Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3103

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
200.069.170-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot terugbetaling. Gebondenheid aan gerechtelijke erkenning. Stelplicht en bewijslast ten aanzien van gestelde geldlening en ten aanzien van gestelde onverschuldigdheid rusten op op eisende partij. Ten aanzien van beide is onvoldoende gesteld, zodat voor bewijslevering geen plaats is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/286

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.069.170/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 435856/HA ZA 09-2622

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 april 2013

inzake

[ APPELLANT ],

wonend te [ woonplaats ],

appellant,

advocaat: mr. J. van Boekel te Tilburg,

tegen:

[ GEÏNTIMEERDE ],

wonend te [ woonplaats ],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.Th. Legger te Utrecht.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [ appellant ]en [ geïntimeerde ]genoemd.

Het hof heeft in deze zaak op 1 februari 2011 een incidenteel arrest gewezen. Voor het verloop van het geding in hoger beroep tot die datum wordt naar dat arrest verwezen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[ appellant ]heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog zijn vordering zal toewijzen, met veroordeling van [ geïntimeerde ]in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten.

[ geïntimeerde ]heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [ appellant ]in de kosten van het hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen.

Uit de toelichting op de eerste grief (alinea 1.19 tot en met 1.21 van de memorie) blijkt dat [ appellant ]alsnog betwist dat, zoals de rechtbank onder 2.1 heeft vastgesteld, [ X ]en [ geïntimeerde ]op enig moment de afspraak hebben gemaakt dat [ geïntimeerde ]terzake van de huur genoegen zou nemen met een bedrag van € 10.000,= exclusief btw, dat is € 11.900,= inclusief btw per maand. Die betwisting is in strijd met de gerechtelijke erkenning door [ appellant ]van deze stelling van [ geïntimeerde ]bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg, opgenomen in een door hem ondertekende verklaring in het proces-verbaal van de zitting. Aangezien in het geheel geen uitleg is gegeven over deze koerswijziging is niet aannemelijk geworden dat de gerechtelijke erkentenis door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Op grond van artikel 154 lid 2 Rv moet aan de betwisting dan ook voorbij worden gegaan.

Voor het overige zijn de door de rechtbank vastgestelde feiten in hoger beroep niet betwist. Ook het hof zal derhalve van die feiten uitgaan. Die feiten komen neer op het volgende.

i. Tussen [ geïntimeerde ]als verhuurder en [ X ]als huurder heeft met ingang van 18 mei 2007 een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot een studio in Hilversum. De studio werd geëxploiteerd door [ Y ], die ook namens [ X ]de huur betaalde. In verband met betalingsachterstanden hebben [ X ]en [ geïntimeerde ]op enig moment de afspraak gemaakt dat [ geïntimeerde ]terzake van de huur genoegen zou nemen met een bedrag van € 10.000,= exclusief btw , dat is € 11.900,= inclusief btw, per maand.

ii. Op 15 oktober 2007 heeft [ appellant ]vanaf zijn privé bankrekening een bedrag van € 11.000,= overgemaakt op het rekeningnummer van [ geïntimeerde ]. Op het bankafschrift van [ geïntimeerde ]staat bij de omschrijving van de betaling – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“oktober 2007 wachten op

definitief volgens afspraak.

groet [C].”

iii. [ appellant ]was in deze periode interim manager van [ Y ].

iv. Op 30 november 2007 is door [ Y ] een bedrag van € 900,= overgemaakt op de rekening van [ geïntimeerde ]. Op het bankafschrift van [ geïntimeerde ]staat bij de omschrijving van de betaling – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“RESTANT BTW OKTOBER 2007”

v. Op 31 november 2007 heeft [ Y ] een bedrag van € 11.900,= overgemaakt op de rekening van [ geïntimeerde ]. De overschrijving is feitelijk verricht door [ appellant ]namens [ Y ]. Op het bankafschrift van [ geïntimeerde ]staat bij de omschrijving van de betaling – voor zover relevant – het volgende vermeld:

“HUUR NOV. 2007. INCL. BTW

GROET [C]”

vi. Bij kortgedingvonnis van 8 april 2008 is [ X ]onder andere veroordeeld om de studio te ontruimen en een bedrag van € 135.470,= inclusief BTW aan achterstallige huur aan [ geïntimeerde ]te betalen.

3. Beoordeling

3.1 In dit geding vordert [ appellant ], kort gezegd, terugbetaling van het hiervoor onder 2 sub ii genoemde bedrag van € 11.000,=, verhoogd met rente en kosten. Hij legt aan deze vordering ten grondslag dat hij dat bedrag aan [ geïntimeerde ]heeft geleend, althans dat hij dat bedrag onverschuldigd aan [ geïntimeerde ]heeft betaald. [ geïntimeerde ]heeft de stellingen van [ appellant ]betwist en ter motivering van zijn verweer aangevoerd dat [ appellant ]het bedrag in privé ten behoeve van [ X ]heeft betaald als gedeeltelijke voldoening van de huur voor de studio over de maand oktober 2007.

3.2 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van [ appellant ]afgewezen op de grond dat [ appellant ]niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. [ appellant ]bestrijdt deze beslissing met drie grieven, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling.

3.3 Voor zover de grieven berusten op een betwisting van de onder 2 sub i. omschreven afspraak, falen zij om de in de tweede alinea van rechtsoverweging 2 reeds genoemde reden.

3.4 Voorts gaat [ appellant ]in de toelichting op deze grieven ten onrechte ervan uit dat bij betwisting van de door [ appellant ]gestelde rechtsgrond voor de betaling het aan [ geïntimeerde ]zou zijn om de door deze in het kader van zijn verweer gestelde rechtsgrond te bewijzen en dat bij gebreke daarvan moet worden aangenomen dat de betaling onverschuldigd is geschied en de vordering tot terugbetaling moet worden toegewezen. Zowel met betrekking tot de vordering op grond van geldlening als met betrekking tot de vordering op grond van onverschuldigde betaling rusten stelplicht en bewijslast op [ appellant ]. Iedere betaling wordt verondersteld een rechtsgrond te hebben; als de geldlening niet komt vast te staan moet [ appellant ]bewijzen dat in het geheel geen rechtsgrond aanwezig is geweest. Het door [ geïntimeerde ]gevoerde verweer is, anders dan [ appellant ]betoogt, niet aan te merken als een bevrijdend (“ja, maar”) verweer, maar als een eenvoudige betwisting (“nee”) van de gestelde grondslag, die ertoe leidt dat [ appellant ]het door hem gestelde moet bewijzen. [ appellant ]zal echter pas tot bewijs kunnen worden toegelaten als hij aan zijn stelplicht heeft voldaan.

3.5 Aan het oordeel dat [ geïntimeerde ]niet de juistheid van zijn verweer behoeft te bewijzen doet niet af hetgeen [ appellant ]heeft aangevoerd over de proceshouding van [ geïntimeerde ]in diens kortgedingprocedure tegen [ X ]. Ook als zou moet worden aangenomen dat [ geïntimeerde ]in dat kort geding de betaling van [ appellant ]niet zou hebben meegenomen als huurbetaling, hetgeen overigens is betwist, rechtvaardigt dat nog niet het, door [ geïntimeerde ]te ontkrachten, vermoeden dat de betaling van [ appellant ]hetzij een geldlening was, hetzij onverschuldigd is geschied.

3.6 Het betoog van [ appellant ]dat hij wel aan zijn tweeledige stelplicht heeft voldaan, wordt door het hof niet gevolgd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

3.7 In eerste aanleg heeft [ appellant ]naar aanleiding van het verweer van [ geïntimeerde ]- dat de betaling een gedeeltelijke huurbetaling was ten behoeve van [ X ] en dat ook blijkt uit de bijschriften bij de onder 2. vermelde overboekingen - het volgende gesteld. [ appellant ]heeft geen verbintenis met [ X ]en heeft deze ook nooit gehad. [ geïntimeerde ]heeft hem benaderd omdat hij geld nodig had voor een bouwproject in Frankrijk. Hij heeft [ geïntimeerde ]het geld gegeven omdat de studio een wespennest was en hij de rust in de tent wilde bewaren en vertrouwen wilde wekken jegens de huurbaas, [ geïntimeerde ]. Afgesproken is dat [ geïntimeerde ]het bedrag voor het eind van het jaar zou terugbetalen. Het is niet logisch dat het bedrag van € 11.000, = de huur zou betreffen, omdat daarmee de btw niet volledig was gedekt.

3.8 In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [ appellant ]met dit betoog zijn stellingen tegenover het verweer van [ geïntimeerde ]onvoldoende heeft gemotiveerd. Met betrekking tot het verweer dat [ appellant ]geen verbintenis met [ X ]had, heeft de kantonrechter overwogen dat in ieder geval is gebleken dat [ appellant ]betrokken was bij de huurbetaling door [ X ], doordat [ Y ], waarvan hij interim manager was, die huurbetaling verrichtte en [ appellant ]zelf in november 2007 de huurbetaling over die maand namens [ Y ] feitelijk heeft verricht. Met betrekking tot het verweer dat het bedrag van € 11.000, = niet de gehele btw dekte heeft de kantonrechter overwogen dat [ appellant ]daarmee miskent dat het ontbrekende bedrag op 30 november 2007 door [ Y ] is betaald. Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat [ appellant ]had moeten uitleggen waarom bij de overschrijving van 15 oktober 2007 is vermeld: “oktober 2007”, waarop de betaling van € 900, = op 31 november 2009 door [ Y ] betrekking had en waarom daarbij staat vermeld “restant BTW oktober 2007”, een en ander temeer daar [ appellant ]heeft aangevoerd het bedrag van € 11.000, = te hebben betaald om bij de verhuurder vertrouwen te wekken.

3.9 In hoger beroep is [ appellant ]in het geheel niet ingegaan op de door de kantonrechter gesignaleerde lacunes in zijn betoog. Hij herhaalt slechts dat de betaling een geldlening was en voert aan dat hij dat hoogstwaarschijnlijk niet kan bewijzen en daarom in rechte moet worden aangenomen dat de betaling onverschuldigd is geschied of aan [ geïntimeerde ] bewijs moet worden opgedragen van diens verweer. Aldus heeft hij zijn standpunt dat de betaling een geldlening was, onvoldoende gemotiveerd. Het hof zal [ appellant ]ook niet tot bewijs van de door hem gestelde geldlening toelaten, omdat zijn in algemene termen gestelde bewijsaanbod geen betrekking heeft op voldoende concrete stellingen.

3.10 Met betrekking tot de subsidiair gestelde onverschuldigde betaling heeft [ appellant ]al helemaal niets feitelijks gesteld; de onverschuldigde betaling is slechts de (onjuiste) juridische consequentie die hij verbindt aan het feit dat de gestelde geldlening niet is komen vast te staan. Ook met betrekking tot die grondslag van zijn vordering heeft [ appellant ]dus, mede gelet op het onder 3.8 overwogene, niet aan zijn stelplicht voldaan. Aan bewijslevering komt het hof ook in dit verband niet toe.

3.11 In de toelichting op grief 2 heeft [ appellant ], voor het zich hier voordoende geval dat de geldlening niet komt vast te staan, een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking, erin gelegen dat [ geïntimeerde ]gebruik heeft gemaakt van alle door de huurder opgebouwde goodwill en de studio na de ontruiming weer heeft verhuurd met gebruikmaking van alles wat daarin door de huurder was aangebracht. Ook deze grondslag van de vordering moet worden verworpen. Gegeven het feit dat de ontruiming heeft plaatsgevonden op grond van een aanzienlijke huurachterstand en [ appellant ]onbetwist heeft gesteld dat [ X ]een lege vennootschap is waar niets valt te halen is de gestelde verrijking van [ geïntimeerde ]onvoldoende gemotiveerd, laat staan dat is gebleken dat [ geïntimeerde ]is verrijkt ten koste van [ appellant ]. Bij dit laatste is van belang dat de onderlinge verhoudingen tussen [ appellant ], [ Y ] en [ X ]ook in hoger beroep onduidelijk zijn gebleven.

3.12 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de aangevoerde grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [ appellant ]verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [ appellant ]in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [ geïntimeerde ]begroot op € 420,= aan verschotten en € 894,= voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, J.C.W. Rang en E.M. Polak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 april 2013.