Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8562

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
200.103.518/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2740, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige aangifte. Iemand doet via zijn Roemeense advocaat aangifte van oplichting bij de Roemeense autoriteiten, stellende dat hij is opgelicht door de tolk die hij heeft ingeschakeld in verband met een conflict over in Roemenië gelegen onroerende zaken. Het hof oordeelt dat de aangever onrechtmatig jegens de tolk heeft gehandeld en wijst immateriële schadevergoeding van € 5.000 toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.103.518/01

rol-/zaaknummer rechtbank Amsterdam : 478329 / HA ZA 10-4040

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 maart 2013

inzake

[ APPELLANTE ],

wonend te [ woonplaats ],

appellante,

advocaat: mr. J. [ appellante ] te Amsterdam,

tegen

[ GEÏNTIMEERDE ],

wonend te [ woonplaats ],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.A. van der Sluijs te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 De partijen worden hierna [ appellante ] en [ geïntimeerde ]genoemd.

1.2 [ appellante ] is bij dagvaarding van 1 maart 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 februari 2012, in deze zaak onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen haar als eiseres in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie, en [ geïntimeerde ]als gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie. De dagvaarding bevat eiswijzigingen en grieven tegen het bestreden vonnis en is ingediend met producties.

1.3 Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- akte van 13 maart 2012 zijdens [ appellante ], met eiswijzigingen en producties;

- akte van 11 september 2012 zijdens [ appellante ], met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

1.4 Partijen hebben de zaak ter zitting van 4 maart 2013 doen bepleiten door hun advocaten. Van beide zijden zijn daarbij pleitnotities overgelegd. Voorts zijn partijen in persoon verschenen en hebben zij het woord gevoerd.

1.5 Ten slotte is arrest gevraagd.

1.6 [ appellante ] heeft, na eiswijzigingen, geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis zal vernietigen en [ geïntimeerde ]zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 50.000,00 aan immateriële schadevergoeding, met rente, met veroordeling van [ geïntimeerde ]in de kosten van het geding in beide instanties, met de beslagkosten, en tot terugbetaling van de ter uitvoering van het bestreden vonnis betaalde bedragen voor proceskosten en nasalaris, met rente.

[ geïntimeerde ]heeft geconcludeerd dat het hof de vorderingen van [ appellante ] zal afwijzen, met haar veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep.

1.7 [ geïntimeerde ]heeft in hoger beroep bewijs aangeboden.

2. Beoordeling

2.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder rov. 2.1 tot en met 2.9 een aantal feiten vastgesteld. Grief VI is gericht tegen een deel van de feitenvaststelling. Het hof zal daarmee rekening houden. Voor het overige zijn de vastgestelde feiten niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof tot uitgangspunt.

2.2 Tussen partijen staat het volgende vast.

2.2.1 [ appellante ] is beëdigd gerechtstolk/vertaler in de Roemeense, Engelse, Franse en Italiaanse talen. Zij is lid van het Nederlands Genootschap van Tolken en Vertalers (NGTV) en als zodanig werkzaam voor Justitie in Amsterdam, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, het Landelijk Parket en de Koninklijke Marechaussee.

2.2.2 Ene [ X ] heeft jarenlang opdrachten van [ geïntimeerde ]uitgevoerd tot onderhoud en herstel van aan [ geïntimeerde ]toebehorende onroerende zaken in Roemenië.

2.2.3 [ geïntimeerde ]is verwikkeld geraakt in een geschil met [ X ] . [ geïntimeerde ]heeft op advies van [ X ]onroerende zaken gekocht, gelegen in Herculane, Roemenië. [ X ]is daarbij opgetreden als vertegenwoordiger van [ geïntimeerde ] . [ geïntimeerde ]heeft in dat kader € 330.000,- aan [ X ]betaald. Achteraf is gebleken dat [ X ][ geïntimeerde ]heeft opgelicht, in samenwerking met ene [ Y ] en diens vrouw.

[ X ]heeft de door [ geïntimeerde ]gekochte onroerende zaken op zijn eigen naam en op naam van [ Y ] laten zetten en heeft geweigerd de zaken aan [ geïntimeerde ]te leveren.

2.2.4 Op vordering van [ geïntimeerde ]heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 12 april 2007 in een tegen [ X ]aangespannen kort geding [ X ]bevolen om notarieel verleden akten aan [ geïntimeerde ]ter beschikking te stellen waarbij [ X ][ geïntimeerde ]machtigt hem te vertegenwoordigen bij de uitoefening van alle rechten met betrekking tot de onroerende zaken en bij de uitoefening van alle rechten die [ X ]met betrekking tot de zaken jegens [ Y ] en diens echtgenote kan ontlenen aan een overeenkomst van

23 februari 2006. Ter uitvoering van dit vonnis is bij notariële akte van 27 april 2007 een volmacht verstrekt.

2.2.5 De Roemeense notaris bleek niet zonder meer bereid om op basis van voornoemde stukken een akte van overdracht van de onroerende zaken aan [ geïntimeerde ]te passeren. Hij heeft [ geïntimeerde ]verzocht in persoon te verschijnen.

2.2.6 In juli 2007 is [ appellante ] door mr. G.J. Kemper, advocaat te Amsterdam, ingeschakeld als tolk in de Roemeense taal in verband met de kwestie tussen [ geïntimeerde ]en [ X ] .

2.2.7 [ geïntimeerde ]heeft, met [ appellante ], in de perioden van 18 tot 22 september 2007 en van 8 tot 13 oktober 2007 Roemenië bezocht om te trachten door tussenkomst van de Roemeense notaris de onroerende zaken op zijn naam gesteld te krijgen. De notaris heeft een aantal notariële akten verleden.

2.2.8 Op 9 oktober 2009 heeft een door [ geïntimeerde ]ingeschakelde advocaat een geschrift opgesteld in de Roemeense taal (in navolging van partijen zal het hof dit geschrift verder aanduiden als: de aangifte). In de aangifte heeft de advocaat weergegeven wat hij had begrepen uit de in de Engelse taal aan hem verstrekte mededelingen van [ geïntimeerde ] . De aangifte is ondertekend door [ geïntimeerde ]en ingediend bij de Roemeense autoriteiten.

In beëdigde vertaling uit het Roemeens (waarbij de naam van [ appellante ] onzichtbaar is gemaakt voor de vertaler) vermeldt de aangifte het volgende (alineanummers toegevoegd door het hof):

"Aan DIICOT (Directie Onderzoek Misdrijven van Georganiseerde Criminaliteit en Terrorisme) - Territoriale Dienst Timisoara

Geachte heer Officier van Justitie,

De ondergetekende [ geïntimeerde ] , in deze zaak woonplaats kiezende te [ woonplaats ]

STRAFRECHTELIJKE KLACHT

1. Jegens de plegers van het betrokken feit [ Y ] , diens echtgenote [ Y ] , beiden wonende te Caransebes, strada M. Viteazu nr. 13, blok 1, trap C, app. nr. 2, District Caras Severin, [ neef ](de neef van [ Y ]) met als bijnaam PIPARCA en [ X ], met de Nederlandse nationaliteit, wonende te Nederland, [ adres ], en …………… (hof: [ appellante ]), met de Nederlandse nationaliteit, wonende te Nederland, ................., wegens het plegen van het misdrijf van oplichting, het zich verenigen met het oog op het plegen van misdrijven en diefstal, als bedoeld en strafbaar gesteld in de artt. 215, 323 en 208 (Roemeens) Wetboek van Strafrecht.

2. Wat betreft de feiten, heeft de ondergetekende de Nederlandse nationaliteit en had hij de bedoeling een investering te doen in Roemenië. Met het oog op dit doel heb ik een beroep gedaan op de in mijn dienst zijnde werknemer, de pleger [ X ] . Door tussenkomst van deze heb ik kennisgemaakt met de plegers [ Y ] en diens echtgenote.

In de periode oktober-november 2005 heb ik [ X ]naar de plaats Baile Herculane gestuurd om onroerende goederen (gebouwen) en grond te zoeken om die voor mij aan te kopen. Deze heeft samen met de pleger [ Y ] mij ertoe gebracht het onroerend goed in Herculane aan de strada Castanilor nr. 14-16 te kopen. Zij hebben mij misleid door mij een verkeerde voorstelling van zaken te geven volgens welke de prijs van het onroerend goed zeer voordelig was, en het onroerend [goed] geschikt zou zijn voor het doen van een voordelige transactie.

Nadat zij mij overtuigd hadden dat dit onroerend goed een winstgevende handel voor mij zou inhouden, hebben ze mij gezegd dat ik, omdat ik een buitenlander ben, dat onroerend goed niet als natuurlijk persoon kon kopen en dat het noodzakelijk was een onderneming op te richten. Ik was daarmee akkoord en gaf hun alle benodigde documenten en het geld voor de aankoop van het onroerend goed.

Later, toen ik wilde zien wat er met het aangekochte onroerend goed en de opgerichte onderneming was gebeurd, heb ik tot mijn ontzetting vastgesteld dat het onroerend goed was aangekocht op naam van de plegers en helemaal niet op mijn naam of op die van een onderneming, waarvan ik de vennoot zou zijn.

Tevens heb ik vernomen dat ik, doordat ik misleid was door de plegers, de dubbele prijs heb betaald voor het onroerend goed in Herculane, terwijl de plegers zich het verschil in geld hebben toegeëigend. Om precies te zijn, heb ik het bedrag van 320.000 Euro betaald, terwijl het onroerend goed in werkelijkheid 150.000 Euro heeft gekost.

Omdat ik mij in een dergelijke situatie bevond, zag ik mij genoodzaakt bij het gerecht in Nederland een geding aan te spannen. Hierin is een gerechtelijk vonnis uitgesproken dat onherroepelijk is geworden en volgens dit vonnis worden de plegers verplicht het onroerend goed op mijn naam te zetten. Dit vonnis is als bijlage aan deze strafklacht gehecht. Dit gerechtelijk vonnis spreekt de schuld uit van de plegers en bewijst hun bedoeling om te bedriegen evenals het bestaan van de schade. Het feit dat dezen zich hebben geschikt in het vonnis (hoewel het geen contradictoir vonnis was met betrekking tot de plegers [ Y ] ) komt praktisch overeen met hun erkenning van de oplichting en de veroorzaakte schade.

3. In dit verband wil ik erop wijzen dat, hoewel het onroerend goed nu op mijn naam staat en een deel van de schade is teruggehaald, er nog steeds materiële aspecten van de boven beschreven misdrijven bestaan.

Direct na de aankoop van het onroerend goed hebben de plegers mij ervan overtuigd dat het onroerend goed dringend diende te worden gerenoveerd omdat spoedig het toeristenseizoen zou beginnen. Daarvoor heb ik, door tussenkomst van de plegers, 4 machines voor houtbewerking naar Herculane gestuurd. Zij hebben die aanvankelijk naar Herculane gebracht om bij mij geen argwaan te wekken, maar daarna hebben ze die zonder mijn toestemming weggenomen, terwijl ze tot heden niet meer terug in mijn bezit zijn gekomen en de plegers hiervoor verschillende argumenten hebben aangevoerd.

Gedurende de gehele periode hebben ze mij ertoe gebracht talloos veel geldbedragen te sturen voor allerlei soorten fictieve kostenposten. Maar de plegers hebben zich niet beziggehouden met enig herstelwerk aan het onroerend goed en de ontwikkeling van een zakelijke onderneming in mijn belang, maar hebben het door mij gestuurde geld uitsluitend aangewend voor hun persoonlijke doelen.

4. Ik verklaar dat het voor mij duidelijk is dat ik mij als civiele partij stel voor het bedrag dat ik teveel heb betaald voor het onroerend goed ten bedrage van 170.000 Euro en voor het bedrag van 200.000 Euro dat alle geldsbedragen vertegenwoordigt die ik heb verstrekt aan de plegers van de strafrechtelijke feiten voor de aankoop van uitrusting en andere fictieve kostenposten, evenals alle kosten die ik heb gemaakt om het onroerend goed weer in mijn bezit te krijgen.

5. Ook verklaar ik dat de plegers met betrekking tot grote delen van de geldsbedragen, die ik hen heb verstrekt, beweren dat die in Timisoara zijn betaald voor diverse materialen, handelsgoederen en uitrusting en voorts verklaar ik dat ik die nooit heb ontvangen. De gesprekken waarin ik ben bedrogen, hebben meerdere malen zowel in Timisoara als in het district Caras Severin plaatsgevonden, naast telefoongesprekken wanneer ik mij in Nederland bevond.

6. Met betrekking tot de pleger ...................... (hof: [ appellante ]) verklaar ik dat zij door ondergetekende in dienst was genomen als vertaalster en als gemachtigde van de ondergetekende. Echter, in plaats van dat zij de volmacht gebruikte om toe te zien op het respecteren van mijn belangen, heeft zij gebruikmakend van het feit dat ik de Roemeense taal niet kende, samengewerkt met de andere plegers met hetzelfde criminele voornemen en gericht op hetzelfde doel, om mij te bedriegen en geld te verkrijgen van ondergetekende.

7. Met betrekking tot de pleger [ neef ] verklaar ik dat hij alle andere plegers kent en dat hij mij de eerste maal heeft laten kennismaken met [ Y ] , waarbij hij die aan mij voorstelde als een betrouwbare man die een echte zakenpartner zou kunnen zijn. Ik heb begrepen dat hij een aandeel kreeg van de winst die [ Y ] behaalde, met inbegrip van de zaken met ondergetekende.

Later heb ik vernomen dat dit lid van de criminele groep zich, ook in relatie met de andere plegers, tevens bezighoudt met internationale mensenhandel en internationale drugshandel tussen Amsterdam, Timisoara en Caras Severin.

In rechte, artt. 215, 323 en 208 (Roemeens) Wetboek van Strafrecht."

2.2.9 Een brief van 27 oktober 2010 van het Openbaar Ministerie van Roemenië aan [ appellante ] vermeldt in vertaling:

"Aan [ appellante ] (…):

Hierbij maken wij u bekend dat bij bovengenoemd dossiernummer is beschikt dat krachtens

artikel 210 1ste alinea van het Wetboek van Strafvordering en de artikel[en] 42 en 45 van het

Wetboek van Strafvordering de afhandeling van deze zaak is verwezen naar het Parket bij de

Rechtbank Caras Severin in verband met het plegen van de strafbare feiten voorzien en strafbaar gesteld in de artikelen 215 5de alinea, 208 1ste alinea van het Wetboek van Strafrecht onder toepassing van artikel 33 lid a van het Wetboek van Strafrecht."

2.2.10 Op 22 december 2010 heeft [ appellante ] beslag doen leggen op de aan [ geïntimeerde ]in mede-eigendom toebehorende appartementsrechten betreffende [ adres ] te [ plaatsnaam ].

2.2.11 Bij brief van 2 februari 2011 heeft het Openbaar Ministerie van Roemenië [ appellante ] bericht haar niet te zullen vervolgen.

2.3 In dit geding heeft [ appellante ] oorspronkelijk schadevergoeding gevorderd van € 99.000,00, met rente, en verdere schadevergoeding, op te maken bij staat, op grond van haar stellingen dat [ geïntimeerde ]onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de aangifte in te dienen en dat zij daardoor schade heeft geleden.

2.4 [ geïntimeerde ] heeft ten verwere onder meer aangevoerd dat hij, samengevat, de volgende objectieve aanknopingspunten had om aangifte tegen [ geïntimeerde ]te doen:

- [ appellante ] is meegenomen als tolk, maar heeft zich gepresenteerd als gemachtigde van [ geïntimeerde ]en als zakenvrouw;

- [ appellante ] heeft voorafgaand aan de eerste reis naar Roemenië al een tweede reis gepland, terwijl de noodzaak daartoe pas later bleek;

- [ appellante ] heeft een lijst opgesteld van betalingen die [ geïntimeerde ]aan [ Y ] zou moeten doen, maar voor die betalingen bestond geen grond;

- [ appellante ] heeft zich gepresenteerd als advocaat;

- de door tussenkomst van [ appellante ] bereikte oplossing was een schijnoplossing;

- [ appellante ] zou de tenaamstelling bij de gemeentelijke belastingen en het kadaster hebben gewijzigd, maar bleek dat niet te hebben gedaan;

- [ appellante ] heeft geprobeerd zich vergaand met de verdere afhandeling te bemoeien, onder meer door potentiële kopers te suggereren;

- alle contacten met de notaris en de wederpartij liepen via [ appellante ];

- de Roemeense advocaat die de aangifte heeft opgesteld, heeft [ geïntimeerde ]geadviseerd [ appellante ] in de aangifte te betrekken en aldus haar rol te laten onderzoeken.

2.5 De rechtbank heeft het indienen van de aangifte niet onrechtmatig geacht jegens [ appellante ] en de vordering derhalve afgewezen. In voorwaardelijke reconventie heeft de rechtbank de in opdracht van [ appellante ] ten laste van [ geïntimeerde ]gelegde beslagen opgeheven. Het hoger beroep is gericht tegen deze beslissingen.

2.6 De strafbare rol die de steller van de aangifte aan [ appellante ] toedicht, staat met name beschreven in alinea 6 van de aangifte. In deze alinea wordt verwezen naar "hetzelfde criminele voornemen" en "hetzelfde criminele doel" als die van "de andere plegers", zonder dat enige beperking van de rol van [ appellante ] wordt beschreven. Aldus ontstaat bij de objectieve lezer de indruk dat [ appellante ] volgens de aangifte van de aanvang af als medepleegster betrokken is geweest bij alle strafbare feiten die in de alinea's 1 tot en met 5 van de aangifte staan beschreven. Deze indruk wordt versterkt doordat in alinea 4 de schade van [ geïntimeerde ]wordt begroot op € 170.000,00 als het teveel voor het onroerend goed betaalde, vermeerderd met € 200.000,00 voor de andere beschreven posten, waarbij [ geïntimeerde ]zich kennelijk zonder beperking voor het totale schadebedrag tegenover alle "plegers" als civiele partij stelt en dat in alinea 6 het gestelde doel van [ appellante ] om "geld te verkrijgen" van [ geïntimeerde ]evenmin op enige wijze wordt genuanceerd of beperkt. Alinea 7 vermeldt dat [ neef ] "alle andere plegers" kent en dat "dit lid van de criminele groep zich, ook in relatie met de andere plegers, tevens bezighoudt met internationale mensenhandel en internationale drugshandel". Aldus ontstaat bij de objectieve lezer de indruk dat volgens de aangifte ook [ appellante ] lid is van de criminele groep en zich samen met de andere "plegers" bezighoudt met internationale mensenhandel en internationale drugshandel.

2.7 [ appellante ] heeft de feitelijke juistheid bestreden van de hiervoor in rov. 2.4 weergegeven "objectieve aanknopingspunten". Wat daarvan zij, ook indien die aanknopingspunten feitelijk juist zijn, vormen zij een onvoldoende feitelijke basis voor een redelijk vermoeden dat [ appellante ] een zo grote strafbare rol heeft gespeeld als hiervoor in rov. 2.6 staat beschreven. [ geïntimeerde ]heeft ook niet gesteld dat hij een zo grote rol bij [ appellante ] vermoedde als hiervoor in rov. 2.6 staat beschreven. Hij stelt zich niet op het standpunt dat hij [ appellante ] ervan verdacht dat zij al in 2005 of 2006 bij de zaak was betrokken of dat zij de overige betrokkenen al kende voordat zij door hem werd ingeschakeld. De aangifte wekt echter wel die indruk.

2.8 De zorgvuldigheid die een aangever in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens degene die in de aangifte als verdachte wordt aangemerkt, brengt mee dat de aangever zich voldoende moeite getroost om zich ervan te vergewissen dat een namens hem ingediende aangifte geen beschuldigingen bevat van gedragingen waarvan de aangever de verdachte niet verdenkt en geen beschuldigingen van gedragingen waarvoor een voldoende feitelijke basis voor verdenking ontbreekt. Hoeveel moeite de aangever zich daarvoor naar maatstaven van zorgvuldigheid dient te getroosten, hangt af van de omstandigheden van het geval. In dit geval is [ geïntimeerde ]onverkort verantwoordelijk voor de inhoud van de aangifte. De omstandigheden dat niet hij, maar een advocaat de aangifte heeft opgesteld en hem heeft geadviseerd [ appellante ] in de aangifte te betrekken, en dat de tekst in het Roemeens is opgesteld, welke taal [ geïntimeerde ]niet machtig is, doen daaraan niet af. Niet is gesteld dat de advocaat hem heeft geadviseerd om [ appellante ] een verdergaande strafbare rol toe te dichten dan overeenkwam met de verdenking die [ geïntimeerde ]koesterde, nog daargelaten of dat [ geïntimeerde ]in dat geval zou kunnen baten. Evenmin is gesteld dat de advocaat [ appellante ] heeft voorgespiegeld dat de inhoud van de aangifte minder vergaand was. Indien de Roemeense volksaard in het algemeen wat opvliegender en directer is dan de Nederlandse, zoals [ geïntimeerde ]heeft gesteld, doet ook dat niet aan het voorgaande af.

2.9 Aangezien de aangifte jegens [ appellante ] beschuldigingen van gedragingen bevat waarvan [ geïntimeerde ]haar niet verdacht en waarvoor geen voldoende feitelijke basis bestond, heeft [ geïntimeerde ]onrechtmatig jegens [ appellante ] gehandeld door deze aangifte te laten indienen bij de Roemeense autoriteiten. Zij is daardoor in haar eer en goede naam geschaad en heeft daarom recht op immateriële schadevergoeding.

Aangezien [ appellante ] thans nog slechts immateriële schadevergoeding vordert, kan in het midden blijven of er wel een voldoende feitelijke basis zou hebben bestaan voor een (hypothetische) aangifte met minder vergaande beschuldigingen en of een dergelijke aangifte tot een vergelijkbare reactie van de Roemeens autoriteiten zou hebben geleid als de onderhavige aangifte. Dat had wel van belang kunnen zijn voor de vraag of [ appellante ] door de onderhavige aangifte vermogensschade heeft geleden en zo ja, hoe die schade moet worden begroot.

2.10 De hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld op € 5.000,00. Hierbij wordt in aanmerking genomen, enerzijds dat de beschuldigingen zeer grievend zijn en de aangifte, naar [ geïntimeerde ]wist of in elk geval moest begrijpen, geschikt was tot gevolg te hebben dat [ appellante ] zou worden gehinderd bij haar werkzaamheden als tolk voor justitiële autoriteiten en bij haar werkzaamheden in Roemenië, en anderzijds dat niet is gebleken dat de aangifte bekendheid heeft verkregen in ruimere kring dan bij de Roemeense autoriteiten en dat de zaak tegen [ appellante ] is geseponeerd zonder dat gesteld is dat [ appellante ] is verhoord of enig strafvorderlijk dwangmiddel op haar is toegepast.

2.11 Nu een bedrag dient te worden toegewezen, ontvalt de grondslag aan de door de rechtbank uitgesproken opheffing van het beslag.

2.12 Voor zover de grieven op het voorgaande zijn gericht, slagen zij. Voor het overige behoeven zij geen bespreking. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. [ appellante ] heeft in eerste aanleg aanmerkelijk meer gevorderd dan thans wordt toegewezen, deels ook op andere grondslag. Daarom zullen de proceskosten in eerste aanleg worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Nu een bedrag toewijsbaar wordt geacht, dient [ geïntimeerde ]wel de in opdracht van [ appellante ] gemaakte beslagkosten te dragen. [ geïntimeerde ]zal als de in hoger beroep grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep, begroot volgens het liquidatietarief, berekend naar het toegewezen bedrag. [ geïntimeerde ]zal voorts worden veroordeeld tot terugbetaling van de bedragen die [ appellante ] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan proceskosten aan hem heeft betaald, met rente zoals gevorderd.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [ geïntimeerde ]tot betaling van € 5.000,00 aan [ appellante ], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 december 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [ geïntimeerde ]in de beslagkosten ad € 542,31;

veroordeelt [ geïntimeerde ]in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [ appellante ] gevallen, op € 762,14 aan verschotten en € 1.896,00 voor salaris van de advocaat;

veroordeelt [ geïntimeerde ]tot terugbetaling aan [ appellante ] van € 3.714,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening en van € 205,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart dit arrest, wat de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, G.C.C. Lewin en A. Bockwinkel en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 26 maart 2013.