Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3560

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
200.109.366-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verduistering van ijzermateriaal (o.a. rijplaten en damwanden). Kan oud-ijzerhandelaar zich beroepen op bescherming van artikel 3:86 lid 1 BW? Anders dan "om niet" verkregen. Te goeder trouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.109.366/01

zaak-/rolnummer rechtbank (Alkmaar): 124455/HA ZA 10-1030

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 juni 2013

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P & K TRANSPORTSERVICE B.V.,

gevestigd te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JONK B.V.,

gevestigd te Zeevang,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LOON- EN AANNEMINGSBEDRIJF [ X ] EN ZOON B.V.,

gevestigd te Breezand, gemeente Hollandse Kroon,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AANNEMINGS- EN HANDELMAATSCHAPPIJ H-P STAAL B.V.,

gevestigd te Wilnis, gemeente Ronde Venen,

appellanten,

advocaat: mr. R. Kroon te Almelo,

tegen:

1. de vennootschap onder firma

IJZER EN METAALHANDEL [ Y ] EN ZN,

tevens handelend onder de naam [ Geïntimeerden ] METALS,

gevestigd en zaakdoende te Heerhugowaard,

en haar vennoten:

2. [ Geïntimeerde sub 2 ], wonend te [ plaatsnaam ],

3. [ Geïntimeerde sub 3 ], wonend te [ plaatsnaam ],

4. [ Geïntimeerde sub 4 ], wonend te [ plaatsnaam ],

geïntimeerden,

advocaat: mr. M.A. Rensen te Alkmaar.

Appellanten zullen hierna gezamenlijk P&K c.s. worden genoemd en afzonderlijk respectievelijk worden aangeduid als: P&K, Jonk, [ X ] en H-P Staal. Geïntimeerden zullen gezamenlijk [ Geïntimeerden ] worden genoemd en geïntimeerde sub 2 ook [ Geïntimeerde sub 2 ]. en geïntimeerde sub 3 [ Geïntimeerde sub 3 ].

1. Het geding in hoger beroep

P&K c.s. zijn bij dagvaarding van 22 juni 2012 in hoger beroep gekomen van de op 20 juli 2011 en 23 mei 2012 door de rechtbank Alkmaar in deze zaak uitgesproken vonnissen onder het hiervoor vermelde zaak-/rolnummer die zijn gewezen tussen P&K c.s. als eiseressen en [ Geïntimeerden ] als gedaagden.

Partijen hebben vervolgens de volgende stukken gewisseld:

- memorie van grieven tevens akte houdende wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie;

Ter zitting van 5 februari 2013 hebben de wederzijdse advocaten van partijen de standpunten mondeling nader toegelicht, zulks aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Bij die gelegenheid hebben P&K c.s. nog aanvullende producties in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

P&K c.s. hebben geconcludeerd dat het hof, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad en zo nodig onder verbetering van gronden, de vonnissen van de rechtbank waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende [ Geïntimeerden ] zal veroordelen conform de vorderingen als ingesteld bij de inleidende dagvaarding onder 5 t/m 9 en hen zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

[ Geïntimeerden ] hebben geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep, voor zover nodig onder verbetering of aanvulling van de gronden, zal bekrachtigen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van P&K c.s. in de kosten van het hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van stellingen aangeboden.

2. De feiten

De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis van 20 juli 2011 onder 2, sub 2.1 tot en met 2.9, een aantal feiten vastgesteld. Behoudens voor zover de rechtbank onder 2.7 heeft overwogen dat [ Geïntimeerden ] € 61.540,= voor de rijplaten en € 4.700,= voor de balken en damwandplaten aan [ K ] heeft betaald, zijn deze feiten niet in geschil en dienen deze feiten daarom ook, in zoverre, het hof als uitgangspunt.

3. Beoordeling

3.1. Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. P&K c.s. drijven ondernemingen die zich onder meer bezig houden met de verhuur van (stalen) rijplaten, balken en damwandplaten. In augustus/september 2010 hebben zij op verzoek van [ K ] (hierna: [ K ]), tevens handelende onder de naam [ K ] Machinistenverhuur gevestigd te [ plaatsnaam ], diverse partijen rijplaten, balken en damwandplaten - voor het grootste deel onbestreden eigendom van P&K c.s. - afgeleverd op een bedrijfsterrein/opslagplaats van [ Geïntimeerden ] aan de Snelliusstraat 17 te Heerhugowaard. In totaal zijn aldus 115 rijplaten door P&K, 90 rijplaten door Jonk en 40 rijplaten door [ X ] bij [ Geïntimeerden ] afgeleverd en 20 balken en 40 damwandplaten door H-P Staal op het adres van [ Geïntimeerden ] bezorgd. [ Geïntimeerden ] drijven een oud ijzer- en metaalhandel. [ K ] deed zich tegenover P&K c.s. in de meeste gevallen voor als voorman van een groot bouwbedrijf die de rijplaten, balken en damwandplaten wenste te huren. Gebleken is dat [ K ] de rijplaten, balken en damwandplaten heeft verkocht aan [ Geïntimeerden ] Bij vonnis van de rechtbank Alkmaar van 12 april 2011 is [ K ] ter zake onder meer hiervan strafrechtelijk veroordeeld tot een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf wegens oplichting en valsheid in geschrifte. In oktober 2010 hebben P&K c.s. op de rijplaten, balken en damwandplaten onder [ Geïntimeerden ] conservatoir beslag doen leggen en vervolgens [ Geïntimeerden ] gedagvaard.

3.2. P&K c.s. vorderen, zakelijk samengevat en voor zover in hoger beroep van belang, dat [ Geïntimeerden ] zullen worden veroordeeld de voornoemde rijplaten, balken en damwandplaten aan hen af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom. [ Geïntimeerden ] erkennen dat genoemde [ K ] met betrekking tot de door deze aan hen verkochte zaken beschikkingsonbevoegd was, maar zij hebben zich beroepen op de bescherming die artikel 3:86 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) tegen beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder biedt. P&K c.s. hebben zich hiertegenover op het standpunt gesteld dat [ Geïntimeerden ] zich niet op artikel 3:86 BW kunnen beroepen, onder meer omdat [ Geïntimeerden ] (ten tijde van de verkrijging van de zaken) niet te goeder trouw waren. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 20 juli 2011 aan P&K c.s. een bewijsopdracht gegeven, waarna diverse getuigen zijn gehoord. Bij eindvonnis heeft zij geoordeeld dat P&K c.s. in de gegeven bewijsopdracht niet waren geslaagd en heeft zij de vorderingen van P&K c.s. afgewezen.

3.3. In hoger beroep voeren P&K c.s. ter onderbouwing van hun standpunt dat [ Geïntimeerden ] zich niet succesvol kunnen beroepen op artikel 3:86 (lid 1) BW aan dat niet gebleken is dat de overdracht door [ K ] van de zaken aan [ Geïntimeerden ] “anders dan om niet”, zoals in het wetsartikel bepaald, is geschied.

3.4. Het hof verwerpt dit primaire betoog van P&K c.s. In de strafzaak tegen [ K ] heeft de rechtbank vastgesteld dat [ K ] de rijplaten van P&K c.s., na hen tot afgifte daarvan te hebben bewogen, ‘onmiddellijk aan derden heeft doorverkocht’ (zie het strafvonnis, pagina 3). Niet blijkt en door P&K c.s. is ook niet gesteld dat in de strafrechtelijke procedure aan de orde is gekomen dat [ K ] de rijplaten en/of het andere materiaal van P&K c.s. heeft weggegeven. Ook op zichzelf lijkt reeds niet aannemelijk dat [ K ] de rijplaten zonder tegenprestatie (van [ Geïntimeerden ]) heeft afgestaan. Dat zou er immers op neerkomen dat [ K ] geen opbrengsten met zijn oplichtingspraktijk gegenereerd zou hebben, hetgeen met de aard en het doel van die praktijk niet strookt. De betwisting door P&K c.s. dat de overdracht van de zaken aan [ Geïntimeerden ] anders dan om niet is geschied, is verder door hen niet nader onderbouwd of gemotiveerd. Dit is voor het hof reden om aan die betwisting, gelet op het voorgaande, als niet voldoende serieus bedoeld althans als niet voldoende onderbouwd en gemotiveerd voorbij te gaan. Daar komt nog het volgende bij. Bij conclusie van antwoord hebben [ Geïntimeerden ] haar ‘inkoopfacturen’ in het geding gebracht ter zake van de aflevering van de rijplaten en damwandplaten door [ K ] aan hen. Deze in de volgens [ Geïntimeerden ] in hun administratie verwerkte facturen zijn genummerd en vermelden geldbedragen die met de afleveringen van het ijzer zouden zijn gemoeid. P&K c.s. hebben niet aangevoerd dat deze stukken valselijk zijn opgemaakt. [ Geïntimeerden ] hebben voorts een tweetal facturen van [ K ] in het geding gebracht. Op één van die facturen is bij de tekst “balkstaal 300x150 60 m € 1000,=” vermeld: “nog te goed”. Alleen van deze € 1000,= hebben [ Geïntimeerden ] niet gezegd dat zij deze ook aan [ K ] hebben uitbetaald. Al het voorgaande tezamen genomen, voert het hof tot de conclusie dat voor zover P&K c.s. hebben willen betwisten dat [ Geïntimeerden ] [ K ] daadwerkelijk voor de levering van de rijplaten, balken en damwandplaten hebben betaald, zij die betwisting onvoldoende inhoud hebben gegeven.

3.5. Het hof gaat voorbij aan het verzoek van P&K c.s. [ Geïntimeerden ] zo nodig op grond van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te bevelen hun volledig inkoop- en kasboek betreffende het jaar 2010 in het geding te brengen. Het hof acht [ Geïntimeerden ] daartoe, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet gehouden. Met de stukken die [ Geïntimeerden ] hebben overgelegd acht het hof voldoende aangetoond dat [ Geïntimeerden ] de rijplaten, balken en damwandplaten van [ K ] hebben gekocht, en dus niet ‘om niet’ hebben verkregen, en dat zij voor die zaken daadwerkelijk de door hen gestelde koopsom hebben betaald.

3.6. Het tweede verweer van P&K c.s. houdt in dat [ Geïntimeerden ] zich niet op de bescherming van artikel 3:86 lid 1 BW kunnen beroepen omdat zij ten tijde van de verkrijging van de door [ K ] geleverde materialen niet te goeder trouw waren.

3.7. In de eerste plaats hebben P&K c.s. in dat verband aangevoerd (memorie van grieven onder 22) dat [ Geïntimeerden ] er mee bekend waren, althans er mee bekend hadden kunnen zijn, dat er gestolen/verduisterde rijplaten in omloop waren en dat deze regelmatig bij metaalrecyclingbedrijven te koop werden aangeboden. Zij hebben daartoe erop gewezen dat de branchevereniging MRF (Metaal Recycling Federatie), waarvan de v.o.f. van [ Geïntimeerden ] lid is, regelmatig over het aanbieden van gestolen/verduisterde rijplaten publiceert en haar leden daarvoor ook waarschuwt. Als concreet voorbeeld daarvan hebben P&K c.s. een publicatie in het door MRF uitgegeven blad van juni 2010 overgelegd.

Klaarblijkelijk zijn P&K c.s. van mening dat [ Geïntimeerden ] erop bedacht hadden kunnen en moeten zijn dat [ K ] aan hen rijplaten te koop aanbood met betrekking waartoe hij niet beschikkingsbevoegd was. Deze stelling is echter in zoverre onvoldoende geconcretiseerd gebleven dat P&K c.s. niet stellen in welk opzicht [ Geïntimeerden ] anders zouden hebben moeten handelen dan [ Geïntimeerden ] hebben gedaan en P&K c.s. ook niet aanvoeren dat [ Geïntimeerden ] bij een andere handelwijze hadden kunnen vaststellen dat [ K ] met betrekking tot de rijplaten en ander materiaal mogelijk beschikkingonbevoegd was.

3.8. In de publicatie in het blad van MRF, waarop P&K c.s. hebben gewezen, wordt bij twijfel over de rechtmatigheid van de herkomst van rijplaten die worden aangeboden, verzocht contact op te nemen met het MRF-secretariaat (om de herkomst via het logo op de aangeboden rijplaten vast te stellen) of gevraagd kentekens van voertuigen of identiteitsbewijzen van aanbieders te noteren. [ Geïntimeerden ] hebben weliswaar geen contact met het MRF-secretariaat opgenomen, maar zij hebben wel de identiteit van [ K ] vastgesteld voordat zij met hem zaken deden en dus in zoverre overeenkomstig het advies van MRF gehandeld. [ Geïntimeerden ] hebben gesteld een bezoek te hebben gebracht aan het woonadres van [ K ] en te hebben vastgesteld dat [ K ] aldaar over een stapel rijplaten beschikte. [ K ] heeft [ Geïntimeerden ] een verklaring gegeven voor het feit dat hij hen rijplaten aanbood en kon leveren. [ K ] zou voor grote bouwondernemingen werken en [ K ] noemde [ Geïntimeerden ] een naam van medewerker van het bouwbedrijf Ballast Nedam die [ Geïntimeerde sub 2 ] toevallig ook kende. [ K ] heeft tevens verklaard dat hij met de verhuur van rijplaten, waarmee hij zich ook bezig hield, zou stoppen. [ K ] heeft [ Geïntimeerden ] tevens voorzien van het door hem gebruikte BTW-nummer. P&K c.s. hebben een en ander niet weersproken. Nu in de publicatie van het MRF niet gesteld wordt dat het in alle gevallen nodig is contact met het MRF op te nemen maar [ Geïntimeerden ] zich er wel van hebben verzekerd met wie zij van doen hadden, is het hof van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [ Geïntimeerden ] materieel gesproken niet in overeenstemming met het in de publicatie gegeven advies hebben gehandeld.

3.9. Ter adstructie van hun stelling dat [ Geïntimeerden ] niet als kopers te goeder trouw kunnen worden aangemerkt hebben P&K c.s. aangevoerd (memorie van grieven onder 36, eerste gedachtestreepje) dat het niet gebruikelijk is dat iemand een grote partij in goede staat verkerende en van merktekens voorziene partij rijplaten bij zijn huis heeft liggen, waarbij zij klaarblijkelijk op [ K ] doelen.

3.10. Het hof acht deze stelling van P&K c.s. te algemeen en zij is bovendien niet onderbouwd. Tegen de achtergrond van de verklaring van [ K ] dat hij (mede) rijplaten verhuurde, valt zonder nadere toelichting, die P&K c.s. niet hebben gegeven, niet in te zien waarom [ Geïntimeerden ] op grond van de aanwezigheid van rijplaten op het terrein van [ K ] zouden hebben moeten bedenken dat die platen mogelijk niet van [ K ] waren. [ Geïntimeerden ] hebben overigens aangevoerd dat op grond van het roestige uiterlijk van de rijplaten niet kon worden vastgesteld dat de rijplaten in goede staat verkeerden en zij hebben die goede staat ook betwist. De omstandigheid dat de rijplaten, zoals P&K c.s. hebben aangevoerd, voorzien waren van verschillende merktekens behoefde [ Geïntimeerden ] niet wantrouwend ten opzichte van [ K ] te maken: nog daargelaten dat [ Geïntimeerden ] hebben aangevoerd dat zij niet hebben gezien dat de rijplaten bij [ K ] waren voorzien van (verschillende) merktekens en nog daargelaten dat de door P&K c.s. overgelegde foto’s van merktekens op de rijplaten, zoals [ Geïntimeerden ] hebben opgemerkt (conclusie van antwoord onder 36), niet zonder meer kunnen worden herkend als aanduidingen van merktekens of letters, hebben P&K c.s. in elk geval niet weersproken dat het mogelijk (en zelfs niet ongebruikelijk) is dat rijplaten worden geruild, zoals [ Geïntimeerden ] gesteld hebben dat [ K ] aan hen heeft verklaard, hetgeen ertoe kan leiden dat rijplaten met verschillende merktekens aan een en dezelfde persoon kunnen toebehoren.

3.11. Door P&K c.s. is voorts naar voren gebracht (memorie van grieven onder 36, tweede gedachtestreepje) dat het niet gebruikelijk is dat grote partijen in goede staat verkerende rijplaten, stalen balken en damwandplaten als schroot/oud ijzer worden aangeboden.

3.11.1. Daarmee gaan P&K c.s. echter voorbij aan de stelling van [ Geïntimeerden ] dat [ K ] hun heeft verklaard dat hij voornemens was zijn bedrijf dat mede de verhuur van rijplaten omvatte te staken. Daarmee is tevens het lot bezegeld van de stelling van P&K c.s. (memorie van grieven onder 36, vierde gedachtestreepje) dat rijplaten slechts incidenteel op bouwterreinen achterblijven en later door het bouwbedrijf als oud ijzer worden aangeboden, waarmee zij kennelijk willen zeggen dat het vreemd is dat [ Geïntimeerden ] een zulke grote hoeveelheid materiaal van [ K ] hebben gekocht zonder vraagtekens te plaatsen bij diens beschikkingsbevoegdheid. Naar het oordeel van het hof voeren P&K c.s. de onderzoeksplicht die [ Geïntimeerden ] in deze omstandigheden hebben, te hoog op door te eisen dat zij in het handelsregister hadden moeten controleren of [ K ] ook inderdaad tot zijn bedrijfsactiviteiten de verhuur van rijplaten rekende en of dat hij zijn bedrijf inderdaad zou staken.

3.11.2. Dat [ K ] de rijplaten als ‘schroot’ heeft verkocht, is niet komen vast te staan. [ Geïntimeerden ] hebben dit ook niet aangevoerd. Wel staat vast dat [ Geïntimeerden ] stellen dat zij voor de rijplaten het volgens hen voor oud ijzer normale tarief van € 0,18 per kilogram met [ K ] hebben afgesproken. Volgens P&K c.s. (memorie van grieven onder 36, zesde gedachtestreepje) is daarmee een sterk van de gebruikelijke marktwaarde afwijkende prijs aangeboden. Het hof volgt P&K c.s. hierin niet. Door P&K c.s. zijn stukken overgelegd waaruit volgens hen blijkt dat de oud-ijzerprijs (medio 2010) € 0,24 bedroeg. [ Geïntimeerden ] hebben hierover opgemerkt dat daarmee kennelijk de destijds geldende oud ijzerprijs wordt bedoeld die door de groothandel wordt betaald aan inkopers van oud ijzer zoals [ Geïntimeerden ] [ Geïntimeerden ] hebben dit gestaafd met een overzicht van de prijzen die door HKS Metals te Amsterdam aan hen voor oud ijzer worden betaald. Tegen die achtergrond - P&K c.s. hebben een en ander niet tegengesproken - kan niet worden gezegd dat de prijs die [ Geïntimeerden ] bereid waren aan [ K ] te betalen en die [ K ] heeft geaccepteerd, een dermate afwijkende prijs was dat [ Geïntimeerden ] de beschikkingsbevoegheid van [ K ] in twijfel zouden hebben moeten trekken.

3.12. Met betrekking tot de stelling van P&K c.s. (memorie van grieven onder 36, vijfde gedachtestreepje) dat het niet gebruikelijk is dat verhuurbedrijven hun in goede staat verkerende verhuurobjecten ter sloop aan een oude ijzerhandelaar aanbieden, overweegt het hof als volgt.

3.13. P&K c.s. doelen daarmee klaarblijkelijk op het feit dat zij zelf de rijplaten, balken en damwandplaten bij [ Geïntimeerden ] hebben afgeleverd. Het hof deelt het standpunt van [ Geïntimeerden ] dat deze handelwijze bij hen juist het vertrouwen heeft kunnen bevestigen dat met de koop niets mis was. Niet ter discussie staat dat het terrein van [ Geïntimeerden ] een duidelijk kenbare opslagplaats voor oud ijzer was. Het zou alleszins voor de hand hebben gelegen dat P&K c.s. om nadere informatie bij [ Geïntimeerden ] zouden hebben gevraagd over de bestemming van rijplaten, meer in het bijzonder omdat de platen niet behoefden te worden ‘uitgelegd’ maar op stapels op het terrein werden neergelegd. In eerste aanleg hebben P&K c.s. aangevoerd dat hun chauffeurs daar inderdaad opmerkingen over zouden hebben gemaakt. Van [ Geïntimeerden ] zouden zij hebben begrepen dat de rijplaten zouden worden gebruikt voor een tijdelijke verharding van een loods op het terrein (inleidende dagvaarding onder 14 en schriftelijke verklaring van E. ter Haar, chauffeur van Jonk). Later hebben P&K c.s. deze stelling in die zin genuanceerd dat [ Geïntimeerden ] er althans bij aanwezig waren op het moment dat [ K ] dit tegen de chauffeurs zou hebben verklaard en dat [ Geïntimeerden ] toen niet hebben opgemerkt dat dat onjuist was. Als verklaringen van die strekking zouden zijn gedaan ofwel door [ Geïntimeerden ] zelf ofwel door [ K ] in hun aanwezigheid zonder dat zij dat hebben gecorrigeerd, zou dat inderdaad, zoals P&K c.s. hadden gesteld, meebrengen dat niet kan worden aangenomen dat [ Geïntimeerden ] de zaken te goeder trouw waren. De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof P&K c.s. terecht belast met het bewijs hiervan. De klacht van P&K c.s. dat de rechtbank uitgegaan is van een onjuiste bewijslastverdeling op dit punt, is ongegrond. Voorts is het hof met de rechtbank en op de gronden die de rechtbank daarvoor heeft aangedragen van oordeel dat P&K c.s. er niet in zijn geslaagd te bewijzen dat [ Geïntimeerden ] zich in voormelde zin tegenover de desbetreffende chauffeurs hebben uitgelaten dan wel dat zij hebben gehoord dat [ K ] dit tegen de chauffeurs heeft gezegd. Een en ander voert tot de volgende slotsom. Voor zover P&K c.s. hebben willen betogen dat [ Geïntimeerden ] erop bedacht had moeten zijn dat [ K ] beschikkingsonbevoegd was omdat het vreemd was dat verhuurbedrijven zoals P&K c.s. materialen kwamen afleveren, gaat dit betoog niet op. Het lag op de weg van P&K c.s. om bij [ Geïntimeerden ] om nadere informatie te vragen. Het hof verwerpt de stelling van P&K c.s. dat [ Geïntimeerden ] bij P&K c.s. om nadere informatie over de reden van aflevering van de zaken hadden kunnen vragen. Dit is wijsheid achteraf. In de gegeven omstandigheden behoefden [ Geïntimeerden ] niet bij P&K c.s. nader te informeren naar de reden van aflevering van de zaken op zijn terrein en kan niet gezegd worden dat nu [ Geïntimeerden ] dat hebben nagelaten zij niet als kopers te goeder trouw kunnen worden aangemerkt..

3.14. P&K c.s. hebben aangevoerd dat de vraag of [ Geïntimeerden ] te goeder trouw waren moet worden beoordeeld naar het moment waarop zij de zaken hebben verkregen. Dat uitgangspunt is juist, maar dit betekent niet dat de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan ná de verkrijging bij de beoordeling van de goede trouw van [ Geïntimeerden ] geen rol kunnen spelen. Meer in het bijzonder kunnen zich na de verkrijging feiten voordoen die meebrengen dat de goede trouw niet kan worden aangenomen. Dergelijke omstandigheden hebben zich in casu echter niet voorgedaan, althans P&K c.s. beroepen zich daar (klaarblijkelijk) niet op. [ Geïntimeerden ] hebben bijvoorbeeld niet de door [ K ] aangeboden rijplaten onmiddellijk in stukken geknipt en als oud ijzer afgevoerd. Zij hebben zich na de ontdekking van de oplichting door [ K ] voorts coöperatief opgesteld. De handelwijze van [ Geïntimeerden ] ná de verkrijging van de zaken wijst er met andere woorden niet op dat [ Geïntimeerden ] ten tijde van de overdracht niet te goeder trouw waren en deze vaststelling is ook niet zonder belang.

3.15. Ten slotte hebben P&K c.s. nog enkele andere omstandigheden genoemd die van belang kunnen zijn voor de vraag of sprake is geweest van goede trouw bij [ Geïntimeerden ]

3.15.1. P&K c.s. hebben opgemerkt dat [ Geïntimeerden ] [ K ] niet kenden. Hiervoor is reeds opgemerkt dat [ Geïntimeerden ] de identiteit van [ K ] (overigens anders dan P&K c.s.) wél hebben vastgesteld (en ook zijn btw-nummer hebben opgevraagd). [ Geïntimeerden ] hebben geen recherche in het handelsregister gedaan. Nog daargelaten of [ Geïntimeerden ] op grond van de bevindingen van een dergelijk onderzoek tot een andere conclusie hadden moeten komen - P&K c.s. hebben niet aangevoerd welk resultaat genoemd onderzoek zou hebben gehad en zich daar ook niet op beroepen - behoefden [ Geïntimeerden ] naar het oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden tot een dergelijk onderzoek niet over te gaan.

3.15.2. Volgens P&K c.s. is het, ook in de oud ijzer en metaalhandel, ongebruikelijk dat de betaling à contant geschiedde. Het hof is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat [ Geïntimeerden ] op grond hiervan had moeten vermoeden dat [ K ] beschikkingsonbevoegd was.

3.15.3. P&K c.s. stellen dat [ Geïntimeerden ] bij de door [ K ] genoemde medewerker van Ballast Nedam, die [ Geïntimeerden ] toevallig ook kenden en dat voor hen de betrouwbaarheid van [ K ] onderstreepte, navraag omtrent [ K ] hadden kunnen doen. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat [ Geïntimeerden ] dit hebben nagelaten, niet meebrengt dat zij in de van hen te vergen onderzoeksplicht te kort zijn geschoten.

3.15.4. [ Geïntimeerden ] hadden volgens P&K c.s. aan [ K ] kunnen vragen bewijzen van rechtmatige verkrijging (aankoopbonnen/facturen/betalingsbewijzen/corresponden¬tie) te overhandigen. Het hof is van oordeel dat een dergelijke recherchering door [ Geïntimeerden ] niet verlangd mag worden. Bij dit oordeel neemt het hof alle omstandigheden waarop [ Geïntimeerden ] zich hebben beroepen en die door P&K c.s. niet zijn weersproken in aanmerking.

4. Slotsom

4.1. Het hof bereikt op grond van het bovenstaande de volgende slotsom. Het beroep van [ Geïntimeerden ] op artikel 3:86 lid 1 BW is succesvol. De vorderingen van P&K c.s. tot afgifte van de zaken heeft de rechtbank terecht afgewezen. De grieven van P&K c.s. tegen de vonnissen waarvan beroep falen. Zij vinden hun weerlegging in hetgeen hierboven is overwogen. De bewijsaanbiedingen die P&K c.s. hebben gedaan hebben geen betrekking op voldoende geconcretiseerde stellingen die indien bewezen tot een ander oordeel kunnen leiden en zij worden daarom gepasseerd.

4.2. P&K c.s. dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten van het hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt P&K c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [ Geïntimeerden ] begroot op € 666,= aan verschotten en € 4.893,= voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, D. Kingma en J.F.M. Strijbos en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2013.