Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8541

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
23-002816-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mega Sierra, mensenhandel en schijnhuwelijken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-002816-12

datum uitspraak: 11 april 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 3 februari 2012 in de strafzaak onder parketnummer 14-810347-07 tegen

[de verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18, 21 en 28 maart 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 23 augustus 2005 tot en met 14 juni 2007, in elk geval gelegen in de periode van 1 februari 2006 tot en met 28 februari 2006 te Groningen en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een ander, genaamd [V.S.], immers heeft hij, verdachte, een of meer ke(e)r(en) een money transfer geïnd die afkomstig was van genoemde [V.S.], terwijl hij (als echtgenoot van deze vrouw, met wie hij op 23 augustus 2005 een (schijn)huwelijk was aangegaan) wist, dat die [V.S.] (gedwongen) in de prostitutie werkzaam was;

feit 2:

[G] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot en met 31 december 2004 in de gemeente Groningen en/of in de gemeente Alkmaar en/of in de gemeente Deventer en/of in de gemeente Leeuwarden en/of in de gemeente Utrecht, in ieder geval in/vanuit Nederland en/of Bulgarije en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

[A.P.] en/of [Z.C] en/of [V.L] en/of [N.G.], (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft/hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor (een) derde(n) tegen betaling en/of onder voornoemde omstandigheid/heden enige handeling heeft/hebben ondernomen waarvan die [G] en/of zijn mededader(s) wist/wisten, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [A.P.] en/of [Z.C] en/of [V.L] en/of [N.G.], zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde(n);

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de seksuele handelingen van (een) ander(en), genaamd [A.P.] en/of [Z.C] en/of [V.L] en/of [N.G.], met en/of voor (een) derde(n) tegen betaling, terwijl die [G] en/of zijn mededader(s) wist/wisten, althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [A.P.] en/of [Z.C] en/of [V.L] en/of [N.G.], zich door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) werd(en) gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding werd(en) bewogen zich beschikbaar te stellen tot het plegen van die seksuele handelingen;

en/of

[A.P.] en/of [Z.C] en/of [V.L] en/of [N.G.], (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft gedwongen dan wel door misbruik vanuit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft/hebben bewogen, die [G] en/of zijn mededader(s) uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [A.P.] en/of [Z.C] en/of [V.L] en/of [N.G.], met en/of voor (een) derde(n) te bevoordelen;

terwijl dat feit/die feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft/hebben gehad;

immers heeft die [G] en/of zijn mededader(s) met betrekking tot die [V.L.] in voornoemde periode:

(- in Bulgarije) -

- terwijl die [V.L.] zich in een zwakke economische en/of financiële en/of psychische en/of sociale positie bevond en/of die in Nederland niet bekend was en/of die onbekend was met de wijze en/of de omstandigheden waaronder er in Nederland (zelfstandig) in de prostitutie gewerkt kan worden en/of de Nederlandse en/of Engelse taal niet of nauwelijks machtig was -

* een vertrouwensband met die [V.L.] opgebouwd en/of die [V.L.] ingepalmd en/of misleid door die [V.L.] voor te spiegelen, dat zij in Nederland in de prostitutie veel geld kon verdienen en/of met dat verdiende geld dan een appartement in Bulgarije zou kunnen kopen en/of dat ze maar een maand in de prostitutie hoefde te werken om veel geld te verdienen en/of

* (per auto) met die [V.L.] een reis gemaakt van Bulgarije naar Nederland en/of

* het paspoort van die [V.L.] afgepakt en haar gedwongen naar Nederland te gaan om in de prostitutie te werken en/of

(- in Nederland -)

* die [V.L.] zich in een van die [G] en/of zijn mededader(s) afhankelijke situatie laten bevinden door haar niet te laten beschikken over haar paspoort/identiteitsdocumenten en/of

* die [V.L.] voorgehouden dat zij de door die [G] en/of zijn mededader(s) gemaakte kosten diende terug te betalen en/of

* die [V.L.] in de prostitutie laten werken en/of

* een woonadres en/of een werkplek voor die [V.L.] geregeld en/of laten regelen en/of

* die [V.L.] van/naar haar werkplek gebracht/opgehaald en/of laten brengen en/of laten ophalen en/of

* voor die [V.L.] bepaald welke handelingen zij diende te verrichten en/of welk tarief en/of werktijden zij diende te hanteren en/of

* het door die [V.L.] in de prostitutie verdiende geld van haar afgenomen en/of laten afnemen en/of doen afstaan en/of

* die [V.L.] (nagenoeg) voortdurend onder controle en/of toezicht gehouden en/of doen geloven dat ze (nagenoeg) voortdurend onder controle en/of toezicht werd gehouden en/of

* die [V.L.] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitutie en/of

* die [V.L.] doen geloven, dat zij een deel van de opbrengst van haar prostitutiewerk zou gaan ontvangen en/of

* die [V.L.] doen geloven, dat die [G] geld voor haar in bewaring hield en/of

* die [V.L.] onder druk gezet om in de prostitutie te blijven werken door die [V.L.] een deel van de opbrengst toe te zeggen en/of haar familie niet op de hoogte te stellen van haar prostitutiewerkzaamheden in Nederland en/of

* een (schijn)huwelijk tussen die [V.L.] en [de verdachte] geregeld en/of laten regelen en/of

* een verblijfsvergunning voor die [V.L.] geregeld en/of laten regelen en/of

* die [V.L.] aangegeven, dat hij, [G], aan [de verdachte] een geldbedrag van 15.000,- Euro moest geven voor het tussen haar en die [de verdachte] afgesloten huwelijk en zij, [V.L.], dit bedrag bij elkaar diende te verdienen en/of

* die [V.L.] mishandeld en/of

* die [V.L.] bedreigd en/of

* een of meer ke(e)r(en) intimiderend tegen die [V.L.] geschreeuwd en/of

* door die [G]'s (intimiderende) gedrag en (voortdurende) controle die [V.L.] grote angst ingeboesemd met betrekking tot het welzijn van die [V.L.] en/of haar familie en/of

* (aldus) op enigerlei (andere) wijze, misbruik gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht dat die [G] en/of zijn mededader(s) over die [V.L.] had(den);

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen de periode van 01 januari 2002 tot en met 31 december 2004 te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Rotterdam en/of te Groningen, althans in Nederland en/of te Bulgarije, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door (onder meer)

- op of omstreeks 5 februari 2002 te Bulgarije een huwelijk met voornoemde [V.L.] aan te gaan en/of

- zich gezamenlijk met die [V.L.] in te schrijven op een (woon)adres in Nederland, waardoor het voor die [V.L.] mogelijk werd om legaal in Nederland in de prostitutie werkzaam te zijn;

feit 3:

[G] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 14 juni 2007 in de gemeente Groningen en/of in de gemeente Amsterdam in ieder geval in/vanuit Nederland en/of Bulgarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

[V.S.] en/of [M.C.] en/of [A.D.] en/of [M.D.] en/of [G.I.] en/of [A.K.] en/of [V.D.], door dwang en/of gewelden/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven en/of ontvangen van betalingen en/of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [[V.S.] en/of [M.C.] en/of [A.D.] en/of [M.D.] en/of [G.I.] en/of [A.K.] en/of [V.D.] heeft, heeft/hebben geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [V.S.] en/of [M.C.] en/of [A.D.] en/of [M.D.] en/of [G.I.] en/of [A.K.] en/of [V.D.]

en/of

[V.S.] en/of [M.C.] en/of [A.D.] en/of [M.D.] en/of [G.I.] en/of [A.K.] en/of [V.D.] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven en/of ontvangen van betalingen en/of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [V.S.] en/of [M.C.] en/of [A.D.] en/of [M.D.] en/of [G.I.] en/of [A.K.] en/of [V.D.] heeft, heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten (van seksuele aard), dan wel door voornoemde middelen enige handeling heeft/hebben ondernomen waarvan die [G] en/of zijn mededader(s), wist(en) en/of redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die [V.S.] en/of [M.C.] en/of [A.D.] en/of [M.D.] en/of [G.I.] en/of [A.K.] en/of [V.D.], zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten;

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van [V.S.] en/of [M.C.] en/of [A.D.] en/of [M.D.] en/of [G.I.] en/of [A.K.] en/of [V.D.];

en/of

[[V.S.] en/of [M.C.] en/of [A.D.] en/of [M.D.] en/of [G.I.] en/of [A.K.] en/of [V.D.] (telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie en/of door het geven en/of ontvangen van betalingen en/of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die [V.S.] en/of [M.C.] en/of [A.D.] en/of [M.D.] en/of [G.I.] en/of [A.K.] en/of [V.D.] heeft, heeft/hebben gedwongen dan wel bewogen die [G] en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(en) van die [[V.S.] en/of [M.C.] en/of [A.D.] en/of [M.D.] en/of [G.I.] en/of [A.K.] en/of [V.D.];

immers heeft die [G] en/of zijn mededader(s) met betrekking tot die [V.S.] (in genoemde periode):

* die [V.S.] in de prostitutie laten werken en/of

* voor die [V.S.] bepaald en/of laten bepalen welke handelingen zij diende te verrichten en/of welk tarief en/of welke werktijden zij diende te hanteren en/of

* het door die [V.S.] in de prostitutie verdiende geld van haar afgenomen en/of laten afnemen en/of doen afstaan en/of

* die [V.S.] (nagenoeg) voortdurend onder controle en/of toezicht gehouden en/of doen geloven dat ze (nagenoeg) voortdurend onder controle en/of toezicht werd gehouden en/of

* die [V.S.] gedwongen, althans bewogen, om vele uren achter elkaar en/of bij ongesteldheid en/of bij ziekte te werken in de prostitutie en/of

* die [V.S.] bedreigd en/of

* een (schijn)huwelijk tussen die [V.S.] en [de verdachte] geregeld en/of laten regelen en/of * een verblijfsvergunning voor die [V.S.] geregeld en/of laten regelen en/of

* door die [G]'s en/of zijn mededader(s) (intimiderende) gedrag en (voortdurende) controle die [V.S.] grote angst ingeboezemd met betrekking tot het welzijn van die [V.S.] en/of haar familie en/of

* (aldus) op enigerlei (andere) wijze, misbruik gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, dat verdachte en/of zijn mededader(s) over die [V.S.] had(den);

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen de periode van 01 januari 2005 tot en met 27 augustus 2007 te Amsterdam en/of te Groningen, althans in Nederland en/of te Bulgarije opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door (onder meer)

- op of omstreek 23 augustus 2005 te Bulgarije een huwelijk met die [V.S.] aan te gaan en/of

- gezamenlijk met die [V.S.] in te schrijven op een (woon)adres in Nederland, waardoor het voor die [V.S.] mogelijk werd om legaal in Nederland in de prostitutie werkzaam te zijn.

feit 4:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 5 februari 2002 tot en met 17 maart 2005 (mede) ten gunste van [V.L.] en/of op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 23 augustus 2005 tot 1 januari 2007 (mede) ten gunste van [V.S.] (telkens) te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Rotterdam en/of te Groningen, in elk geval (telkens) in Nederland en/of in Bulgarije (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Staat der Nederlanden (de Immigratie- en Naturalisatiedienst) heeft bewogen tot de afgifte van (een) verblijfsvergunning(en), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte(telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een (schijn)huwelijk(en) gesloten en/of in stand gehouden, met respectievelijk die [V.L.] en/of die [V.S.] waardoor de Staat der Nederlanden (de Immigratie- en Naturalisatiedienst) (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

feit 5:

hij in of omstreeks de periode van 9 juli 2007 tot en met 27 augustus 2007, in elk geval op of omstreeks 27 augustus 2007, in de gemeente Groningen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand [adres]) ongeveer 320, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 6:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 09 juli 2007 tot en met27 augustus 2007 in de gemeente Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/electriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Essent Netwerk BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank heeft de dagvaarding ter zake van de feiten 2 en 3 partieel nietig verklaard omdat - kort gezegd - de tenlastelegging niet voldoet aan de daaraan in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gestelde eisen. De tenlastelegging is onvoldoende duidelijk en begrijpelijk waar het betreft de beschuldigingen bij feit 2 met betrekking tot [A.P.], [Z.C.] en [N.G.] en bij feit 3 met betrekking tot [M.C.], [A.D.], [M.D.], [G.I.], [A.K.] en [V.D.]. Ten aanzien van die vrouwen zijn in de tenlastelegging geen specifieke handelingen op tijdstippen en plaatsen naar voren gebracht noch is verwezen naar concrete incidenten in het dossier. Ook de advocaten-generaal en de raadsvrouw hebben zich op dit standpunt gesteld.

Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust en neemt dat over.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat gelet op de gehele gang van zaken in de procedure en met name door het verwijtbare handelen van het openbaar ministerie, in het onderhavige geval sprake is van een dermate uitzonderlijke situatie ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn dat dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Voorts speelt ook een rol dat het wel vervolgen van de verdachte voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet alleen onbegrijpelijk is, maar ook in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft betoogd dat het verweer moet worden verworpen.

Het oordeel van het hof

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad leidt de overschrijding van de redelijke termijn niet (meer) tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Het standpunt van de raadsvrouw dat het openbaar ministerie in strijd met het gelijkheidsbeginsel en met het verbod op willekeur heeft gehandeld, ontbeert iedere onderbouwing en behoeft derhalve geen bespreking. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Inleiding

Op 25 april 2006 ontving het Mensenhandel Interventieteam Groningen een melding van uitbuiting van Bulgaarse prostituees door een Bulgaarse man. Naar aanleiding hiervan heeft het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel onderzoek verricht. Dit onderzoek kreeg de naam “Sierra”.

In het Siera-onderzoek spelen de volgende personen, die zoals uit diverse verklaringen is gebleken met hun voor-, achter- of bijnaam worden aangeduid, een rol. Deze namen worden hieronder fonetisch weergegeven.

Het betreft de navolgende personen:

[P]: [P]

[I]: [I]

[de verdachte]: [de verdachte]

[G]: [G]

[V]: [V].

Voor zover in processen-verbaal de namen zijn aangeduid met een andere schrijfwijze dan hiervoor vermeld wordt dat in de weergave ervan in dit arrest verbeterd opgenomen.

Bij de stukken bevindt zich een fotobijlage onderzoek Sierra . In diverse processen-verbaal zijn daaruit aan foto’s voorgehouden aan verdachten en/of getuigen. Tenzij anders is vermeld wordt telkens naar foto’s uit deze bijlage verwezen.

Het dossier bevat diverse verklaringen van de bij het Sierra-onderzoek betrokken vrouwen. Daarbij is een duidelijk onderscheid te maken tussen de vrouwen die aangifte hebben gedaan, te weten [Z.C.], [N.G.], [V.L.] en [A.P.], en de vrouwen die dat niet hebben gedaan, te weten [M.C.], [M.D.], [A.D., [V.D.], [G.I.], [A.K.] en [V.S.].

Het wettelijk kader met betrekking tot mensenhandel

Aan de verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan, kort gezegd, mensenhandel. Gedurende de in de tenlastelegging vermelde pleegperioden is de wettelijke delictsomschrijving in het Wetboek van Strafrecht (Sr) enkele malen gewijzigd.

De strafbepalingen, voor zover van belang in de onderhavige zaak, houden kort en zakelijk weergegeven, het volgende in.

In de periode 1 oktober 2000 tot 31 december 2004 was seksuele uitbuiting strafbaar gesteld in artikel 250a Sr. Per 1 oktober 2002 is een kleine wijziging van de delictsomschrijving van kracht geworden die in dit verband buiten beschouwing kan blijven. Met ingang van 1 januari 2005 zijn de bepalingen inzake seksuele uitbuiting, die tot dan toe waren opgenomen in de titel betreffende misdrijven tegen de zeden, in een aanmerkelijk gewijzigde redactie als artikel 273a Sr opgenomen in de titel betreffende misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. Daarbij is het begrip “mensenhandel”, dat tot 1 oktober 2000 in de voorloper van artikel 250a Sr (250ter Sr) in de delictsomschrijving was opgenomen, geherintroduceerd. Een vernummering tot artikel 273f Sr, in werking getreden op 1 september 2006, heeft geen inhoudelijke wijziging gebracht in de bepaling zelf.

In bovengenoemde bepalingen is onder meer strafbaar gesteld, voor zover thans van belang en met abstrahering van de verschillen in redactie van de bepalingen, het, met toepassing van dwangmiddelen, verrichten van handelingen, ertoe leidend dat een persoon zich prostitueert. Daarnaast is strafbaar gesteld het trekken van voordeel uit gedwongen vormen van prostitutie en het met gebruik van een van de in artikel 273f, eerste lid, sub 1, Sr genoemde middelen dwingen dan wel bewegen van een prostituee (een deel van) de opbrengst van (niet gedwongen) prostitutie af te staan.

Onder dwangmiddelen worden alle in artikel 273f, eerste lid, sub 1, Sr genoemde middelen verstaan: dwang, geweld of een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie, misleiding en het geven of ontvangen van betalingen of voordelen.

In de tekst van het eveneens van toepassing zijnde artikel 250a, eerste lid, sub 1, Sr is sprake van de middelen: geweld, een andere feitelijkheid, bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misleiding.

Het aanwenden van een dwangmiddel dient ertoe te leiden dat (hierna telkens:) de prostituee in een uitbuitingssituatie belandt dan wel dat haar wordt belet zich daaraan te onttrekken. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat instemming met seksuele uitbuiting niet in de weg hoeft te staan aan de bewezenverklaring van die uitbuiting, (onder meer) indien een van deze middelen is gebruikt. Evenmin is de omstandigheid dat het slachtoffer voorafgaand aan de uitbuitingssituatie reeds werkzaam was als prostituee dan wel na afloop daarvan als prostituee werkzaam is gebleven een beletsel voor een bewezenverklaring. Een beperking van de keuzevrijheid van de prostituee is voldoende om het gedwongen karakter van de prostitutie aan te nemen. Er hoeft geen sprake te zijn geweest van zodanige dwang of druk dat voor de prostituee geen andere keuze meer mogelijk was.

Tot slot mag de rechter (mede) uit de omstandigheden afleiden dat sprake is van misleiding of van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

De referentie voor de beoordeling van de vraag of sprake is van vrijwilligheid is de “gemiddelde mondige prostituee in Nederland”, die zo lijkt te zijn verondersteld, zelf bepaalt waar, wanneer, met wie en onder welke omstandigheden zij werkt. Daar tegenover staat de prostituee die feitelijk niet de mogelijkheid heeft zich te onttrekken aan exploitatie ten gevolge van het gebruik van geweld- of andere dwang- en drukmiddelen, of die wordt misleid.

Ten slotte is nog van belang dat bij de in artikel 250a, eerste lid, sub 2, Sr (en artikel 273f, eerste lid, sub 3, Sr) genoemde gedragingen, te weten het aanwerven, medenemen of ontvoeren van iemand met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, de inzet van dwangmiddelen niet is vereist. Dus ook al gaat de betrokkene vrijwillig mee, het enkele medenemen of aanwerven is al strafbaar.

Betrouwbaarheid getuigenverklaringen

Het dossier bevat diverse verklaringen van de bij het Sierra-onderzoek betrokken vrouwen. Daarbij is een duidelijk onderscheid te maken tussen de vrouwen die wel aangifte hebben gedaan, te weten [Z.C.], [N.G.], [V.L.] en [A.P.], en de vrouwen die dat niet hebben gedaan, te weten [M.C.], [M.D.], [A.D., [V.D.], [G.I.], [A.K.] en [V.S.]

Zonder meer kan worden vastgesteld dat de door de vrouwen gegeven verklaringen niet altijd op alle onderdelen consistent zijn en bovendien niet op alle onderdelen overeenkomen met door de andere vrouwen gegeven verklaringen.

Bij voormelde stand van zaken kan vastgesteld worden dat onderdelen van de afgelegde verklaringen onjuist en dus onbetrouwbaar moeten zijn. Dit brengt echter niet mee dat daarom alle onderdelen van de afgelegde verklaringen en dus de desbetreffende verklaringen in hun geheel, wegens onbetrouwbaarheid terzijde moeten worden gesteld. Voor zover onderdelen in die verklaringen ondersteuning vinden in onderdelen van andere verklaringen of ander bewijsmateriaal acht het hof het verantwoord daaruit bewijs te putten dat de gang van zaken ook aldus is geweest. Het spreekt voor zich dat het hof met behoedzaamheid gebruikt maakt van de in deze zaak afgelegde (onderdelen van) verklaringen.

Vrijspraak

Het openbaar ministerie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de aan de verdachte onder feit 4 ten laste gelegde - kort samengevat -oplichting van de Staat der Nederlanden/Immigratie- en Naturalisatie Dienst (hierna: verder: de IND) door het sluiten en in stand houden van schijnhuwelijken met [V.L.] en [V.S.] overeenkomstig de bewezenverklaring van de rechtbank met overneming van de bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair gesteld dat de tenlastelegging op het onderdeel “schijnhuwelijk” nietig is, aangezien het Wetboek van Strafrecht een dergelijk begrip niet als zodanig kent en de tenlastelegging op dit punt daarom onvoldoende feitelijk is.

Voorts heeft zij bepleit dat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte het oogmerk had om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen en evenmin dat hij met dat oogmerk de huwelijken met [V.L.] en [V.S.] is aangegaan en dat niet kan worden bewezen dat deze huwelijken in strijd met de waarheid waren. De verdachte heeft in beide gevallen de intentie gehad tot een echt huwelijk. Bovendien heeft [V.S.] steeds ontkend een schijnhuwelijk te hebben gehad en in het geval van [V.L.] is de verdachte pas gaande het huwelijk gewaar geworden dat haar intentie een andere was, aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, voldoet de tenlastelegging van feit 4 aan de vereisten die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) daaromtrent stelt. Hoewel de omschrijving “schijnhuwelijk” op zich zelf beschouwd niet een in het Wetboek van Strafrecht gedefinieerd begrip is, hetgeen overigens ook geen vereiste in de zin van artikel 261 Sv is, komt daaraan in het algemeen spraakgebruik voldoende feitelijke betekenis toe. Mede in samenhang met het onderliggende zaaksdossier is voor de verdachte ook op dit onderdeel voldoende duidelijk en begrijpelijk geweest waarvan hij werd verdacht en waartegen hij zich diende te verdedigen, te weten in dit verband het sluiten van een huwelijk met de enkele intentie dat de huwelijkspartner in Nederland een verblijfsvergunning zou (kunnen) krijgen. Dat dit anders zou zijn is het hof overigens ook niet gebleken. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Het hof is van oordeel dat de verdachte van het onder feit 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken op grond van het volgende.

Artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) houdt - voor zover hier van belang - in:

Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, het zij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft (….).

Artikel 326 is opgenomen in Titel XXV Bedrog van het Wetboek van Strafrecht en moet worden aangemerkt als het belangrijkste bedrogsdelict. Bedrog in het algemeen ziet op gevallen waarin iemand met de bedoeling zichzelf of een ander te bevoordelen een ander door valsheid in dwaling brengt of houdt, waardoor die ander vermogensnadeel ondervindt. Daarnaast zijn slechts een aantal bijzondere varianten van bedrog strafbaar gesteld. Grofweg zijn daarbij drie rubrieken van strafbare feiten te onderscheiden, te weten die waarbij de consument tegen de producent wordt beschermd, de verkoper tegen de klant en de ene producent tegen de andere.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 326 Sr in samenhang met de desbetreffende jurisprudentie kan worden afgeleid dat onder bevoordeling als bedoeld in dit artikel elk voordeel dat een economische waarde in het handelsverkeer heeft moet worden verstaan en onder goed elk voorwerp dat voor de bezitter enige vermogenrechtelijke waarde heeft. Ten aanzien van dit laatste onderdeel valt uit de wetsgeschiedenis sinds de invoering van het artikel - tegelijk met de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 - een gestage ontwikkeling op te maken, met name naar aanleiding van uitspraken van de Hoge Raad. Immers, waar aanvankelijk een goed slechts als een waardeobject in het economisch verkeer diende te worden opgevat, is sinds eind jaren dertig/begin jaren veertig van de vorige eeuw daarin een kentering gekomen [NJ 1938, 929 en NJ 1940, 219 (waar het ging om een brief), NJ 1950, 287 (waar het ging om een bewijs van toelating tot een mondeling examen) en NJ 1993, 101 (waar het ging om een op schrift gestelde rechterlijke beschikking)]. Het hof leidt uit de jurisprudentie af dat onder een goed moet worden verstaan een tastbaar iets door het hanteren waarvan iemand meent “beter af” te worden. Zo valt uit de conclusie van de advocaat-generaal mr. Meijers, onder laatst genoemd arrest (HR 6-10-1992, NJ 1993, 101) op te maken dat een rechterlijke beschikking, die een last tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp behelst, als goed is aan te merken, omdat deze op schrift is gesteld en betekend, en een titel oplevert tot daadwerkelijke teruggave van het voorwerp en aldus, naar het hof begrijpt, een vermogensrechtelijke waarde vertegenwoordigt.

Het verlenen van een verblijfsvergunning door de overheid en de afgifte daarvan verschaft de betrokkene in de kern een rechtstitel tot verblijf in Nederland. In onvoldoende mate kan worden gezegd dat dit moet worden verstaan als een tastbaar iets door het hanteren waarvan iemand kan menen “beter af” te worden, in de zin van artikel 326 Sr. Ook kan niet worden gezegd dat met de verlening (onmiddellijk) verband houdt dat de betrokkene een voordeel geniet met een economische waarde in het handelsverkeer, dan wel dat aan die vergunning een vermogensrechtelijke waarde inherent is. Voor zover een en ander middels die vergunning verkregen zou kunnen worden ligt dat in een te ver verwijderd verband om te kunnen spreken van “bevoordeling” respectievelijk “goed” in de zin van artikel 326 Sr.

Daarbij moet worden opgemerkt dat de wetgever in lijn met jurisprudentie van de Hoge Raad een aantal malen tot wijziging van bedoeld artikel is overgegaan in die zin dat door de jaren heen achtereenvolgens de bestanddelen het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens en het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld aan de delictomschrijving zijn toegevoegd, overigens ook gelet op de economische waarde die zulks voor partijen kon hebben. Vastgesteld moet worden dat de wetgever evenwel tot op heden nimmer aanleiding heeft gezien om het van overheidswege verlenen van een vergunning in de delictsomschrijving van artikel 326 Sr dan wel anderszins naar analogie van een goed in een (soortgelijke) delictomschrijving op te nemen. Het hof is dan ook, alles overziende, van oordeel dat er geen aanleiding is artikel 326 Sr in die zin extensief uit te leggen, hetgeen betekent dat de verlening van een verblijfsvergunning niet als een bestanddeel van het delict oplichting kan worden aangemerkt.

Dit brengt mee dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen, zodat de verdachte van het onder feit 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van gevoerde verweren

De verdachte heeft wisselend verklaard over zijn kennismaking met [V.L.] en zijn huwelijk met haar in Nova Zagora op 5 februari 2002 :

? We hebben elkaar ontmoet in Bulgarije. Ik was in 2001 of 2002 in januari of februari op vakantie met een paar vrienden van mij uit Nederland; die vrienden zijn Nederlanders. Ik heb [V.L.] toen ontmoet en we hebben met elkaar via de telefoon en e-mail contact gehouden. Ik ben meerdere keren teruggeweest naar Bulgarije. Op een gegeven moment wilde ze in Nederland werken. Daarom zijn we getrouwd.

? Ik heb [V.L.] voor het eerst in Bulgarije ontmoet toen ik daar met Nederlandse vrienden was. De trouwerij hebben wij zelf geregeld; [V.L.] vroeg dat. We zijn even gebleven en toen naar Varna gegaan. Dat was met Mitko en Sacho, geloof ik, ze wilden zich nog even laten zien op het strand.

Door de politie geconfronteerd met ongerijmdheden in de eerste verklaringen, onder andere het - door hem erkende - gegeven dat hij vóór 4 februari 2002 niet in Bulgarije was geweest, verandert de verdachte deze verklaring:

? Ik ben op 4 februari 2002 met vrienden naar Bulgarije gevlogen. Ik heb [V.L.] daar ontmoet en ben in een impuls op dezelfde dag, in de avond, met haar getrouwd. Daarna ben ik met mijn Nederlandse vrienden en met Bulgaarse vrienden naar Varna geweest.

Als de verdachte daarna het vuur aan de schenen wordt gelegd, kiest hij ervoor zich op het zwijgrecht te beroepen.

Namen van de vrienden met wie hij naar Bulgarije zou zijn gereisd, heeft hij niet willen noemen. Daarmee laat de verdachte - kennelijk welbewust - de kans lopen de door hem ingenomen standpunten van ook maar een begin van aannemelijkheid te voorzien.

De verklaringen zijn verder ook ongeloofwaardig op het punt dat een buitenlander, zonder zich - alleen al met betrekking tot de daarvoor benodigde en in de Bulgaarse taal vertaalde documenten, zoals uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie en het register van de burgerlijke stand - administratief op een huwelijk te hebben voorbereid, binnen één dag kan trouwen. Dergelijke (vertaalde) documenten heeft men gewoonlijk niet bij zich als men op vakantie gaat.

De verklaringen van de verdachte worden ook weersproken door hetgeen [V.L.] heeft verklaard:

- Door de rechter-commissaris (op 12 september 2008) gehoord als getuige zegt [V.L.] :

U vraagt mij wanneer ik voor het eerst [de verdachte] ontmoet heb. Dat was in januari 2002. Het contact kwam tot stand via [G]. Ik werkte in Alkmaar. [G] was in contact gekomen met Serviërs. Hij had aan hen gevraagd of zij een Nederlandse man kenden die bereid was met mij te trouwen. Hij zou betalen voor dat huwelijk. Daarna zei [G] dat er een jongen was met wie ik moest kennis maken. Ik wist toen niet dat het om een huwelijk ging. [G] en ik zijn vanaf Alkmaar naar Rotterdam vertrokken. (…) Toen we naar dat café (het hof begrijpt: in Rotterdam) gingen, vroeg [G] hem hoeveel geld hij wilde hebben voor dat huwelijk. [de verdachte] zei: “15.000 euro”. [G] heeft daar mee ingestemd. [de verdachte] heeft heel snel de papieren/documenten voor het huwelijk geregeld. (…) Toen wij naar Bulgarije gingen, had hij een heel mapje met documenten bij zich.

- Bij het doen van aangifte heeft [V.L.] gezegd :

In januari 2002 kwam ik terug in Nederland. Ik kwam met [G] terug. (…) Na een paar dagen vertelde [G] me dat hij een andere man voor het huwelijk had gevonden. Deze man heet [de verdachte]. Op 4 februari 2002 ben ik met [G] en [de verdachte]teruggevlogen naar Bulgarije. Op 5 februari 2002 ben ik in Bulgarije met [de verdachte] getrouwd. Op 6 februari 2002 ben ik alleen teruggegaan naar Holland. [G] en [de verdachte]bleven nog een paar dagen in Bulgarije. In Holland ben ik gelijk gaan werken in Alkmaar. Na een paar dagen kwamen [G] en [de verdachte] ook terug naar Holland. Van februari 2002 tot juli 2002 heb ik als prostituee in Alkmaar gewerkt.

Ook met betrekking tot de rol van [G] bij zijn huwelijk met [V.L.] heeft de verdachte in zijn verklaringen bij de politie een kronkelend spoor gevolgd.

Aanvankelijk heeft hij de naam van [G] niet genoemd (Een kennis van haar was getuige. Ik weet zijn naam niet meer. ). Als hem gevraagd wordt wie zijn vrienden zijn, noemt hij wel [P] ), maar niet [G]. Als hij geconfronteerd wordt met de verklaring van [V.L.] dat zij met de verdachte en [G] op 4 februari 2002 naar Bulgarije is gevlogen, wil de verdachte daar niets over zeggen. Als hem een foto van [G] wordt getoond, zegt hij dat dat de best man bij het huwelijk met [V.L.] was, iemand die hij maar een paar keer heeft gezien en die “Zlatev of zoiets” heet, of “iets met een ‘G’”. Daarna erkent hij dat deze persoon ook aanwezig was bij het huwelijk met [V.S.] om later in het zelfde verhoor te vertellen dat de man ‘[G] heet.

Gelet op verdachtes latere verklaring met betrekking tot in zijn woning aangetroffen foto’s waarop bij verschillende gelegenheden onder anderen [G] en hij zijn afgebeeld , in samenhang met de verklaring van zijn vriendin [E.V.], dat zij met de verdachte op kosten van [G] - die zij een vriend van de verdachte noemt - in Bulgarije vakantie mocht houden , is de verklaring van de verdachte dat hij zich aanvankelijk de naam van [G] niet kon herinneren volstrekt ongeloofwaardig.

Tegen deze achtergrond moet worden vastgesteld dat de verdachte geen open kaart heeft willen spelen met betrekking tot zijn kennismaking met [V.L.] en de rol van [G] daarbij. Het hof kan in het licht van het voorgaande niet anders dan daaruit afleiden dat de verdachte heeft willen verhullen dat het geen huwelijk uit liefde was, maar een huwelijk louter om [V.L.] in Nederland een verblijfstitel te verschaffen, zodat zij gemakkelijker in Nederland in de prostitutie kon werken. Volgens normaal spraakgebruik is dat een schijnhuwelijk. Dat de verdachte en [V.L.] na het huwelijk in Rotterdam een gezamenlijk adres hadden, maakt dat niet anders.

Aanwijzingen dat het om een echt huwelijk ging zijn in het dossier verder niet aangetroffen. Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat de door [J.vdL] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring (over een ontmoeting in de disco: zij gaven elkaar een kusje en hielden elkaars hand soms vast; in hun huis heb ik foto’s van de bruiloft gezien) daarvoor onvoldoende is. Deze verklaring wijkt bovendien af van de verklaring die [J.vdL] bij de politie had afgelegd (ik heb haar wel eens bij [de verdachte] gezien; ik had niet de indruk dat ze bij iemand hoorde) en mist daarom voldoende betrouwbaarheid.

De verdachte heeft verder geen openheid geboden over zijn precieze verhouding tot [G] en hij heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over de achtergronden van dit schijnhuwelijk.

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [V.L.] betwist.

In dat verband stelt het hof vast dat, ook al zijn er verschillen in de door [V.L.] afgelegde verklaringen, deze niet zodanig essentieel zijn en te verklaren door tijdsverloop, dat deze terzijde zouden moeten worden gesteld.

Daarbij vinden de hoofdlijnen van de verklaringen van [V.L.] voldoende verankering in de verklaringen van [A.P.] dat:

- [G] al rond medio 2001 bemoeienis had met het werven van prostituees in Bulgarije en hij, met [P], werkzaam was in het prostitutiewezen in Nederland ,

- de verdachte, van wie [A.P.] wist dat hij met [V.L.] was gehuwd, haar had verteld dat hij de papieren voor ‘de meisjes’ regelde.

Ook [N.G.] - die zich op 21 december 2001 bij de politie in Groningen heeft aangemeld - heeft verklaard dat zij door [G] in Bulgarije is aangeworven om in het buitenland in de prostitutie te gaan werken en daarna is gedwongen in verschillende steden in Nederland zich te prostitueren in een netwerk waarin [G] en [P] een belangrijke rol speelden.

Een vergelijkbaar patroon doet zich voor met betrekking tot de ten tijde van haar huwelijk 22-jarige [V.S.]; ook met betrekking tot dit huwelijk op 23 augustus 2005 wisselen de verklaringen van de verdachte of blijken deze onjuist:

- Op de vraag wanneer de verdachte na zijn huwelijk in Sofia met [V.S.] is teruggekomen in Nederland, antwoordt de verdachte dat zij na een vakantie samen met het vliegtuig zijn teruggereisd.

- pas na een reeks vragen wil de verdachte verklaren dat [G] ook de best man was bij het huwelijk met [V.S.].

Uit de processen-verbaal met betrekking tot de reisbewegingen van de verdachte en [V.S.] komt naar voren dat de verdachte op 20 augustus naar Bulgarije is gevlogen en op 24 augustus 2005 is teruggereisd. [V.S.] reisde op respectievelijk 21 en 29 augustus 2005.

Bij de doorzoeking van de woning van [G] in Bulgarije is een groot aantal stukken gevonden met betrekking tot het huwelijk, waaronder de huwelijksakte in de daarvoor bestemde map, gezondheidsattesten en kopieën van de identiteitsbewijzen van de verdachte en [V.S.], uittreksels uit het register van de burgerlijke stand en de gemeentelijke basisadministratie van de gemeenten Amsterdam en Dordrecht net betrekking tot de verdachte. Een aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van deze stukken bij [G] heeft de verdachte niet gegeven.

Dat [G] bij het huwelijk aanwezig was blijkt in elk geval uit de foto’s die bij de verdachte zijn aangetroffen.

Het hof leidt uit een en ander af dat [G] - net als bij [V.L.] - een belangrijke rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het huwelijk.

Op het moment dat de verdachte het huwelijk aanging met [V.S.] had hij een relatie met [E.V.]. Hij had vanaf november 2005 tot aan zijn aanhouding een huurwoning te Groningen.

Uit afgeluisterde telefoongesprek tussen de verdachte en [V.S.] op 3 mei 2007 en [V.S.] en [G] van 31 juni 2007 komt naar voren dat de echtelieden niet samenwoonden en dat de inschrijving op het [adres] door de verdachte nodig was om de verblijfsvergunning van [V.S.] te kunnen verlengen. De verdachte heeft daarvoor kennelijk betaling gevraagd en [V.S.] heeft overleg met [G] gehad over de betaling daarvan.

Uit de gemeentelijke bevolkingsadministratie blijken de volgende inschrijvingen voor het [adres]:

- [V.S.]: 3 oktober 2005 - 2 februari 2007

- De verdachte: 5 oktober 2005, uitschrijving m.i.v. 11 september 2006; nieuwe inschrijving met ingang van 7 mei 2007.

Bij observaties op dit pand in de periode van 9 maart tot en met 30 april 2007 wordt wel [V.S.], maar niet de verdachte gezien.

Ook deze gegevens duiden niet op het bestaan van een daadwerkelijke huwelijksband, maar wijzen eerder op het tegendeel.

Onderzoek wijst uit dat er in het tijdvak van 9 april 2006 tot en met 7 januari 2007 84 keer telefonisch contact tussen de telefoons van [G] en de verdachte is geweest. Tussen [V.S.] en de verdachte is het aantal telefonisch contacten in het tijdvak van 17 oktober 2006 tot en met 15 april 2007 beperkt gebleven tot een tiental belcontacten. Tussen [V.S.] en [G] daarentegen werden in die periode meer dan 200 belcontacten vastgesteld.

Het beperkte aantal telefonische contacten tussen de gehuwden, afgezet tegen de contacten tussen [V.S.] en [G] wijzen in het geheel niet op een reële huwelijksrelatie tussen [V.S.] en de verdachte.

Bij gebreke aan een verklaring van de verdachte met betrekking tot deze onderzoeksgegevens kan uit het voorgaande niet anders worden afgeleid dan dat het ook bij [V.S.] om een schijnhuwelijk ging, een huwelijk dat alleen gesloten werd om het [V.S.] makkelijker te maken om in Nederland te werken.

In een getapt telefoongesprek van 9 mei 2007 tussen [V.S.] en haar moeder in Bulgarije vertelt [V.S.] dat een Chinese man een serieuze verhouding wil, maar dat dit niet kan; de man is bereid om twee jaar te wachten en zelfs naar Bulgarije te gaan om met Georgi te praten. De Chinese man wil een voorstel aan Georgi doen om samen een zaak op te zetten zodat [V.S.] vrij komt van haar verplichtingen, dat de periode dat zij moet werken korter wordt.

In het licht van het voorgaande en gelet op de andere verklaringen met betrekking tot de werkwijze van [G] leidt het hof uit dit gesprek en de overige bewijsmiddelen af dat [V.S.], anders dan zij heeft verklaard, niet als vrije prostituee werkzaam was en kon kiezen met wie en op welke wijze zij wenst te werken, maar met handen en voeten aan [G] was gebonden.

Voorwaardelijk opzet

Dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de uitbuiting van [V.L.] in Nederland leidt het hof af uit de volgende omstandigheden:

- de verdachte is in Nederland door tussenpersonen benaderd om tegen betaling een huwelijk met [V.L.] aan te gaan,

- hij heeft vervolgens met [G] een ontmoeting gehad waarbij over dit huwelijk is gesproken,

- de verdachte en [G] hebben een afspraak gemaakt dat de verdachte voor dat huwelijk een beloning van 15.000 euro zou ontvangen,

- op geen enkele wijze is gebleken dat de verdachte zelfstandig met [V.L.] contacten heeft gehad of afspraken heeft gemaakt over deze beloning,

- hoewel dat bij een zo hoge beloning wel in de rede zou liggen, is niet gebleken dat de verdachte navraag heeft gedaan bij [V.L.] over de aard van de werkzaamheden die zij in Nederland zou gaan verrichten,

- [V.L.] is op de dag na het huwelijk teruggevlogen naar Nederland om in de prostitutie te gaan werken, terwijl de verdachte en [G] in Bulgarije bleven.

Dat het om een situatie van uitbuiting ging had de verdachte -ook al doordat [V.L.] in die tijd niet of nauwelijks Nederlands of Engels sprak en zich aldus in Nederland afhankelijk zou weten van anderen- kunnen en moeten beseffen.

Aan de strafbaarheid van uitbuiting kan niet afdoen dat vrouwen die gedwongen waren als prostituee te gaan werken, zich op een gegeven moment aan de invloed van hun pooier onttrekken en zich een positie weten te verwerven die het hen mogelijk maakt een vrije keuze te maken. Dat [V.L.] in de eerste jaren na haar huwelijk met de verdachte die vrijheid had is geenszins aannemelijk geworden.

De verklaring van de verdachte dat hij via via ontdekte dat zij in 2003 voor [P] werkte wijst eerder op het tegendeel.

Gelet op de parallellen met de wederwaardigheden van [V.L.] moet bij deze stand van zaken ook met betrekking tot zijn tweede huwelijkspartner, [V.S.], worden vastgesteld dat de verdachte door haar te huwen het voorwaardelijk opzet had op haar uitbuiting in Nederland. Dat [V.S.] door eerdere ervaringen in de prostitutie in België wellicht wat weerbaarder was dan [V.L.] maakt dat niet anders; uit het hiervoor weergegeven telefoongesprek komt naar voren dat zelfs in mei 2007 [V.S.] niet in een situatie verkeerde die ook maar enigszins vergelijkbaar was met die van een mondige prostituee in Nederland.

Nu niet blijkt en ook geenszins aannemelijk is geworden dat de door de verdachte via money transfers geïncasseerde bedragen ten goede gekomen zijn aan [V.S.] moet het er voor worden gehouden dat de verdachte door deze bedragen te innen voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [V.S.].

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1

hij in de periode van 18 tot en met 24 februari 2006, te Groningen en te Amsterdam, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een ander, genaamd [V.S.], immers heeft hij, verdachte, meer keren een money transfer geïnd die afkomstig was van genoemde [V.S.], terwijl hij als echtgenoot van deze vrouw, met wie hij op 23 augustus 2005 een schijnhuwelijk was aangegaan wist, dat die [V.S.] gedwongen in de prostitutie werkzaam was;

feit 2

[G] in de periode van 1 oktober 2000 tot 31 december 2004 in Nederland en Bulgarije, [V.L.] door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen betaling,

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van [V.L.] met derden tegen betaling, terwijl die [G] wist dat die [V.L.] door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voorvloeiend overwicht werd bewogen zich beschikbaar te stellen tot het plegen van die seksuele handelingen

en

[V.L.] door misbruik vanuit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen die [G] uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [V.L.] met derden te bevoordelen,

immers heeft die [G] met betrekking tot die [V.L.] in voornoemde periode:

(in Bulgarije)

- terwijl die [V.L.] zich in een zwakke economische en financiële positie bevond en die in Nederland niet bekend was en die onbekend was met de wijze en de omstandigheden waaronder er in Nederland zelfstandig in de prostitutie gewerkt kan worden en de Nederlandse en Engelse taal niet of nauwelijks machtig was -

* die [V.L.] voorgespiegeld dat zij in Nederland in de prostitutie veel geld kon verdienen en dat ze maar een maand in de prostitutie hoefde te werken om veel geld te verdienen en

* per auto met die [V.L.] een reis gemaakt van Bulgarije naar Nederland en

(in Nederland)

* die [V.L.] voorgehouden dat zij de door die [G] gemaakte kosten diende terug te betalen en

* die [V.L.] in de prostitutie laten werken en

* een woonadres en werkplek voor die [V.L.] geregeld en

* voor die [V.L.] bepaald welk tarief en werktijden zij diende te hanteren en

* het door die [V.L.] in de prostitutie verdiende geld doen afstaan en

* die [V.L.] bewogen, om vele uren achter elkaar en bij ongesteldheid te werken in de prostitutie en

* die [V.L.] onder druk gezet om in de prostitutie te blijven werken door die [V.L.] een deel van de opbrengst toe te zeggen en toe te zeggen haar familie dan niet op de hoogte te stellen van haar prostitutiewerkzaamheden in Nederland en

* een schijnhuwelijk tussen die [V.L.] en de verdachte geregeld en

* een (daarmee) een verblijfsvergunning voor die [V.L.] geregeld en laten regelen en

* die [V.L.] aangegeven dat hij, [G] aan de verdachte een geldbedrag van 15.000 euro moest geven voor het tussen haar en de verdachte gesloten huwelijk en zij, [V.L.], dit bedrag bij elkaar diende te verdienen en

* aldus misbruik gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht dat die [G] over die [V.L.] had,

tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2004 in Nederland en Bulgarije opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door op 5 februari 2002 te Bulgarije een huwelijk met voornoemde [V.L.] aan te gaan en zich gezamenlijk met die [V.L.] in te schrijven op een adres in Nederland, waardoor het voor die [V.L.] mogelijk werd om legaal in Nederland in de prostitutie werkzaam te zijn.

feit 3:

[G] in de periode van 1 januari 2005 tot en met 14 juni 2007 in Nederland en Bulgarije, [V.S.], door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard;

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [V.S.];

en

[V.S.] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft bewogen die [G] te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [V.S.];

immers heeft die [G] met betrekking tot die [V.S.] in genoemde periode:

* die [V.S.] in de prostitutie laten werken en

* het door die [V.S.] in de prostitutie verdiende geld doen afstaan en

* die [V.S.] onder controle en toezicht gehouden en

* die [V.S.] bewogen, om vele uren achter elkaar en bij ongesteldheid en bij ziekte te werken in de prostitutie en

* een schijnhuwelijk tussen die [V.S.] en [de verdachte] geregeld en

* een verblijfsvergunning voor die [V.S.] geregeld en/of laten regelen en

* aldus misbruik gemaakt van het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, dat zijn mededader over die [V.S.] had;

tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen de periode van 1 januari 2005 tot en met 27 augustus 2007 in Nederland en Bulgarije opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door op 23 augustus 2005 te Bulgarije een huwelijk met die [V.S.] aan te gaan en zich gezamenlijk met die [V.S.] in te schrijven op een woonadres in Nederland, waardoor het voor die [V.S.] mogelijk werd om legaal in Nederland in de prostitutie werkzaam te zijn;

feit 5

hij in de periode van 9 juli 2007 tot en met 27 augustus 2007, in de gemeente Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand [adres]) ongeveer 320 hennepplanten.

feit 6:

hij op in de periode van 9 juli 2007 tot en met 27 augustus 2007, in de gemeente Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektriciteit, toebehorende aan Essent Netwerk BV.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel.

Het onder 2 en 3 bewezen verklaarde levert op:

telkens medeplichtigheid aan mensenhandel.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 5 en 6 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftig weken, waarvan twaalf weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank met een beslissing genomen ten aanzien van de benadeelde partij.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast hebben zij gevorderd dat het hof ten aanzien van de benadeelde partij dezelfde beslissing neemt als de rechter in eerste aanleg.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

[G] heeft jonge Bulgaarse vrouwen in Nederland in de prostitutie gebracht en gedurende lange periodes daarin gehouden. De vrouwen werden bewogen de opbrengst van hun werkzaamheden af te staan.

Mensenhandel is een zeer ernstig feit, waarmee inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van slachtoffers en waarmee hun persoonlijke vrijheid wordt geschaad.

De verdachte is hierbij behulpzaam geweest door met [V.L.] en [V.S.] schijnhuwelijken aan te gaan, met de enkele intentie dat die vrouwen in Nederland legaal in de prostitutie werkzaam konden zijn, waarna die vrouwen door [G] konden worden uitgebuit. De verdachte is voor zijn hulp door [G] betaald. Ook mochten de verdachte en zijn vriendin op kosten van [G] vakantie vieren in Bulgarije. De verdachte heeft financiële vruchten geplukt van de uitbuiting van [V.L.] en [V.S.]. Hij heeft er blijk van gegeven zijn persoonlijk gewin ver boven de vrijheid van de jonge Bulgaarse vrouwen te stellen. Het hof acht dit bijzonder kwalijk.

De verdachte heeft bovendien voordeel getrokken uit de uitbuiting van [V.S.] doordat hij twee moneytransfers heeft geïnd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hennepkwekerij in zijn woning en aan diefstal van de voor die hennepkwekerij benodigde elektriciteit.

De verdachte heeft louter met het oog op financieel gewin gehandeld. Door zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de verspreiding van voor de gezondheid schadelijke softdrugs en daarmee gepaard gaande andere criminaliteit. Het op deze wijze betrekken van elektriciteit is maatschappelijk gezien laakbaar en brengt grote schade mee voor de energieleverancier.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 maart 2013 is de verdachte eerder - zij het lang gelden en ter zake van andersoortige strafbare feiten - veroordeeld.

Het hof houdt ten slotte bij het bepalen van de straf rekening met de inhoud van het reclasseringsadvies van 31 januari 2013 en de daarin gegeven conclusie.

Het hof acht, alles afwegende, oplegging van na te melden straffen passend en geboden. In hetgeen door de raadsvrouw overigens is aangevoerd kan, met inachtneming van het vorenstaande, geen grond worden gevonden voor het opleggen van een straf die lager is als dan die hieronder is aangegeven. Deze straf is wel (aanzienlijk) lager dan door de advocaten-generaal gevorderd, omdat het hof de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde vrijspreekt en het hof ten aanzien van het overige niet alle onderdelen van het ten laste gelegde bewezen acht.

Het hof heeft geconstateerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, aangezien tussen het moment waarop de verdachte is aangehouden (voor het eerst op 27 augustus 2007) en tussen wijzen van vonnis door de rechtbank op 16 november 2009 een periode is verstreken van ongeveer twee jaren en drie maanden. Aldus is sprake van een overschrijding van ongeveer drie maanden.

Het hof zou zonder evengenoemde constatering, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende, een gevangenisstraf hebben opgelegd voor de duur van tien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar naast de na te melden taakstraf, hebben opgelegd. Gelet echter op de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, moet worden volstaan met een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur. Mede gelet op het feit dat de strafzaak nadien steeds voortvarend is behandelend, bestaat voor een verdergaande matiging, zoals door de raadsvrouw is bepleit, geen aanleiding. Wel heeft het hof bij het bepalen van de straf er rekening mee gehouden dat het niet wenselijk is dat de verdachte hernieuwd in detentie geraakt.

Vordering van de benadeelde partij [V.L.]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 72.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag, te weten het bedrag dat hij heeft ontvangen voor het aangaan van het huwelijk met [V.L.] en dat zij heeft moeten terugverdienen en betalen aan [G]. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 48, 57, 273 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding voor het onder 2 en 3 ten laste gelegde partieel nietig.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [V.L.]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [V.L.] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [V.L.], een bedrag te betalen van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 (honderdtien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.A.J. Dun, mr. P.C. Kortenhorst en mr. H.S.G. Verhoeff, in tegenwoordigheid van

mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 april 2013.

Mr. Kortenhorst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.