Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8950

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
27-04-2013
Zaaknummer
23-004162-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontucht met minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004162-10

datum uitspraak: 5 april 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 6 juli 2010- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 1 november 2006 in de strafzaak onder parketnummer 14-810565-05 tegen

verdachte,

geboren te plaats, datum,

Procesgang

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen, met niet ontvankelijk verklaring voor het meergevorderde, en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 29 april 2008 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 6 juli 2010 het arrest van het gerechtshof Amsterdam voor zover aan zijn oordeel onderworpen (namelijk uitgezonderd de vrijspraak van de op betrokkene 2 betrekking hebbende verweten gedragingen), vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 oktober 2006 en, na terugwijzing, op de terechtzittingen van dit hof van 17 juli 2012 en 22 maart 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover nog van belang - ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 29 augustus 2005, in ieder geval op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de maand augustus 2005, in de gemeente Alkmaar, meermalen, althans eenmaal, met Betrokkene 1 (geboortedatum) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buitenecht, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande die ontuchtige handeling(en) hierin dat hij, verdachte,

* zich ontkleed heeft getoond aan Betrokkene 1 althans zijn, verdachtes, penis heeft getoond aan Betrokkene 1 en/of

* Betrokkene 1 zijn,verdachtes, penis heeft laten aanraken en/of heeft laten aaien en/of

* Betrokkene 1 in zijn, verdachtes, penis laten knijpen en/of

* betrokkene heeft beetgepakt en/of

* (met) zijn, verdachtes, penis tegen en/of over de rug, althans het lichaam, van Betrokkene 1 heeft bewogen en/of gewreven, althans bewegingen heeft gemaakt als had hij geslachtsgemeenschap;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, kan niet in stand blijven, omdat het hof de voorkeur geeft aan een andere bewijsconstructie dan de door de eerste rechter gebezigde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omsreeks 29 augustus 2005 in de gemeente Alkmaar met Betrokkene 1 (geboortedatum) die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die ontuchtige handelingen hierin dat hij zijn penis heeft getoond aan Betrokkene 1 en Betrokkene 1 zijn penis heeft laten aanraken en Betrokkene 1 in zijn penis heeft laten knijpen en Betrokkene 1 heeft beetgepakt en met zijn penis tegen de rug van Betrokkene 1 heeft bewogen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van verweren en nadere bewijsoverwegingen

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2013 haar pleitnotitie voorgedragen en aan het hof overgelegd. In deze pleitnotities zijn – zakelijk weergegeven – de volgende verweren vervat.

i. De verklaring van Betrokkene 1 is onbetrouwbaar en kan niet tot het bewijs worden gebezigd. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat Betrokkene 1 tijdens het studioverhoor bij de politie op 21 september 2005 meermalen heeft aangegeven dat zij het allemaal niet meer zo goed weet, terwijl zij juist met betrekking tot de tenlastegelegde handelingen wel een verklaring heeft afgelegd. De raadsvrouw heeft in dat verband opgemerkt dat Betrokkene 1 voorafgaand aan het studioverhoor een barbiepop in het vooruitzicht was gesteld door haar moeder. Bovendien heeft Betrokkene 1 wisselend verklaard over hoe vaak zij bij de verdachte aan de deur is geweest, terwijl vast is komen te staan dat zij daar vaker dan één keer is geweest. In dat verband merkt de raadsvrouw tevens op dat niet met zekerheid is vast te stellen wanneer de verweten ontucht zou hebben plaatsgevonden. Eveneens afbreuk doend aan haar geloofwaardigheid heeft Betrokkene 1 verklaard over een mevrouw met boeken die tijdens de aan verdachte verweten gedragingen aan de deur van de woning van de verdachte zou zijn geweest en door de verdachte te woord zou zijn gestaan, zonder dat deze mevrouw iets vreemds zou hebben bemerkt. Tot slot wekt het bevreemding dat het niemand is opgevallen dat de verdachte de meisjes - zoals wordt beweerd - naakt uitgeleide heeft gedaan uit zijn galerijflat.

De verklaring die Betrokkene 1 heeft afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 19 november 2012 voegt aan het bewijs niets toe en doet zelfs afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar eerdere verklaring. Betrokkene 1 heeft bij die gelegenheid immers verklaard zich het voorval met de verdachte amper te kunnen herinneren. Volgens de raadsvrouw is niet goed voorstelbaar dat het aan de verdachte verweten misbruik - indien juist - niet zozeer indruk zou hebben gemaakt op Betrokkene 1 dat zij zich dit niet meer zou kunnen herinneren.

ii. De de auditu verklaringen over wat Betrokkene 2 heeft verteld kunnen evenmin tot het bewijs worden gebezigd. Betrokkene 1’s moeder, is immers op 30 augustus 2005, nadat zij van Betrokkene 1 had gehoord wat de verdachte met de twee meisjes zou hebben gedaan, naar de woning van Betrokkene 2 gegaan en heeft Betrokkene 2 toen gevraagd wat de verdachte had gedaan. Bij dat gesprek was niemand anders aanwezig, zodat niet kan worden vastgesteld of Betrokkene 2 daadwerkelijk heeft verklaard wat Moeder heeft overgebracht aan de politie en hoe die verklaring tot stand is gekomen, in het bijzonder of Moeder niet eerst aan Betrokkene 2 heeft verteld wat zij van Betrokkene 1 heeft gehoord en of Moeder daarbij open dan wel gesloten vragen heeft gesteld. In dit verband heeft de raadsvrouw de aandacht gevestigd op het door prof. dr. W.A. Wagenaar in zijn brief van 14 maart 2008 gegeven oordeel met betrekking tot de bruikbaarheid/betrouwbaarheid van wat Betrokkene 2 heeft verteld en waarover Moeder, Betrokkene 2’s moeder en haar broer bij de politie hebben verklaard.

iii. Indien de verklaringen van Betrokkene 1 door het hof als betrouwbaar worden beoordeeld dient ook vrijspraak van de verdachte te volgen omdat het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevat om aan het door de wet vereiste bewijsminimum te voldoen. De desbetreffende verklaringen van de moeder en grootmoeder van Betrokkene 1 maken dat niet anders, nu die niet kunnen worden aangemerkt als afzonderlijke bewijsmiddelen omdat die verklaringen ontleend zijn aan één en dezelfde bron, te weten Betrokkene 1’s verklaring. De verklaringen van de verdachte kunnen evenmin bijdragen aan een bewezenverklaring van het tenlastgelegde feit omdat tijdens het verhoor niet aan de verdachte is voorgehouden dat hij verhoord werd over 29 augustus 2005 en hij bovendien inhoudelijk geen verklaring heeft afgelegd die als bewijs voor het tenlastegelegde feit kan dienen.

De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt ten aanzien van deze verweren het volgende.

i. Betrokkene 1 is op 21 september 2005 tijdens een zogeheten studioverhoor gehoord. Allereerst stelt het hof vast - mede naar aanleiding van het oordeel van prof. dr. W.A. Wagenaar op dat punt- dat het studioverhoor volgens de daarvoor geldende professionele standaarden is verlopen, waarbij ook aandacht is gegeven aan mogelijk de verdachte ontlastende details, zodat mag worden aangenomen dat de vastgelegde uitspraken van Betrokkene 1 weergeven wat zij zich van de besproken gebeurtenissen herinnert. Betrokkene 1 maakt naar het oordeel van het hof tijdens het verhoor - zowel in de schriftelijke weergave daarvan als op de videobeelden die van het verhoor zijn gemaakt (waarvan ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2013 een deel is vertoond) - een oprechte en overtuigende indruk. Haar verklaring is spontaan tot stand gekomen, gedetailleerd en volgt een logische, chronologische volgorde, zo oordeelt het hof. Volgens Wagenaar kan Betrokkene 1 haar verhaal goed met gebaren illustreren. Bovendien stelt het hof vast dat deze uitgebreide verklaring inhoudelijk wezenlijk overeenkomt met hetgeen zij eerder spontaan aan haar zusje [naam] heeft verteld en vervolgens aan haar moeder en grootmoeder . Naar het oordeel van het hof bevestigen die overeenkomsten de betrouwbaarheid van de verklaring van Betrokkene 1. De door de raadsvrouw aangestipte punten maken dat niet anders nu deze punten Betrokkene 1’s verklaringen niet wezenlijk inconsistent maken. Het hof zal Betrokkene 1’s verklaringen daarom tot het bewijs bezigen.

ii. Ten aanzien van de (de auditu) verklaringen over wat Betrokkene 2 heeft verteld, stelt het hof voorop dat de vrijspraak van het tenlastegelegde feit voor zover dat betrekking heeft op Betrokkene 2 (bij het arrest van 29 april 2008) op zichzelf er niet aan in de weg staat dat die verklaringen tot het bewijs van de op Betrokkene 1 betrekking hebbende gedragingen wordt gebezigd.

Het hof stelt voorts vast dat het dossier geen aanwijzingen bevat voor enige bij de beide meisjes en/of bij hun families levende rancune of wrok jegens de verdachte of enige andere aanleiding om ten onrechte belastend over de verdachte te verklaren. Het hof ziet daarom geen grond om aan te nemen dat zij tegen de verdachte hebben samengespannen door het opzettelijk valselijk afleggen van de verdachte belastende verklaringen. Het hof merkt in dit verband nog op dat de ouders van Betrokkene 2 geen aangifte hebben gedaan tegen de verdachte en ook niet hebben toegestaan dat Betrokkene 2 door de politie zou worden gehoord.

Met de raadsvrouw en prof. dr. Wagenaar stelt het hof wel vast dat niet kan worden bepaald hoe precies het gesprek tussen Moeder en Betrokkene 2 op 30 augustus 2005 is verlopen. In het bijzonder valt niet uit te sluiten dat Moeder Betrokkene 1’s verhaal aan Betrokkene 2 heeft voorgehouden en dat Betrokkene 2 haar eigen verhaal daarop heeft aangepast. Voorts hebben Betrokkene 2’s Moeder en haar Broer eerst van Moeder gehoord wat Betrokkene 1 aan haar had verteld, waardoor mogelijk sprake is geweest van ‘vermenging’ tussen het van Moeder gehoorde verhaal en hetgeen Betrokkene 2 later aan hen heeft verteld. De de auditu verklaringen over wat Betrokkene 2 heeft verteld, zullen daarom met de nodige behoedzaamheid worden gewogen.

Het hof merkt op dat Moeder heeft verklaard dat Betrokkene 2 niet alleen aan haar heeft verteld wat er heeft plaatsgevonden bij de verdachte, maar ook heeft voorgedaan hoe Betrokkene 1 haar handen achter haar rug deed toen de verdachte haar vroeg zijn piemel aan te raken. Deze handeling is ook door Betrokkene 1 beschreven, aldus Moeder . Voorts heeft Betrokkene 2, aldus Moeder, gezegd dat zij en Betrokkene 1 moesten huilen, maar dat Betrokkene 2 daarbij geen geluid maakte. Dit element kwam volgens zowel Moeder als Grootmoeder ook voor in Betrokkene 1’s verhaal. Het hof acht het niet aannemelijk dat Moeder tijdens haar onderhoud met Betrokkene 2, Betrokkene 2 dergelijke details (opzettelijk of onopzettelijk) heeft aangepraat dan wel dat dergelijke details zijn verzonnen. Het hof merkt nogmaals op dat van enig motief voor een dergelijk handelen niet is gebleken.

Het hof stelt voorts vast dat Betrokkene 2’s Moeder en Broer elementen in hun verklaringen hebben genoemd – te weten dat de meisjes aan het spelen waren en toen onder de belofte van een ijsje door de verdachte binnen werden gelaten, alwaar zij handdoeken hebben gevouwen – die in het oog vallende overeenkomsten vertonen met de verklaring van Betrokkene 1. Broer heeft tegenover de politie bovendien verklaard dat Betrokkene 2 thuis uit eigen beweging heeft verteld wat er gebeurd is (‘ze vertelde’) en dat op 1 september 2005 aan Betrokkene 2’s gezicht te zien was dat zij bang was. Het hof overweegt voorts dat Moeder 1 op 1 september 2005 slechts éénmaal met Betrokkene 2 heeft gesproken en het hof acht het niet aannemelijk dat een zevenjarig kind zich voornoemde details tijdens zo’n ontmoeting eigen kan maken en enkele uren later kan reproduceren.

In het licht van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de de auditu verklaringen over wat Betrokkene 2 heeft verteld in onderlinge samenhang met de andere gebezigde bewijsmiddelen tot het bewijs van het bewezenverklaarde kan worden gebezigd. Het verweer van de raadsvrouw op dit punt wordt mitsdien verworpen.

iii. Nu het hof zowel verklaringen waarvan Betrokkene 1 de bron is als verklaringen waarvan Betrokkene 2 de bron is tot het bewijs bezigt, gaat dit door de raadsvrouw gevoerde verweer niet op.

Met betrekking tot de pleegdatum overweegt het hof dat Betrokkene 1’s moeder op 5 september 2005 heeft verklaard dat Betrokkene 1 en Betrokkene 2 op 29 augustus 2005 samen buiten hebben gespeeld. De verdachte heeft tegenover de rechter-commissaris bij zijn verhoor inbewaringstelling op 10 november 2005 verklaard dat het mogelijk is dat Betrokkene 1 en het donkere meisje (het hof begrijpt: Betrokkene 2) op 29 augustus 2005 voor het laatst bij hem zijn geweest en dat ze zijn handdoeken hebben opgevouwen in ruil voor een lolly. Het hof is van oordeel dat daarmee voldoende vast staat dat het tenlastegelegde feit in ieder geval op of omstreeks 29 augustus 2005 heeft plaatsgevonden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het ten laste gelegde ten aanzien van zowel Betrokkene 1 als Betrokkene 2 veroordeeld zoals hiervoor weergegeven.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren. Hij heeft opgemerkt bij het formuleren van zijn eis rekening te hebben gehouden met de overschrijdingen van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft met een zevenjarig kind dat hij in zijn woning had gelokt met de belofte van een ijsje ontuchtige handelingen verricht en haar dergelijke handelingen laten ondergaan. De verdachte heeft door aldus te handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in zijn algemeenheid door kinderen in volwassenen wordt gesteld. De verdachte heeft aldus het slachtoffer bovendien op een onprettige wijze en op veel te jonge leeftijd in aanraking gebracht met seksualiteit. Uit de verklaring die bij het voegingsformulier benadeelde partij is gevoegd valt op te maken dat Betrokkene 1 in ieder geval gedurende zekere tijd nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden ten gevolge van de daden van de verdachte.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 maart 2013 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Evenmin is de verdachte na zijn veroordeling in 2006 met justitie in aanraking geweest. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om naast de op te leggen werkstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Met betrekking tot de duur van die werkstraf stelt het hof vast dat de cassatieprocedure niet is afgerond binnen de door artikel 6 EVRM gegarandeerde redelijke termijn en dat hetzelfde geldt voor de tweede procedure in hoger beroep, die circa acht maanden te lang heeft geduurd. Tot slot stelt het hof vast dat de verdachte veroordeeld wordt voor het plegen van een betrekkelijk oud strafbaar feit. Het hof ziet in deze omstandigheden aanleiding de op te leggen werkstraf te matigen van de 180 uren die het hof als uitgangspunt passend en geboden acht, naar 150 uren.

Vordering van de benadeelde partij Betrokkene 1

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.399,00 (€ 1.000,00 immateriële schade en € 399.00 voor rechtsbijstand). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 899,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering integraal zal worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft primair gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft zij gesteld dat de vordering voor zover deze betrekking heeft op de immateriële schade dient te worden afgewezen omdat Betrokkene 1 tijdens haar verhoor bij de raadsheer-commissaris op 19 november 2012 heeft verklaard niet al te veel last te hebben gehad van het voorval.

Het hof verwerpt het subsidiair door de raadsvrouw gevoerde verweer met betrekking tot de immateriële schade. Uit de toelichting die bij het voegingsformulier is gevoegd maakt het hof op dat de destijds zevenjarige Betrokkene 1 erg onder de indruk was van het voorval wat zich uitte in gevoelens van schaamte en het doormaken van een angstige periode waarin zij zowel de boosheid van haar ouders als een toevallige ontmoeting met de nabij haar wonende verdachte vreesde. Zij sliep enige tijd slecht en durfde niet alleen te zijn. Het enkele feit dat zij ruim zeven jaar later heeft verklaard niet al te veel last te hebben gehad doet niet af aan de vaststelling van het hof dat Betrokkene 1 als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de immateriële schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij Betrokkene 1

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Betrokkene 1 ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) wegens immateriële schade, vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 399,- en veroordeelt de verdachte om deze bedragen tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Betrokkene 1 een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.S. Arnold, mr. R.J.F. Thiessen en mr. J.A. Peters, in tegenwoordigheid van mr. W. Blaak, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 april 2013.

Mr. Peters is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.