Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA2111

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
200.013.088/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Tussenarrest. De echtgenote van de afnemer is toegelaten tot tegenbewijs van het – voorshands bewezen – feit dat zij met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij de nietigheid daarvan heeft ingeroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.013.088/01

zaaknummer rechtbank: 825633 DX EXPL 06-3702

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 april 2013

inzake

[APPELLANTE]

wonend te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. M.J. Meijer, te Haarlem,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen DEXIA BANK NEDERLAND N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Dexia genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 22 februari 2008 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en uitvoerbaar bij voorraad.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2. Feiten

2.1. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2. Op of omstreeks 27 oktober 2000 heeft [X] (hierna: [X]) met de rechtsvoorgangster van Dexia twee effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de leaseovereenkomsten) genaamd Korting Kado met een looptijd van 120 maanden. De leaseovereenkomsten hebben contractnummers 59122409 en 59122371. Krachtens de leaseovereenkomsten zijn voor rekening en risico van [X] aandelen gekocht, welk aankoopbedrag door hem van de rechtsvoorgangster van Dexia is geleend. [X] diende gedurende de looptijd van de leaseovereenkomst rente- en aflossingstermijnen te betalen en tegen het einde van de looptijd het (resterende) aankoopbedrag van de aandelen te voldoen. De laatste verschuldigde termijn ter zake van het aankoopbedrag wordt daarbij in beginsel verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen.

2.3. In verband met de (tussentijdse) beëindiging van de leaseovereenkomsten zijn eindafrekeningen opgesteld.

2.4. [appellante] was ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten gehuwd met [X].

2.5. Bij brief van 30 december 2004 heeft [appellante] met een met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de leaseovereenkomsten buitengerechtelijk vernietigd.

2.6. Bij beschikking van 25 januari 2007 (LJN AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard (hierna: de WCAM-overeenkomst) voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. De WCAM-overeenkomst bevat een regeling voor de afwikkeling van schade ontstaan uit effectenleaseovereenkomsten.

2.7. De WCAM-overeenkomst voorziet in de mogelijkheid dat gerechtigden zich aan de binding daaraan onttrekken. Voorwaarde daarvoor is dat vóór 1 augustus 2007 een opt-outverklaring is ingediend. [appellante] heeft tijdig een opt-outverklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst haar niet bindt.

3. Beoordeling

3.1 [appellante] heeft Dexia op 15 november 2006 gedagvaard voor de kantonrechter en na eiswijziging gevorderd, samengevat weergegeven, dat voor recht wordt verklaard dat de leaseovereenkomsten buitengerechtelijk zijn vernietigd en Dexia wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen aan haar onverschuldigd is betaald, met rente en kosten.

3.2 De kantonrechter heeft geoordeeld dat de rechtsvordering tot vernietiging van de leaseovereenkomsten was verjaard op het moment dat [appellante] de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring heeft uitgebracht. Op die grond is de vordering van [appellante] afgewezen. Zij is veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grief op.

3.3 Het hof overweegt als volgt. De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van huurkoop in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW. [appellante] heeft op grond van artikel 1:89 lid 1 BW het recht de leaseovereenkomsten te vernietigen, omdat zij voor het aangaan daarvan door haar echtgenoot geen (schriftelijke) toestemming heeft gegeven.

3.4 Uit artikel 3:52, eerste lid, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW volgt dat de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan.

3.5 De termijn van drie jaar waarbinnen de rechtsvordering van [appellante] tot vernietiging van de leaseovereenkomsten verjaart, gaat lopen op het tijdstip waarop zij daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de leaseovereenkomsten. Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van [appellante] kan worden afgeleid. Dexia voert in dat verband aan dat de maandelijkse betalingen aan Dexia voor de leaseovereenkomsten van een en/of-rekening op naam van [appellante] en [X] zijn gedaan en in het algemeen ervan mag worden uitgegaan dat rekeninghouders kennis nemen van op hun rekening betrekking hebbende bankafschriften. Verder heeft Dexia gesteld dat het uitgaande van normale gezinsverhoudingen [appellante] van het bestaan van de leaseovereenkomsten op de hoogte moet zijn geweest. Het gaat om een grote som geld en dan is het niet onwaarschijnlijk dat [appellante] over het aangaan van de leaseovereenkomsten met [X] heeft overlegd, aldus Dexia.

3.6 Het hof acht Dexia voorshands in het verlangde bewijs geslaagd. Het hof komt tot dit oordeel gelet op de tussen partijen vaststaande feiten dat de betalingen aan Dexia op grond van de leaseovereenkomsten hebben plaatsgevonden vanaf een gezamenlijke rekening van [appellante] en [X], dat de afschriften van die rekening mede aan [appellante] waren gericht en dat het bestaan van de leaseovereenkomsten daardoor kenbaar was uit bankafschriften van de betrokken rekening. Dit samenstel van gegevens houdt een sterke aanwijzing in dat [appellante] van de betalingen moet hebben geweten en daarmee ook van het bestaan van de leaseovereenkomsten op de hoogte was. Het is vervolgens aan [appellante] om overeenkomstig haar aanbod tegenbewijs te leveren van deze bekendheid. Het hof zal haar hiertoe gelegenheid geven zoals hierna onder 4 is vermeld.

3.7 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. Beslissing

Het hof:

laat [appellante] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands als bewezen aangenomen feit dat zij meer dan drie jaar voordat zij deze buitengerechtelijk heeft vernietigd met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden;

bepaalt dat als [appellante] dit bewijs wenst te leveren door getuigen een getuigenverhoor zal plaatshebben ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof, mr. J.W. Hoekzema, die daartoe zitting zal houden op vrijdag 24 mei 2013 om 9.30 uur, in één van de zalen van het Paleis van Justitie aan het IJdok 20 te Amsterdam;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] dient na te gaan of partijen, hun advocaten en de door [appellante] voor te brengen getuigen op de hierboven bepaalde dag en tijd kunnen verschijnen en dat deze – zo dat niet het geval zou zijn – uiterlijk twee weken na de datum van dit arrest schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de maanden mei tot en met juli 2013 aan (het enquêtebureau van) het hof dient te verzoeken een nieuwe datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, J.W. Hoekzema en A.L.M. Keirse en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 april 2013.