Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA0464

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
11/00134
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bevoegdheid van de inspecteur bij derden informatie op te vragen is niet beperkt tot gevallen waarin die informatie niet bij de belastingplichtige zelf kan worden opgevraagd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1185
V-N 2013/39.8 met annotatie van Redactie
FutD 2013-1336
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00134

2 mei 2013

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: [Y] ([Y]Administratie te [P]),

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/2229 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Zaandam, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 11 december 2009 aan belanghebbende voor het jaar 2006 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.323.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 20 maart 2010, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.510.

Bij uitspraak van 14 januari 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 25 februari 2011, aangevuld bij brieven van 30 maart 2011 en 13 april 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde heeft bij brief van 20 maart 2013 nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.3 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

2.1. Eiseres is geboren op 27 juli 1959 en is ongehuwd.

2.2.1. Eiseres heeft in de bezwaarfase voor twee van haar zoons aftrek levensonderhoud geclaimd voor een bedrag van in totaal € 1.980:

- voor haar zoon [A], geboren op [...] juli 1988, over het vierde kwartaal 2006, een bedrag van € 660;

- voor haar zoon [B], geboren op [...] september 1981, over het eerste en tweede kwartaal 2006, voor ieder kwartaal een bedrag van € 660.

2.2.3. Eiseres heeft voor haar zoon [A] over de eerste drie kwartalen van 2006 kinderbijslag ontvangen. Over het vierde kwartaal 2006 heeft deze zoon studiefinanciering ontvangen en heeft hij € 1.391 aan looninkomsten genoten. Haar zoon [B] heeft in 2006 een bedrag van € 13.319 aan bruto-inkomsten genoten. Dit komt neer op een bedrag van € 904 netto per maand.

2.3.1. Eiseres heeft in de bezwaarfase een bedrag van € 2.634 aan aftrekbare ziektekosten in aanmerking genomen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Algemene uitgaven

Nominale premie zorgverzekering (€ 1.015 per persoon) € 2.538

Premie aanvullende verzekering € 344

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW € 2.146

€ 5.028

Specifieke uitgaven

Vaste uitgaven huisapotheek 4 x € 23 € 92

Uitgaven verzorging en verpleging € 225

Uitgaven voor hulpmiddelen € 170

€ 487

Vaste aftrek voor chronische ziekte € 795

Overige uitgaven

Overlijdensverzekering € 193

Agis eigen risico € 388

Niet vergoede medicijnen € 60

€ 641

Totaal € 6.951

Af: niet-aftrekbare drempel € 4.317

Aftrekbaar € 2.634

2.3.2. Verweerder heeft niet in aftrek toegestaan:

Algemene uitgaven

Nominale premie zorgverzekering € 1.015

Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW € 155

Overige uitgaven

Agis eigen risico € 388

Niet vergoede medicijnen € 60

Totaal € 1.618

2.3.3. Tot de stukken van het geding behoort een brief van Agis, van 31 augustus 2010,

gericht aan verweerder. In deze brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Mevrouw [X] is sinds 1 januari 2006 (...) als verzekeringnemer ingeschreven in de Agis Basispolis en aanvullende verzekeringen. Op deze polis is ook haar zoon [A] (...) verzekerd. De verschuldigde premie wordt door mevrouw voor beiden betaald. (…)

In 2006 was er in de Zorgverzekeringswet geen sprake van een wettelijk eigen risico. In 2006 bestond de regeling No-claim. Deze hield in, dat indien iemand geen zorgkosten ten laste van de basisverzekering had gemaakt, er recht was op een terugbetaling van maximaal € 255,00. Mevrouw [X] heeft dit bedrag in 2007 van Agis ontvangen. Ook had mevrouw [X] geen keuze gemaakt voor een vrijwillig eigen risico.

Over 2006 zijn geen kosten van zorgverleners bij Agis voor mevrouw [X] in rekening gebracht, ook niet van medicijnen. Ook hebben wij geen door mevrouw [X] ingediende nota’s ontvangen. Er zijn geen vergoedingen aan mevrouw betaald.

Overigens betekent dit niet dat wij kunnen bevestigen, dat mevrouw ook geen kosten heeft betaald. Immers, medicijnen die niet ten laste van de verzekering komen, kunnen wel door mevrouw aangeschaft zijn en dus betaald aan de apotheek. Zij heeft deze in ieder geval niet geclaimd. Op grond van onze administratie kunnen wij uw vraag over het eigen risico en niet vergoedde medicijnen dan ook noch ontkennen noch bevestigen.”

2.2. Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.3. Het Hof voegt hieraan nog toe de volgende feiten, welke het ontleent aan

* de in beroep overgelegde stukken (2.3.1 en 2.3.2) en aan

* de in hoger beroep overgelegde stukken (2.3.3).

2.3.1. De in de rechtbankuitspraak onder 2.2.1 vermelde 'herziene aangifte', die ter inspectie is ontvangen op 19 november 2009, vermeldt een inkomen uit werk en woning van € 33.515. In dit inkomen zijn, naast de in de rechtbankuitspraak onder 2.2.1 en 2.3.1 vermelde gegevens, tevens opgenomen inkomsten uit overige werkzaamheden ter grootte van € 2.396, na aftrek van kosten van € 500. In de bij het invullen van de aangifte te gebruiken rekenhulp zijn de (bruto)-inkomsten gespecificeerd als ‘verdiensten overige werkzaamheden’ € 2.448 en ‘vervoer kosten overige werkzaamheden’ € 448.

2.3.2. In het kader van de afhandeling van het bezwaar heeft de inspecteur bij brief van 5 februari 2010 onder meer het volgende aan belanghebbende geschreven:

“In de met u gevoerde correspondentie heb ik meegedeeld geen aftrek te verlenen t.a.v. de kosten van levensonderhoud. Ik blijf bij dit standpunt.

(...)

Ten aanzien van de ziektekosten heeft u n.m.m. slechts recht op éénmaal aftrek van de standaardpremie. De netto aftrek van ziektekosten bereken ik dan op € 1.033.

Het belastbaar inkomen in box 1 bereken ik dan op € 36.510.

Looninkomsten 35.147

Neveninkomsten 2.396

Af: ziektekosten - 1.033”.

2.3.3. Tot de stukken behoren dagafschriften van een ten name van belanghebbende staande bankrekening over het jaar 2006.

3. Geschil in hoger beroep

3.1. In hoger beroep is (nog) in geschil of:

- a. er gevolgen zijn verbonden aan de overschrijding van de wettelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar en zo ja welke;

- b. door derden aan de inspecteur op diens verzoek verstrekte informatie over belanghebbende onrechtmatig is verkregen nu belanghebbende niet van dit informatieverzoek op de hoogte is gesteld en de desbetreffende informatie ook bij belanghebbende had kunnen worden opgevraagd.

- c. de ziektekosten van de zoon [A] voor het gehele jaar in aanmerking moeten worden genomen in plaats van voor een half jaar.

- d. de inkomsten uit overige werkzaamheden te hoog zijn vastgesteld, en of

- e. de voor het kopen van loten gedane betalingen aan de Postcodeloterij als giften voor aftrek in aanmerking komen.

3.2. De gemachtigde heeft ter zitting in hoger beroep zijn volgende grieven ingetrokken:

er heeft bij de inkomsten uit dienstbetrekking een dubbeltelling plaatsgevonden,

er bestaat recht op de aanvullende alleenstaande ouderkorting,

er bestaat recht op een aftrek kosten levensonderhoud,

er bestaat recht vergoeding van door de ontvanger veroorzaakte kosten.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Met betrekking tot het onder 3.1(a) omschreven geschilpunt heeft de rechtbank in haar uitspraak – en voor zover thans van belang - het volgende overwogen:

4.1. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het bestuursorgaan binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift. (...). De rechtbank overweegt dat de wet aan het niet binnen de wettelijke termijn doen van uitspraken op bezwaar geen andere consequenties verbindt dan het op de voet van artikel 6:20 Awb bieden van de mogelijkheid van het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen. De stelling van eiseres omtrent de beslisduur vormt op zichzelf geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid beroep in te stellen tegen het uitblijven van de uitspraak op bezwaar.

4.1.2. Het Hof acht dit oordeel juist (zij het dat de aan een belastingplichtige geboden mogelijkheid beroep in te stellen tegen het uitblijven van een uitspraak wordt geboden in artikel 6:12 Awb in plaats van het door de rechtbank genoemde artikel 6:20 Awb). De ter zitting verkondigde stelling van de gemachtigde dat aan het overschrijden van deze termijn het gevolg moet worden verbonden dat volledig aan de in bezwaar opgenomen grieven tegemoet wordt gekomen is derhalve onjuist.

4.2.1. Met betrekking tot het onder 3.1(b) omschreven geschilpunt heeft de rechtbank in de uitspraak het volgende overwogen:

4.4.3. Voorts heeft eiseres gesteld dat de door haar zorgverzekeraar verstrekte, hiervoor onder 2.3.3 weergegeven schriftelijke informatie zonder haar medeweten door verweerder is opgevraagd om die reden als onrechtmatig verkregen bewijs moet worden aangemerkt. Deze grief faalt. Verweerder is immers op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd om dergelijke informatie bij derden op te vragen, zodat geen sprake is van onrechtmatigheid jegens eiseres.

4.2.2. Het Hof acht dit oordeel juist, zij het dat de aan de inspecteur geboden mogelijkheid om - ook gedurende de procedure bij de rechtbank - bij derden informatie op te vragen is opgenomen in artikel 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

4.2.3. Voor de kennelijke stelling van belanghebbende dat het opvragen van informatie bij derden de verplichting doet ontstaan daarvan mededeling te doen aan degene over wie de informatie wordt opgevraagd is noch in de regelgeving noch in de jurisprudentie enige steun te vinden, behoudens de - zich hier niet voordoende - situatie waarop het bepaalde in artikel 48 AWR ziet (uitlevering van gegevensdragers). De bevoegdheid bij derden informatie op te vragen is - anders dan belanghebbende stelt - niet beperkt tot gevallen waarin die informatie niet bij de belastingplichtige zelf kan worden opgevraagd. Het Hof acht overigens aannemelijk dat - zoals de inspecteur ter zitting heeft gesteld - het voor de inspecteur efficiënter is over deze betalingen rechtstreeks bij de verzekeringsmaatschappij navraag te doen.

4.3. Met betrekking tot het onder 3.1(c) omschreven geschilpunt sluit het Hof zich aan bij de uiteenzetting van de inspecteur in diens verweerschrift in hoger beroep, waaruit blijkt dat [A] op [...] juli 2006 de leeftijd van 18 heeft bereikt, zodat voor hem pas vanaf dat moment premie ZVW verschuldigd werd.

4.4. Met betrekking tot het onder 3.1(d) omschreven geschilpunt oordeelt het Hof als volgt. Vaststaat dat belanghebbende voor de berekening van de inkomsten uit overige werkzaamheden in haar herziene aangifte is uitgegaan van ‘verdiensten overige werkzaamheden’ van € 2.448. Voorts staat vast dat het door de inspecteur ontvangen renseignement over deze inkomsten eenzelfde bedrag betreft. Op grond van deze twee gegevens acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende dit bedrag heeft ontvangen voor het verrichten van haar overige werkzaamheden. Belanghebbende heeft voorts aangegeven dat zij kostenvergoedingen heeft ontvangen tot € 448 en € 500 kosten heeft gemaakt. De inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar het aangegeven bedrag van de inkomsten uit overige werkzaamheden, per saldo uitkomende op € 2.396, overgenomen. Het Hof heeft de gemachtigde ter zitting de gelegenheid geboden bewijs te leveren dat de inkomsten uit overige werkzaamheden aldus te hoog zijn vastgesteld. Met de enkele opmerking dat er ‘iets niet goed is gegaan’ acht het Hof de gemachtigde daar niet in geslaagd. Nu ook het insturen van - een selectie van - dagafschriften over het jaar 2006 niet als een voldoende (tegen)bewijs kan worden aanvaard gaat het Hof ervan uit dat deze inkomsten niet voor een te hoog bedrag in aanmerking zijn genomen.

4.5. Met betrekking tot het onder 3.1(e) omschreven geschilpunt oordeelt het Hof als volgt.

Voor de in afdeling 6.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 gegeven mogelijkheid giften in aftrek te brengen dient in de eerste plaats te zijn voldaan aan de in artikel 6.33 van deze wet opgenomen voorwaarden. In onderdeel a van dit artikel is omschreven wat onder een gift wordt verstaan: “bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat”. Het kopen van loten impliceert dat tegenover de gedane betaling aan de loterij deze loterij als tegenprestatie het gekochte lot aan belanghebbende verstrekt. Dit brengt mee dat het kopen van een lot geen gift is in de zin van deze bepaling.

De vraag of overigens wordt voldaan aan de in voormeld artikel 6.33, sub b of c gestelde vereisten kan mitsdien buiten beschouwing blijven.

Slotsom

4.6. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter, E.F. Faase, en F.J.P.M. Haas, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op 2 mei 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.