Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3436

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
12-00089
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de indeling van de fietstas gaat het om de interpretatie van aanvullende aantekening 1 op Hoofdstuk 42. Het Hof deelt de fietstas in onder post 4202 92 19 van de GN. Er is sprake van een vergissing van de ambtenaren. Deze vergissing kon belanghebbende redelijkerwijze niet ontdekken. Het Hof neemt daarbij, onder meer, in aanmerking dat belanghebbende en andere aangevers in totaal eenenveertig keer aangifte hebben gedaan en de aangegeven tariefpost daarbij niet is gewijzigd en dat in totaal zeven ambtenaren van twee douanekantoren zich hebben vergist. Bovendien betrof het een lastig indelingsvraagstuk. Aangezien niet in geschil is dat ook aan de derde voorwaarde van artikel 220, lid 2, CDW is voldaan, had de inspecteur van navordering moeten afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1646
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00089

13 juni 2013

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Nijmegen,

de inspecteur,

alsmede

op het incidenteel hoger beroep van

[A] te [P], belanghebbende,

gemachtigde: N.M.E.A. Egberts (Trade Facilitation B.V.)

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/7032 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 1 april 2010 aan belanghebbende een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uitgereikt voor een bedrag van € 5.989,77 aan douanerechten.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 29 november 2010, de UTB gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 20 december 2011, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de UTB verminderd tot een bedrag € 1.888, de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 874 veroordeeld en gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van

€ 298 vergoedt.

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 19 januari 2012. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een conclusie van repliek ingediend waarin hij tevens het incidenteel hoger beroep heeft beantwoord.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1. tot en met 2.6. van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. In de periode 1 maart 2006 tot en met 30 november 2008 heeft eiseres aangiften gedaan voor in het vrije verkeer brengen van fietstassen, de zogenoemde '[tas X]'.

2.2. De [tas X] is een fietstas die is gemaakt van textiel, waarop aan de buitenzijde kunststof is aangebracht. De fietstas kan met behulp van een ophangsysteem aan de bagagedrager van een fiets bevestigd worden.

2.3. Bij zeven aangiften, waarvan er twee (aangiftenummer 651022 en 652913) deel uitmaken van de grondslag van de utb, heeft de douane de goederen daadwerkelijk (fysiek) opgenomen. Deze verificatie heeft niet tot een correctie van de aangegeven goederencode geleid.

2.4. In 2006 heeft de belastingdienst een controle na invoer ingesteld bij eiseres. Dit onderzoek heeft niet geleid tot een correctie met betrekking tot de [tas X].

2.5. In 2009 heeft de belastingdienst bij eiseres een controle na invoer ingesteld naar onder meer de juistheid van de aangegeven goederencode voor de [tas X]. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder de utb uitgereikt. Het bedrag van deze utb heeft voor € 4.101,76 betrekking op de indeling van de [tas X]. Er is uitsluitend nagevorderd met betrekking tot aangiften die in 2008 zijn gedaan.

2.6. Op 30 juni 2009, 7:50 uur, schrijft een controleambtenaar in een e-mail aan eiseres onder meer:

“(…) Gezien de ingewikkelde materie over de indeling van deze fietstas heeft het wat langer geduurd dan gepland. (…)”

2.2. Het Hof vult de feiten als volgt aan.

2.2.1. De bestreden navordering heeft betrekking op 8 aangiften, welke alle zijn ingediend door [B] als direct vertegenwoordiger van belanghebbende:

Aangifte Nummer Datum Bedrag navordering Fysieke

opname

1 654141 9-6-2008 € 527,01 Nee

2 641863 1-7-2008 € 445,91 Nee

3 642178 8-7-2008 € 679,14 Nee

4 644744 12-8-2008 € 436,15 Nee

5 647150 1-9-2008 € 685,84 Nee

6 641863 1-9-2008 € 184,76 Nee

7 651022 14-10-2008 € 520,75 Ja

8 652913 4-11-2008 € 622,20 Ja

€ 4.101,76

2.2.2. De onder 2.2.1 vermelde aangiften 651022 en 652913, met bijbehorende bescheiden, behoren tot de stukken van het geding. Ter zake van de fysieke controle is het volgende vermeld:

Aangifte 651022:

Gewenste fysieke controle Bevindingen

(...) (...)

Vak/element aangifte:

Specifiek aandacht voor:

- 31 Goederenomschrijving

(...)

- Er moet volledige overeenstemming zijn!

- Zie memo! Zie memo

In bijbehorend memo is de volgende bevinding vermeld:

“Controle uitgevoerd door [namen ambtenaren].

Bevonden:

(...)

Item 17061: Trendy design shopper uitgevoerd in gecoat polyester met print, 16 ltr

(...)”

Aangifte 652913:

Gewenste fysieke controle Bevindingen

(...) (...)

Vak/element aangifte: 31-33-34

Specifiek aandacht voor:

- 31 Goederenomschrijving

(...)

- Zie memo! Zie memo

In bijbehorend memo is de volgende controle-opdracht vermeld:

“Controle op onderstaande itemnummers.....

Aangegeven = textiel (2,7% Douanerecht). Betreft het geen kunststof ?!!! (9,7% douanerecht)?!!

Bij onjuist of twijfel altijd monstername!!

(...)

17061 [tas X] 600d

(...)”

Het memo bevat ‘bevindingen’ ten aanzien van 3 van de 9 aangegeven itemnummers. Itemnr. 17061 wordt niet genoemd. Eén itemnummer is naar aanleiding van de verificatiebevindingen gecorrigeerd naar GN-onderverdeling 4202 92 19 (buitenzijde van kunststof), doch dit betreft niet itemnr. 17061.

2.2.3. Voor dezelfde goederen ([tas X]) zijn UTB’s uitgereikt aan een drietal douane-expediteurs. Het betreft navorderingen op 33 aangiften. De desbetreffende douane-expediteurs hebben deze aangiften gedaan in de periode april 2007 tot en met december 2008, op eigen naam en voor eigen rekening, in opdracht van belanghebbende. In alle gevallen zijn de goederen aangegeven onder GN-onderverdeling 4202 92 98 (2,7%). In één geval heeft een fysieke controle van de goederen plaatsgevonden (aangiftenr. 62028079). Tot de stukken van het geding behoort het formulier ‘Fysieke controle’ waarin de controleopdracht van Douane Rotterdam aan Douane Noord voor deze aangifte is verwoord, alsmede de bevindingen van Douane Noord:

“controleer bij onderstaande items of de buitenkant van textiel is

(...)

ITEM 17060 (Hof: laatste 0 is met pen aangebracht)

(...)

ITEM 17061

(...)

***********************************************************

Goederen opgenomen door [ naam ambtenaar] bij [A].

Container gelost volgens factuur.

(...)

Item 17060 [A] [tas X],fietstas , Matr. Gecoat polyester, volgens merkkaart

Item 17061 [A] [[tas X],fietstas, Matr. Gecoat polyester, volgens merkkaart

(...)”

Naar aanleiding van deze verificatiebevinding heeft geen correctie van de aangegeven GN-code plaatsgevonden.

2.2.4. In de periode maart 2006 tot en met maart 2007 zijn eveneens aangiften gedaan voor de invoer van partijen fietstassen van het type [tas X]. Op deze aangiften (aantal onbekend) heeft geen navordering plaatsgevonden, omdat de desbetreffende douaneschulden zijn verjaard. Tot de stukken van het geding behoort een viertal aangiften uit het jaar 2006, welke door de inspecteur aan een daadwerkelijke opname zijn onderworpen. In de bij deze aangiften behorende formulieren ‘Fysieke controle’ is voor zover hier van belang het volgende vermeld:

Aangifte 62023057:

Gewenste fysieke controle Bevindingen

(...) (...)

Vak/element aangifte:

Specifiek aandacht voor:

goederensoort (...) Fiets en draagtassen van textiel en gecote polyesther en waterdicht materiaal. (...)

Aangifte 62023107:

Gewenste fysieke controle Bevindingen

(...) (...)

Vak/element aangifte:

Specifiek aandacht voor:

soort goederen, buitenzijde (...)overige itemnummers:

17060/(...)

Aangifte 62023415:

Gewenste fysieke controle Bevindingen

(...) (...)

Vak/element aangifte: soort en LVO

Specifiek aandacht voor: LVO niet vast te stellen. fietstassen met buitenkant van textiel of polyesterweefsels.

Aangifte 62023687:

Gewenste fysieke controle Bevindingen

(...) (...)

Vak/element aangifte: 31-33-34

Specifiek aandacht voor:

welk soort bergingsmiddelen zijn dit? handtas? sporttas? rugzak? van welke stoffen? kunststof? of weefsel van katoen? polyester? indien niet van textiel dan monsters nemen. letten op namaak (...)

Itemnr: 17060 [A]

Name: [X]

Color: Lime-green

Qty: 10 pcs

= shopper, gecoat polyester met print

in/op tas staat: [A]

------

Itemnr: 17061 [A]

Name: [X]

Color: white/black

Qty: 10 pcs

= shopper, gecoat polyester met print

in/op tas staat: [A]

(...)

Naar aanleiding van voormelde constateringen heeft geen correctie van de aangegeven GN-code plaatsgevonden.

2.2.5. Blijkens de tot de stukken behorende overzichten “aangifte- en artikelgegevens” zijn de aangiften 651022 en 652913 voor verificatie geselecteerd (mede) op grond van profielnummer 3340, met als opname reden: LCO 2736: MOGELIJK ONJUISTE INDELING VAN BERGINGSMIDDELEN.

2.2.6. Blijkens de tot de stukken behorende overzichten “aangifte- en artikelgegevens” zijn de aangiften 62023057, 62023107 en 62023415 voor verificatie geselecteerd (mede) op grond van profielnummer 8447, met als opname reden: LCO-1115: ONJUISTE IND. BERGINGSMIDDELEN, LET OP CADMIUM.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. Primair is in geschil of de fietstassen dienen te worden ingedeeld in onderverdeling 4202 92 98 (2,7%) van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN), zoals belanghebbende in haar incidenteel hoger beroep voorstaat, danwel in GN-onderverdeling 4202 92 19 (9,7%), zoals de inspecteur bepleit.

3.2. Zo het gelijk met betrekking tot 3.1 aan de inspecteur is, is in geschil of de inspecteur op grond van artikel 220, tweede lid, onder b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) gehouden is om van navordering af te zien, hetgeen belanghebbende stelt doch de inspecteur betwist.

3.3. Zo het gelijk met betrekking tot 3.1 of 3.2 aan belanghebbende is, wenst zij in aanmerking te komen voor een integrale vergoeding van haar proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

3.4. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting.

4. Relevante teksten

4.1. Post 4202 luidt voor zover hier van belang als volgt:

4202 Reiskoffers en valiezen, koffers voor toiletbenodigdheden, documentenkoffertjes,

aktetassen, school- en boekentassen, etuis, foedralen en kokers voor kijkers, voor camera’s, voor wapens, voor muziekinstrumenten of voor brillen, alsmede dergelijke bergingsmiddelen; reiszakken, isothermische zakken voor voedsel of voor dranken, toiletzakken, rugzakken, handtassen, boodschappentassen, portefeuilles, portemonnees, kaartentassen, sigarettenkokers, tabakszakken, gereedschapstassen en -zakken, tassen, etuis, foedralen en kokers voor sportartikelen, etuis, foedralen en kokers voor flacons, juwelendoosjes, poederdozen, etuis, foedralen en kokers voor messenmakerswerk, alsmede dergelijke bergingsmiddelen, van leder, van kunstleder, van kunststof in vellen, van textiel, van vulkanfiber of van karton, of geheel of voor het grootste deel bekleed met deze stoffen of met papier:

(...)

- andere:

(...)

4202 92 - - met een buitenkant van kunststof in vellen of van textiel:

- - - van kunststof in vellen:

(...)

4202 92 19 - - - - andere

(...)

- - - van textiel:

4202 92 98 - - - - andere

4.2. Aanvullende aantekening 1 (GN) op hoofdstuk 42 luidt:

“1. Voor de toepassing van de onderverdelingen van post 4202 wordt onder „buitenkant” verstaan het materiaal dat aan de buitenzijde van het bergingsmiddel zichtbaar is met het blote oog, ook indien dit materiaal de buitenste laag vormt van een samengestelde stof die het buitenmateriaal van het bergingsmiddel vormt.”

4.3. De toelichting EG op post 4202 luidt:

“Bestaat het buitenmateriaal van een product uit een samengestelde stof, waarvan de met het blote oog zichtbare buitenzijde uit een vel kunststof bestaat (bijvoorbeeld van een vel kunststof verbonden met weefsel), dan is het voor de indeling onder deze onderverdelingen niet van belang of het vel kunststof reeds voor de productie van de samengestelde stof werd vervaardigd of dat de kunststoflaag is verkregen door de stof (bijvoorbeeld van vezels vervaardigd weefsel) met kunststof te bestrijken of te overtrekken. Dit op voorwaarde dat de met het blote oog zichtbare buitenzijde er uit ziet als een vooraf vervaardigd vel van kunststof.”

5. De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen:

“5.1. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ), dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de post zijn omschreven. De door de Commissie vastgestelde toelichtingen op de GN en de in het kader van de Werelddouaneorganisatie uitgewerkte toelichtingen op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: GS) zijn, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.

5.2. Partijen zijn het er tot op het 6-cijferig niveau van de goederencode over eens dat de [tas X] moet worden ingedeeld in postonderverdeling 4202 92. De rechtbank ziet geen aanleiding partijen daarin niet te volgen.

5.3. Wat betreft de laatste twee cijfers van de goederencode - het zevende en achtste cijfer - staat eiseres een indeling voor die eindigt op 98 en verweerder een die eindigt op 19. Het geschil is derhalve beperkt tot de vraag of de buitenkant van de [tas X] kan worden aangemerkt als vervaardigd 'van kunststof in vellen' danwel 'van textiel'.

5.4. Eiseres betoogt dat de [tas X] dient te worden ingedeeld als fietstas met een buitenkant van textiel omdat dit materiaal vanaf de buitenkant met het blote oog waarneembaar is.

5.5. Ter zitting heeft eiseres de rechtbank een exemplaar van de [tas X] getoond. De rechtbank heeft het product bekeken en onderzocht, en op grond van dit onderzoek is de rechtbank van oordeel dat de buitenkant van de [tas X], zoals dit waarneembaar is met het blote oog, van kunststof is. Gelet op aanvullende aantekening 1 op Hoofdstuk 42 van de GN en de toelichting op postonderverdelingen 4202 92 11 tot en met 4202 92 19 moet de de [tas X] worden ingedeeld onde de goederencode 4202 92 19. Dit betekent dat het gelijk met betrekking tot de indeling aan de zijde van verweerder is.

5.6. Eiseres beroept zich voorts op artikel 220, lid 2, onder b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Er is sprake van een vergissing van de douane omdat in het verleden monsters zijn genomen en daarbij geen opmerkingen zijn gemaakt met betrekking tot de indeling.

5.7. Verweerder geeft toe dat sprake is van een vergissing, maar stelt dat eiseres deze redelijkerwijs heeft kunnen ontdekken. Eiseres is volgens hem een ervaren marktdeelnemer en is bij een eerdere controle gewezen op het onderscheid tussen fietstassen met een buitenkant van textiel en die met een buitenkant van kunststof in vellen. Bovendien, aldus nog steeds verweerder, heeft eiseres niet de vereiste zorgvuldigheid betracht.

5.8. Voor een geslaagd beroep op artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW, geldt naast het vereiste dat sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten, de voorwaarde dat de belastingschuldige de vergissing redelijkerwijs niet heeft kunnen ontdekken. Naar het oordeel van de rechtbank is eveneens voldaan aan deze voorwaarde. Daarbij acht de rechtbank van belang dat een controleambtenaar, zoals eiseres onvoldoende weersproken heeft gesteld, bij een controle na invoer in 2006 eiseres desgevraagd heeft meegedeeld dat de [tas X] onder het lage tarief viel. Daarnaast schreef de ambtenaar van de controle in 2009 in een e-mail aan eiseres dat “de indeling van deze fietstas” ingewikkelde materie is (zie 2.6). Mede gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres de vergissing van de douane redelijkerwijs niet heeft kunnen ontdekken.

5.9. Gelet op het vorenoverwogene slaagt het beroep op artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW. De uitspraak op bezwaar kan niet in stand blijven en de utb moet worden verminderd met € 4.101,76.”

6. Beoordeling van het geschil

Tariefindeling

6.1. Ter zitting hebben beide partijen een identiek exemplaar van de [tas X] (hierna ook: de fietstas) getoond. Het Hof heeft het product bekeken en daarbij met het blote oog waargenomen dat de buitenzijde van de fietstas bestaat uit een transparante laag kunststof, bedrukt met een zwart patroon. Onder de laag kunststof bevindt zich textiel met reliëf (weefpatroon). Daar waar geen bedrukking aanwezig is, is door de transparante kunststoflaag deze witte laag textiel met het reliëf zichtbaar. Daar waar wel bedrukking aanwezig is, is de onderliggende textiellaag niet zichtbaar. De kunststoflaag biedt een volledig gladde aanblik.

6.2. Het Hof is van oordeel dat, gelet op de onder 6.1 vermelde waarnemingen, de tekst van aanvullende aantekening 1 op Hoofdstuk 42 van de GN en de onder 4.3 aangehaalde toelichting EG, de fietstas met toepassing van indelingsregel 1 en 6 onder GN-onderverdeling 4202 92 19 dient te worden ingedeeld. Het Hof acht met name van belang dat in aanvullende aantekening 1 is opgenomen dat doorslaggevend is het materiaal dat aan de buitenzijde zichtbaar is met het blote oog, ook indien dit materiaal de buitenste laag vormt van een samengestelde stof die het buitenmateriaal vormt.

6.3. De stelling van belanghebbende dat de fietstas dient te worden aangemerkt als bergingsmiddel met een buitenkant van textiel, omdat dit materiaal vanaf de buitenkant (door de transparante kunststoflaag) met het blote oog waarneembaar is, verwerpt het Hof. Het Hof overweegt dat aanvullende aantekening 1 niet spreekt over het materiaal dat “van de buitenzijde” zichtbaar is, maar over het materiaal dat “aan de buitenzijde” zichtbaar is. Zulks volgt ook uit de Engelse taalversie van aanvullende aantekening 1: “... the term ‘outer surface’ shall refer to the material of the outer surface of the container being visible to the naked eye ...”. Hoewel belanghebbende derhalve kan worden nagegeven dat de textiellaag van de buitenzijde – in ieder geval gedeeltelijk – zichtbaar is, kan haar dit gelet op het hiervoor overwogene niet baten.

6.4. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk ten aanzien van de tariefindeling aan de inspecteur.

Artikel 220, lid 2, onder b CDW

6.5. Het Hof stelt voorop dat de inspecteur, op grond van artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b, van het CDW, gehouden is af te zien van navordering, indien drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: (1) sprake moet zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf, (2) die de belastingschuldige, die te goeder trouw is, redelijkerwijze niet kon ontdekken en (3) de belastingschuldige heeft voldaan aan alle voorschriften inzake de douaneaangifte.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan de derde voorwaarde is voldaan. Het Hof zal partijen hierin volgen. Partijen houdt verdeeld of de eerste en de tweede voorwaarde zijn vervuld. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

6.6. Uit de arresten van het Hof van Justitie van 23 mei 1989, Top Hit Holzvertrieb GmbH, 378/87 en 19 oktober 2000, Hans Sommer GmbH & CO. KG, C-15/99, volgt dat de douaneautoriteiten ingevolge artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW moeten afzien van navordering indien zij bij een controle ter plaatse van importen in een eerder tijdvak voor gelijksoortige transacties geen bezwaar hebben gemaakt tegen de – achteraf gezien onjuiste – vermelding van een tariefpost in de aangifte, mits niet blijkt dat de ondernemer, die voor zijn douaneaangifte aan alle voorschriften van de geldende regelgeving heeft voldaan, twijfels kon hebben over de juistheid van de resultaten van de controle.

6.7. De inspecteur heeft in eerste aanleg en in zijn hoger beroepschrift voor twee van de acht in de navordering betrokken aangiften erkend dat sprake is van een ‘vergissing’ in voormelde zin. Ter zitting bij het Hof heeft de inspecteur zijn standpunt in die zin gewijzigd dat ten aanzien van aangifte 652913, gelet op de in het formulier ‘Fysieke controle’ vermelde bevindingen (vgl. 2.2.2), geen sprake is van een vergissing bij de behandeling van deze aangifte, omdat het itemnummer 17601 onder de ‘bevindingen’ niet wordt genoemd. Het Hof volgt de inspecteur niet in deze wijziging van zijn stelling. Blijkens genoemd formulier en het daarbij gevoegde memo strekt de controle-opdracht zich uitdrukkelijk uit tot verificatie van vak 31 (goederenomschrijving) en vak 33 (goederencode), ook voor zover de aangifte betrekking heeft op itemnummer 17061 ([tas X]). De enkele omstandigheid dat in de vermelde controle-bevindingen niet expliciet is ingegaan op dit product, is naar ’s Hofs oordeel onvoldoende om te oordelen dat geen controle – en daarmee ook geen vergissing – heeft plaatsgevonden. Het Hof overweegt in dit verband dat ondanks de uitdrukkelijke controle-opdracht geen correctie is aangebracht.

6.8. Uit 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3 en het onder 6.7 overwogene volgt dat in de periode april 2007 tot en met december 2008 door belanghebbende en andere aangevers in totaal 41 aangiften zijn ingediend voor de onderwerpelijke fietstassen, dat daarbij in drie gevallen een fysieke controle heeft plaatsgevonden en dat deze controles niet tot enige opmerking met betrekking tot, of correctie van, de aangegeven GN-code hebben geleid. Ook in de daaraan voorafgaande periode van maart 2006 tot en met maart 2007 heeft een viertal fysieke controles plaatsgevonden, zonder dat dit tot enige opmerking met betrekking tot de tariefcode of tot een correctie heeft geleid (vgl. 2.2.4).

6.9. Daarenboven volgt uit de stukken van het geding dat de uitgevoerde controles hun grondslag (mede) vonden in een landelijke controle-opdracht welke was gericht op mogelijk onjuiste indeling van bergingsmiddelen (vgl. 2.2.5 en 2.2.6), dat bij de uitgevoerde controles zeven verschillende ambtenaren van twee douanekantoren betrokken zijn geweest en dat deze ambtenaren specifiek de opdracht hadden om een controle uit te voeren op de invulling van vak 31 en/of 33, de (goederen)soort en/of de goederenomschrijving (vgl. 2.2.1 tot en met 2.2.4). Desondanks heeft geen van de uitgevoerde controles tot een correctie van de aangegeven GN-code geleid.

6.10. Op grond van alle onder 6.8 en 6.9 vermelde omstandigheden tezamen, in onderlinge samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat de inspecteur zich gedurende langere periode heeft vergist bij de indeling van de onderwerpelijke fietstassen, zodat ten aanzien van alle in de bestreden navordering betrokken aangiften sprake is van een vergissing.

6.11. Bij de beoordeling of belanghebbende de vergissing van de inspecteur redelijkerwijze kon ontdekken dienen volgens vast rechtspraak alle omstandigheden van het geval concreet te worden beoordeeld, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met de precieze aard van de vergissing, de beroepservaring van de ondernemer, en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid.

6.12. De beroepservaring van de door belanghebbende ingeschakelde douane-expediteur [B], die voor alle in de navordering betrokken aangiften als direct vertegenwoordiger is opgetreden, dient aan belanghebbende te worden toegerekend (vgl. HvJ 20 november 2008, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods, C-38/07 P, punt 54). Genoemde douane-expediteur is weliswaar beroepsmatig op het gebied van de in- en uitvoer werkzaam, doch heeft blijkens de stukken van het geding in het verleden slechts éénmaal een aangifte gedaan voor de invoer van de [tas X], waarbij eveneens de onjuiste GN-code in de aangifte is vermeld. Gesteld noch gebleken is dat [B] anderszins over ervaring zou beschikken met het aangeven of indelen van bergingsmiddelen en daarbij tassen van vergelijkbaar materiaal wel juist heeft ingedeeld.

6.13. Het Hof overweegt voorts dat, zoals onder 6.9 vermeld is, geen van de zeven douane-ambtenaren die de fietstas hebben bekeken tot een juiste indeling is gekomen, hoewel zij allen de specifieke opdracht hadden om de juistheid van de aangegeven goederencode te verifiëren en er derhalve van uit kan worden gegaan dat zij zich in deze code hebben verdiept. Ook hebben alle (drie) door belanghebbende ingeschakelde douane-expediteurs de fietstas onjuist ingedeeld.

De Nederlandse tekst van aanvullende aantekening 1 spreekt weliswaar niet van materiaal dat “van de buitenzijde” zichtbaar is, maar over het materiaal dat “aan de buitenzijde” zichtbaar is, maar dit laat onverlet dat de indeling door dit taalgebruik lastig is. Daarbij komt dat de textiellaag van de buitenzijde, in ieder geval gedeeltelijk, met het blote oog waarneembaar is.

Gelet op al deze omstandigheden, in onderling verband bezien, is het Hof van oordeel dat belanghebbende geen twijfels behoefde te hebben over de juistheid van de resultaten van de controles. Een en ander vindt steun in de mail van een controle-ambtenaar (zie 2.6 van de uitspraak van de rechtbank), waarin de indeling van de fietstas als ingewikkeld wordt gekwalificeerd.

6.14. Wat de betrachte zorgvuldigheid aangaat zij opgemerkt dat belanghebbende, zodra zij zelf twijfelt aan de juistheid van de indeling van een product, navraag heeft te doen en alle mogelijke opheldering moet zien te verkrijgen om te controleren of haar twijfels al dan niet gerechtvaardigd zijn. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende dergelijke twijfels had behoren te hebben, gelet op de omstandigheid dat in 2006 naar aanleiding van een eerdere administratieve controle voor een andere fietstas (model [Y] een correctie heeft plaatsgevonden naar GN-code 4202 92 19. Het Hof verwerpt deze stelling, nu de fietstas van het model [Y], blijkens het ter zitting getoonde voorbeeld, is vervaardigd van een ander materiaal (skai), dat onvergelijkbaar is met het materiaal waarvan de [tas X] is vervaardigd.

6.15. Gelet op het onder 6.12, 6.13 en 6.14 overwogene kon belanghebbende de vergissing van de inspecteur niet redelijkerwijze ontdekken.

6.16. Nu tussen partijen niet in geschil is dat ook de derde voorwaarde is vervuld, had de inspecteur op de voet van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW van navordering af moeten zien.

6.17. De stelling van belanghebbende, dat de rechtbank had behoren te motiveren waarom zij de door belanghebbende gewenste integrale proceskostenvergoeding niet heeft toegekend, dient te worden verworpen, daar deze stelling geen steun vindt in het recht (vgl. Hoge Raad Hoge Raad 30 augustus 1996, nr. 30 881, LJN AA2060).

Slotsom

6.18. De slotsom is dat zowel het principale als het incidentele hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

7. Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit)

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2 [verweerschrift + zitting] x € 472 x 1,5 = € 1.416.

Tevens bestaat aanleiding voor vergoeding van de in onderdeel c vermelde reiskosten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit wordt het bedrag van deze kosten vastgesteld op de voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting gemaakte reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse, […] v.v. ad € 44.

8. Beslissing

Het Hof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.460;

- bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 454.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en A.P.M. van Rijn, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van R.J.M. Bosch, als griffier. De beslissing is op 13 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.