Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9391

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
11-00836
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:825
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd. Belastingplichtige. Feitelijk ter beschikking staan. Voertuig staat feitelijk ter beschikking aan bestuurder. Eigendom in dezen niet relevant. Beroep op arrest Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 32 627, slaagt niet. Herstelbeleid niet van toepassing omdat belanghebbende bekend was met de werking van de Wet BPM. Boete van 100% passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 1
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 5
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 12b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1245
V-N Vandaag 2013/1113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00836

25 april 2013

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/566 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost/Landelijk coördinatiecentrum auto,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 14 oktober 2010 aan belanghebbende een

naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd, berekend op € 3.172, alsmede bij beschikking een boete van € 3.172.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 12 januari 2011, de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 5 oktober 2011, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 31 oktober 2011, aangevuld bij brief van 1 december 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2013. Het onderzoek in de onderwerpelijke zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaak met kenmerk 11/00835 en het onderzoek in de zaak met kenmerk 12/00473. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is blijkens de kentekenregistratie houder van het kenteken [00-XX-XX]. Dit kenteken is afgegeven voor een motorrijtuig van het merk Mercedes Benz, type 112 cdi, kleur zwart.

2.2. Tot de stukken van het geding behoort een proces-verbaal van de politie Zaanstreek-Waterland van 19 mei 2010, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“WAARNEMING RIJDEN OP OPENBARE WEG

Op woensdag 31 maart 2010, omstreeks omstreeks 12.10 uur, reed ik in uniform gekleed op een opvallend dienstmotorrijwiel en zag ik dat op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [a-weg] te [Z], een persoon reed als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, merk Mercedes, type 111 cdi, kleur wit en voorzien van het kenteken [00-XX-XX], duplicaatcode 3.

Ik herkende dit voertuig vanwege de opdruk “[A]” en “[B]” als een voertuig van het bedrijf van de heer [X]. Ik gaf de bestuurder een stopteken waaraan hij voldeed.

Ik zag dat de enige inzittende de bestuurder was, de mij ambtshalve bekende [X], geboren op [datum 1976] te [Y], wonende [b-weg] te [Z].

RIJDEN ZONDER GELDIG RIJBEWIJS

(...)

VALS KENTEKEN

Ik vroeg hem mij het kentekenbewijs ter inzage af te geven behorende bij het voertuig waarin hij was gezeten aangezien ik constateerde dat het voertuig voorzien was van hetzelfde kenteken als het voertuig waarin verdachte op 27 augustus 2009 reed toen ik hem verbaliseerd voor het rijden zonder geldig rijbewijs. Het voertuig waarin hij op 27 augustus 2009 reed was een zwarte Mercedes bedrijfsauto, terwijl hij nu in een witte Mercedes bedrijfsauto reed. Hij gaf mij ter inzage het kentekenbewijs deel 1a (voertuigbewijs) van het kenteken [00-XX-XX] (duplicaatcode 3), behorende bij de zwarte Mercedes en verklaarde ongevraagd dat hij het voertuig inmiddels over had gespoten in verband met schade.

(...)

Blijkens het kentekenbewijs diende het identificatienummer [VVV000] boven de rechterdeurdorpel op de bodemplaat te zijn ingeslagen. Ik constateerde dat daar geen identificatienummer aanwezig was.

(...)

Op dinsdag 6 april 2010, omstreeks 11.30 uur werd onderzoek verricht naar de ware identiteit van het voertuig door de afdeling verkeersondersteuning. Zij constateerden dat het voertuig was voorzien van het identificatienummer [WWW111], behorende bij het duitse kenteken [ZZZ-ZZ11]. Dit duitse kenteken was “stilgelegd” op 30 oktober 2009. (...)”

2.3. Tot de stukken van het geding behoren tevens een Duitse ‘zulassungsbescheinigung Teil I’ en een Duitse ‘zulassungsbescheinigung Teil II’. Uit deze documenten volgt dat het in het proces-verbaal van de politie vermelde motorrijtuig, merk Mercedes, type 111 cdi, kleur wit (hierna: de auto), tot 30 oktober 2009 met het kenteken [ZZZ-ZZ111] in Duitsland geregistreerd was.

2.4. De auto is in Nederland niet geregistreerd in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij het volgende overwogen:

“6. In artikel 1, vijfde lid (Hof: zesde lid), van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Wet BPM) is – voor zover hier van belang – bepaald dat ingeval een niet-geregistreerde personenauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijk persoon, de belasting is verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet. Op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wet BPM wordt met betrekking tot een niet-geregistreerde personenauto de belasting geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Op grond van artikel 12b van de Wet BPM kan ingeval van constatering van het gebruik van de weg met een personenauto of motorrijwiel waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van het in artikel 1, vijfde lid, genoemde feit niet is betaald, de belasting worden nageheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg wordt daarbij gesteld op het tijdstip van constatering.

7. In het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 1998, nr. 32 627 (gepubliceerd in BNB 1998/134) is het volgende beslist:

“(…) zal in de regel degene die het motorrijtuig feitelijk gebruikt, degene zijn die feitelijke beschikkingsmacht over dat motorrijtuig heeft. Dit brengt echter niet mee dat in alle gevallen er van mag worden uitgegaan dat degene ten aanzien van wie het gebruik van de weg met het motorrijtuig is geconstateerd, degene is aan wie het motorrijtuig feitelijk ter beschikking staat als bedoeld in artikel 1, lid 4, (Hof: thans lid 6) van de Wet. Zo kan een persoon die een aan een derde – een natuurlijk persoon of een lichaam – ter beschikking staande personenauto uitsluitend ten behoeve van die derde bestuurt, niet worden gezegd dat die auto (mede) aan hem ter beschikking staat in vorenbedoelde zin. (…)”

8. De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat eiser (Hof: belanghebbende) op 31 maart 2011 de bestelauto feitelijk ter beschikking had. Volgens het proces-verbaal (relaas) van 19 mei 2010 van de Politie Zaanstreek-Waterland is eiser op het onder 1. vermelde tijdstip en de onder 1. vermelde plaats aangetroffen in de bestelauto. De bewering van eiser dat niet hij maar een (Poolse) monteur uit eigen beweging en zonder eisers wetenschap de kentekenplaten van de zwarte Mercedes zou hebben geschroefd en op de bestelauto zou hebben gemonteerd en vervolgens met de bestelauto een proefrit zou hebben gemaakt, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De verbalisant heeft de bestuurder van de bestelauto herkend naar aanleiding van eerdere aanhoudingen (volgens het proces-verbaal op onder andere 27 augustus 2009) en vervolgens gevraagd of deze nu wel in het bezit was van een geldig rijbewijs. De bestuurder heeft hierop en naar aanleiding van andere vragen een aantal verklaringen afgelegd die moeilijk aan een (Poolse) monteur kunnen worden toegeschreven. Bovendien kunnen de reclame-uitingen op de bestelauto alleen betrekking hebben op de eenmanszaak van eiser, een handel in versproducten.

9. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de door de Hoge Raad vermelde uitzondering zich voordoet in de onderhavige zaak, namelijk dat eiser de bestelauto uitsluitend ten behoeve van een derde zou hebben bestuurd. De omstandigheid dat eiser de bestelauto op 20 januari 2011 aan zijn vader zou hebben verkocht, maakt dit vanwege de onder 8. genoemde feiten en omstandigheden niet anders. Artikel 5, tweede lid, van de Wet BPM merkt met betrekking tot een niet-geregistreerde personenauto degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft aan als de persoon die de bpm moet voldoen. Wie de houder van het motorrijtuig is, is niet van belang.

10. Eiser doet voorts een beroep op het herstelbeleid. Verweerder (Hof: de inspecteur) stelt zich op het standpunt dat het herstelbeleid niet op eiser van toepassing is omdat hij bewust de werking van de Wet BPM heeft proberen te ontlopen.

11. Uit de constatering van de politie kan worden afgeleid dat eiser in de bestelauto reed terwijl hij, gelet op de verklaring naar aanleiding van de daartoe gestelde vragen, wist dat de op de bestelauto aangebrachte kentekenplaten bij een andere auto hoorden. Tevens leidt de rechtbank uit door verweerder overgelegde schermprints af dat eiser in 2002 een Alfa Romeo uit Frankrijk heeft ingevoerd en hiervoor bpm heeft voldaan. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser bekend was met de werking van de Wet BPM en dat eiser bewust heeft geprobeerd om de heffing van BPM met betrekking tot de bestelauto te ontduiken. Onder deze omstandigheden vindt het herstelbeleid geen toepassing. De naheffingsaanslag is dan ook terecht aan eiser opgelegd.

12. Ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet voorziene termijn is betaald. Ingevolge het tweede lid van dat artikel wordt de grondslag gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald. Ingevolge § 25, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, kan, voor zover hier van belang, een vergrijpboete alleen worden opgelegd indien sprake is van opzet of grove schuld.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, door de bestelauto met buitenlands kenteken bewust te voorzien van door hem opgevraagde duplicaat-kentekenplaten van een andere aan hem toebehorende auto, met listigheid en valsheid geprobeerd te bereiken dat voor de bestelauto geen bpm zou worden betaald. Gelet daarop is de opgelegde boete van 100% passend en geboden.

14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht aan eiser opgelegd en is het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”

4. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de naheffingsaanslag en de boete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de auto belanghebbende feitelijk ter beschikking stond, zodat hij kan worden aangemerkt als belastingplichtige voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

5. Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslag

5.1. In artikel 1, zesde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Wet BPM) is – voor zover hier van belang – bepaald dat ingeval een niet-geregistreerde personenauto of bestelauto feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijk persoon, de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet BPM wordt voor de heffing ten aanzien van niet geregistreerde motorrijtuigen als belastingplichtige aangemerkt degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

Ingeval van constatering van het gebruik van de weg met een personenauto of bestelauto waarvoor de belasting die is verschuldigd ter zake van het in artikel 1, zesde lid, genoemde feit niet is betaald, kan de belasting op grond van artikel 12b van de Wet BPM worden nageheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft. Het tijdstip van aanvang van het gebruik van de weg wordt daarbij gesteld op het tijdstip van constatering.

5.2. Belanghebbende voert aan dat hij de auto op 20 januari 2010 verkocht heeft aan zijn vader. Zijn vader was derhalve op het moment van de aanhouding juridisch eigenaar en had in die hoedanigheid de feitelijke beschikking over de auto. Belanghebbende kan daarom niet worden aangemerkt als degene aan wie het motorrijtuig feitelijk ter beschikking stond, aldus belanghebbende.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende had als bestuurder op het moment van de aanhouding de feitelijke beschikkingsmacht over de auto. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

5.3. Blijkens het proces-verbaal van de politie Zaanstreek-Waterland was belanghebbende op het moment van de controle de bestuurder van de auto (zie 2.2.). Het Hof ziet, evenals de rechtbank, geen reden om aan deze waarneming te twijfelen. Nu daarmee vast staat dat belanghebbende het voertuig bestuurde, rechtvaardigt dit de conclusie dat de auto hem feitelijk ter beschikking stond.

De stelling van belanghebbende dat hij geen eigenaar was van de auto kan, wat hier ook van zij, niet tot een ander oordeel leiden, nu ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet BPM niet de eigendom, maar het feitelijk ter beschikking hebben bepalend is voor de belastingplicht. Anders dan belanghebbende heeft bepleit behoeft het feitelijk ter beschikking hebben niet gepaard te gaan met de eigendom van het motorrijtuig. De feitelijke beschikkingsmacht kan berusten bij een ander dan de eigenaar, namelijk de houder of bezitter (vgl. MvT, TK 1992-1993, 22 868, nr. 3, p. 41).

5.4. Evenmin kan belanghebbende worden gevolgd in zijn stelling dat uit het arrest Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 32 627 (BNB 1998/134) volgt dat van feitelijke beschikkingsmacht geen sprake is indien een auto tijdelijk met toestemming van de eigenaar wordt gebruikt. In genoemd arrest heeft de Hoge Raad enkel geoordeeld dat van een persoon, die een aan een derde ter beschikking staande personenauto uitsluitend ten behoeve van die derde bestuurt, niet kan worden gezegd dat die auto (mede) aan hem ter beschikking staat. Gesteld noch gebleken is dat deze situatie zich in casu heeft voorgedaan.

5.5. Ten aanzien van de toepassing van het herstelbeleid zoals verwoord in de Leidraad BPM 2006 (besluit van 12 september 2006, CPP2006/1980M) overweegt het Hof als volgt. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende, blijkens de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, bekend was met de werking van de Wet BPM. Het Hof acht daarbij met name van belang dat belanghebbende in het verleden op aangifte BPM heeft voldaan ter zake van de registratie van een personenauto. Onder deze omstandigheden vindt het herstelbeleid geen toepassing. De naheffingsaanslag is terecht aan belanghebbende opgelegd.

Boete

5.6. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de boete niet terecht is opgelegd. Dienaangaande geldt dat er sprake is van een vergrijp als bedoeld in artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De inspecteur heeft de boete, met in achtneming van §25 en § 28 juncto § 6 en § 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, vastgesteld op het bedrag van de naheffingsaanslag.

Nu de niet-geregistreerde auto (een witte Mercedes) was voorzien van een kenteken van een ander voertuig (een zwarte Mercedes, geregistreerd op naam van belanghebbende), heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof bewust verhuld dat de auto niet was geregistreerd in het Nederlandse kentekenregister. Deze bewustheid vindt naar ’s Hofs oordeel onder meer bevestiging in de – ongevraagde – verklaring van belanghebbende tegenover de verbalisant ‘dat hij het voertuig inmiddels had overgespoten in verband met schade’ (vgl. 2.2). Gelet op de verklaring van belanghebbende ter zitting in hoger beroep dat hij voor de uitoefening van zijn bedrijf vele voertuigen op zijn naam heeft staan en gelet op de omstandigheid dat belanghebbende in het verleden al eens een auto heeft laten registreren en ter zake daarvan BPM op aangifte heeft voldaan, is hij op de hoogte van de verplichting tot betaling van de BPM bij registratie van een auto in het Nederlandse kentekenregister. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende, door de auto bewust te voorzien van duplicaat-kentekenplaten van een andere aan hem toebehorende auto, met listigheid en valsheid geprobeerd te bereiken dat geen BPM zou worden betaald. Onder deze omstandigheden is de opgelegde boete van 100% passend en geboden.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, B.A. van Brummelen en A.H.R.M. Denie, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 25 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.