Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA2282

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
23-005190-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

veroordeeld voor invoer van cocaïne in Nederland, maar vrijgesproken van het opzet op die invoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005190-10

datum uitspraak: 26 april 2013

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 19 november 2010 in de strafzaak onder parketnummer 15-800909-10 tegen

de verdachte

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 25 juli 2010 te [A], gemeente [B], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1887,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof is er niet van overtuigd dat de verdachte de cocaïne opzettelijk heeft ingevoerd, in het bijzonder ook niet dat zij welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij in de door haar gebruikte koffers cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou brengen. De verdachte wordt daarom vrijgesproken van het opzet.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 25 juli 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1196 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

- handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor de opzettelijke invoer van cocaine veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeëntwintig maanden, met aftrek van voorarrest, en verbeurd¬verklaring van het onder de verdachte in beslag genomen geld.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het opzettelijk invoeren van cocaine in Nederland zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest, en verbeurdverklaring van het onder haar in beslag genomen geld.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte is met twee rolkoffers naar Nederland gereisd terwijl in de trekstangen van die koffers pakketten met cocaïne waren verborgen. Oplegging van een vrijheidsbenemende straf is hiervoor gerechtvaardigd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 april 2013 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, hechtenis voor de duur van zes maanden passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 4 biljetten van €100,-;

- 9 biljetten van € 50,-;

- 13 biljetten van € 20,-..

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.C. Römer, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. van Willigen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 april 2013.

Mrs. Römer en Den Ottolander zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.