Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA2759

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
200.123.839-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:BX8524, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling; geen passende onderwijsomgeving; onvoldoende aannemelijk dat enige vaststaande ontwikkelingsbedreiging – te weten geen reguliere schoolgang – door maatregel van ondertoezichtstelling kan worden afgewend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 11 juni 2013

Zaaknummer: 200.123.839/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 195197 / JU RK 12-1006

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. L.W. Castelijns te IJmuiden,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord Holland, locatie Haarlem,

gevestigd te Haarlem,

geïntimeerde.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.

1.2. De moeder is op 20 maart 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 december 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Haarlem (thans: Noord-Holland), met kenmerk 195197 / JU RK 12-1006.

1.3. De Raad heeft op 11 april 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4. De Raad heeft op 18 april 2013 een nader stuk ingediend.

1.5. De moeder heeft op 26 april 2013 nadere stukken ingediend.

1.6. De zaak is op 6 mei 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.7. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van mr. K.J. Slump;

- de heer P. van der Loo, vertegenwoordiger van de Raad;

- de heer […] (hierna: de vader);

- mevrouw C. Dekker (hierna: de gezinsvoogd) en mevrouw G. Schenk namens Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, locatie Hoofddorp (hierna: BJAA).

1.8. De hierna te noemen [Y] en [X] zijn voorafgaand aan de zitting door het hof gehoord.

2. De feiten

2.1. Uit de relatie van de moeder en de vader zijn geboren […] (hierna: [X]) [in] 1997 en […] (hierna: [Y]) [in] 1998 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen). De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

2.2. De Raad heeft naar aanleiding van een zorgmelding van BJAA onderzoek verricht naar de vraag of sprake is van een zodanig bedreigde ontwikkeling van de kinderen dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is en heeft hieromtrent op 21 augustus 2012 rapport uitgebracht. Hierin is geconcludeerd dat een (voorlopige) ondertoezichtstelling noodzakelijk is.

2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van 23 augustus 2012 is het verzoek van de Raad tot voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen afgewezen en is de behandeling van het verzoek tot (definitieve) ondertoezichtstelling aangehouden in afwachting van een (aanvullende) rapportage van de Raad. De Raad heeft op 29 november 2012 een aanvullende rapportage uitgebracht.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking zijn de kinderen op verzoek van de Raad onder toezicht gesteld van BJAA met ingang van 21 december 2012 tot 21 december 2013.

3.2. De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek tot ondertoezichtstelling alsnog af te wijzen, althans deze op te heffen.

3.3. De Raad verzoekt het verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:254 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen, indien deze zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de gronden voor ondertoezichtstelling van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn.

4.2. De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat [X] en [Y] worden bedreigd in hun ontwikkeling, doordat zij al zeer lange tijd geen (regulier) onderwijs hebben genoten en doordat als gevolg van het gebrek aan contact met leeftijdgenoten moet worden gevreesd voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling.

4.3. De moeder stelt – samengevat weergegeven – dat de gronden voor ondertoezichtstelling ten tijde van de bestreden beschikking niet aanwezig waren en ook thans niet aanwezig zijn. Zij betwist dat de kinderen in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen zijn met hun vader op een zeilreis vertrokken, waarbij zij veel meemaken, ook op sociaal gebied, en waarbij zij sinds lange tijd weer onderwijs genieten via de Wereldschool. Er is geen gebrek aan contact met leeftijdgenoten. Sinds de kinderen uitgeschreven zijn bij hun vorige school [school a], heeft zij er alles aan gedaan om hen weer geplaatst te krijgen op regulier onderwijs. Toen dat ondanks herhaalde pogingen niet bleek te lukken, zijn de kinderen met hun vader op een zeilreis vertrokken omdat het thuiszitten hen ook geen goed deed. Intussen heeft zij haar pogingen om passend onderwijs voor hen te vinden voortgezet. Zij stelt dat het thans veel beter gaat met de kinderen en dat BJAA niets kan betekenen in het onderwijstraject, nu zij daar zelf met hulp van deskundigen alles aan doet. De ondertoezichtstelling heeft dan ook geen toegevoegde waarde en vormt voor de kinderen inmiddels een grote belasting, aldus de moeder. Voorts stelt zij dat de kinderrechter ten onrechte heeft overwogen dat de ouders geen (volledige) medewerking hebben verleend aan het onderzoek van de Raad. Zij betwist dat het aan haar opstelling ligt dat de kinderen tot op heden niet zijn ingeschreven op [school b]. Zij heeft met de kinderen inmiddels een gesprek op [school b] gehad, zoals verzocht, maar anders dan toegezegd, werd hun daarna meegedeeld dat de kinderen daar niet konden worden ingeschreven. Bovendien betwist zij dat het de Raad niet mogelijk is gemaakt om met de kinderen te spreken vanwege daaraan door haar gestelde eisen die de Raad niet kon opvolgen. Ten slotte betwist zij dat door een gebrek aan medewerking van haar zijde het onderwijstraject is afgeketst.

4.4. De Raad heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat het niet is gelukt om de kinderen of informanten te betrekken bij de raadsonderzoeken vanwege de houding van de moeder. De Raad is niet akkoord gegaan met het voorstel van de moeder om de kinderen schriftelijk drie vragen voor te leggen. Evenmin is er vanuit de school of de hulpverlening zicht op de ontwikkeling van de kinderen. Aldus is het niet mogelijk om uit objectieve bronnen zicht op de ontwikkeling van de kinderen te krijgen. Op het moment dat een intakegesprek bij [school b] zou plaatsvinden, verleent de moeder hieraan geen medewerking en laat zij de kinderen niet terugkeren naar Nederland. Ook de zeiltocht van de kinderen staat een intakegesprek en schoolgang in de weg. Door de houding van de moeder zijn de kinderen nog steeds verstoken van onderwijs. Voorts hebben de kinderen hierdoor geen contact met leeftijdsgenoten. De uitzonderingspositie waarin de kinderen thans vanwege hun zeilreis verkeren, kan volgens de Raad als een ernstige bedreiging van hun sociaal emotionele ontwikkeling worden gezien. Zolang de kinderen niet naar school gaan, blijft een ondertoezichtstelling noodzakelijk, aldus de Raad.

4.5. Het hof overweegt als volgt.

[X] is in november 2010 door zijn toenmalige school – [school a] – uitgeschreven en ging daarvoor al enige tijd niet naar school. [Y] is in december 2011 door deze school uitgeschreven en ging sinds de zomervakantie van dat jaar niet meer naar school. In het verleden is vastgesteld dat de kinderen hoogbegaafd en dyslectisch zijn. Eind augustus 2012 zijn de kinderen met hun vader vanuit hun woonplaats vertrokken om een zeiltocht te maken, in aanvang richting hun grootouders in Spanje, waarmee zij aandacht wilden vragen voor het probleem dat zij (evenals veel andere kinderen) geen passend onderwijs in Nederland zouden kunnen volgen. Zij zijn op reis onder begeleiding van de vader die met een afzonderlijke zeilboot met hen meereist.

Tijdens het kinderverhoor door het hof op 6 mei 2013 wekten de kinderen de indruk dat het goed gaat met hen en dat hun zeiltocht een positieve ervaring voor hen betekent in vergelijking tot het thuiszitten omdat ze niet naar school konden. De kinderen hebben verteld dat ze tijdens hun reis onderwijs hebben genoten van de Wereldschool en dat ze vinden dat ze veel leren door ervaring in de praktijk. Tijdens hun reis ontmoeten zij nieuwe mensen, waardoor zij onder meer Engels hebben leren spreken. Tevens hebben zij een voordracht in het Engels gehouden tijdens een internationaal congres over dyslexie. Dit is bevestigd door de heer Roelofs, de directeur van IVIO onderwijsgroep, waarvan de Wereldschool deel uitmaakt. Daarnaast acht het hof, anders dan de Raad, voldoende aannemelijk geworden dat de kinderen onderwijs volgen via de Wereldschool. Volgens een op 22 april 2013 gedateerd e mailbericht van de heer Roelofs, is er met de ouders en de kinderen gesproken, omdat de kinderen hun huiswerk niet langer hadden ingestuurd. Dit had te maken met het feit dat de kinderen soms op hun reis geen internet hadden en het zeilen moesten combineren met leren. Tijdens het bezoek aan de directeur hebben de kinderen echter laten zien dat zij nog wel gestudeerd hebben en veel zijn gaan lezen.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat ondanks alle herhaaldelijke inspanningen van alle betrokkenen geen passende onderwijsomgeving in Nederland is gevonden. Onvoldoende gebleken is dat de ouders hier in hun inspanningen te kort zijn geschoten. Afgezien van de zorg dat de kinderen reeds lange tijd geen regulier onderwijs in Nederland volgen, noch binnen afzienbare termijn zullen gaan volgen, heeft de Raad in het licht van de hiervoor vermelde omstandigheden zijn zorgen omtrent de ontwikkeling van de kinderen onvoldoende geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt. Gelet op de leeftijd van de kinderen, de ervaringen die zij tijdens hun reis hebben opgedaan en het verzet van de kinderen alsmede van het gehele gezinssysteem tegen de maatregel van ondertoezichtstelling verwacht het hof niet dat de enige vaststaande ontwikkelingsbedreiging, te weten dat geen reguliere schoolgang van de kinderen in Nederland plaatsvindt, door een ondertoezichtstelling kan worden afgewend. De Raad heeft dit onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Bovendien acht het hof, gelet op hetgeen de kinderen tijdens het kinderverhoor en de ouders ter zitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht, aannemelijk dat een ondertoezichtstelling zoveel spanning voor de kinderen en de ouders met zich zal brengen, dat niet valt uit te sluiten dat deze maatregel in dit specifieke geval een averechtse werking op de ontwikkeling van de kinderen zou kunnen hebben.

Het hof is derhalve van oordeel dat de gronden voor ondertoezichtstelling van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking niet aanwezig waren en ook thans niet aanwezig zijn.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

wijst het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, M.F.G.H. Beckers en L.M. Coenraad in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2013.