Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1649

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
23-005292-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:BU6659, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Megazaak Megaliet. Betrokkenheid bij skimming. Overwegingen met betrekking tot bewijs van opmaken van valse betaalpassen, diefstal met gebruikmaking daarvan en het voorhanden hebben van apparatuur voor vervaardiging van valse betaalpassen. Strafmaatoverwegingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-005292-11

Datum uitspraak: 27 mei 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 november 2011 in de strafzaak onder parketnummer 13-529134-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken:

-van hetgeen onder 1 ten laste is gelegd;

-van hetgeen onder 2 ten laste is gelegd, voor zover dit betrekking heeft op [slachtoffer 1] en andere personen genoemd in zaaksdossiers 7, 8, 18, 19 en 20;

-van hetgeen onder 3 ten laste is gelegd, voor zover dit betrekking heeft op [slachtoffer 2], en andere personen genoemd in de zaaksdossiers 7, 8, 18, 19 en 20;

-van hetgeen onder 6 ten laste is gelegd, voor zover dit ziet op de heling van een Apple computer met serienummer W89160930TJ.

Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak zoals hiervoor vermeld. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak en partiële vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 5, 8, 10 en 16 april 2013 en 13 mei 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof ter terechtzitting van 5 en 16 april 2013 toegelaten wijzigingen is, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, aan de verdachte ten laste gelegd dat:

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 8 december 2009 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Rotterdam en/of Zandvoort, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen (van in totaal ongeveer 435.380,70 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een of meer bank(en) (onder meer de ING-Bank) en/of aan

- [slachtoffer 3] (ZD2) en/of

- [slachtoffer 4] (ZD3) en/of

- [slachtoffer 5] (ZD3) en/of

- [slachtoffer 6] (ZD9) en/of

- [slachtoffer 7] (ZD10) en/of

- [slachtoffer 8] (ZD11) en/of

- [slachtoffer 9] (ZD12) en/of

- [slachtoffer 10] (ZD14) en/of

- [slachtoffer 11] (ZD 16) en/of

- [slachtoffer 12] (ZD18) en/of

- [slachtoffer 13] (ZD18) en/of

- [slachtoffer 14] (ZD18) en/of

- [slachtoffer 15] (ZD 35) en/of

- [slachtoffer 16] (ZD36) en/of

een of meer andere personen (ZD3, 4, 6, 10, 11 en 12), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten een of meer valse en/of vervalste betaalpassen en/of (de daarbij behorende) pincode(s);

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 8 december 2009 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Rotterdam en/of Zandvoort en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer banken (onder meer de ING-Bank) en/of een of meer casinobedrijven en/of een of meer winkelbedrijven heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen (van in totaal ongeveer 435.380,70 euro) en/of een of meer goederen, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als de rechthebbende(n) van een of meer bankrekeningen door middels gebruikmaking van een valse en/of vervalste betaalpas en/of de bijbehorende pincode geld op te nemen en/of betalingen te verrichten bij een/of meer geldautomaten en/of een of meer casinobedrijven en/of een of meer winkelbedrijven, waardoor een of meer banken (onder meer de ING-bank) en/of een of meer casinobedrijven en/of een of meer winkelbedrijven werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 8 december 2009 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Eindhoven en/of Rotterdam, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk een of meer betaalpassen en/of een of meer waardekaarten en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en) of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, te weten een of meer bankpassen, valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst (met behulp van skimapparatuur) met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s), valselijk de oorspronkelijke (magneetstrip)gegevens van (een) originele betaalpas(sen) en/of waardekaart(en) en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en) en/of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens (van

- [slachtoffer 3] (ZD2) en/of

- slachtoffer 4] (ZD3) en/of

- [slachtoffer 5] (ZD3) en/of

- [slachtoffer 1] (ZD5) en/of

- [slachtoffer 6] (ZD9) en/of

- [slachtoffer 7] (ZD10) en/of

- [slachtoffer 8] (ZD11) en/of

- [slachtoffer 17] (ZD11) en/of

- [slachtoffer 9] (ZD12) en/of

- [slachtoffer 18] (ZD 13) en/of

- [slachtoffer 10] (ZD14) en/of

- [slachtoffer 11] (ZD 16) en/of

- [slachtoffer 12] (ZD18) en/of

- [slachtoffer 13] (ZD18) en/of

- [slachtoffer 14] (ZD18) en/of

- [slachtoffer 15] (ZD 35) en/of

- [slachtoffer 16] (ZD36) en/of

een of meer andere personen (ZD3, 4, 6, 10, 11 en 12)) heeft/hebben gekopieerd/geladen naar/op (een) betaalpas(sen) en/of waardekaart(en) en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en) en/of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens, welke zijn/is voorzien van een magneetstrip (tengevolge waarvan met die laatstgenoemde (valse of vervalste) betaalpas(sen) en/of waardekaart(en) en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en) en/of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens elektronische betalingen ten laste van de rechtmatige eigena(a)r(en) van die originele betaalpas(sen) en/of waardekaart(en) en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en) en/of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens mogelijk worden;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 8 december 2009 te Amsterdam en/of Amstelveen en/of Eindhoven en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een stof(fen) en/of voorwerp(en), te weten electronica voor het kopiëren van magneetstrippen, althans skimmingdevice en/of skimapparatuur, en/of gegeven(s) heeft/hebben vervaardigd en/of heeft/hebben ontvangen en/of zich heeft/hebben verschaft en/of heeft/hebben verkocht en/of heeft/hebben overgedragen en/of voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die bestemd was/waren voor het opzettelijk valselijk opmaken en/of vervalsen van (een) betaalpas(sen) en/of(een) waardekaart(en) en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en) en/of voor het publiek beschikbare drager(s) van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten en/of verkrijgen van betalingen en/of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, zulks met het oogmerk om zichzelf of een ander te bevoordelen;

5.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 april 2008 tot en met 8 december 2009, te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij verdachte, en/of zijn mededader(s) telkens een of meer voorwerpen en/of geldbedragen (ter hoogte van in ieder geval 149.950,00 euro), althans enig geldbedrag, heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad, althans hiervan gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

6.

hij op of omstreeks 08 december 2009 te Amstelveen en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een computer (een computer van het merk Dell type Latitude D820 met Service Tag 8L4KR2J) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s), ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Geldigheid van de dagvaarding

Door de verdediging is aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde onbegrijpelijk zou zijn. De verdachte wordt verweten dat hij voorwerpen zou hebben witgewassen, terwijl die voorwerpen niet nader zijn omschreven. Verder wordt de verdachte verweten dat hij een geldbedrag zou hebben witgewassen, terwijl niet duidelijk zou zijn om welk geldbedrag het gaat en op welke plaatsen dit is aangetroffen. De dagvaarding dient daarom nietig te worden verklaard, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de tenlastelegging moet worden beschouwd in samenhang met het daaraan ten grondslag liggende dossier. Daaruit blijkt dat het grootste gedeelte van het in beslag genomen geld in Amsterdam is aangetroffen en dat de overige geldbedragen in Rotterdam, Amstelveen en Eindhoven zijn aangetroffen. Dat die andere plaatsen in de tenlastelegging niet nader zijn omschreven, maakt de dagvaarding op dat punt nog niet onbegrijpelijk, nu als pleegplaats ten laste is gelegd ‘Amsterdam en/of elders in Nederland’. Ter terechtzitting in hoger beroep is ook gebleken dat het voor de verdediging duidelijk was dat het in de tenlastelegging vermelde bedrag een optelsom betreft van geldbedragen die zijn aangetroffen op verschillende adressen in Nederland, te weten in de plaatsen zoals hiervoor genoemd.

In zoverre wordt het verweer verworpen.

Dat ligt anders ten aanzien van het begrip ‘voorwerp’ dat in de tenlastelegging is opgenomen. Het hof is met de verdediging van oordeel dat dit begrip onduidelijk is, nu uit het dossier niet naar voren komt welk voorwerp dan wel voorwerpen worden bedoeld. Het Openbaar Ministerie heeft daar ook geen duidelijkheid in kunnen verschaffen. Dit leidt tot de conclusie dat de dagvaarding in zoverre niet voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Gelet op het voorgaande zal het hof de dagvaarding nietig verklaren daar waar ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde het begrip ‘voorwerp’ wordt gebruikt.

Voor het overige is de dagvaarding geldig.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde komt tot een andere bewezenverklaring en motivering daarvan en ten aanzien van het onder 5 en 6 ten laste gelegde komt tot een andere beslissing. Voorts komt het hof tot een andere strafoplegging en motivering daarvan dan de rechtbank.

Vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde

Met de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 5 ten laste is gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak van het onder 6 ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schuldheling, nu op het adres waar de verdachte verbleef een laptop is aangetroffen die van diefstal afkomstig bleek te zijn. De verdachte heeft niet willen verklaren hoe hij en/of zijn mededaders aan die laptop zijn gekomen.

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van deze laptop. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt het volgende.

Op 8 december 2009 is tijdens een doorzoeking van de woning aan de [A-straat] te Rotterdam een laptop aangetroffen die van diefstal afkomstig bleek te zijn. De verdachte was op dat moment in de woning aanwezig. Zoals hierna zal blijken acht het hof bewezen dat de verdachte betrokkenheid heeft gehad bij op deze computer aangetroffen bestanden. Dit is naar zijn aard en inhoud echter onvoldoende om wetenschap van de criminele herkomst van die laptop aan te nemen.

Nu er onvoldoende aanknopingspunten zijn waaruit wetenschap van de criminele herkomst dan wel een vermoeden daaromtrent ten tijde van het voorhanden krijgen van die laptop kan worden afgeleid, is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 6 in enige variant ten laste is gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 8 december 2009 te Amsterdam en Amstelveen en elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen, toebehorende aan

- [slachtoffer 4] (ZD3) en

- [slachtoffer 5] (ZD3) en

andere personen (ZD3 en 4), waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels, te weten valse betaalpassen en de daarbij behorende pincodes;

en

hij in de periode van 1 april 2008 tot en met 8 december 2009 te Amsterdam en Amstelveen en elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk om zich en/of een ander of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen, banken (onder meer de ING bank) heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk zich voorgedaan als de rechthebbenden van bankrekeningen door middels gebruikmaking van een valse betaalpas en de bijbehorende pincode geld op te nemen bij geldautomaten, waardoor banken (onder meer de ING bank) werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3.

hij in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 8 december 2009 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk betaalpassen en/of waardekaarten en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaarten en/of voor het publiek beschikbare dragers van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst met behulp van skimapparatuur met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat verdachte en zijn mededaders valselijk de oorspronkelijke magneetstripgegevens van originele betaalpassen van

- [slachtoffer 3] (ZD3) en

- [slachtoffer 5] (ZD3) en

- [slachtoffer 1] (ZD5) en

andere personen (ZD3) hebben gekopieerd naar betaalpassen en/of waardekaarten en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaarten en/of voor het publiek beschikbare dragers van identiteitsgegevens, welke zijn voorzien van een magneetstrip, tengevolge waarvan met die laatstgenoemde (valse of vervalste) betaalpassen en/of waardekaarten en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaarten en/of voor het publiek beschikbare dragers van identiteitsgegevens elektronische betalingen ten laste van de rechtmatige eigenaren van die originele betaalpassen mogelijk worden;

4.

hij op 8 december 2009 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander voorwerpen, te weten skimapparatuur, en gegevens voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren voor het opzettelijk valselijk opmaken en/of vervalsen van betaalpas(sen) en/of waardekaart(en) en/of enige andere voor het publiek beschikbare kaarten en/of voor het publiek beschikbare dragers van identiteitsgegevens, bestemd voor het verrichten en/of verkrijgen van betalingen en/of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, zulks met het oogmerk om zichzelf of een ander te bevoordelen.

Hetgeen onder 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De bewijsmiddelen houden het volgende in:

-door een observatieteam is waargenomen dat de verdachte zich op 20 oktober 2009 in een Volkswagen Golf bevond samen met [medeverdachte R]. Zij zijn samen naar Beverwijk gereden, alwaar door het observatieteam wordt waargenomen dat de verdachte omstreeks 13:00 uur voor de deur staat van de woning van [slachtoffer 4] aan de [B-straat] te Beverwijk. Hij is gekleed in een TNT-jas en heeft een pakketje en iets dat lijkt op een mobiel pinapparaat in zijn handen. Gezien wordt dat [slachtoffer 4] een pas door dit apparaat haalt. Vervolgens verdwijnen de verdachte en [medeverdachte R] naar moet worden aangenomen enige tijd uit het zicht van het observatieteam, totdat voornoemde Volkswagen Golf weer wordt aangetroffen in de [C-straat] te Amstelveen. De verdachte en [medeverdachte R] verlaten om 14.37 uur een perceel aan de [C-straat nr. X] en gaan naar een pinautomaat op het Buitenplein in Amstelveen, waarbij [medeverdachte R] omstreeks 14:45 uur geld opneemt met meer passen. De verdachte en [medeverdachte R] rijden vervolgens samen weer weg (zaaksdossier 3, pagina 100001 t/m 100024);

-door [slachtoffer 4] voornoemd is aangifte gedaan van diefstal met valse sleutel. Op 20 oktober 2009 stond, zo heeft zij verklaard, een persoon voor de deur bij haar woning aan de [B-straat] te Beverwijk die zich voordeed als TNT-medewerker. Hij droeg een TNT-jas. Hij bood aangeefster een pakketje aan en zei dat aangeefster voor ontvangst wel nog de verzendkosten moest betalen. Omdat hij geen contant geld mocht aannemen, moest aangeefster deze kosten pinnen. Uiteindelijk zou dit niet zijn gelukt en is deze persoon weer met het pakketje vertrokken. Later bleek er die dag om 14:48 uur geld van de bankrekening van het slachtoffer te zijn afgeschreven bij een pinautomaat op het Buitenplein in Amstelveen (zaaksdossier 3, pagina 100056 t/m 100058);

-op dezelfde dag zijn [slachtoffer 5], wonende aan de [D-straat] te Beverwijk, en [slachtoffer 6], wonende aan het [A-hof] te Beverwijk, eveneens benaderd door een persoon die zich heeft voorgedaan als een postmedewerker. [slachtoffer 5] heeft eveneens verklaard dat deze persoon een TNT-jas droeg. Beiden hebben verklaard dat deze persoon aan hen een pakketje heeft aangeboden en dat zij een bedrag moesten pinnen voordat zij dit in ontvangst konden nemen, hetgeen uiteindelijk bij beiden niet is gelukt. Nog diezelfde dag is er bij voornoemd pinautomaat op het Buitenplein in Amstelveen om 14:46 uur een geldbedrag opgenomen van de rekening van [slachtoffer 5] en om 14:47 uur een geldbedrag van de rekening van [slachtoffer 6] (zaaksdossier 3, pagina 100058, 100059 t/m 100065 en 100074 t/m 100081);

-de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2013 bekend dat hij zich op 20 oktober 2009 te Beverwijk heeft voorgedaan als TNT-medewerker, teneinde de bankpasgegevens van [slachtoffer 4] met een misdadig doel te kopiëren. Voorts heeft de verdachte op die terechtzitting bekend dat hij aanwezig was op de plaats waar [medeverdachte R] rond 14.45 gedurende enkele minuten geld pinde in Amstelveen aan het Buitenplein. Blijkens de stukken van het dossier zijn er toen geldbedragen van de bankrekeningen van [slachtoffers 4, 5 en 6] opgenomen.

Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat medeplegen van diefstal met valse sleutel van geldbedragen van [slachtoffer 4] wettig en overtuigend is bewezen.

Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte niet wist dat er ook geldbedragen van de rekeningen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] werden opgenomen. Opzet ontbrak derhalve, zodat de verdachte van het ten laste gelegde met betrekking tot [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande dat de bankgegevens van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] kennelijk ook op 20 oktober 2009 zijn gekopieerd en dat de dader zich eveneens heeft voorgedaan als postmedewerker. Gelet daarop en op de aanwezigheid van [medeverdachte R] in gezelschap van de verdachte in Beverwijk en hun beider aanwezigheid in Amstelveen op het moment van de geldopnames waarbij [medeverdachte R] pinnend wordt waargenomen, mag het er voor worden gehouden dat de verdachte ook de bankpasgegevens van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft gekopieerd en dat hij wist dat er vervolgens ook geldbedragen van hun rekeningen zouden worden opgenomen. Het kan niet anders dan dat het opzet van de verdachte daarop moet zijn gericht. Bovendien heeft zijn betrokkenheid in het gehele traject vanaf het moment van skimmen een zodanig karakter dat van een volledige, nauwe en bewuste samenwerking sprake is geweest.

Dat de verdachte bij het skimmen van de bankgegevens van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] niet is waargenomen door een observatieteam, doet aan het voorgaande niet af.

Verder is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met valse sleutel van geldbedragen toebehorende aan [slachtoffer 19]. Op 15 oktober 2009 zijn verschillende geldbedragen van de bankrekening van [slachtoffer 19] opgenomen, waaronder een geldbedrag van € 950,00 om 12:50 uur aan de Kinkerstraat in Amsterdam en eenzelfde bedrag om 12:59 uur bij het postkantoor hoek Singel/Raadhuisstraat te Amsterdam (zaaksdossier 4, pagina 10048). Op laatstgenoemde locatie is de verdachte door een observatieteam waargenomen in gezelschap van [medeverdachte R] en [medeverdachte S]. De verdachte heeft daarover ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2013 verklaard dat hij op 15 oktober 2009 aan [medeverdachte S] heeft gevraagd om een geldbedrag op te nemen en dat hij daarbij een pasje aan [medeverdachte S] heeft overhandigd. [medeverdachte S] heeft dienovereenkomstig verklaard (zaaksdossier 4, pagina 20010).

Gelet hierop is er sprake van medeplegen van diefstal met valse sleutel.

Dat de geldopname hoek Singel/Raadhuisstraat te Amsterdam niet zou zijn gelukt, zoals de verdachte en [medeverdachte S] hebben verklaard, kan door het hof niet als vaststaand worden aanvaard, nu uit de transactieoverzichten (zaaksdossier 4, pagina 10048 en 10051) blijkt dat er wel degelijk een geldbedrag is opgenomen.

Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte door het hiervoor bewezen verklaarde in vereniging de banken heeft opgelicht, alwaar aangevers [slachtoffers 4, 5, 6 en 19] hun bankrekeningen hielden. Doordat de verdachte zich door gebruikmaking van een valse betaalpas heeft voorgedaan als de rechthebbende van die rekeningen heeft hij die banken telkens bewogen tot afgifte van geldbedragen.

Voor diefstal met valse sleutel (al dan niet in vereniging) van geldbedragen met betrekking tot de overige personen die zijn vermeld in de tenlastelegging en de daarmee verband houdende oplichting van de banken, casino’s en winkelbedrijven is onvoldoende bewijs voorhanden in het dossier, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

Zoals hiervoor is overwogen hebben de verdachte en [medeverdachte R] de bankpasgegevens van [slachtoffer 4] op 20 oktober 2009 omstreeks 13:00 uur gekopieerd. Het hof gaat er vanuit dat de bankpasgegevens van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] kort daarvoor of daarna door de verdachte en [medeverdachte R] zijn gekopieerd, zoals hiervoor overwogen. Omstreeks 14:45 uur op diezelfde dag worden door de verdachte en [medeverdachte R] geldbedragen van de rekeningen van [slachtoffers 4, 5 en 6] opgenomen. Het kan aldus niet anders dan dat in de tussentijd betaalpassen valselijk zijn opgemaakt dan wel vervalst, teneinde dit pinnen mogelijk te maken. Gelet op het zeer korte tijdsverloop waarin dit moet zijn gebeurd (binnen twee uren), in samenhang met de hiervoor gerelateerde observaties van het observatieteam waaruit blijkt dat de verdachte en [medeverdachte R] ná het kopiëren van de gegevens en vóór het opnemen van de geldbedragen gezamenlijk in de woning aan de [C-straat nr. X] te Amstelveen zijn geweest, mag het er voor worden gehouden dat de verdachte en [medeverdachte R] zich ook aan het medeplegen van dit feit schuldig hebben gemaakt.

Naar het oordeel van het hof is het kopiëren van bankpasgegevens van [slachtoffer 20] uit Beverwijk eveneens bewezen. Ook bij haar is een TNT-medewerker op 20 oktober 2009 langs geweest waarbij zij een klein bedrag moest pinnen met een overigens op relevante details gelijke werkwijze als bij [slachtoffer 4] en is op diezelfde dag om 14.48 uur in Amstelveen aan het Buitenplein gepoogd geld van haar rekening op te nemen. Daarbij is het pasje geblokkeerd. Dit valt geheel samen met het toegepaste patroon van handelingen zoals toegepast in de gevallen van de andere drie Beverwijkse benadeelden.

Voorts heeft de verdachte erkend dat hij op 26 oktober 2009 bij mevrouw [slachtoffer 1] te Utrecht, zich voordoend als TNT-medewerker, haar bankgegevens heeft gekopieerd. Blijkens observatiegegevens is dit gebeurd om 15.15 uur. Om 16.43 uur is op diezelfde dag gepoogd geld van haar rekening op te nemen met een valse betaalpas in de Kastelenstraat te Amsterdam.

De verdachte is waargenomen in de buurt van de woning van [slachtoffer 1] aan de [F-straat] in Utrecht in gezelschap van [medeverdachte R] en voorts voorafgaand aan en direct na het bezoek aan haar bij het perceel [C-straat nr. X] te Amstelveen. Daar is de verdachte ook waargenomen in gezelschap van [medeverdachte R] in de periode tussen het skimmen en het pinnen op 20 oktober 2009. Gelet op deze samenhangen acht het hof eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in vereniging de pasgegevens van [slachtoffer 1] heeft gekopieerd. Het hof betrekt in zijn oordeel dat de verdachte op vragen van het hof over hetgeen hij heeft gedaan in de uren na het bezoek aan [slachtoffer 1] niets heeft kunnen verklaren terwijl hij telkens heeft verklaard niet meer dan enkele malen pasgegevens bij bejaarde dames te hebben geskimd en dat hij daarvan veel spijt heeft.

Voorwaardelijke verzoeken

Door de verdediging zijn nog twee voorwaardelijke verzoeken gedaan die blijkens de daarop gegeven toelichting verband houden met het onder 2 en 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde.

Allereerst heeft de verdediging verzocht dat het hof tot heropening van het onderzoek zal overgaan teneinde [getuige S] nader als getuige te horen, indien hetgeen die [getuige S] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige zou hebben verklaard naar het oordeel van het hof niet overeen zou komen met hetgeen de verdediging daarover (het hof begrijpt: in de pleitnota) heeft opgetekend. Voorts heeft de verdediging verzocht om [getuige S] nader als getuige te horen, indien het hof van oordeel is dat diens verklaring als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven.

Nu het hof de verklaring van [getuige S] in het geheel niet in de beoordeling van de zaak betrekt is aan beide voorwaarden niet voldaan. Derhalve zal het hof dit voorwaardelijk verzoek, wat er ook zij van de juridische zin, betekenis en plaats in het strafvorderlijk stelsel van de eerstgenoemde voorwaarde, verder onbesproken laten.

Ten tweede heeft de verdediging verzocht om de reeds bij appelschriftuur opgegeven 27 benadeelden van het zogeheten skimmen als getuige te horen, indien de toegepaste modus operandi bij het skimmen onderdeel uitmaakt van de bewijsconstructie van het hof.

Het hof stelt vast dat aan genoemde voorwaarde is voldaan en begrijpt het verzoek in het licht van de te geven bewijsbeslissingen als betrekking hebbend op het horen van [slachtoffers 19, 4, 20, 5, 6 en 1] als getuigen.

Het hof overweegt dat de modus operandi een beperkte en daarmee relatieve bijdrage heeft in de bewijsmotivering en de bewijsconstructie. Het verzoek wordt daarom, bij gebreke van gebleken noodzaak, afgewezen. Daarbij speelt ook een rol dat de verdachte de door de benadeelden beschreven modus operandi niet betwist; hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat mogelijk verschillende personen gebruik maken van een identieke modus operandi. Ook gelet daarop valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien wat het belang is om de aangeefsters omtrent die modus operandi te horen.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4

Op 8 december 2009 heeft een doorzoeking plaatsgevonden van de woning aan de [A-straat] te Rotterdam, waarbij onder meer een pinapparaat van het type Banksys C-ZAM, een laptop en een USB-stick in beslag zijn genomen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant T221 van 31 mei 2010 (bijlage E van het algemeen relaas) blijkt dat bij voornoemd betaalapparaat de origineel aanwezige elektronica vervangen was door een elektronische zelfbouwschakeling, kennelijk bedoeld om tijdens een betaaltransactie met het apparaat de bankpas- of creditcardgegevens en de ingetoetste pincode te kopiëren. Aldus is dit een voorwerp als bedoeld in artikel 234 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dat niet nader is onderzocht hoe de microcontroller van dit apparaat precies was afgesteld, zoals door de verdediging is aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders. De kennelijke bestemming blijkt uit voornoemd proces-verbaal. Voorts is redengevend voor deze vaststelling dat de verdachte zich, zoals hiervoor is overwogen, schuldig heeft gemaakt aan delicten die verband houden met skimmen.

Op de USB-stick bleken onder meer de adresgegevens van de [slachtoffers 4, 5 en 1] te staan

Op de laptop werd software aangetroffen met betrekking tot labelprinters van het merk Brother en software voor een magneetkaartleesapparaat.

Naar het oordeel van het hof gaat het hier, gelet op de locatie en omgeving van aantreffen en de verhouding tot de activiteiten van de verdachte zoals blijkend uit de feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3, om gegevens als bedoeld in artikel 234 Sr.

Gelet op het feit dat de verdachte en [medeverdachte R] beiden gelijktijdig in voormelde woning zijn aangetroffen en gezien het feit dat zij zich samen schuldig hebben gemaakt aan delicten die verband houden met en voortbouwen op skimmen van bankgegevens bij enkele personen van wie gegevens in het pand in Rotterdam zijn aangetroffen, kent het hof geen waarde of betekenis toe aan de verklaring van de verdachte ten aanzien van het ontbreken van enige wetenschap omtrent de aangetroffen voorwerpen en gegevens.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze voorwerpen en gegevens niet alleen in vereniging voorhanden heeft gehad, maar dat hij ook wist waarvoor deze bestemd waren.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

en

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk een betaalpas of waardekaart of enige voor het publiek beschikbare kaart of een voor het publiek beschikbare drager van identiteitsgegevens bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaken of vervalsen met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een voorwerp en gegevens voorhanden hebben waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van enig in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen met een valse sleutel, het valselijk opmaken of vervalsen van betaalpassen en het voorhanden hebben van voorwerpen en gegevens voor dat doel. Dergelijke kennelijk uit winstbejag ingegeven gedragingen leiden tot ontwrichting van het voor het maatschappelijke verkeer vitale betalingsverkeer en hebben bij de benadeelden en banken tot een aanzienlijke schade geleid.

Het hof overweegt dat de samenhang binnen de bewezen verklaarde feiten blijk geeft van een geraffineerd en vooropgezet plan, waarbij kennelijk welbewust kwetsbare personen zijn uitgekozen om, onder het voorwendsel een persoon te zijn in wie deze personen juist bij uitstek vertrouwen hebben, op slinkse wijze pasgevens en pincodes van hen te verkrijgen en hun bankrekeningen leeg te halen. In het licht daarvan kent het hof weinig belang toe aan de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uitgesproken spijt van het “skimmen van bankgegevens van enkele dames”, nu dit voorbij gaat aan de hiervoor genoemde aard en omvang van de feiten.

Verder zal het hof toepassing geven aan artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, nu er sprake is van eendaadse samenloop ten aanzien van het onder 2 in twee varianten bewezen verklaarde.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 maart 2013 is de verdachte meermalen veroordeeld tot vrijheidsstraffen wegens vermogensdelicten. Het hof betrekt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslissing ten aanzien van het beslag

Onder de verdachte is een geldbedrag van € 60,- in beslag genomen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof zal overgaan tot verbeurdverklaring hiervan.

Het hof overweegt dat niet geoordeeld kan worden dat is voldaan aan één van de criteria als omschreven in artikel 33a van het Wetboek van Strafrecht. Daarom dient het geld te worden teruggegeven aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 55, eerste lid, 57, 63, 232, 234, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 ten laste gelegde en de partiële vrijspraken ter zake van het onder 2, 3 en 6 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde partieel nietig, voor zover de term ‘voorwerp’ daarin wordt genoemd.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 en 6, voor zover nog aan de orde, ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3, voor zover nog aan de orde, en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

60 euro (3739860).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.M. Steinhaus, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. M. Goedhart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 mei 2013.