Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3145

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
14-06-2013
Zaaknummer
23-005426-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal door in vereniging door middel van braak. Het hof acht in het bijzonder belastend de zeer verdachte omstandigheden waaronder verdachte wordt aangehouden: op korte afstand van het dorpshuis waar even daarvoor een inbraak is gepleegd, midden in de nacht hangend aan/staand op een dak en vluchtend voor de politie en het feit dat hij in het gezelschap was van twee personen die door middel van het in de auto – die op naam van de moeder van één der medeverdachten staat – aangetroffen breekijzer en de inhoud van de in de tuin aangetroffen tas aan de inbraak kunnen worden verbonden. Dat maakt dat van de verdachte mag worden verwacht dat hij een afdoende en redengevende verklaring geeft voor zijn aanwezigheid en gedrag op die tijd en plaats. De door de raadsman – en niet de verdachte – pas op de zitting in eerste aanleg gegeven verklaring dat de verdachte voor de politie is gevlucht vanwege openstaande boetes kan niet als zodanig gelden, omdat hiermee in het geheel niet is uitgelegd wat de verdachte midden in de nacht in de omgeving van Jisp met de medeverdachten aan het doen was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005426-12, 13-170728-10 (TUL), 13-671052-10 (TUL)

datum uitspraak: 13 juni 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 11 december 2012 in de strafzaak onder de parketnummers 15-700719-12 en 13-170728-10, 13-671052-10 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 mei 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman mr. P.A. van der Waal, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 08 oktober 2012 te Jisp, gemeente Wormerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit dorpshuis "de Lepelaar" (gelegen op of aan [adres]) weg te nemen een of meerdere geldbedrag(en) en/of een of meerdere goed(eren) van zijn, verdachtes, en/of zijn mededader(s) gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot bovengenoemd pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar bovengenoemd pand is gegaan, waarna hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - met behulp van (een) schroevendraaier(s) en/of (een) slotentrekker(s), in elk geval met behulp van een of meerdere voorwerp(en), (een of meerdere cilindersloten van) een of meerdere deur(en) van bovengenoemd pand heeft/hebben geforceerd en/of - zijn/is binnengetreden in bovengenoemd pand en/of - met behulp van (een) breekijzer(s), in elk geval met behulp van een of meerdere voorwerp(en) een kluis heeft/hebben geprobeerd open te breken en/of te forceren, dan wel met behulp van (een) breekijzer(s) druk heeft/hebben uitgeoefend op een kluis, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechter in eerste aanleg.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat hij op 8 oktober 2012 te Jisp, gemeente Wormerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit dorpshuis "De Lepelaar", gelegen aan [adres], weg te nemen geldbedragen en/of goederen van zijn, verdachtes, en zijner mededaders gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], zich daarbij de toegang tot bovengenoemd pand te verschaffen en die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededaders, naar bovengenoemd pand is gegaan, waarna hij, verdachte, en zijn mededaders:

- met behulp van één of meer voorwerpen cilindersloten van deuren van bovengenoemd pand hebben geforceerd en

- zijn binnengetreden in bovengenoemd pand en

- met behulp van een breekijzer een kluis hebben geprobeerd open te breken of te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en op de hierna opgenomen bewijsoverweging.

Bewijsoverweging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat er in het dossier geen bewijsmiddelen voorhanden zijn die de verdachte rechtstreeks aan de poging inbraak verbinden. Ter terechtzitting in hoger beroep herhaalt de raadsman zijn betoog in eerste aanleg dat de verdachte is weggerend voor de politie wegens openstaande boetes en niet vanwege betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit. De verdachte heeft geen verdere verklaring ter zake afgelegd en zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen wel kan worden bewezen dat verdachte op 8 oktober 2012 samen met twee anderen getracht heeft in te breken bij dorpshuis “de Lepelaar” te Jisp. Het hof overweegt ten aanzien van het bewijs als volgt.

Op 8 oktober 2012 komt er bij de politie om 2:14 uur de melding binnen dat er inbraakgeluiden komen uit het dorpshuis “De Lepelaar”, gelegen aan het [adres] te Jisp. Wanneer verbalisanten direct na de melding ter plaatse komen, zien zij op de Jisperdijk te Neck een auto uit de richting van voornoemd dorpshuis rijden. Deze auto staat op naam van de moeder van medeverdachte [medeverdachte 1], woonachtig te Landsmeer. Er worden geen andere rijdende voertuigen waargenomen.

Ter plaatse blijkt dat de slotcilinders van een buitendeur en een binnendeur van het dorpshuis zijn verbroken. Uit de werktuigsporen op de kluis blijkt dat er is geprobeerd om de kluis te openen.

In de omgeving Jisperdijk en Zwarte Weg te Neck zien andere verbalisanten omstreeks 2:26 uur drie personen in donkere kleding gezamenlijk uit de richting van de Jisperdijk en in de richting van Neck lopen. Zij vluchten na het zien van de politieauto. De verbalisanten zien vervolgens op het dak van een perceel aan de Jisperdijk 1 drie in het donker geklede personen staan, respectievelijk aan het dak hangen. Gelet op de omstandigheid dat deze personen midden in de nacht op een maandagavond in een landelijke omgeving in deze hachelijke situatie worden aangetroffen, terwijl kort daarvoor in de nabije omgeving drie personen gekleed in donkere kleding voor de politie op de vlucht zijn geslagen, gaat het hof er van uit dat het hier steeds om dezelfde drie personen gaat.

Eén van hen valt in het water en wordt vervolgens aangehouden. Dit blijkt medeverdachte [medeverdachte1] te zijn. De andere twee personen weten weg te komen. Door een tactische afzetting van de omgeving is de enige vluchtroute via een weiland. Na de aanhouding van [medeverdachte1] komt aan de andere zijde van het desbetreffende weiland de verdachte aanlopen. Zijn kleding is doorweekt. Omdat de verdachte kletsnat uit dit weiland komt lopen, gaat het hof ervan uit dat de verdachte één van de personen is die even daarvoor met [medeverdachte1] hangend aan/staand op het dak van het huis aan/op de Jisperdijk zijn gesignaleerd.

De eerdergenoemde auto wordt op loopafstand van de Jisperdijk 1 in Neck aangetroffen. In deze auto wordt aangetroffen: twee zwarte bivakmutsen, zwartkleurige latex handschoenen, een schroevendraaier, een handboor, een knijptang en een breekijzer.

Volgens [verbalisant], deskundige A werktuigsporen, kunnen als gevolg van de van fabriekswege aangebrachte slijpsporen in de klauwtjes van het breekijzer daarmee vervaardigde en afgevormde (proef)sporen als karakteristiek voor dat werktuig worden beschouwd. Uit onderzoek blijkt dat de afvorming van werktuigsporen op het kluisdeurtje van het dorpshuis zijn veroorzaakt met het breekijzer aangetroffen in de bovengenoemde auto. Dit linkt de auto aan de inbraak in het dorpshuis “de Lepelaar”.

Via een nat spoor aangetroffen op de plek waar de drie verdachten voor het laatst waren gezien en dat leidde naar de [adres] te Purmerend, komen verbalisanten terecht bij de woning van medeverdachte [medeverdachte2], woonachtig op [huisnummer] van deze straat, van wie ambtshalve bekend is dat deze vaak met de verdachte en [medeverdachte1] omgaat en die eerder met hen samen is aangehouden.

In de tuin van de woning van medeverdachte [medeverdachte2] treffen de verbalisanten diezelfde nacht omstreeks 5:50 uur een tas met inbrekersspullen aan, waaronder een slotentrekker met hierin een stuk van een cilinderslot en een afgebroken deel van een cilinderslot. Uit onderzoek blijkt dat de afgebroken cilinderdelen een oorspronkelijk geheel hebben gevormd met twee afgebroken delen van slotcilinders afkomstig uit de buitendeur en de binnendeur van het dorpshuis “de Lepelaar”. Op de tas zitten modderresten en verbalisanten ruiken een baggerlucht. Naast de achterdeur treffen zij natte schoenen aan. Alles wijst erop dat [medeverdachte2] de derde persoon is die eerder die nacht samen met de verdachte en [medeverdachte1] voor de politie was gevlucht. Daarnaast is de inhoud van de tas aangetroffen in de tuin van [medeverdachte2] te herleiden naar de inbraak bij het dorpshuis “de Lepelaar”.

Voorgaande feiten en omstandigheden zijn, in onderling verband en samenhang bezien, zeer belastend voor de verdachte. Het hof acht in het bijzonder belastend de zeer verdachte omstandigheden waaronder verdachte wordt aangehouden: op korte afstand van het dorpshuis waar even daarvoor een inbraak is gepleegd, midden in de nacht hangend aan/staand op een dak en vluchtend voor de politie en het feit dat hij in het gezelschap was van twee personen die door middel van het in voornoemde op naam van de moeder van één der medeverdachten staande auto aangetroffen breekijzer en de inhoud van de in de tuin aangetroffen tas aan de inbraak kunnen worden verbonden. Anders dan de raadsman acht het hof het enkele feit dat de melder van de poging tot inbraak, [getuige], geen auto lijkt te hebben gezien of gehoord, tegenover het vorenstaande onvoldoende om louter op grond daarvan een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onmogelijk te achten. Dat maakt dat van de verdachte mag worden verwacht dat hij een afdoende en redengevende verklaring geeft voor zijn aanwezigheid en gedrag op die tijd en plaats. De verdachte heeft zo’n verklaring niet gegeven. De door de raadsman – en niet de verdachte – pas op de zitting in eerste aanleg gegeven verklaring dat de verdachte voor de politie is gevlucht vanwege openstaande boetes kan niet als zodanig gelden, omdat hiermee in het geheel niet is uitgelegd wat de verdachte midden in de nacht in de omgeving van Jisp met de medeverdachten aan het doen was.

Gelet op al het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de politierechter de proeftijd van 2 jaren, vastgesteld bij vonnis van de politierechter te Amsterdam op 23 juni 2011(parketnummer 13/671052-10), met 1 jaar verlengd met behoud van de daarbij gestelde voorwaarden. De politierechter heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam op 20 september 2011 (parketnummer 13/170728-10) geheel toegewezen en hiervan de tenuitvoerlegging gelast.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering, te weten een behandeling bij De Waag en deelname aan een begeleidingstraject bij de IFA (Intensieve Forensische Aanpak). Ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen, heeft de advocaat-generaal verzocht de beslissingen van de politierechter over te nemen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op 8 oktober 2012 te Jisp samen met twee anderen ingebroken bij dorpshuis “de Lepelaar” door met een slotentrekker meerdere deuren te forceren. Eenmaal binnen hebben de verdachte en zijn mededaders getracht met een breekijzer de kluis open te breken of te forceren. Dergelijke vermogensdelicten zijn bijzonder ergerlijk voor de direct betrokkenen en veroorzaken naast schade ook veel hinder. Daarnaast roepen dergelijke feiten gevoelens van onrust en onveiligheid op in de gemeenschap.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 21 mei 2013 blijkt dat de verdachte, ondanks zijn jeugdige leeftijd al een fors strafblad heeft opgebouwd, bestaande onder meer uit vermogensdelicten en een aantal geweldsdelicten.

Het hof heeft kennis genomen van het voortgangsverslag van de reclassering van 29 mei 2013 en de mondelinge toelichting daarop gegeven ter terechtzitting in hoger beroep door reclasseringswerkster N. Blauw. Hieruit is gebleken dat het toezicht vanwege de opstandige houding van de verdachte een moeizame start heeft gekend, maar dat het toezicht momenteel goed verloopt. Tevens is hieruit gebleken dat er thans uitvoering wordt gegeven aan de bijzondere voorwaarden opgelegd bij vonnis van 23 juni 2001 (parketnummer 13/671052-10), wat inhoudt dat de verdachte in behandeling is bij De Waag en deelneemt aan een begeleidingstraject bij de IFA, en dat de reclassering de meerwaarde ziet van een nieuw toezicht en een behandelverplichting.

Het hof acht het van groot belang, juist gezien de nog jeugdige leeftijd van de verdachte en het desondanks reeds door hem opgebouwde strafblad, dat de thans ingezette en nu goed verlopende trajecten bij De Waag en de IFA kunnen worden voortgezet. Detentie zou deze positieve ontwikkelingen doorkruisen. Het hof is daarom van oordeel, ondanks de ernst van het feit en de aanwezigheid van forse recidive, dat, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het reeds door de verdachte ondergane voorarrest, een taakstraf in dit geval passend is. Daarbij ziet het hof wel de noodzaak om als stok achter de deur een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een behandelverplichting bij De Waag en deelname aan een begeleidingstraject bij de IFA, zodat de positieve weg die de verdachte reeds is ingeslagen, kan worden voortgezet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vorderingen tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 20 september 2011 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, alsmede de verlenging van de proeftijd opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 23 juni 2011 met de duur van 1 jaar. Deze vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De raadsman verzoekt primair afwijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijk opgelegde straffen. Subsidiair verzoekt de raadsman omzetting in taakstraffen van beide voorwaardelijk opgelegde straffen.

Het hof overweegt als volgt.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van beide voorwaardelijk opgelegde straffen aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straffen worden gelast. Het hof ziet in de omstandigheden van dit geval daartoe ook alle aanleiding. Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken, zal het hof echter tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraffen in de vorm van omzetting daarvan naar taakstraffen van na te melden duur gelasten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

- verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) dagen;

- beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

- veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich te melden bij de Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal deelnemen aan een begeleidingstraject bij Intensieve Forensische Aanpak (IFA);

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 20 september 2011, parketnummer 13-170728-10, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, te vervangen door:

* een taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis;

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 23 juni 2011, parketnummer 13-671052-10, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, te vervangen door:

* een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. E. de Greeve in tegenwoordigheid van

mr. A.T. de Muinck - Dezentje, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 juni 2013.