoodzaakt om te verhuizen, nu zij vanwege reorganisatie en een nieuwe baan minder verdient en zij de huurprijs van haar huidige woning niet langer kan betalen. Goedkopere huurwoningen in een vergelijkbare buurt zijn in [A] niet beschikbaar maar wel in [C]. Het is echter in het belang van [het kind] dat zij in een prettige woning in een goede omgeving komt te wonen. Verder wordt de reistijd van de vrouw naar haar werk met ongeveer vijftig minuten per dag verkort in geval zij in [C] woont, hetgeen ten goede komt aan [het kind] nu zij daardoor minder lang op de naschoolse opvang hoeft te verblijven. De vrouw heeft de verhuizing overigens goed doordacht en voorbereid. Zij heeft nauw contact met een makelaar in [C]. Zij heeft onderzoek gedaan naar scholen in [C] en navraag gedaan over beschikbare plaatsen op die scholen. Zowel tijdens de relatie als daarna is het verder de vrouw geweest die [het kind] heeft verzorgd. De man heeft altijd veel gewerkt, en was nauwelijks betrokken bij de activiteiten van [het kind]. De verhuizing zal dan ook geen verandering brengen in de rol van de man. Bovendien kan de huidige zorgregeling in stand blijven. De man is na het uiteengaan van partijen in [B] gaan wonen en vond enige reisafstand in verband met de zorgregeling niet bezwaarlijk, zodat niet valt in te zien dat dit thans wel bezwaarlijk is. Ook is [het kind] sinds het uiteengaan van partijen gewend aan enige reistijd in verband met de zorgregeling vanwege de verhuizing van de man naar [B] terwijl de vrouw met [het kind] in [A] woonde. De langere reistijd in verband met de zorgregeling is dan ook om die reden aanvaardbaar. Indien de man de huidige zorgregeling niet wenst voort te zetten, dan heeft de vrouw redelijke alternatieven aangeboden, waaronder een zorgregeling waarbij de man [het kind] ieder weekend bij zich heeft. De vrouw heeft laten weten dat zij wil delen in het halen en brengen en de kosten daarvan. Wat betreft [het kind] geldt voorts nog dat zij de verhuizing weliswaar spannend vindt, doch dat betekent niet dat deze daarom niet in het belang is van [het kind]. Partijen zijn altijd redelijk goed in staat geweest tot overleg over [het kind]. Sinds de vrouw wil verhuizen, zijn er tussen partijen echter spanningen gekomen, waar ook [het kind] onder te lijden heeft gehad. Zij kreeg last van een loyaliteitsconflict en wilde niet meer bij de man verblijven. De vrouw heeft met instemming van de man hulpverlening ingeschakeld teneinde de communicatie tussen partijen te verbeteren. Het gaat inmiddels weer goed met [het kind], aldus nog steeds de vrouw.

4.8. De man betwist de stellingen van de vrouw. De redenen die de vrouw aanvoert voor verhuizing naar [C] zijn volgens hem onvoldoende klemmend. Hij bestrijdt dat de vrouw onvoldoende inkomen heeft om de huur van de woning te betalen, mede gezien de kinderbijdrage die hij maandelijks aan haar voldoet. In de regio [A] zijn bovendien voldoende betaalbare huurwoningen te vinden. De reistijd van de vrouw in verband met woon-werkverkeer wordt vanuit [C] nauwelijks verkort. Hij bestrijdt dat de vrouw geen sociaal netwerk heeft in [A]. Volgens de man verzetten de belangen van [het kind] zich tegen een verhuizing naar [C]. [het kind] heeft hem laten weten niet naar [C] te willen verhuizen. Kort nadat de vrouw haar voorgenomen verhuizing bekend maakte, ontstonden bij [het kind] gedragsproblemen. De zorgregeling werd door het gedrag van [het kind] onmogelijk. Sinds de beschikking in eerste aanleg is gewezen, gaat het weer goed met haar. De zorgregeling wordt thans weer uitgevoerd zoals overeengekomen. Zij heeft haar sociale leven in [A], zij gaat daar naar school en is lid van een hockeyteam. Zij heeft met de echtgenote van de man en hun kinderen een goede band, aldus de man. De man betwist verder dat tijdens de relatie het hoofdzakelijk de vrouw was die [het kind] verzorgde en dat hij niet of nauwelijks bij de activiteiten van [het kind] betrokken was. Een verhuizing naar [C] brengt volgens de man een verschraling van de zorgregeling met zich. Gezien de reisafstand kan de man [het kind] niet meer wisselend op woensdag- en maandagochtend naar school brengen. De omgang op doordeweekse dagen moet dan vervallen. Dit is niet in overeenstemming met de zorgregeling die partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond. De man is in geval van verhuizing ook minder betrokken bij haar dagelijkse leven. In geval van verhuizing naar [C] kan [het kind] niet meer buiten de overeengekomen contacturen naar de man toe, aldus nog steeds de man.

4.9. De Raad heeft zich ter zitting in hoger beroep van advies onthouden doch enkele aandachtspunten genoemd. [het kind] lijkt klem te zitten tussen de ouders. Zij heeft al veel veranderingen meegemaakt. Het is de vraag of zij nog een belangrijke verandering in haar leven zal aankunnen. Er zijn zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [het kind].

4.10. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Ingevolge artikel 1:253a BW dient de rechter in een geschil als het onderhavige omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij de beoordeling dient de rechter de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar af te wegen. Het belang van het kind vormt daarbij een afweging van de eerste orde, maar dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen tevens dienen te worden meegewogen en zelfs zwaarder kunnen wegen.

4.11. Het hof dient bij de onderhavige beoordeling het belang van [het kind] in acht te nemen en voorts daarbij te betrekken enerzijds het belang van de moeder om met [het kind] naar [C] te verhuizen en aldaar een nieuw bestaan op te bouwen en anderzijds het belang van de man en [het kind] om regelmatig omgang met elkaar te hebben.

De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij zich nimmer in [A] heeft thuis gevoeld, dat zij sinds het uiteengaan van partijen van plan is geweest uit [A] te verhuizen, dat zij daarmee jarenlang heeft gewacht omdat er al zoveel veranderingen waren in het leven van [het kind], dat zij al die jaren heeft overleefd, en dat het voor haar tijd is om elders een eigen leven op te bouwen. De vrouw stelt dat zij niet langer in een omgeving wil wonen waar zij geconfronteerd wordt met de verbroken relatie met de man, die een nieuw gezin heeft en zijn leven financieel en emotioneel op orde heeft, terwijl zij zelf het gevoel heeft dat zij stil is blijven staan. De man heeft een en ander naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd betwist. Gezien de opstelling van de vrouw, haar mededelingen ter zitting en de door haar gemaakte keuzes acht het hof voldoende aannemelijk dat zij jarenlang bewust prioriteit heeft gegeven aan het belang van [het kind] om haar een stabiele en vertrouwde thuissituatie te blijven bieden in een verwarrende periode, en dat dit ten koste is gegaan van haar eigen ontwikkelingsmogelijkheden en haar emotionele stabiliteit. Duidelijk is dat het welbevinden van de vrouw door het continueren van haar woonsituatie in [A] onder druk staat. Aldus acht het hof het niet in het belang van [het kind] dat de vrouw, bij wie [het kind] haar hoofdverblijfplaats heeft, aan de regio [A] gebonden blijft. Daaraan doet niet af het belang dat [het kind] en de man hebben bij een intensief contact. Dit kan naar het oordeel van het hof voldoende gewaarborgd blijven na een eventuele verhuizing van de vrouw naar [C]. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw heeft aangeboden het huidige tweewekelijkse contact van dinsdagmiddag na school tot woensdagochtend naar school te vervangen door een wekelijkse zorgregeling in het weekend dan wel door extra zorgdagen tijdens vakantie- of feestdagen. Gelet op de redelijk eenvoudig te overbruggen afstand tussen [C] en [A] moet het mogelijk zijn de band tussen [het kind] en (de mensen uit) [A] zoveel mogelijk in stand te houden. Daarbij neemt het hof tevens in aanmerking dat partijen het erover eens zijn dat zij - afgezien van hun onderhavige geschil over de voorgenomen verhuizing - redelijk in staat zijn tot overleg over [het kind], hetgeen ook blijkt uit de stukken in het dossier. Voorts is het hof van oordeel dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep genoegzaam is gebleken dat de vrouw voldoende zicht heeft op de behoeften en belangen van [het kind], dat zij het contact tussen de man en [het kind] waardeert en stimuleert, en dat zij hulpverlening inschakelt wanneer dat nodig is. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de vrouw in staat is [het kind] bij deze ingrijpende wijziging in haar leven naar behoren te begeleiden.

Voornoemde omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat het belang van de vrouw om naar [C] te verhuizen en daar een nieuw bestaan op te bouwen dient te prevaleren boven belang van de man om op dezelfde wijze als nu het geval is omgang te

hebben met [het kind], terwijl voorts niet is gebleken dat de verhuizing voor [het kind] bezwaarlijk is. Het hof zal het verzoek van de vrouw om haar toestemming te verlenen om naar [C] te verhuizen, dan ook toewijzen.

4.12. Nu het hof het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming om naar [C] te verhuizen, zal toewijzen, is aan de orde het zelfstandig verzoek van de man te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de man zal zijn. In de beslissing van het hof ligt besloten dat de vrouw bij haar verhuizing [het kind] mag meenemen. Dit verzoek zal derhalve worden afgewezen.

4.13. De man heeft voorts verzocht het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor het inschrijven op voormelde scholen af te wijzen. Hij heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. Nu het hof aan de vrouw toestemming zal verlenen om te verhuizen naar [C], en het in het belang van [het kind] wordt geacht dat zij in [C] naar school zal gaan, zal het hof het verzoek op dit punt toewijzen.

4.14. Ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot wijziging van de vastgestelde zorgregeling, naar het hof begrijpt, vanaf de dag van de verhuizing, en het zelfstandig verzoek van de man te bepalen dat [het kind] één weekend per veertien dagen bij de man verblijft, waarbij de man [het kind] op vrijdag uit school haalt en de vrouw [het kind] op zondagavond om 19:00 uur bij de man ophaalt, wordt als volgt overwogen.

Het hof gaat met de man ervan uit dat de huidige doordeweekse regeling niet kan worden voortgezet, aangezien hij vanwege zijn werk en de reisafstand naar [C] niet in staat is [het kind] op dinsdagmiddag uit school op te halen en op woensdagochtend naar school te brengen. De vrouw heeft dit niet bestreden, doch voorgesteld dat de man de ene week van vrijdag tot zaterdag en de andere week van vrijdag tot zondagavond [het kind] bij zich heeft, dan wel extra omgangsdagen heeft op vakantie- of feestdagen. De man heeft daarop laten weten dat hij niet over voldoende verlofdagen beschikt om tijdens schoolvakanties extra omgang met [het kind] te hebben, en heeft voor het overige op het aanbod van de vrouw niet gereageerd.

Het hof zal de bij beschikking van 16 december 2009 vastgestelde zorgregeling wijzigen op na te melden wijze, aangezien dit in het belang van [het kind] wordt geacht. Het hof gaat daarbij ervan uit dat partijen - indien gewenst - in onderling overleg tot een uitbreiding van de na te melden zorgregeling zullen komen. Het verzoek van de man op dit punt zal worden toegewezen.

4.15. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verleent aan de vrouw vervangende toestemming om naar [C] te verhuizen;

verleent aan de vrouw vervangende toestemming voor inschrijving van [het kind] op de openbare basisscholen [1], [2] en [3] in [C];

wijzigt met ingang van de dag van verhuizing van de vrouw en [het kind] naar [C] de bij beschikking van 16 december 2009 vastgestelde zorgregeling in die zin dat de man en [het kind] omgang met elkaar hebben om de week van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19:00 uur, waarbij de man [het kind] uit school haalt en de vrouw [het kind] op zondagavond bij de man ophaalt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het (voorwaardelijke) verzoek van de man tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [het kind];

wijst af het meer of anders in hoger beroep verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. M. Wigleven en mw. mr. M.M.E. van der Kuijl in tegenwoordigheid van mr. T. Mekkelholt als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2013.