Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3112

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
200.100.365
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BT2633, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BT2723, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Stellingen in processtukken en ter comparitie leiden tot het oordeel dat het samenleven van vader en zoon in de woning niet kan worden gekwalificeerd als duurzame gemeenschappelijke huishouding. Onvoldoende bijzondere omstandigheden die aan het in beginsel aflopende karakter afdoen. Duurzaamheid ontbrak: een in die situatie practische oplossing, maar geen keuze voor duurzame verbondenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.100.365/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam: CV 10-29463

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 april 2013

inzake

[ APPELLANT ],

wonend te [ woonplaats ],

appellant,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

de stichting

WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.M.G. Brunklaus te Amsterdam.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [ appellant ] en Eigen Haard genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 14 augustus 2012 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.

De bij dat arrest gelaste comparitie van partijen heeft op 22 oktober 2012 plaatsgevonden. Door respectievelijk namens partijen zijn inlichtingen verstrekt. Van het verhandelde ter terechtzitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Vervolgens heeft [ appellant ]een akte, met producties, genomen, waarop Eigen Haard bij antwoordakte heeft gereageerd.

Ten slotte is weer arrest gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 Bij het tussenarrest heeft het hof, onder meer, overwogen dat aanvullende inlichtingen van partijen nodig waren met betrekking tot de vraag of [ appellant ]in het gehuurde met zijn vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Hiertoe is een comparitie van partijen gelast.

2.2 Op grond van de inhoud van de gewisselde processtukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht komt het hof tot de conclusie dat de wijze waarop [ appellant ] met zijn vader in het gehuurde heeft gewoond, niet kan worden gekwalificeerd als een duurzame gemeenschappelijke huishouding, omdat in ieder geval de duurzaamheid heeft ontbroken. Dat oordeel baseert het hof op het navolgende.

2.3 In de gedingstukken heeft [ appellant ]over de duurzaamheid van het samenwonen met zijn vader verklaard dat het de bedoeling van hen beiden was de samenleving duurzaam te doen zijn. Zijn vader leed aan een zware vorm van COPD en had toenemend verzorging nodig. Die verzorging hield in dat [ appellant ]zijn vader ontlastte in alle huishoudelijke taken, voor hem kookte, het zuurstofapparaat onderhield, zijn bloeddruk opnam, zijn bed verschoonde en hem hielp met zijn steunkousen.

De bedoeling van duurzaamheid blijkt ook uit de duur van de samenleving. [ appellant ]stelt niet bij zijn vader te zijn ingetrokken omdat hij zelf geen woonruimte had. Voordat [ appellant ]bij zijn vader introk woonde hij in [ plaatsnaam ] en daarvoor heeft hij enige jaren in [ plaatsnaam ] gewoond met de moeder van zijn dochter. Omdat [ appellant ] in 2004 van Eigen Haard heeft begrepen dat hij niet (gemakkelijk) als medehuurder bijgeschreven kon worden heeft hij bezien welke kans hij maakte op een woning van Woningnet. Zijn inschrijving als woningzoekende was slechts zekerheidshalve.

2.4 Eigen Haard heeft daar tegenover aangevoerd dat bij een samenlevingssituatie van ouder en kind als de onderhavige ervan moet worden uitgegaan dat die aflopend is, behoudens bijzondere omstandigheden, die in dit geval onvoldoende aanwezig zijn.

Zij heeft erop gewezen dat [ appellant ]al sinds 2004 als woningzoekende staat ingeschreven en sinds 2007 tezamen met zijn moeder en niet heeft betwist dat hij, zoals de kantonrechter heeft vastgesteld, tussen 2004 en 2009 (24 keer) heeft gereageerd op woningen die via Woningnet werden aangeboden. Eigen Haard heeft betwist dat de vader van [ appellant ]zo hulpbehoevend was als wordt gesteld en dat [ appellant ]die hulp (als enige) heeft gegeven. Zij oppert dat [ appellant ]wellicht bij zijn vader is ingetrokken omdat hij behoefte had aan woonruimte vanwege het verbreken van zijn relatie met de moeder van zijn dochter en acht de stellingen van [ appellant ]met betrekking tot zijn woonsituatie vóór 2002 te vaag.

2.5 Over de wijze waarop hij met zijn vader in het gehuurde samenleefde heeft [ appellant ] op de comparitie van 22 oktober 2012 het volgende verklaard:

Mijn vader heeft mij indertijd gevraagd of ik hem zou kunnen helpen. Daar bedoelde hij mee of ik hem in zijn eigen huis behulpzaam zou kunnen zijn bij al hetgeen hij nodig had om thuis te kunnen blijven wonen. Hij was zwaar astmatisch en kon steeds minder zelf. In diezelfde periode ging het niet goed met mijn relatie. Dat heeft er toe geleid dat ik bij hem ben gaan wonen. Toen ik al even bij hem woonde heb ik hem beloofd dat ik bij hem zou blijven tot hij mij niet meer nodig had. Toen ging het al slecht met zijn gezondheid. Hij had 24 uur per etmaal zuurstof en moest vaak naar het ziekenhuis. Ik wist niet hoe lang hij nog te leven zou hebben. Toen na mijn verhuizing naar zijn woning de druk op mij groter werd, omdat hij meer hulp nodig had, hebben wij samen gesproken over de hulp die ik zou kunnen bieden en daarover afspraken gemaakt. Wij hebben ook samen een verdeelsleutel afgesproken over de financiën. Ik nam de huur voor mijn rekening en hij het gas en licht en meestal de boodschappen. Feitelijk kwam het erop neer dat ik hem ’s morgens en ’s avonds hielp. Overdag had ik mijn werk. Ik probeerde nog wel ’s middags bij hem langs te gaan. Het is juist dat ik interesse heb getoond voor andere woningen. Dat was niet meer dan interesse. Dat deed ik bijvoorbeeld, wanneer het heel slecht met mijn vader ging. Ik wilde weten hoe het met mijzelf verder zou moeten, als mijn vader er niet meer zou zijn. Ik wilde in het bijzonder weten of ik een woning in de buurt zou kunnen krijgen. Mijn moeder was, voordat ze bij ons kwam wonen, al vaak bij ons.

2.6 [ appellant ]heeft geen redelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij in de periode van 2004 tot 2009 niet slechts, wat als voorzorgsmaatregel nog wel te begrijpen zou zijn geweest, als woningzoekende heeft ingeschreven gestaan, aanvankelijk alleen en later samen met zijn moeder, maar ook tientallen malen daadwerkelijk heeft gereageerd op woningaanbiedingen. Ook heeft [ appellant ], zoals de kantonrechter onder 1.3 van de vaststaande feiten heeft gememoreerd, al in 2004 getracht tezamen met zijn moeder in aanmerking te komen voor een woning van Eigen Haard in dezelfde straat als het gehuurde. Dit handelen laat geen andere conclusie toe dan dat de samenleving van [ appellant ]met zijn vader niet als duurzaam was bedoeld en dat [ appellant ]kennelijk de voorkeur eraan gaf de mantelzorg aan zijn vader te verlenen vanuit een eigen woning (al dan niet gedeeld met zijn moeder) in de buurt. Uit de verklaring van [ appellant ]ter comparitie blijkt voorts dat het mislopen van de relatie met zijn ex, anders dan in de processtukken namens hem is betoogd, wel degelijk van invloed is geweest is op de keuze om bij zijn vader in te trekken. De omstandigheden van het geval vormen geen aanwijzing dat die op dat moment praktische oplossing ooit van karakter is veranderd door een keuze voor duurzame verbondenheid – integendeel. De opmerking van [ appellant ]ter comparitie dat hij zijn vader heeft beloofd dat hij bij hem zou blijven tot zijn vader hem niet meer nodig had, kan [ appellant ]niet baten, omdat ook daaruit niet voldoende van duurzaamheid blijkt.

2.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de kantonrechter de vordering van [ appellant ]terecht heeft afgewezen en die van Eigen Haard terecht toegewezen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met dien verstande dat [ appellant ]een nieuwe termijn van zes maanden voor ontruiming zal worden gegeven om hem in de gelegenheid te stellen vervangende woonruimte te zoeken. Gelet op de lengte van de periode dat [ appellant ]in het gehuurde heeft gewoond komt hem dat wel toe. Anders dan Eigen Haard in hoger beroep heeft gevorderd zal deze veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Voor zover in hetgeen Eigen Haard onder randnummer 35 van haar memorie van antwoord heeft aangevoerd al een voldoende herkenbare grief valt te lezen tegen het gemotiveerde oordeel van de kantonrechter tot afwijzing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, moet het oordeel zijn dat hetgeen is aangevoerd geen grond geeft om van het uitgangspunt van artikel 7:268 lid 2 BW af te wijken.

2.8 Als de in het ongelijk gestelde partij moet [ appellant ]de kosten van het hoger beroep dragen.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het onder rolnummer CV 10-29463 tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam van 17 augustus 2011, met dien verstande dat de termijn voor ontruiming wordt verlengd tot zes maanden na dit arrest;

veroordeelt [ appellant ]in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Eigen Haard begroot op € 666,= aan verschotten en € 2.235,= voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Huijzer, G.B.C.M. van der Reep en J.C.W. Rang en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 april 2013.