Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3708

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
11-00410 en 11-00411
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door belanghebbende, zijn echtgenote en zijn kinderen uit de stichtingen genoten voordelen moeten als inkomsten uit door belanghebbende verrichte werkzaamheden worden aangemerkt. Anders dan de rechtbank acht het Hof door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende gedurende de gehele periode waarop de aanslagen betrekking hebben activiteiten heeft verricht ter uitvoering van de doelstellingen van de stichtingen en voordelen heeft genoten die belastbaar zijn als resultaat uit overige werkzaamheden.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.90
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1498
FutD 2013-1640
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00410 en 11/00411

30 mei 2013

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in de zaken met kenmerk AWB 10/2233 en 10/2234

alsmede op het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst [P], de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank in de zaken met kenmerk AWB 10/431, 10/2232, 10/2233, 10/2234, 10/2236 en 10/2237

in de gedingen tussen belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 21 december 2007 aan belanghebbende een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PV) voor het jaar 2002 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.069. Tevens heeft hij bij beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 21.318 (50% van het te betalen bedrag aan IB/PV) en heffingsrente in rekening gebracht van € 8.544. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag, de boete en de heffingsrente gehandhaafd.

1.2. De inspecteur heeft met dagtekening 21 december 2007 aan belanghebbende een navorderingsaanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (premie WAZ) voor het jaar 2002 opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 100.000. Tevens heeft hij bij beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 1.098 en heffingsrente in rekening gebracht van € 440. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag en de heffingsrente gehandhaafd, maar de boete vernietigd.

1.3. De inspecteur heeft met dagtekening 21 december 2007 aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PV voor het jaar 2003 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 107.880. Tevens heeft hij bij beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 21.666 (50% van het te betalen bedrag aan IB/PV) en heffingsrente in rekening gebracht van € 7.508. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag verminderd en berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 101.763. De boete en de heffingsrente zijn dienovereenkomstig verminderd.

1.4. De inspecteur heeft met dagtekening 21 december 2007 aan belanghebbende een navorderingsaanslag premie WAZ voor het jaar 2003 opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 100.000. Tevens heeft hij bij beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van

€ 1.098 en heffingsrente in rekening gebracht van € 380. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag en de heffingsrente gehandhaafd, maar de boete vernietigd.

1.5. De inspecteur heeft met dagtekening 19 december 2007 aan belanghebbende een aanslag IB/PV voor het jaar 2004 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.920. Tevens heeft hij bij beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van

€ 12.299 (50% van het te betalen bedrag aan IB/PV) en heffingsrente in rekening gebracht van € 3.394. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag, de boete en de heffingsrente gehandhaafd.

1.6. De inspecteur heeft met dagtekening 23 december 2008 aan belanghebbende een aanslag IB/PV voor het jaar 2005 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 159.820. Tevens heeft hij bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht van € 10.297. Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag verminderd en berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 135.769. De heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

1.7. Belanghebbende heeft tegen de hiervoor genoemde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 6 april 2011 heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslagen IB/PV en premie WAZ voor de jaren 2002 en 2003 verminderd tot nihil, de aanslagen IB/PV voor de jaren 2004 en 2005 verminderd tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 29.992 en € 99.769, de boetes voor de IB/PV voor de jaren 2002 en 2003 verminderd tot nihil, de boete voor de IB/PV voor het jaar 2004 verminderd tot 40% van het te betalen bedrag aan IB/PV en bepaald dat de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig op nihil worden vastgesteld dan wel verminderd.

1.8. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze betrekking had op de aanslagen IB/PV voor de jaren 2004 en 2005, hoger beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 11 mei 2011 bij het Hof ingekomen.

1.9. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft hij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het verweerschrift is op 7 december 2011 bij het Hof ingekomen.

1.10. Belanghebbende heeft bij brief van 13 december 2011 een nader stuk ingediend. De inspecteur heeft hierop gereageerd bij brief van 20 februari 2012.

1.11. Op 14 en 26 februari 2013 zijn bij het Hof nog nadere stukken van belanghebbende ingekomen.

1.12. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

Het Hof stelt de volgende feiten vast, uitgaande van de door de rechtbank weergegeven feiten, welke op enkele onderdelen zijn gewijzigd of aangevuld.

2.1. De stichting [A] (hierna: [A]) houdt zich in opdracht van de gemeente [P] bezig met het inzamelen, controleren, sorteren, registreren, opslaan en overslaan van afgedankte apparaten, zoals wasmachines en koelkasten. Zij dient bij het uitvoeren van haar werkzaamheden in belangrijke mate gebruik te maken van moeilijk plaatsbare werknemers. [A] ontvangt voor deze werkzaamheden vergoedingen van de gemeente [P] en de Staat (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid). Belanghebbende is één van de bestuurders van [A].

2.2. De stichting [B] (hierna: [B]) heeft onder meer als doelstelling het dragen van zorg voor de dagelijkse uitvoerende werkzaamheden van [A]. Zij ontvangt voor haar werkzaamheden een vergoeding van [A]. Belanghebbende is geen bestuurder van [B]. Wel is onder meer zijn echtgenote, [Y], sinds 15 maart 2003 bestuurder.

2.3. De stichting [C] (hierna: [C]) heeft als doel het ondersteunen van projecten ten behoeve van sociaal-cultureel en maatschappelijk achtergestelde groeperingen. Zij is in 1992 mede door belanghebbende opgericht. In 1997 was de dochter van belanghebbende, [Z], voorzitter van het bestuur van [C]. In 2002 bestond het bestuur uit de echtgenote en de dochter van belanghebbende, alsmede zijn zoon, [W]. Vanaf 18 september 2003 is belanghebbende als secretaris-penningmeester tot het bestuur toegetreden en zijn diens dochter en zoon als bestuursleden afgetreden.

2.4. Blijkens een overeenkomst tussen [B] en [C], gedagtekend 1 januari 2002, die namens [C] door [Z] is ondertekend, draagt [C] onder meer zorg voor verantwoorde trajectbegeleiding van medewerkers van [A]. [C] heeft in 2002 en 2003 in beide jaren € 100.000 aan vergoedingen van [B] ontvangen.

2.5. De stichting [D] (hierna: [D]) is opgericht op 27 januari 2004. Haar statutaire doel is het verbeteren van de positie van werkzoekenden op de arbeidsmarkt. Het bestuur van [D] bestaat uit belanghebbende en [G]. Deze is op 21 december 2006 gehuwd met de dochter van belanghebbende; zij stonden vanaf 1 november 2004 bij de gemeente ingeschreven op hetzelfde adres.

2.6. Blijkens een overeenkomst tussen [B] en [D], gedagtekend 2 januari 2004, die namens [B] is ondertekend door belanghebbende en namens [D] door zijn echtgenote, draagt [D] onder meer zorg voor verantwoorde trajectbegeleiding van medewerkers van [A]. [D] heeft in 2004 € 102.500 en in 2005 € 159.820 aan vergoedingen van [B] ontvangen.

2.7. De stichting [E] (hierna: [E]) is op 23 augustus 2002 door belanghebbende en zijn echtgenote opgericht. Haar bestuur bestaat vanaf de oprichting uit de echtgenote, de zoon en de dochter van belanghebbende. [E] stelt zich ten doel het aan personen, die aangeven daaraan behoefte te hebben, voor bepaalde periodes ter beschikking stellen van ruimte(n) om tot zichzelf te komen. [E] koopt in 2002 een casco recreatiebungalow in [Q].

2.8. Bovenvermelde stichtingen maakten onderdeel uit van een door de inspecteur in 2007 gehouden boekenonderzoek waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport gedagtekend 5 december 2007.

2.9. Bij een notariële akte, gedagtekend 29 december 1997, verkochten belanghebbende en zijn echtgenote de woning [f-straat] 1 te [P] aan [C] voor ƒ 295.000, waarvan [C] ƒ 195.000 schuldig bleef. Voor deze schuld is op dezelfde datum tussen dezelfde partijen een overeenkomst van geldlening opgemaakt met een rente van 4,8%.

2.10. Bij een onderhandse akte van geldlening, gedagtekend 2 januari 2002, leende [S] aan belanghebbende een bedrag van € 33.495. Daarbij verplichtte belanghebbende zich om een overeenkomst aan te gaan met [C], opdat [C] alsnog zou kunnen voldoen aan haar verplichtingen jegens Stichting [G].

2.11. Uit bankafschriften blijkt dat van gezamenlijke bankrekeningen van belanghebbende en zijn echtgenote op 15 september 2000 ƒ 10.000 is overgemaakt naar [C] met als omschrijving “Bekend” en op 19 december 2005 € 30.000 is overgemaakt naar [D] met als omschrijving “Lening”.

2.12. Blijkens een tot de gedingstukken behorende overeenkomst verkopen belanghebbende en zijn echtgenote op 11 maart 2002 voor € 258.655 een woonark in aanbouw, gelegen aan de [a-dijk 1] te [R].

3. Geschil in hoger beroep

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

a. Is het incidenteel hoger beroep ontvankelijk?

b. Heeft belanghebbende in de jaren 2002 tot en met 2005 uit de onder 2 genoemde stichtingen belastbaar inkomen uit werk en woning genoten, en zo ja, tot welke bedragen?

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep

4.1.1. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet binnen zes weken hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en dat om die reden het incidenteel hoger beroep te laat is ingesteld, althans voor zover dit geen betrekking had op de aanslagen IB/PV voor de jaren 2004 en 2005. Dienaangaande oordeelt het Hof als volgt.

4.1.2. De bevoegdheid tot het instellen van incidenteel hoger beroep is in het leven geroepen om onnodige appellen te voorkomen. Een partij die zich in eerste instantie neerlegt bij een voor hem ongunstig oordeel van de rechtbank over een bepaald onderwerp zou, zonder het middel van incidenteel hoger beroep, gedwongen zijn altijd hoger beroep in te stellen om niet verrast te worden door een op het laatste moment ingesteld hoger beroep van de wederpartij over een ander onderwerp, waarbij de termijn voor het indienen van een ‘eigen’ hoger beroep wel eens verstreken zou kunnen zijn. Dit brengt mee dat de inspecteur door middel van incidenteel hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de aanslagen IB/PV voor de jaren 2004 en 2005 ter beoordeling aan het Hof mocht voorleggen voor zover hij daarbij in het ongelijk was gesteld. Het Hof hoeft zich bij zijn beoordeling van de juistheid van het oordeel van de rechtbank over die aanslagen dus niet te beperken tot de door belanghebbende tegen dit oordeel aangevoerde grieven.

4.1.3. Voorts blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 4 juni 2010, nr. 09/01362, LJN: BL7972, dat de insteller van een incidenteel hoger beroep zich bij zijn keuze, welke beslissingen van de rechtbank hij in dit beroep betrekt, niet hoeft te beperken tot het besluit of de besluiten waarop het principaal hoger beroep betrekking heeft. Indien, zoals in het onderhavige geval, een uitspraak van de rechtbank betrekking heeft op verscheidene belastingjaren en het hoger beroep geen betrekking heeft op al die jaren, kan derhalve de wederpartij de niet in het hoger beroep begrepen beslissingen van de rechtbank over de andere belastingjaren alsnog aan het oordeel van het Hof onderwerpen door het instellen van incidenteel hoger beroep.

4.1.4. De conclusie luidt dat het incidenteel hoger beroep voor het geheel ontvankelijk is.

4.2. Belastbaar inkomen uit werk en woning

4.2.1. De inspecteur stelt dat belanghebbende belastbaar inkomen uit werk en woning heeft genoten in de vorm van belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, verricht ten behoeve van de onder 2 genoemde stichtingen (hierna gezamenlijk: de stichtingen). Belanghebbende erkent voor de stichtingen werkzaamheden te hebben verricht, maar ontkent daarvoor een beloning te hebben genoten. Voor zover al sprake was van onttrekkingen aan de stichtingen, moeten deze worden aangemerkt als aflossingen op vorderingen die hij op de stichtingen had, zo voert belanghebbende aan.

4.2.2. De rechtbank heeft in haar uitspraak onder 4.2 met juistheid overwogen dat de bewijslast van de feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel, dat belanghebbende een belastbaar voordeel heeft genoten, rust op de inspecteur. De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur dit bewijs niet heeft geleverd voor zover het betreft het jaar 2002 en de periode 1 januari tot en met 17 september 2003. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat belanghebbende tot de laatstgenoemde datum nog geen bestuurslid was van [C] en dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn invloed binnen [C] dusdanig groot was, dat de door haar gedane uitgaven bij belanghebbende als inkomsten uit overige werkzaamheden kunnen worden aangemerkt,

4.2.3. Anders dan de rechtbank acht het Hof door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende gedurende de gehele periode waarop de in geding zijnde aanslagen betrekking hebben, dus de jaren 2002 tot en met 2005, activiteiten heeft verricht ter uitvoering van de doelstellingen van de stichtingen en dat hij daarvoor in die jaren van [C], [D] en [E] een beloning heeft genoten. Het Hof neemt daarbij de volgende, door de inspecteur aangevoerde en door belanghebbende niet althans onvoldoende weersproken feiten en omstandigheden in aanmerking.

4.2.4. Belanghebbende is in de periode 2002 tot en met 2005 bestuurder van [A] en zijn echtgenote is sinds 15 maart 2003 bestuurder van [B]. Belanghebbende is oprichter van [C] en vanaf 18 september 2003 bestuurslid van die stichting; in 2003 tot die datum en in 2002 waren zijn echtgenote en kinderen de bestuursleden van die stichting. Belanghebbende is bestuurder van [D] en oprichter van [E]. Het bestuur van [E] bestaat uit zijn echtgenote en kinderen. De doelstellingen en activiteiten van de stichtingen zijn met elkaar verweven. Belanghebbende treedt bij voortduring op namens de stichtingen, ook als hij op dat moment geen bestuurder is. Bij het doen van betalingen ten gunste en ten laste van [C], [D] en [E] wordt met regelmaat gebruik gemaakt van bankrekeningen die op naam staan van belanghebbende en/of zijn echtgenote en/of zijn kinderen.

4.2.5. Uit de onder 4.2.4 weergegeven feiten leidt het Hof af dat belanghebbende het door [C], [D] en [E] gevoerde beleid bepaalde, dat hij feitelijk bevoegd was om namens die stichtingen te handelen en ook van die bevoegdheid gebruik maakte en dat tevens sprake was van verwevenheid tussen de privéuitgaven van hem, zijn echtgenote en zijn kinderen enerzijds en de uitgaven van [C], [D] en [E] anderzijds. Op grond daarvan is het Hof van oordeel dat de door belanghebbende, zijn echtgenote en zijn kinderen uit de laatstgenoemde stichtingen genoten voordelen als inkomsten uit door belanghebbende verrichte werkzaamheden moeten worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de door [G] genoten voordelen, gelet op de omstandigheden welke zijn vermeld onder 2.5, laatste volzin.

4.2.6. Wat betreft de aard van de onder 4.2.5 bedoelde voordelen merkt het Hof het volgende op. Zij bestaan in de eerste plaats uit privéuitgaven van de onder 4.2.5 genoemde personen, gedaan ten laste van [C], [D] en [E]. Voorts zijn tot die voordelen te rekenen kasopnamen door die personen van bankrekeningen van deze stichtingen en stortingen door deze stichtingen op bankrekeningen van die personen. Tevens hebben zij voordelen genoten in de vorm van het genot van woningen die eigendom zijn van twee van deze stichtingen, te weten de onder 2.9 genoemde woning [f-straat 1] te [P] en de onder 2.7 bedoelde recreatiebungalow. Bij de onder 1.1 tot en met 1.5 vermelde uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de door belanghebbende uit [C], [D] en [E] genoten inkomsten en de ter zake daarvan in de heffing betrokken bedragen als volgt bepaald:

Jaar Voordeel Belast

2002 € 117.745 € 100.000

2003 € 93.883 € 93.883

2004 € 189.701 € 65.920

2005 € 135.769 € 135.769.

4.2.7. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de jaren 2002, 2003 en 2004 tot de hierboven genoemde bedragen en in het jaar 2005 tot een bedrag van € 105.769 (zie 4.2.12 hierna) voordelen heeft genoten uit [C], [D] en [E]. Gelet op het eerder overwogene ziet het Hof geen aanleiding om de vóór 18 september 2003 genoten voordelen buiten aanmerking te laten. Gelet op het onder 4.2.5 overwogene dient ook het door [E] verstrekte gebruik van de recreatiebungalow te [Q] tot die voordelen te worden gerekend.

4.2.8. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende voor de stichtingen werkzaamheden heeft verricht teneinde daarmee geldelijke voordelen te behalen en dat zodanige voordelen ook redelijkerwijs konden worden verwacht. Voorts is niet gesteld of gebleken dat deze werkzaamheden zijn verricht in het kader van een onderneming of een dienstbetrekking van belanghebbende. Hieruit vloeit voort dat de door belanghebbende uit die werkzaamheden genoten voordelen belastbaar zijn als resultaat uit overige werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.90 Wet inkomstenbelasting 2001. Belanghebbende voert aan dat van belastbare inkomsten geen sprake is, aangezien de door hem genoten voordelen waren bedoeld als aflossingen op vorderingen die hij op [C], [D] en [E] had. Dienaangaande oordeelt het Hof als volgt.

4.2.9. Uit de onder 2.9 vermelde stukken blijkt dat belanghebbende op 29 december 1997 een vordering kreeg op [C] van ƒ 195.000 (€ 88.487), welke is omgezet in een rentedragende lening. Het verloop van deze vordering tussen de dag van haar ontstaan en het begin van het jaar 2002 is onduidelijk. Tot de gedingstukken behoort een berekening van de voormalige gemachtigde van belanghebbende, waarbij vanaf 1998 rente is bijgeschreven op de hoofdsom. De inspecteur heeft echter onweersproken gesteld dat belanghebbende geen rente heeft verantwoord voor de IB/PV. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat vóór 2002 aflossingen op deze lening hebben plaatsgevonden.

4.2.10. Uit het onder 2.10 vermelde stuk valt voorts af te leiden dat de vordering van belanghebbende op [C] op 2 januari 2002 mogelijkerwijs met € 35.495 is toegenomen. Een nader stuk waarin dit is vastgelegd, is door belanghebbende echter niet overgelegd. Ook stelt belanghebbende nog dat de onder 2.11 vermelde overmaking op 15 september 2000 van ƒ 10.000 (€ 4.538) met de omschrijving “Bekend” tot verhoging van zijn vordering op [C] heeft geleid. Uit deze omschrijving blijkt dit evenwel niet.

4.2.11. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, op wie dienaangaande de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat en tot welk bedrag hij in het tijdvak 2002-2005 een vordering op [C] had – de onder 4.2.9 en 4.2.10 genoemde stukken zijn daartoe onvoldoende overtuigend – en evenmin dat de door hem in dat tijdvak ten laste van het vermogen van [C] genoten voordelen waren bedoeld als aflossingen op die vordering. Dit laatste blijkt niet uit de door belanghebbende in het geding gebrachte stukken en vloeit evenmin logischerwijs voort uit de vaststaande feiten met betrekking tot de financiële verhouding tussen belanghebbende en [C], welke wordt gekenmerkt door een verwevenheid van de uitgaven van [C] en de privébestedingen van belanghebbende.

4.2.12. Tot de door de inspecteur in aanmerking genomen voordelen behoren bedragen van in totaal € 30.000 (3 x € 10.000), welke in 2005 door [D] zijn betaald met de vermelding [M] adviesbureau. Het Hof ziet aanleiding dit bedrag buiten beschouwing te laten bij het bepalen van de hoogte van de door belanghebbende genoten voordelen. Het Hof gaat ervan uit dat hier sprake is geweest van een lening, welke door belanghebbende op 19 december 2005 is terugbetaald (zie 2.11). Het Hof ziet daarom aanleiding het voor het jaar 2005 in de heffing betrokken bedrag met € 30.000 te verminderen.

4.2.13. Belanghebbende voert nog aan dat hij heeft geleefd van de opbrengst van de verkoop van een woonark op 11 maart 2002 (zie 2.12). Over de besteding van deze opbrengst is echter niets komen vast te staan. Maar ook indien deze stelling van belanghebbende juist zou zijn, sluit dit niet uit dat hij zich in het tijdvak 2002-2005 voordelen uit [C], [D] en [E] heeft doen toekomen. Deze stelling kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.

4.3. Vergrijpboeten

4.3.1. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank inzake de vergrijpboete, welke is opgelegd in samenhang met de aanslag IB/PV voor het jaar 2004. Evenmin is hij in zijn reactie op het incidenteel hoger beroep ingegaan op de vergrijpboeten welke zijn opgelegd in samenhang met de navorderingsaanslagen IB/PV voor de jaren 2002 en 2003. Wat betreft de boeten voor de jaren 2002 en 2003 is het Hof van oordeel dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting en premie volksverzekeringen is geheven, en wat betreft de boete voor het jaar 2004 dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de aangifte niet is gedaan. Voorts zijn de door de inspecteur opgelegde boeten van 50% van de te betalen bedragen aan IB/PV naar het oordeel van het Hof een passende en geboden sanctie voor de door belanghebbende begane vergrijpen.

4.3.2. Op grond van dezelfde overwegingen als die van de rechtbank onder 4.13.3 van haar uitspraak, ziet het Hof aanleiding om de boeten in verband met het overschrijden van de redelijke termijn met meer dan twee jaren te verminderen met 20%, zodat deze uitkomen op 40% van de te betalen bedragen aan IB/PV.

4.4. Heffingsrente

Het beroep moet worden geacht mede te zijn gericht tegen de beschikkingen heffingsrente. Belanghebbende heeft wat betreft de heffingsrente geen grieven aangevoerd. Aangezien de aanslag IB/PV voor het jaar 2005 wordt verminderd, dient een daarmee overeenkomende vermindering van de heffingsrente te worden verleend. Het beroep tegen de beschikkingen heffingsrente is voor het overige ongegrond.

4.5. Slotsom

4.5.1. De slotsom luidt dat het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep gegrond zijn.

4.5.2. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd en de uitspraken op bezwaar dienen te worden bevestigd, behalve voor zover die uitspraken betrekking hebben op de aanslag IB/PV voor het jaar 2005 en de voor dat jaar genomen beschikking heffingsrente.

4.5.3. De rechtbank heeft de uitspraken op bezwaar vernietigd, ook voor zover deze betrekking hadden op de vergrijpboeten welke zijn opgelegd in samenhang met de navorderingsaanslagen premie WAZ voor de jaren 2002 en 2003. De vernietiging van die boeten door de inspecteur werd daarmee ongedaan gemaakt. De rechtbank heeft verzuimd om vervolgens de ter zake genomen boetebeschikkingen zelf te vernietigen. Aangezien het Hof de desbetreffende uitspraken op bezwaar zal bevestigen, behoeft daarover geen nadere beslissing te worden genomen.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behalve voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van het griffierecht;

- bevestigt de uitspraken van de inspecteur welke betrekking hebben op de navorderingsaanslagen IB/PV voor de jaren 2002 en 2003 en de aanslag IB/PV voor het jaar 2004 en op de in verband daarmee genomen beschikkingen heffingsrente;

- bevestigt de uitspraken van de inspecteur welke betrekking hebben op de navorderingsaanslagen premie WAZ voor de jaren 2002 en 2003 en op de in verband daarmee genomen boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente;

- vernietigt de uitspraken van de inspecteur welke betrekking hebben op de boetebeschikkingen genomen in verband met de navorderingsaanslagen IB/PV voor de jaren 2002 en 2003 en op de aanslag IB/PV voor het jaar 2004 en vermindert de desbetreffende boeten tot 40% van de te betalen bedragen aan IB/PV;

- vernietigt de uitspraken van de inspecteur welke betrekking hebben op de aanslag IB/PV voor het jaar 2005 en op de in verband daarmee genomen beschikking heffingsrente, vermindert deze aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.769 en bepaalt dat de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig wordt verminderd; en

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 112 vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, J.P. Kruimel en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier.

De beslissing is op 30 mei 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.