Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8568

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
200.035.905/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Legden de leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer? Berekening volgens het zogenoemde 'hofmodel'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V. (voorheen Dexia Bank Nederland N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam

t e g e n

1. [ GEÏNTIMEERDE sub 1 ],

2. [ GEÏNTIMEERDE sub 2 ],

beiden wonend [ woonplaats ],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. P.A. aan de Kerk te Nijmegen.

De partijen worden hierna Dexia, [ geïntimeerde sub 1 ] en [ geïntimeerde sub 2 ] genoemd. Geïntimeerden worden gezamenlijk met [ geïntimeerden ] aangeduid.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 3 december 2008 is Dexia in hoger beroep gekomen van een vonnis van de ¬rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (verder: de kantonrechter) van 17 september 2008, in deze zaak onder zaak-/rolnum¬mer 817152 DX EXPL 06-3513 gewezen tussen haar als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie en [ geïntimeerden ] als eisers in conventie en verweerders in reconventie.

Dexia heeft bij memorie drie grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, bewijs aangeboden, producties overgelegd en haar eis verminderd, met conclusie zoals omschreven in de memorie van grieven.

Daarop hebben [ geïntimeerden ] bij memorie de grieven bestreden, bewijs aangeboden, producties overgelegd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van Dexia en tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van Dexia in het geding (naar het hof begrijpt) in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens hebben [ geïntimeerden ] bij akte aanvullende producties in het geding gebracht.

Dexia heeft zich bij akte uitgelaten over de door [ geïntimeerden ] bij memorie van antwoord en bij de hiervoor genoemde akte overgelegde producties, onder overlegging van een productie.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.6, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aange¬merkt. Daaromtrent bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Beoordeling

3.1. Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. [ geïntimeerden ] hebben door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW (tij¬dig) laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde overeen¬komst - de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebonden willen zijn. Uitgangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat de verbindendverklaring van de overeenkomst ten aanzien van hen geen gevolg heeft, zodat die overeenkomst hen niet bindt.

3.2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.3. [ geïntimeerden ] zijn op of omstreeks 12 mei 2000 drie leaseovereenkomsten aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna ook: “Dexia”). Het betreft twee leaseovereenkomsten met de nummers [ nummer 1 ] en [ nummer 2 ], genaamd “Profit Effect Maandbetaling” en één leaseovereenkomst met nummer [ nummer 3 ] genaamd “Profit Effect Vooruitbetaling” (hierna gezamenlijk te noemen: de leaseovereenkomsten). De leaseovereenkomsten hebben een looptijd van 120 maanden.

3.4. Op grond van de leaseovereenkomst hebben [ geïntimeerden ] bedragen van Dexia geleend. Daarmee zijn aandelen aangekocht die [ geïntimeerden ] van Dexia hebben geleased. Over het geleende bedrag waren [ geïntimeerden ] rente ver¬schuldigd.

3.5. De overeenkomsten zijn inmiddels beëindigd. Na de verkoop van de aandelen bedroeg de restschuld € 2.302,79 (contract [ nummer 1 ]), € 2.266,36 (contract [ nummer 3 ]), respectievelijk € 2.268,14 (contract [ nummer 2 ]), dat is totaal € 6.837,29. [ geïntimeerden ] hebben de restschuld niet voldaan.

3.6. [ geïntimeerden ] hebben Dexia gedagvaard en in conventie gevorderd zoals omschreven in het bestreden vonnis onder 2.1. Dexia heeft in reconventie gevorderd [ geïntimeerden ] te veroordelen tot betaling van de restschuld onder de leaseovereenkomsten, met rente. De kantonrechter heeft in conventie, uitvoerbaar bij voorraad, Dexia veroordeeld om aan [ geïntimeerden ] ter zake van de leaseovereenkomsten € 1.529,23 (contract [ nummer 1 ]), € 1.464,02 (contract [ nummer 3 ]), respectievelijk € 1.562,68 9contract [ nummer 2 ]) te betalen, met rente alsmede Dexia veroordeeld mee te werken aan de ongedaanmaking van de registratie bij het BKR te Tiel. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. In reconventie heeft de kanton¬rechter de vordering van Dexia afgewezen. Dexia is veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie.

3.7. Grief I strekt ten betoge dat het bestreden vonnis, dat gebaseerd is op het zogenoemde categoriemodel, niet in stand kan blijven. Door de richtinggeven¬de arresten van dit hof van 1 december 2009 (LJN: BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), waarmee het hof een nadere invulling heeft gegeven aan de normen die de Hoge Raad heeft geformuleerd bij arresten van 5 juni 2009 (LJN: BH2811, BH2815 en BH2822), en die de Hoge Raad bij arresten van 29 april 2011 (LJN: BP4012 en BP4003) heeft bevestigd, is het categorie¬model achterhaald, aldus Dexia. Zij heeft daarbij ook betrokken dat bij de toepassing van het categoriemodel de maandtermijnen vanaf de zestigste termijn integraal voor rekening van Dexia blijven.

3.8. De grief slaagt. In het categoriemodel worden de betaalde (rente)termijnen steeds beschouwd als schade die voor gedeel¬telijke vergoeding in aanmerking komt, ook als de betalingsver¬plichtingen naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer legden. In de door Dexia genoemde arresten – waarvan [ geïntimeerden ] in hun verweer niet hebben betwist dat die ook in hun geval moeten worden toegepast – wordt onderscheid gemaakt tussen de reeds betaalde rente en aflossing enerzijds en de restschuld anderzijds. Alleen indien ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten de betalings¬verplichtingen naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer legden, komt een deel van de betaalde rente en aflossing voor vergoeding in aanmerking. Als van een dergelijke onaanvaardbare financiële last geen sprake is, komt alleen een deel van de restschuld in aanmerking voor schadevergoeding. Hieruit volgt dat in aansluiting op de stellingen van [ geïntimeerden ] (zie hierna) vastgesteld moet worden of de leaseovereenkomsten ten tijde van het sluiten daarvan een onaanvaardbaar zware financiële last voor hen mee¬brachten. Bij de vaststelling daarvan hanteert dit hof een algemene for¬mule, door Dexia aangeduid als het Hofmodel. De toepassing van het Hofmodel leidt tot een andere uitkomst dan het door de kan¬tonrechter toegepaste categoriemodel, als gevolg waarvan het bestreden vonnis niet in stand kan blijven.

3.9. Voorts heeft dit hof in zijn arresten van 1 december 2009 overwogen dat er geen grond is om in navolging van de kantonrechter bij de vermindering van de vergoedingsplicht van Dexia betalingen gedaan na de zestigste maand van de looptijd van de betrokken leaseovereenkomsten anders te benaderen dan eerdere betalingen. Niet kan immers worden gezegd dat schade bestaande in betaalde rente en betaalde aflossingen na de zestigste maand, in mindere mate dan eerder gedane betalingen kan worden toegeschreven aan omstandigheden die aan de weder¬partij van Dexia zijn toe te rekenen. Evenmin verplicht de billijkheid tot een andere benadering van zulke betalingen. Ook om die reden kan het vonnis niet in stand blijven.

3.10. Met grief II betwist Dexia gemotiveerd (zie de berekening die als productie 19 bij memorie van grieven in het geding is gebracht) dat de leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [ geïntimeerden ] legden. [ geïntimeerden ] hebben deze berekening bestreden.

3.11. Met betrekking tot deze berekening overweegt het hof als volgt. Bij haar akte heeft Dexia zich geconformeerd aan de door [ geïntimeerden ] gestelde netto woonlasten voor een bedrag van € 337,17 (factor W van het Hofmodel). Van dit bedrag zal dan ook worden uitgegaan.

3.12. Met betrekking tot de verplichtingen uit de leaseovereenkomsten waarop de gestelde niet-nakoming van de onderzoeksplicht betrekking heeft (factor A van het Hofmodel) hebben partijen het volgende naar voren gebracht. Volgens [ geïntimeerden ] bedraagt het totaal van de leasesommen 3 x € 10.084,00 = € 30.252,00. Verdeeld over de looptijd van 120 maanden levert dat totaal een maandlast op van € 252,10 (€ 30.252,00 : 120). Dexia heeft in haar berekening van factor A rekening gehouden met de vooruitbetaling van de eerste termijnen onder contract [ nummer 3 ]. In dat verband is aan [ geïntimeerden ] een korting verleend. Voor dit contract heeft Dexia een maandlast berekend van € 82,64 en voor de beide andere € 84,03. Ter vergelijking constateert het hof dat dit totaal iets lager is dan [ geïntimeerden ] hebben berekend, namelijk € 250,70. Dexia heeft het gelijk aan haar zijde. Met de verleende korting zal het hof bij de berekening van de maandlast (factor A van het Hofmodel) rekening houden.

3.13. In geschil zijn verder de totale lasten uit overige kredietovereenkomsten (factor C van het Hofmodel). Uitgangspunt is dat de financiële verplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten moeten worden meegewogen door deze op het besteedbare netto maandinkomen in mindering te brengen, aangezien zulke verplichtingen de bestedingsruimte beperken. Het gaat daarbij om daadwerkelijk bestaande rente- en aflossingsverplichtingen. [ geïntimeerden ] stellen in dit verband dat zij een lening bij Wehkamp hadden waarop zij € 84,00 per maand aflosten. Verder hadden zij een kredietovereenkomst bij Finita Bank N.V. op grond waarvan zij gemiddeld ƒ 536,00 (€ 243,23) per maand betaalden. Tot slot stellen [ geïntimeerden ] dat zij een lening bij Axent N.V. met ƒ 5.000,00 hebben verhoogd om de verplichtingen voortvloeiende uit de leaseovereenkomsten te kunnen financieren. Dit leidde tot een extra maandlast van (omgerekend) € 18,91 per maand. Dexia heeft een en ander betwist.

3.14. Met betrekking tot de gestelde kredietovereenkomst die [ geïntimeerden ] met Wehkamp zouden hebben gesloten, overweegt het hof het volgende. Uit de door [ geïntimeerden ] overgelegde rekeningafschriften volgt dat [ geïntimeerden ] op 14 februari 2000 een bedrag van ƒ 50,00, op 21 maart 2000 ƒ 53,71 en op 10 november 2000 ƒ 68,75 per acceptgiro aan Wehkamp hebben betaald. De laatstgenoemde betaling dateert van na het sluiten van de leaseovereenkomsten. Het betreft betalingen van drie verschillende bedragen, het gaat om andere bedragen dan het door [ geïntimeerden ] genoemde bedrag van € 84,00 en bovendien is niet concreet toegelicht waarop deze betalingen betrekking hebben gehad. Daarnaast hebben [ geïntimeerden ] een saldo-overzicht van Wehkamp overgelegd. Daarin staat wel een termijnbedrag van € 84,00 vermeld, maar dit overzicht betreft de periode van 10 september 2007 tot 15 oktober 2007. Dat is meer dan 7 jaar na het aangaan van de leaseovereenkomsten. Met Dexia is het hof van oordeel dat [ geïntimeerden ] onvoldoende gemotiveerd hebben gesteld dat zij een bestaande kredietovereenkomst hadden met Wehkamp op grond waarvan zij een daadwerkelijke aflossings- en/of renteverplichting hadden van € 84,00 per maand. Dit door [ geïntimeerden ] opgevoerde bedrag zal het hof daarom buiten beschouwing laten.

3.15. Dexia heeft de door [ geïntimeerde sub 1 ] gestelde rentelasten uit de kredietrelatie met Finita Bank N.V. en Axent N.V. gemotiveerd bestreden. Dexia meent dat voor deze overeenkomsten € 159,34, respectievelijk € 12,56 per maand in aanmerking kan worden genomen, in plaats van de door [ geïntimeerden ] gestelde € 243,23, respectievelijk € 18,91 per maand. Voor het overige verschillen partijen niet van mening ten aanzien van de verplichtingen die de bestedingsruimte van [ geïntimeerden ] zouden kunnen beperken.

3.16. Wat verder de berekening volgens het Hofmodel betreft, overweegt het hof dat Dexia in haar berekeningen uitgaat van een hoger netto maandinkomen (€ 2.076,42) dan door [ geïntimeerden ] worden gesteld (€ 1.971,98). Verder heeft Dexia de draagkracht van [ geïntimeerden ] met € 47,85 per maand verhoogd, omdat Dexia aanneemt dat zij over eigen vermogen beschikten. [ geïntimeerden ] stellen dat zij destijds geen eigen vermogen hadden.

3.17. Het hof overweegt dat als met [ geïntimeerden ] wordt aangenomen dat hun netto inkomen in 2000 € 1.971,98 per maand bedroeg, de bestedingsnorm volgens het Hofmodel uitkomt op € 1.275,25 (1,1 x € 1.031,00 + 0,15 x (€ 1.971,98 – € 1.031,00)). Als verder ervan wordt uitgegaan dat de rentelasten van [ geïntimeerden ] uit de kredietovereenkomsten met Finita Bank N.V. en Axent N.V. zijn zoals door [ geïntimeerden ] wordt gesteld (totaal € 262,14) en de correctie die Dexia op de draagkracht van [ geïntimeerden ] heeft toegepast wegens eigen vermogen buiten beschouwing wordt gelaten, leidt dat niet tot de conclusie dat voor de leaseovereenkomsten een risico op een onaanvaardbare zware financiële last aanwezig was. Uitgaande van deze, voor [ geïntimeerden ] meest gunstige, vooronderstellingen was volgens het Hofmodel in alle gevallen de draagkracht (€ 1.283,98) hoger dan de bestedingsnorm (1.275,25). Dit leidt ertoe dat de hiervoor in r.o. 3.14 en 3.15 genoemde verschillen in de door partijen aangedragen berekeningen verder in het midden kunnen blijven.

3.18. Met het voorgaande slaagt grief II. Aangenomen moet worden dat de leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting geen onaanvaard¬baar zware financiële last op [ geïntimeerden ] legden. Daaruit volgt dat Dexia niet is gehouden tot (gedeeltelijke) vergoeding van de betaalde (ren¬te)termijnen. Daarentegen is Dexia wel gehouden om [ geïntimeerden ] tweederde van de restschuld te vergoeden.

3.19. De berekening van Dexia van de schadevergoeding, die inhoudelijk niet is betwist, luidt als volgt (zie ook productie 19 bij memorie van grieven):

restschuld overeenkomst [ nummer 1 ] € 2.302,79

vergoeding: 66,67% € 1.535,27

voor rekening [ geïntimeerden ]: 33,33% € 767,52

reeds betaald of verrekend € 53,52

[ geïntimeerden ] moeten aan Dexia betalen: € 714,00

restschuld overeenkomst [ nummer 3 ] € 2.266,36

vergoeding: 66,67% € 1.510,98

voor rekening [ geïntimeerden ]: 33,33% € 755,38

reeds betaald of verrekend € 107,04

[ geïntimeerden ] moeten aan Dexia betalen: € 648,34

restschuld overeenkomst [ nummer 2 ] € 2.268,14

vergoeding: 66,67% € 1.512,17

voor rekening [ geïntimeerden ]: 33,33% € 755,97

[ geïntimeerden ] moeten aan Dexia betalen: € 755,97

Totaal: € 2.118,31

3.20. Totaal zijn [ geïntimeerden ] gehouden € 2.118,31 aan Dexia te betalen. Dexia vordert wettelijke rente vanaf 11 juli 2006, dat is de datum van de eindafrekening van de leaseovereenkomsten. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 25 juli 2006, dat is veertien dagen na de door Dexia gestelde datum waarop de eindafrekening is opgesteld.

3.21. Met grief III bestrijdt Dexia het oordeel van de kanton¬rechter dat Dexia wettelijke rente verschuldigd is vanaf de data waarop [ geïntimeerden ] de betalingen aan Dexia heeft verricht. Nu Dexia niet gehouden is tot (gedeeltelijke) vergoeding van de betaalde (rente)termijnen heeft zij geen belang bij de behan¬deling van deze grief.

3.22. Hetgeen [ geïntimeerden ] in eerste aanleg hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun eis kan niet leiden tot een andere beoordeling.

3.23. Nu door partijen geen feiten en/of omstandigheden zijn aangevoerd die – indien bewezen – tot een ander oordeel kunnen leiden, dient de door hen gedane bewijsaanbiedingen als niet terzake dienend te worden gepasseerd.

3.24. Bij de memorie van grieven heeft Dexia gevorderd [ geïntimeerden ] te veroordelen tot terugbetaling van € 6.990,67. Dat is het bedrag dat Dexia ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [ geïntimeerden ] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2008, de dag van betaling. De vordering tot terugbeta¬ling zal als verder onbestreden worden toegewezen.

4. Slotsom en kosten

4.1. De slotsom van het bovenstaande is dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vorderingen van Dexia zullen worden toegewezen zoals hierna zal worden vermeld.

4.2. Partijen zijn in eerste aanleg elk deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom de kosten van het geding in eerste aanleg tussen partijen compenseren, zodat elk de eigen kosten zal dragen. Dexia heeft in hoger beroep als de grotendeels in het gelijk gestelde partij te gelden. Dat brengt mee dat [ geïntimeerden ] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, inclusief de nakosten, met bepaling dat daarover wette¬lijke rente verschuldigd zal zijn vanaf veertien dagen na de betekening van het arrest tot de dag van voldoening.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep zoals dat in conventie en in reconventie tussen partijen is gewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [ geïntimeerden ] aan Dexia te betalen een bedrag van € 2.118,31, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2006 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt [ geïntimeerden ] om aan Dexia (terug) te betalen een bedrag van € 6.990,67, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2008 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst af het anders of meer gevorderde;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg in conventie en reconventie aldus dat partijen elk de eigen kosten dragen;

veroordeelt [ geïntimeerden ] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kan van Dexia gevallen, op € 347,44 aan verschotten en € 948,00 aan salaris advocaat en op € 131,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen met € 68,00 voor nasalaris advocaat en met de kosten van het betekenings¬exploot, in het geval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, almede met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf veertien dagen na de betekening van dit arrest;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar en J.W. Hoekzema en op 26 februari 2013 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.