Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA2689

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
11/00780 tot en met 11/00782, 11/00812 tot en met 11/00814
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermakelijkheidsretributie bij verhuur schepen aan derden die daarop onder meer (bedrijfs)feesten, presentaties, shows en vergaderingen organiseren. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar geen rechtsbeginsel geschonden door belanghebbende aan te merken als degene die de vermakelijkheid geeft. Daaraan doet niet af dat de heffingsambtenaar mogelijk ook de organisator van het evenement als belastingplichtige zou mogen aanmerken. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en onverbindendheid van de Verordening wordt door het Hof verworpen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229, geldigheid: 2013-04-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1537
V-N Vandaag 2013/1399
Belastingblad 2013/383
V-N 2013/40.22

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00780 tot en met 11/00782, 11/00812 tot en met 11/00814

25 april 2013

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

de heffingsambtenaar,

en

[X] B.V. te [Z],

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerk AWB 09/6034, 09/6035 en 10/1311 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft de volgende aangiften gedaan voor de vermakelijkheidsretributie en de daarbij vermelde bedragen voldaan:

- eerste kwartaal 2009 € 480,

- tweede kwartaal 2009 € 1.125 en

- derde kwartaal 2009 € 795.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken, gedagtekend 6 november 2009 de bezwaren van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte voor het eerste en tweede kwartaal van 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 1 februari 2010 het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte voor het derde kwartaal van 2009 ongegrond verklaard.

1.4. Bij uitspraak van 8 september 2011, LJN BU6567, heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, belanghebbende ontvankelijk verklaard in haar bezwaren, de heffingsambtenaar gelast belanghebbende teruggave te verlenen van de op de vermelde aangiftes voldane vermakelijkheidsretributie en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 17,92 en gelast het betaalde griffierecht van € 595 te vergoeden.

1.5. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep van de heffingsambtenaar is bij het Hof ingekomen op 12 oktober 2011, aangevuld bij brieven van 9 november 2011. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 20 oktober 2011, aangevuld bij brief ingekomen op 18 november 2011. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 en 2.2 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’.

“2.1. Eiseres behoort tot de zogenaamde [X]-groep. Eiseres huurt twee schepen van een andere vennootschap binnen de [X]-groep en verhuurt deze vervolgens aan derden. Deze twee schepen zijn zo groot dat daarmee niet op de binnenwateren en de grachten van Amsterdam gevaren kan worden. De schepen varen in het havengebied van Amsterdam en/of richting het IJsselmeer of IJmuiden. De schepen liggen in Amsterdam […].

2.2. Eiseres verhuurt de schepen aan derden die daarop onder meer (bedrijfs)feesten, presentaties, shows en vergaderingen organiseren. Vier à vijf procent van de aldus georganiseerde activiteiten op deze schepen is publiek toegankelijk. De schepen worden door eiseres verhuurd inclusief nautisch personeel en partymanager. Daarnaast biedt eiseres aan de huurder andere diensten aan op de schepen, zoals horeca en geluidstechnische voorzieningen.”

In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.2. Tot de stukken behoren vier contracten die belanghebbende is aangegaan met gebruikers van haar schepen (hierna: de contracten 1 t/m 4). Deze contracten hebben betrekking op de door belanghebbende gedane aangiften en voldoening van vermakelijkheidsretributie over de drie kwartalen genoemd onder 1.1.

2.3.1. Contract 1 heeft betrekking op de huur van de [X] Original op 14 februari 2009 voor een publieksfeest voor 1.000-1.500 personen met twee uren vaartijd. Dit contract bevat onder meer de volgende passages:

“Locatiehuur

In de locatiehuur zijn de kosten voor de vaste bemanning en de schoonmaakkosten opgenomen.

(...)

Partymanager

U hebt te allen tijde te maken met het inhuren van onze Partymanager. Deze is verantwoordelijk voor het verloop van het evenement op de locatie. (…)

Drankverkoop

Muntverkoop

Wij hanteren een muntensysteem voor het afrekenen van dranken. (…).

Barpersoneel

Het barpersoneel wordt door [X] verzorgd. (…)

Externe cateraar (…) > food en bedienend personeel

Zoals besproken draagt u zelf zorg voor het foodgedeelte.

Zoals besproken draagt u zelf zorg voor het bedienend personeel.

Keukenhuur is opgenomen in de begroting

Keuken wordt schoon achter gelaten, anders worden schoonmaakkosten doorberekend bij de eindnota.

Externe cateraar draagt tevens zorg voor crewcatering (behalve drank) (…)

Techniek

Er zijn 12 podiumdelen (…). Daarnaast is er een uitgebreide licht- en geluidinstallatie (…)

Onderstaand ziet u het overzicht van onze standaardaard aanwezige materialenset van onze technische leverancier (…).

Artiesten

Het inhuren van artiesten kan als gevolg hebben dat extra materiaal of personeel ingehuurd moet worden. (…)

Uitbreiding

Afhankelijk van het programma worden extra manuren, transportkosten en de eventueel bijbehorende technische benodigdheden berekend.

Meubilair en decoratie

(…)

In de begroting is rekening gehouden met montage, demontage en transportkosten (…)

Entertainment

(…)

[X] Entertainment (Hof: een aan belanghebbende gelieerde vennootschap) verzorgd het entertainment

Veiligheid

(…)

[X] werkt met een vast veiligheids- en medische team en zullen dan ook zorg dragen voor het inhuren van deze mensen. (…)

Medische post

Ook wordt er bij ieder publieksevenement een uitgebreide medische dienst ingehuurd (…).

Daarnaast heeft [X] een aansprakelijkheidsverzekering voor passagiers aan boord van het schip. (…)

Regels (…)”

2.3.2. De algemene voorwaarden die als bijlage bij contract 1 zijn gevoegd, bevatten onder meer de volgende passages:

“10. (…) Opdrachtgever dient zich te houden aan aanwijzingen en opmerkingen van het personeel van [X] (…).

17. Bij iedere vorm van publiciteit door opdrachtgever waarbij het evenementenschip [X] betrokken is, dient deze gebruik te maken van de naam, en zo mogelijk het logo van, [X] (…). Elke vorm van publiciteit behoeft voorafgaande schriftelijke toestemming van [X] voor die specifieke voor te leggen uiting. (…)”

2.3.3. Het bij contract 1 gevoegde Productiereglement van [X] bevat onder meer de volgende passages:

“1. Aanwijzingen van de [X] Party Manager of Kapitein dienen te allen tijden worden opgevolgd. (…)”

2.4. Contract 2 voor een fashionshow en aansluitend een feest op 4 april 2009 (met een uur vaartijd) bevat vergelijkbare bepalingen als contract 1 met betrekking tot partymanager, drankverkoop en barpersoneel, techniek, artiesten en uitbreiding.

2.5. Het reserveringscontract (contract 3) voor een publieksfeest van circa 1.500 personen op 30 mei 2009 (met twee uren vaartijd) met algemene voorwaarden en productiereglement bevat passages gelijkluidend aan de passages in de bij het contract 1 behorende algemene voorwaarden en productiereglement, zoals die zijn geciteerd onder 2.3.2 en 2.3.3.

2.6. Contract 4 heeft betrekking op de huur van [X] Original op 15 juli 2009 voor een lustrumgala voor circa 1.100 personen en vaartijden in overleg. Dit contract bevat vergelijkbare bepalingen als onder 2.3.1 vermeld met betrekking tot partymanager, techniek, artiesten en uitbreiding.

2.7. Belanghebbende verzorgt bij de diverse evenementen meestal de horeca aan boord. Voor maaltijden wordt catering ingehuurd. Het komt ook voor dat de organisator van een evenement hier zelf zorg voor draagt. Soms draagt belanghebbende zorg voor een EHBO-post en de inzet van veiligheidspersoneel, soms doet de organisator dit.

3. Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende gegrond verklaard, het bezwaar met betrekking tot de eerste en tweede kwartaal van 2009 ontvankelijk geacht en omtrent het geschil overwogen als volgt. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’.

4.3. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a van de Verordening wordt verstaan onder vermakelijkheid: een activiteit waarbij wordt of mede wordt beoogd het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak te verschaffen of waarbij het publiek dit amusement, deze verstrooiing, deze ontspanning of dit vermaak zoekt, ondergaat, vindt, pleegt te vinden of kan vinden, een en ander in of op daartoe bestemd of geschikt voor een ieder of voor iedere groep van personen toegankelijk binnen de gemeente gelegen water.

4.4. Ingevolge artikel 2 van de Verordening worden onder de naam vermakelijkheidsretributie rechten geheven ter zake van het, tegen betaling of vergoeding van welke aard dan ook en voor welk onderdeel van de vermakelijkheid dan ook, geven van een vermakelijkheid waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur wordt getroffen.

4.5. Ingevolge artikel 3 van de Verordening is belastingplichtig degene die op of in binnen de gemeente gelegen voor een ieder toegankelijk water de vermakelijkheid verschaft, organiseert of de gelegenheid daartoe biedt of op wiens naam of voor wiens verantwoordelijkheid de vermakelijkheid plaatsvindt.

4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de vermakelijkheid die in casu wordt geboden het op de schepen georganiseerde evenement – zijnde een (bedrijfs)feest, presentatie, show, vergadering of enig ander evenement – is. Eiseres stelt zich op het standpunt dat niet zij, maar degene die een dergelijk evenement organiseert op de door eiseres verhuurde schepen, belastingplichtig is ingevolge artikel 3 van de Verordening. Het is de organisator van die evenementen die de toegang verleent aan de al dan niet betalende bezoekers en aldus de vermakelijkheid biedt. Eiseres stelt slechts de locatie beschikbaar, aldus eiseres.

4.7. De rechtbank volgt eiseres hierin. Belastingplichtig ingevolge artikel 3 van de Verordening is degene die de vermakelijkheid verschaft, organiseert of de gelegenheid daartoe biedt of op wiens naam of voor wiens verantwoordelijkheid de vermakelijkheid plaatsvindt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval de organisator van een evenement op het door eiseres verhuurde schip. De huurder van het door eiseres verhuurde schip bepaalt wat er wordt georganiseerd, waar en voor wie. Het evenement vindt ook op naam en voor verantwoordelijkheid van deze huurder plaats. Dat eiseres in verband met bijvoorbeeld de brandveiligheid aan boord soms bepaalde plannen van huurders niet in de originele vorm in stand laat, doet daar niet aan af. Ook de aanwezigheid van de partymanager maakt vorenstaande niet anders. De huurder organiseert de vermakelijkheid voor het door haar gekozen publiek en huurt daartoe een schip met aanvullende diensten. Nu eiseres uitsluitend optreedt als verhuurder van de schepen kan zij in deze omstandigheden niet worden aangewezen als degene die de vermakelijkheid biedt. Daaraan doet niet af dat eiseres aanvullende diensten biedt die te maken hebben met een goed verloop van de verhuur van de schepen. Het zwaartepunt van de vermakelijkheid ligt bij de beleving van het evenement dat de huurder organiseert.

4.8. Verweerder heeft eiseres derhalve ten onrechte uitgenodigd tot het doen van aangifte inzake de vermakelijkheidsretributie en dient de op aangifte afgedragen vermakelijkheidsretributie aan eiseres te retourneren.

4.9. Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen gegrond en behoeven de overige grieven van eiseres geen bespreking meer.”

4. Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Evenals bij de rechtbank is in geschil of belanghebbende als belastingplichtige voor de vermakelijkheidsretributie moet worden aangemerkt en derhalve terecht de vermakelijkheidsretributie op aangifte heeft voldaan. Tevens is in geschil of de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

4.2. Voorts is in geschil of, en zo ja voor welk bedrag, belanghebbende aanspraak kan maken op vergoeding van proceskosten voor de procedure bij de rechtbank.

4.3. Voor de standpunten van partijen in hoger beroep verwijst het Hof naar hetgeen in de gedingstukken is vermeld en naar hetgeen door partijen ter zitting is verklaard, zoals vastgelegd in het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

5. Beoordeling van het geschil

Hoger beroep van de heffingsambtenaar

5.1. Op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel c, van de Gemeentewet kan een vermakelijkheidsretributie worden geheven ter zake van het geven van vermakelijkheden waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur getroffen wordt. Niet in geschil is dat de evenementen ter zake waarvan belanghebbende op aangifte de belasting heeft voldaan, vermakelijkheden zijn in de zin van artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Gemeentewet en artikel 2 van de Verordening op de vermakelijkheidsretributie te water 2005 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening).

5.2. De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende degene is die de vermakelijkheden aan boord van haar schepen geeft. Hij voert daartoe aan dat uit de bewoording en de ratio van de Verordening volgt dat belastingplichtig is degene die beroepsmatig, met een zekere frequentie, vermaak biedt op het water. Op basis van de Verordening kiest de gemeente daarbij voor degene die met de passagiers fysiek rondvaart en aan hen op de meest directe en werktuigelijke zin vermaak biedt. Dit is een logische keuze die qua uitvoerbaarheid de meest redelijke manier van heffen is en dus ook de meest redelijke uitleg geeft aan het begrip ‘vermaakbieder’. Ook het begrip passagier in de tariefsbepaling sluit daarbij aan. Belanghebbende voldoet aan de eis van het beroepsmatig geven van vermakelijkheden. Als de vermakelijkheidsretributie niet van belanghebbende kan worden geheven, is de heffing, mede door de beperkte informatieverplichting in het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingen in de praktijk onmogelijk.

In de keten van betrokkenen bij een evenement te water is volgens de heffingsambtenaar belanghebbende de enige die voldoende geëquipeerd is (boot, bemanning, vaarkennis, vaarvergunningen, vaarbewijzen enz.) om een vermakelijkheid op het water te geven.

5.3. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Verordening geen duidelijke definiëring geeft van degene die de vermakelijkheid geeft, waardoor rechtsonzekerheid ontstaat. De uitleg die de heffingsambtenaar geeft aan de Verordening is te ruim en te veel gebaseerd op maatstaven van het gemak voor de heffingsambtenaar. Voorts wijst belanghebbende erop dat niet zij maar degene die een schip van haar huurt, de betalingen ontvangt van de bezoekers. Belanghebbende biedt slechts een varende locatie aan. De organisator van een evenement bepaalt het tijdstip, de toegang, het decor, en dergelijke.

5.4. Voor het punt van geschil, namelijk of belanghebbende als belastingplichtige kan worden aangemerkt, is bepalend of belanghebbende degene is die de vermakelijkheden geeft. Het feit dat met betrekking tot het geven van een vermakelijkheid ook anderen als zodanig zouden kunnen worden aangemerkt is daarbij niet van doorslaggevend belang (zie reeds Hoge Raad 9 maart 1938, NJ 1938, 305).

Bij de beantwoording van deze vraag zal het Hof de tekst van artikel 229, eerste lid, onderdeel c, van de Gemeentewet als uitgangspunt nemen. Het belastbare feit zoals vermeld in genoemd artikel van de Gemeentewet komt, zij het in iets andere bewoordingen, eveneens tot uitdrukking in artikel 2 van de Verordening.

5.5. Naar het oordeel van het Hof vormt het verblijf aan boord van een al dan niet varend schip van belanghebbende op zich reeds een vermakelijkheid. Deze vermakelijkheid wordt door belanghebbende als exploitant van het schip gegeven. Het verblijf aan boord van het schip vormt een essentieel element van het evenement. Daarnaast heeft, blijkens de bepalingen van de contracten genoemd onder 2.3 tot en met 2.6, de in dienst van belanghebbende zijnde partymanager de verantwoordelijkheid voor het verloop van het evenement. Daarbij is van belang dat de partymanager optreedt namens belanghebbende en in voorkomende gevallen een beslissing neemt. Voorts heeft de door belanghebbende aangestelde kapitein van het schip de bevoegdheid bindende aanwijzingen te geven.

Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar onder deze omstandigheden geen rechtsbeginsel geschonden door belanghebbende aan te merken als degene die de vermakelijkheid geeft en doet daaraan niet af dat de organisatoren van een evenement een zekere vrijheid hebben binnen het door belanghebbende gegeven kader bij de invulling van het door hen georganiseerde evenement. Daaraan doet evenmin af dat de heffingsambtenaar mogelijk ook de organisator van het evenement als belastingplichtige zou mogen aanmerken.

Het hoger beroep van de heffingsambtenaar slaagt dan ook.

Gelijkheidsbeginsel

5.6. Belanghebbende stelt ook in hoger beroep dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat cruisevaart (zeevaart en riviervaart), chartervaart die vanuit gemeentelijk water naar elders vaart en particuliere recreatievaart niet in de heffing wordt betrokken. Voorts worden organisatoren en reders van soortgelijke schepen die van elders komen, niet in de heffing betrokken, hetgeen leidt tot concurrentievervalsing. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de meerderheidsregel van toepassing is. In een meerderheid van gevallen zouden belastingplichtigen niet door de heffingsambtenaar worden uitgenodigd aangifte te doen voor de vermakelijkheidsretributie.

5.7. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de cruisevaart, de chartervaart die de gemeente uitvaart en de recreatievaart niet belastbaar is voor de vermakelijkheidsretributie. Ten aanzien van de charterschepen (“bruine vloot”) heeft hij betoogd dat deze schepen Amsterdam verlaten en naar het IJsselmeer varen waar de vermakelijkheid wordt geboden. Ook heeft hij in de tot de stukken behorende brief van 6 juli 2009 aan belanghebbende aangegeven dat dit anders ligt indien met charterschepen tegen vergoeding vaartochten in Amsterdams water worden georganiseerd. Voorts heeft de heffingsambtenaar gesteld dat op diverse wijzen wordt getracht, onder meer via de havendienst en door zoeken op internet, om de gevers van vermakelijkheden te water op te sporen. De opgespoorde gevers van vermakelijkheden worden in dat geval uitgenodigd aangifte te doen.

5.8. Het Hof zal eerst beoordelen of ter zake van de in 5.6 en 5.7 genoemde categorieën schepen belastingplicht voor de vermakelijkheidsretributie bestaat.

Ten aanzien van de cruisevaart is het Hof van oordeel dat deze niet als belastbaar voor de vermakelijkheidsretributie kan worden aangemerkt. Het doel van de cruisevaart is het vervoeren van passagiers van en naar Amsterdam, waarbij de passagiers in Amsterdam de stad kunnen bezichtigen. Indien aan boord van deze schepen vermaak wordt geboden tijdens het verblijf in de gemeente Amsterdam is dit van ondergeschikte aard.

Voor de chartervaart, ook wel aangeduid als de "bruine vloot", geldt dat het verblijf in Amsterdam na het inschepen en bij vertrek uit en aankomst in de gemeente, slechts als doel heeft naar een andere bestemming te varen alwaar in voorkomende gevallen vermakelijkheid wordt geboden. In dat kader is het verblijf in Amsterdam van ondergeschikt belang in het geheel van de door de exploitant van een dergelijk vaartuig verleende dienst.

Met betrekking tot de recreatievaart geldt dat deze in het algemeen niet tot belastingplicht voor de vermakelijkheidsretributie leidt. Weliswaar bestaat de mogelijkheid dat tegen betaling verblijf aan boord van een recreatieschip wordt aangeboden, maar belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld of concrete gevallen aangevoerd waarmee aannemelijk zou kunnen worden gemaakt dat een juiste heffing in een meerderheid van de gelijke gevallen achterwege is gebleven. Daarbij is van belang dat bij een beroep op de meerderheidsregel gevallen waarin een juiste wetstoepassing achterwege blijft wegens gering financieel belang, deze gevallen niet in aanmerking worden genomen.

5.9. Met betrekking tot evenementenschepen die van buiten Amsterdam komen en die -anders dan bij het vervoer van personen naar Amsterdam - in de gemeentelijke wateren vermakelijkheden geven, is er naar het oordeel van het Hof belastingplicht voor de vermakelijkheidsretributie. De verklaring van de heffingsambtenaar dat gestreefd wordt om alle belastingplichtigen op te sporen en in de heffing te betrekken, acht het Hof geloofwaardig. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar feitelijk heeft kunnen beschikken over alle benodigde gegevens maar desondanks naheffing achterwege heeft gelaten (zie ook Hoge Raad 13 juli 2012, nr. 11/00162, LJN BV0264).

5.10. Belanghebbende stelt dat het alleen de bedoeling is geweest om de rondvaartboten in de grachtengordel in de vermakelijkheidsretributie te betrekken en dat de Verordening door een onduidelijke omschrijving in de Verordening is gaan gelden voor heel Amsterdam. Naar het oordeel van het Hof is de Verordening op dit punt voldoende duidelijk. Ook uit de toelichting op de Verordening, gegeven in het raadsvoorstel, blijkt dat het de bedoeling is om vermakelijkheden op alle openbare wateren in de gemeente in de heffing te betrekken. Dat dit meebrengt dat verschillende vormen van vermakelijkheden in de heffing worden betrokken, leidt er niet toe dat de Verordening op dit punt onverbindend is.

5.11. Belanghebbende stelt dat de vermakelijkheidsretributie ten onrechte alleen wordt geheven ter zake van vermakelijkheden te water en niet ter zake van vermakelijkheden op het land. Naar het oordeel van het Hof is het op grond van artikel 229 van de Gemeentewet mogelijk om de heffing van de vermakelijkheidsretributie te beperken tot vermakelijkheden die worden gegeven op het binnen de gemeente gelegen voor een ieder toegankelijk water. De raad is met deze beperking van de heffing tot vermakelijkheden te water zijn bevoegdheden niet te buiten gegaan.

5.12. Gelet op hetgeen in 5.8 tot en met 5.11 is overwogen, faalt het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel dan wel het beroep op de onverbindendheid van de Verordening.

5.13. Belanghebbende stelt ten slotte dat de kosten die door de gemeente middels heffing van de vermakelijkheidsretributie worden verhaald, tevens worden verhaald via het havengeld waarvoor belanghebbende ook is aangeslagen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met deze algemene stelling niet aannemelijk gemaakt dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de tarieven is getreden buiten het wettelijke kader en evenmin dat er sprake is van een onredelijke en willekeurige heffing (zie hiervoor ook Hoge Raad 24 januari 2003, nr. 37789, LJN AF3283).

Hoger beroep van belanghebbende

5.14. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de rechtbank haar ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft toegekend. Zij verzoekt alsnog toekenning van proceskosten voor de werkzaamheden en de aanwezigheid van mr. [R], advocaat, op beide zittingen van de rechtbank.

Voorts stelt zij dat vanwege de omstandigheid dat er twee zittingen van de rechtbank hebben plaatsgevonden, een te laag bedrag aan reiskosten is toegekend.

De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting uiteindelijk op het standpunt gesteld dat inderdaad sprake is geweest van een derde die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend en dat de reiskosten tot een te laag bedrag zijn vergoed.

5.15. Omdat de heffingsambtenaar de bezwaren tegen de voldoening op aangifte voor het eerste en tweede kwartaal van 2009 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en het beroep reeds daarom gegrond was, is er aanleiding tot vergoeding van kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De heffingsambtenaar heeft ter zitting bevestigd dat de juridische bijstaand van [R] bij het opstellen van beroepschriften reden is ook hiervoor uit te gaan van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook een proceskostenvergoeding tot te kennen ter zake van de aanwezigheid van mr. [R] bij beide zittingen van de rechtbank. Voorts zal het Hof conform het eensluidende standpunt van partijen de vergoeding van de reiskosten van [D] tot het juiste bedrag toekennen.

Slotsom

5.16. De slotsom luidt als volgt. Zowel het hoger beroep van de heffingsambtenaar als het hoger beroep van belanghebbende is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de beroepen met betrekking tot de voldoening op aangifte voor het eerste en tweede kwartaal 2009 gegrond verklaren, die uitspraken op bezwaar vernietigen en de bezwaren voor alle drie tijdvakken ongegrond verklaren. Voorts zal het Hof de heffingsambtenaar veroordelen in de proceskosten en gelasten het met betrekking tot de zaken 09/6034 en 09/6035 betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

6. Kosten

Nu ook het hoger beroep van belanghebbende gegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a en c vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij het opstellen van het beroepschrift en het hogerberoepschrift, en de zittingen en de reiskosten van belanghebbende.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2,5 [beroepschrift en twee zittingen rechtbank] x € 472 x 1 (wegingsfactor) x 1 (samenhangende zaken) + 2 (hogerberoepschrift en zitting Hof) x € 472 x 0,5 (wegingsfactor nu het hoger beroep van belanghebbende enkel betrekking had op de proceskosten) = € 1.652.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit wordt het bedrag van de reiskosten vastgesteld op de voor het driemaal (rechtbank en Hof) bijwonen van het onderzoek ter zitting gemaakte reiskosten. Deze stelt het Hof op een geschat bedrag van € 45.

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart de beroepen met betrekking tot de voldoening op aangifte voor het eerste en tweede kwartaal 2009 gegrond, vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot deze kwartalen en verklaart het bezwaar tegen de voldoening op aangifte ongegrond;

- verklaart het beroep met betrekking tot de voldoening op aangifte voor het derde kwartaal 2009 ongegrond;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.697 en

- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 297 (beroep bij de rechtbank met betrekking tot het eerste en tweede kwartaal van 2009) en € 454 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 751, te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. J.P.A. Boersma, voorzitter, J.P. Kruimel en J.P.F. Slijpen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus, als griffier. De beslissing is op 25 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.