Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ7878

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
23-002303-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BM1907, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1784, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Palm Invest

Het hof heeft bewijs van oplichting bij een groot aantal benadeelden slechts aanvaard in die gevallen waarin oplichtingsmiddelen effect hebben gehad tot bewegen.

Verdachten hebben zich als feitelijk leidinggevers van begin af aan beziggehouden met oplichting, hetgeen naar het oordeel van hof, het werkelijke doel was van de ondernemingen PR Invest en Palm Invest. Het verweer van de raadsman dat slachtoffers zich "knollen voor citroenen" hebben laten verkopen en daarom geen sprake kan zijn van oplichting, is door het hof verworpen.

Van witwassen een gewoonte maken in de zin van "overdragen". Het witwasbedrag ziet niet alleen op de in de ten laste legging met name genoemde beleggers, maar op de gelden van alle beleggers, nu zij allen beschikten over een gelijkluidende schriftelijke obligatieovereenkomst.

Benadeelde partijen voor het overgrote deel niet ontvankelijk verklaard in hun vordering, nu de behandeling tezamen, gezien de hoeveelheid gronden waarop de vorderingen zijn betwist, een te grote belasting vormen voor het strafproces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2013/49
JONDR 2013/733
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-2303-10

datum uitspraak: 16 april 2013

tegenspraak

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 april 2010 in de strafzaak onder parketnummer

13-845108-07 tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboortedatum],

adres: [adres en woonplaats]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2011, 3 oktober 2011, 31 januari 2012, 13 maart 2012, 24 mei 2012, 5 juni 2012, 4, 6, 11, 13, 18, 20, 21 maart 2013 en 2 april 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de [Verdachte] en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen van de tenlastelegging is aan de [Verdachte] ten laste gelegd hetgeen hieronder is vermeld.

Feit 1.

primair:

Positief Rendement Invest BV en/of PR Invest BV en/of Palm Invest BV en/of een of meer aanverwante rechtsperso(o)n(en), in elk geval een rechtspersoon, op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 21 januari 2008 te Hilversum en/of Amsterdam en/of Noordwijk en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, één of meer personen, onder wie

[Benadeelde 1] (G-31) en/of

[Benadeelde 2] (G-32) en/of

[Benadeelde 3] (G-15 )en/of

[Benadeelde 4] (G-22) en/of

[Benadeelde 5] (G-29), althans één (of meer) personen,

(telkens) heeft/hebben bewogen tot de (girale) afgifte van een of meer geldbedragen, (in totaal (ongeveer) € 31.224.393) (D-730 en D-731), althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, te weten onder meer van:

[Benadeelde 1], ongeveer € 100.000,- althans enig geldbedrag op of omstreeks februari/maart 2006 en/of

- [Benadeelde 2] (ongeveer) € 50.000,- althans enig geldbedrag op of omstreeks 19 april 2006 en/of € 50.000,- althans enig geldbedrag, op of omstreeks 26 oktober 2006 en/of € 50.000,-, althans enig geldbedrag op of omstreeks 17 januari 2007 en/of

- [Benadeelde 3[ en/of [benadeelde 3], (ongeveer) €50.000,- althans enig geldbedrag op of omstreeks 17 september 2006 en/of

- [Benadeelde 4] (ongeveer) €50.000,- althans enig geldbedrag op of omstreeks 25 juni 2007 en/of

- [Benadeelde 5] (ongeveer) €80.000,- althans enig geldbedrag op of omstreeks 12 april 2007,

immers heeft/hebben Positief Rendement Invest BV en/of PR Invest BV en/of Palm Invest BV en/of een of meer aanverwante rechtsperso(o)n(en), in elk geval (een) rechtsperso(o)n(en), en/of een (of meer) mededaders, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (bedoelde personen)

- via prospectus(sen) en/of advertentie(s) en/of deelname aan het programma Business Class en/of via deelname aan de Miljonairsbeurs en/of door andere publicatie(s) en/of telefonisch en/of op andere wijze, benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan een of meer obligatieovereenkomst(en),

bij welke gelegenhe(i)d(en) [Verdachte] en/of zijn mededader(s) en/of genoemde rechtsperso(o)n(en) en/of de mededader(s) van genoemde rechtspersonen heeft/hebben voorgewend dat

- ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd in (de aankoop, verkoop, verhuur van) vastgoedobjecten, in onder meer Dubai, en/of Duitsland en/of Turkije en/of

- (er) zekerhe(i)d(en) waren en/of zouden worden ondergebracht in de Stichting Garantiegelden, althans een (of meer) Stichting(en), die onafhankelijk werd(en) bestuurd en/of

- 20% van het totale obligatiefonds als eigen vermogen was en/of zou worden ingebracht (welk vermogen was achtergesteld ten opzichte van de obligatiehouder) en /of

- er geen of weinig risico's aan de investering en/of belegging zouden kleven en/of

- na afloop van de looptijd van de obligatieovereenkomst de (volledige) inleg zou worden uitgekeerd/geretourneerd/terugbetaald,

waardoor bovengenoemde perso(o)n(en) werden bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), zulks terwijl hij, [Verdachte], en/of zijn mededader(s) (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven;

Subsidiair:

hij, op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 21 januari 2008 te Hilversum en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met Positief Rendement Invest BV en/of PR Invest BV en/of Palm Invest BV en/of één of meer aan voornoemde BV's gelieerde rechtspersonen, in elk geval (een) rechtsperso(o)n(en) en/of met één of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk, (telkens) (een) geldbedrag(en) (in totaal (ongeveer) € 20.672.327,-) althans enig goed en/of geldbedrag,

geheel of ten dele toebehorende aan een groot aantal investeerders en/of beleggers in Positief Rendement Invest BV en/of PR Invest BV en/of Palm Invest BV en/of één of meer aan voornoemde BV's gelieerde rechtspersonen, in elk geval aan een of meer ander(en) dan [Verdachte] en/of zijn mededader(s), welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) [Verdachte] en/of een of meer van zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als (bruik)lener(s)/obligatie-verstrekker(s) onder zich had(den), zich wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend;

Feit 2

Positief Rendement Invest BV en/of PR Invest BV en/of Palm Invest BV, op één of meer tijdstip(pen), gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 21 januari 2008 te Hilversum en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) een (groot aantal) obligatieovereenkomst(en)/obligatielening(en) waaronder:

- een obligatieovereenkomst tussen [benadeelde 2] en PR Invest BV

(Obl.nr. 01/745-2/D-392) en/of

- een obligatieovereenkomst tussen [Benadeelde 1] en PR Invest BV- (Obl.nr. 01/661/D-393) en/of

- een obligatieovereenkomst tussen [Benadeelde 3] en Palm Invest BV (Obl.nr. 706602/D-427) en/of

- een obligatieovereenkomst tussen [Benadeelde 4] en Palm Invest BV

(Obl.nr. 705338/D-434) en/of

- een obligatieovereenkomst tussen [Benadeelde 5] en Palm Invest BV

(Obl.nr. 706524/D441) ,

althans één of meer geschriften (aangeduid als obligatieovereenkomst(en)),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of door (een) ander(en) valselijk heeft doen of laten opmaken en/of heeft doen of laten vervalsen, immers heeft/hebben [Verdachte] en/of zijn mededader(s) en/of genoemde rechtsperso(o)n(en) en/of mededader(s) van genoemde rechtsperso(o)n(en), telkens valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in die geschriften en/of obligatieovereenkomst(en), in strijd met de waarheid (telkens) (onder meer)

(ten eerste) de volgende passage opgenomen en/of doen opnemen

(i) in de obligatieovereenkomsten op naam van PR Invest BV

- (artikel 1.3) "de Obligatielening zal door de Vennootschap worden aangewend voor de financiering van vastgoed. PR-Invest verklaart door ondertekening van deze overeenkomst dat zij financiële middelen uit de emissie van de Obligaties die haar overeenkomstig de maatschapovereenkomst ter beschikking worden gesteld, zal aanwenden voor de aanschaf van vastgoed."

(ii) in de obligatieovereenkomst op naam van Palm Invest BV

- (artikel 1.3.) "de obligatielening zal door de Vennootschap worden aangewend voor de

financiering op de Palm Eilanden te Dubai. Palm Invest BV verklaart door ondertekening van deze overeenkomst dat zij de financiële middelen uit de emissie van de Obligaties die haar overeenkomstig de maatschapovereenkomst ter beschikking worden gesteld, zal aanwenden voor de aanschaf van vastgoed."

(ten tweede) de volgende passage opgenomen en/of doen opnemen bij artikel 3.1.

"de zekerheden gedaan aan de Stichting" waardoor (in samenhang met het overige opgenomen in artikel 3 van de voornoemde obligatieovereenkomst(en) wordt gesuggereerd dat PR Invest BV en/of Palm Invest BV zekerheden onderbrengen en/of heeft/hebben ondergebracht bij de Stichting Garantiegelden PR Vastgoed & Invest en/of Stichting Garantie Gelden;

(ten derde) in strijd met de waarheid te suggereren dat

de obligatieovereenkomsten/obligatieleningen mede ondertekend is/zijn door [Getuige 2] (namens de Stichting Garantiegelden PR Vastgoed&Invest en/of De Stichting) en/of (Getuige 1} (namens de Stichting Garantie Gelden);

(ten vierde) voornoemde obligatielening(en) ondertekend en/of doen ondertekenen ter

bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde;

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te doen gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken,

tot/aan welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, [Verdachte], toen en daar, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven;

Feit 3

primair

hij, op een of meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 21 januari 2008 te Hilversum en/of elders in Nederland, en/of te Monte Carlo en of (elders) in Monaco en/of Frankrijk en/of Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, [Verdachte], en/of zijn mededaders (telkens) meermalen

van (een) voorwerp(en) te weten (een of meerdere) geldbedragen, tot een totaal van ongeveer

€ 31.224.393,-, althans enig(e) geldbedrag(en), de werkelijke aard, herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of voornoemd(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik van gemaakt terwijl hij,[Verdachte] en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat voorwerpen en/of geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

subsidiair

hij, op één of meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 21 januari 2008 te Hilversum en/of (elders) in Nederland, en/of te Monte Carlo en of (elders) in Monaco en/of Frankrijk en/of Dubai (Verenigde Arabische Emiraten), (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten een (of meerdere) geldbedrag(en), tot een totaal van ongeveer € 31.224.393,00 althans enige geldbedragen, de werkelijke aard, herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of voornoemde voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik van gemaakt terwijl hij, [Verdachte] en/of zijn mededader(s) wist(en) althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Feit 4

Positief Rendement Invest BV en/of PR Invest BV, op één of meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 31 december 2006 te Hilversum en/of Zwijndrecht en/of De Heurne en/of Oudewater en/of Zeist, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) (of meer) anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) - al dan niet opzettelijk - effecten heeft aangeboden zonder dat ter zake de aanbieding een prospectus algemeen verkrijgbaar was, te weten, een of meerdere obligatielening(en) en/of obligatieovereenkomst(en) van PR Invest BV heeft aangeboden aan meerdere beleggers en/of aan (onder meer) de volgende beleggers:

- [Benadeelde 6] (G11/obligatieovereenkomst € 20.000,00) en/of

- [Benadeelde 7] (G34/obligatieovereenkomst € 25.000,00) en/of

- [Benadeelde 8] (G35/obligatieovereenkomst € 20.000,00 en € 10.000,00) en/of

- [Benadeelde 9] (G36/obligatieovereenkomst € 10.000,00 en 10.000,00)

tot en/of aan het plegen van bovengenoemd€ strafb(a)are feit(en) hij, [Verdachte] (telkens) opdracht heeft gegeven en/of (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechter in eerste aanleg,

Overwegingen met betrekking tot de interpretatie van de tenlastelegging van feit 1 en 2

Het hof overweegt met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten als volgt. Naar het oordeel van het hof is sprake van een zogenaamde samengestelde tenlastelegging, in die zin dat in het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde telkens sprake is van een impliciet cumulatieve tenlastelegging. Dit houdt in dat daarin aan de [Verdachte] nevengeschikt - in dit geval chronologisch, gelet op het door het hof aangenomen hierna te noemen tijdpad - meer strafbare feiten worden verweten.

In het onder 1 ten laste gelegd feit wordt de [Verdachte] nevengeschikt verweten, telkens in de vorm van medeplegen, zich schuldig te hebben gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan zowel door de rechtspersoon PR Invest B.V. als door de rechtspersoon Palm Invest B.V. gepleegde oplichting, subsidiair verduistering. In het onder 2 ten laste gelegde feit wordt de [Verdachte] verweten het telkens medeplegen van het feitelijk leiding geven aan door deze rechtspersonen gepleegde valsheid in geschrift. De inhoud van deze samengestelde tenlastelegging is zodanig opgesteld dat een redelijke uitleg van de tenlastelegging met zich brengt dat de steller van de tenlastelegging ten aanzien van elk van deze rechtspersonen een veroordeling wenst ter zake van het feitelijk leiding geven aan de daarin genoemde feiten, te weten oplichting, subsidiair verduistering (feit 1) en valsheid in geschrift (feit 2) door zowel PR Invest B.V. als door Palm Invest BV. De dubbele vermelding "Positief Rendement B.V. en/of PR Invest B.V." moet daarbij gezien worden als een kennelijke verschrijving. Het hof leest de tenlastelegging dan ook in die zin. De [Verdachte] is door voormelde lezing niet in zijn verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging overigens nog taal- en/of schrijffouten voorkomen, heeft het hof deze in de bewezenverklaring verbeterd.

Nietigheid van de inleidende dagvaarding met betrekking tot het onder 2 ten lastegelegde feit

1. De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op de nietigheid van de inleidende dagvaarding wat betreft feit 2, op de grond dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is (p. 50 en 51 van de pleitnota). De raadsman heeft daartoe gesteld dat volgens de tenlastelegging de [Verdachte] in strijd met de waarheid in de obligatielening zaken heeft weergegeven, terwijl volgens de tekst aan het einde van die tenlastelegging, diezelfde [Verdachte] aan deze verboden gedraging opdracht of feitelijk leiding heeft gegeven. Die constructie is zijns inziens naar Nederlands recht niet mogelijk. Nu in de tenlastelegging naast elkaar twee mogelijkheden worden gepresenteerd die niet met elkaar verenigbaar zijn, is sprake van een innerlijk tegenstrijdige tenlastelegging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aan de [Verdachte] is onder 2 ten laste gelegd - kort samengevat - dat de rechtspersoon, al dan niet samen met een ander of anderen, valsheid in geschrift meermalen begaat, terwijl de [Verdachte] daaraan feitelijk leiding geeft.

Anders dan de raadsman heeft gesteld, levert dit geen - op grond van een vermeend niet aanvaardbaar geachte constructie - nietigheid van de dagvaarding op. Naar Nederlands recht geldt - gelet op de tekst van artikel 51, gelezen in verband met artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) - dat toelaatbaar is dat een feitelijk leidinggever "medepleegt", als alle voorwaarden daartoe zijn vervuld, aan het strafbare feit van de rechtspersoon. De rechtspersoon en de feitelijk leidinggever dienen als twee te onderscheiden entiteiten te worden beschouwd die noodzakelijkerwijs, zoals in casu, niet telkens behoeven samen te vallen.

Het verweer wordt verworpen.

2. De raadsman van de [Verdachte] heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep een beroep gedaan op de nietigheid van de inleidende dagvaarding wat betreft feit 2 op de grond dat de tenlastelegging onbegrijpelijk is. De raadsman heeft hiertoe gesteld dat door het ontbreken van de woordjes "en/of" tussen de in de obligatieovereenkomsten in strijd met de waarheid cumulatief opgenomen passages (onder ten eerste, ten tweede, ten derde en ten vierde), de steller van de tenlastelegging kennelijk heeft bedoeld dat al deze passages zowel voor PR Invest B.V. als voor Palm Invest B.V. in de obligatieovereenkomsten zijn opgenomen. Nu dit niet bewezen kan worden, is de dagvaarding onbegrijpelijk dan wel innerlijk tegenstrijdig, aldus de raadsman (p. 52 en 53 van de pleitnota).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof kan de raadsman in zijn betoog niet volgen. De vraag of een feit bewezenverklaard kan worden, is niet relevant voor de beantwoording van de vraag of een tenlastelegging begrijpelijk dan wel innerlijk tegenstrijdig is.

De vraag of een dagvaarding voldoende duidelijk/begrijpelijk omschrijft welk strafbaar feit wordt ten laste gelegd, dient te worden beantwoord aan de hand van de tekst van die dagvaarding, bezien in samenhang met en tegen de achtergrond van de inhoud van het onderliggende dossier en bezien in samenhang met hetgeen de [Verdachte] en de rechter omtrent de aan de [Verdachte] verweten feiten hebben begrepen.

Wat betreft de begrijpelijkheid van het onder 2 ten laste gelegde feit overweegt het hof dat de [Verdachte] verweten wordt dat PR Invest B.V. en Palm Invest B.V. zich elk (telkens) hebben schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en dat de [Verdachte] (telkens) aan deze verboden gedraging van de beide rechtspersonen, feitelijk leiding heeft gegeven.

Ten aanzien van elk van deze rechtspersonen afzonderlijk, is vervolgens onder de kopjes, beginnend met de woorden "ten eerste, ten tweede, ten derde en ten vierde", expliciet feitelijk en concreet omschreven waaruit die valsheid bij elk van deze onderscheiden rechtspersonen heeft bestaan. De omstandigheid dat tussen deze genummerde passages in de tenlastelegging het tussenvoegsel "en/of" ontbreekt, doet aan de begrijpelijkheid van die tekst niet af en maakt haar evenmin tegenstrijdig, te meer niet nu ook de tekst zelf van die feitelijke onderdelen onmiskenbaar is toegespitst op zowel de rechtspersoon PR Invest B.V. als de rechtspersoon Palm Invest B.V.

Het hof is van oordeel dat door de officier van justitie de verboden gedragingen van elk van de rechtspersonen voldoende duidelijk zijn omschreven. Nu ook de [Verdachte] en diens raadsman ter terechtzitting van het hof ervan blijk hebben gegeven de tenlastelegging (aldus) te hebben begrepen en zich namens de [Verdachte] daartegen ook hebben verweerd en de tenlastelegging ook overigens, naar het oordeel van het hof, voldoet aan de eisen, daarvoor gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv), wordt het verweer van de raadsman verworpen.

Nietigheid van de dagvaarding met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit

3. De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting betoogd, kort en zakelijk weergegeven, dat de tenlastelegging onder feit 3 nietig verklaard dient te worden, omdat deze - zeker na de wijziging van het ten laste gelegde witwasbedrag in hoger beroep - onvoldoende duidelijk is, zodat de [Verdachte] niet weet waartegen hij zich dient te verdedigen (pleitnota p. 58 tot en met 64). De raadsman heeft hiertoe gesteld dat op geen enkele wijze in de tenlastelegging voldoende duidelijk is gemaakt wat er zou zijn verhuld of verborgen of hoe dat dan zou zijn gebeurd. Ook ten aanzien van het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruik maken is de tenlastelegging naar het oordeel van de raadsman onvoldoende feitelijk en voorts volgt uit de tenlastelegging niet van welk misdrijf het geld dat zou zijn witgewassen afkomstig is. Op grond van al deze omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien, verzoekt de raadsman het hof de dagvaarding voor de feiten 3 primair en subsidiair nietig te verklaren.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt

Zoals door de Hoge Raad eerder is bepaald komt aan de termen "verbergen en/of verhullen" voldoende feitelijke betekenis toe (HR NJ 2008,496). Voor zover het verweer dit miskent, faalt het.

De vraag of een dagvaarding voldoende duidelijk/begrijpelijk omschrijft welk strafbaar feit wordt ten laste gelegd, dient te worden beantwoord aan de hand van de tekst van die dagvaarding, bezien in samenhang en tegen de achtergrond van de inhoud van het onderliggende dossier en bezien in samenhang met hetgeen de [Verdachte] en de rechter omtrent de [Verdachte] verweten feiten hebben begrepen.

Zoals de raadsman in zijn pleidooi naar voren heeft gebracht (schriftelijk pleidooi p. 55), heeft de advocaat-generaal zowel bij het indienen van de vordering wijziging tenlastelegging als in haar requisitoir toegelicht dat zij van mening is dat de gehele inleg bij PR Invest B.V. en Palm Invest B.V. uit misdrijf afkomstig is. In haar schriftelijk requisitoir (p. 30) heeft de advocaat-generaal, zoals de raadsman in zijn pleidooi (p. 56) heeft vermeld, voorts gesteld dat ter zake van het van misdrijf verkregen geld "[Verdachte]n (..) het geld voorhanden (hebben) gehad en (..) daar handelingen mee hebben verricht. Die handelingen betroffen het wegsluizen naar andere rekeningen, het kopen van boten, huizen en auto's, maar ook het betalen van rekeningen in het kader van Palm Invest.".

Het hof is van oordeel dat uit de tenlastelegging en de door de raadsman aangehaalde toelichtingen van de advocaat-generaal, bezien in samenhang met het onderliggende dossier, voldoende duidelijk blijkt waarvan de [Verdachte] wordt beschuldigd: het voorhanden hebben van alle van beleggers ontvangen (en daarmee - in de visie van het openbaar ministerie - van misdrijf afkomstige) gelden, alsmede iedere besteding van die gelden, ook al is het een besteding geweest in het kader van de bedrijfsvoering van PR Invest B.V. en/of Palm Invest B.V..

Het hof voegt daaraan toe dat naar Nederlands recht in de tenlastelegging niet behoeft te worden aangeduid of omschreven welk strafbaar feit het misdrijf als bedoeld in artikel 420bis Sr het betreft noch door wie, wanneer en waar het misdrijf is begaan.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de [Verdachte] het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

- ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde -

Positief Rendement Invest B.V. in de periode van 1 november 2005 tot eind november 2006 te Hilversum, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door één of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, personen, onder wie Benadeelde 1 en/of Benadeelde 1 B.V. en Benadeelde 2 heeft bewogen tot de girale afgifte van geldbedragen, te weten onder meer van:

- [Benadeelde 1] ongeveer € 100.000,00 op 8 maart 2006 en

- [Benadeelde 2] ongeveer € 50.000,00 en € 50.000, op 19 april 2006 en op 27 oktober 2006, immers heeft Positief Rendement Invest BV (PR Invest B.V) met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid, bedoelde personen via een prospectus, en/of advertenties en/of telefonisch benaderd en geïnteresseerd in de deelname aan obligatieovereenkomsten, bij welke gelegenheid genoemde rechtspersoon heeft voorgewend dat

- er zekerheden waren en zouden worden ondergebracht in de Stichting Garantiegelden, die onafhankelijk werden bestuurd en

- 20% van het totale obligatiefonds als eigen vermogen was of zou worden ingebracht, welk vermogen was achtergesteld ten opzichte van de obligatiehouders

waardoor bovengenoemde personen werden bewogen tot de girale afgifte van bovengenoemde geldbedragen, zulks terwijl hij, [Verdachte] en zijn mededader, telkens aan het vorenstaande feiten feitelijk leiding hebben gegeven

en

Palm Invest B.V. in de periode van 1 november 2006 tot en met 21 januari 2008 te Hilversum, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, personen, onder wie [Benadeelde 2] en [Benadeelde 3] en [Benadeelde 4] en [benadeelde 5] heeft bewogen tot de girale afgifte van geldbedragen, onder meer van:

[Benadeelde 2] ongeveer € 50.000,00 op 17 januari 2007 en

[Benadeelde 3] ongeveer € 50.000,00 op 18 september 2007 en

[Benadeelde 4] ongeveer € 50.000,00 op 25 juni 2007 en

[Benadeelde 5] ongeveer € 80.000,00 op 13 april 2007,

immers heeft Palm Invest BV met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid, bedoelde personen via een brochure, en/of advertenties en/of deelname aan het programma Business Class en/of door andere publicaties (website D/076), telefonisch benaderd en geïnteresseerd in de deelname aan obligatieovereenkomsten, bij welke gelegenheid genoemde rechtspersoon heeft voorgewend dat:

- de ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd in vastgoedobjecten in Dubai en

- er zekerheden waren en zouden worden ondergebracht in de Stichting Garantiegelden, die onafhankelijk werd bestuurd en

- 20% van het totale obligatiefonds als eigen vermogen was of zou worden ingebracht welk vermogen was achtergesteld ten opzichte van de obligatiehouder,

waardoor bovengenoemde personen werden bewogen tot de girale afgifte van bovengenoemde geldbedragen, zulks terwijl hij, [Verdachte] en zijn mededader telkens aan het vorenstaande feitelijk leiding hebben gegeven;

- ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde -

Positief Rendement Invest B.V. (PR Invest B.V.) in de periode van 1 november 2005 tot en met eind november 2006 te Hilversum en/of elders in Nederland, telkens een obligatieovereenkomst waaronder:

- een obligatieovereenkomst tussen [Benadeelde 2] en PR Invest BV en

- een obligatieovereenkomst tussen [Benadeelde 1] en PR Invest BV,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft genoemde rechtspersoon telkens valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in die obligatieovereenkomsten opgenomen

- bij artikel 3.1 "de zekerheden gedaan aan de Stichting", waardoor in samenhang met het overige opgenomen in artikel 3 van de voornoemde obligatieovereenkomsten wordt gesuggereerd dat PR Invest BV zekerheden onderbrengt of heeft ondergebracht bij de Stichting Garantiegelden PR Vastgoed & Invest en

- in strijd met de waarheid te suggereren dat de obligatieovereenkomsten mede ondertekend zijn door Getuige 2 namens de Stichting Garantiegelden PR Vastgoed&Invest en

- voornoemde obligatieleningen ondertekend en/of doen ondertekenen ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te doen gebruiken,

aan welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, [Verdachte], toen en daar, tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding heeft gegeven

en

Palm Invest BV in de periode van 1 november 2006 met 21 januari 2008 te Hilversum en/of elders telkens een obligatieovereenkomst waaronder:

- een obligatieovereenkomst tussen [Benadeelde 3] en Palm Invest BV en

- een obligatieovereenkomst tussen [Benadeelde 4] en Palm Invest BV en

- een obligatieovereenkomst tussen [Benadeelde 5] en Palm Invest BV,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen telkens valselijk heeft opgemaakt, immers heeft genoemde rechtspersoon, telkens valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in die obligatieovereenkomsten opgenomen:

- in de obligatieovereenkomst op naam van Palm Invest BV, artikel 1.3, "de obligatielening zal door de Vennootschap worden aangewend voor de financiering van vastgoed op de Palm Eilanden te Dubai. Palm Invest BV verklaart door ondertekening van deze overeenkomst dat zij de financiële middelen uit de emissie van de obligaties die haar overeenkomstig de maatschapovereenkomst ter beschikking worden gesteld, zal aanwenden voor de aanschaf van vastgoed";

- bij artikel 3.1 "de zekerheden gedaan aan de Stichting" waardoor in samenhang met het overige opgenomen in artikel 3 van de voornoemde obligatieovereenkomsten wordt gesuggereerd dat Palm Invest BV zekerheden onderbrengt of heeft ondergebracht bij de Stichting Garantie Gelden;

- in strijd met de waarheid te suggereren dat de obligatieovereenkomsten mede ondertekend zijn door Getuige 1 namens de Stichting Garantiegelden;

- voornoemde obligatieleningen ondertekend en/of doen ondertekenen ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te doen gebruiken, aan welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, [Verdachte], toen en daar, tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding heeft gegeven;

- ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde -

hij, in de periode van 1 november 2005 tot en met 21 januari 2008 te Hilversum en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, [Verdachte] en zijn mededader, geldbedragen overgedragen, terwijl hij, [Verdachte] en zijn mededader wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

- ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde -

Positief Rendement Invest B.V. (PR Invest B.V.) in de periode van 1 november 2005 tot eind november 2006 te Hilversum telkens opzettelijk effecten heeft aangeboden zonder dat ter zake de aanbieding een prospectus algemeen verkrijgbaar was te weten obligatieleningen van PR Invest BV aan onder meer de volgende beleggers:

- [Benadeelde 6] (obligatieovereenkomst € 20.000,00) en

- [Benadeelde 7] (obligatieovereenkomst € 25.000,00) en

- [Benadeelde 8] (obligatieovereenkomst € 20.000,00 en € 10.000,00) en

- [Benadeelde 9] (obligatieovereenkomst € 10.000,00 en 10.000,00),

aan het plegen van bovengenoemde strafbare feiten hij, [Verdachte], telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

Hetgeen onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De [Verdachte] moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de [Verdachte] het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Het hof heeft op grond van de inhoud van het dossier en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het volgende vastgesteld. Het hof merkt hierbij op dat de hieronder aangehaalde bewijsmiddelen, telkens zijn opgemaakt in de wettige vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

1.Voor een goed begrip van het navolgende ontleent het hof aan de Uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken (dossier (nummer 39564), zoals deze zich in het dossier bevinden, de volgende bij de strafbare feiten betrokken rechtspersonen en eenmanszaken:

a. De besloten vennootschap Positief Rendement Invest BV is op 24 februari 2005 opgericht, adres Koninginneweg 11-13 te Hilversum. De bedrijfsomschrijving luidt: Investerings- en holdingsactiviteiten. Aandeelhouder is Positief Rendement Invest Holding B.V. (alleen zelfstandig bevoegd); (dossiernummer KVK 32104598) (D/637);

b. De besloten vennootschap Positief Rendement Vastgoed B.V. is opgericht op 24 februari 2005, adres Koninginneweg 11-13 te Hilversum. De bedrijfsomschrijving luidt: investeren in- en het verkrijgen, vervreemden, beheren en exploiteren van onroerende zaken; het beleggen en investeren van vermogen. Enig aandeelhouder is positief Rendement Invest Holding B.V.. Bestuurder is Positief Rendement Invest Holding B.V. (dossiernummer 32104601) (D638);

c. De Stichting Garantiegelden PR Vastgoed&Invest, adres Singel 540 te Amsterdam is opgericht 13 februari 2006. Enig en zelfstandig bestuurder daarvan is [Getuige 2] ( dossiernummer 34242632) (D/639);

d. De besloten vennootschap Positief Rendement Invest Holding B.V. is opgericht 24 februari 2005, adres: Koninginneweg 11-13 te Hilversum; bedrijfsomschrijving: Holdingsactiviteiten. Enig aandeelhouder is DIVO Investments B.V.. Bestuurder daarvan is Divo Investments B.V. ( dossiernummer 32104597) (D/637);

e. De besloten vennootschap DIVO Investments B.V. is opgericht op 24 februari 2005 te Hilversum, adres: Koninginneweg 1-13 te Hilversum. De bedrijfsomschrijving luidt: Het deelnemen in, het voeren van beheer en/of management over, het oprichten van-, verwerven en financieren van- op zich op enigerlei andere wijze interesseren bij andere rechtspersonen en/of ondernemingen, van welke aard ook, hetzij direct, hetzij indirect, waaronder mede wordt begrepen het ten behoeve van die andere rechtspersonen en/of ondernemingen ter leen opnemen of verstrekken van gelden, het verlenen van zekerheden of garanties en het aangaan van borgstellingen. Bestuurder is de Agité Groep B.V., adres: Koninginneweg 11-13 te Hilversum. Alleen/zelfstandig bevoegd (dossiernummer: 32106606) (D/640).

f. De besloten vennootschap Agité Groep B.V. is opgericht op 1 juli 1999 met als statutaire zetel 's Grav[benadeelde 12], adres Koninginneweg 11-13 te Hilversum. Aandeelhouder en enige bestuurder is de Stichting Administratiekantoor Agité, adres Koninginneweg 11-13 te Hilversum per 24 februari 2005 (D/643);

g. De besloten vennootschap Agité Groep B.V. is voorts enig aandeelhouder en bestuurder van Wolford Boutique Amersfoort B.V. en Wolford Boutique Breda B.V. (dossiernummers (32105289 en 32108270) (D/645 en D/646);

h. De eenmanszaak Wolford Boutique Laren wordt gedreven door [echtgenote van [Medeverdachte]] (dossiernummer 32092316) (D/647);

i. De Stichting Administratiekantoor Agité is opgericht op 24 februari 2005, daarvan is enig bestuurder [[Medeverdachte]] (dossiernummer 32107154) (D/643);

j. De buitenlandse vennootschap 2waydrive Ltd is opgericht op 9 juni 2006. Bedrijfsactiviteiten zijn omschreven als privé chauffeurdiensten, valetparking en beveiligingswerkzaamheden. Enige bevoegd zelfstandig bestuurder is DIVO Investments B.V. (dossiernummer 32116520) (D/641);

k. De besloten vennootschap Defidistri International B.V. is opgericht 24 februari 2005, adres Koninginneweg 11-13 te Hilversum. Enig aandeelhouder is DIVO Investments B.V.. Alleen zelfstandig bevoegd is DIVO Investments B.V. (D/642);

l. De besloten vennootschap Portère Management B.V. is opgericht op 30 december 2005. De Bedrijfsomschrijving luidt: begeleiden, participeren, deelnemen en advisering van investeringen. Enig aandeelhouder en bestuurder (alleen/zelfstandig bevoegd) is [echtgenote van [Verdachte]], (dossiernummer 32109235) (D/644);

m. De besloten vennootschap Déficom International B.V. is in staat van faillissement verklaard bij rechterlijke uitspraak van 6 september 2005. Van deze besloten vennootschap was Digi Holding B.V. de enige bestuurder (dossiernummer 32076525);

n. Van de besloten vennootschap Digi Holding B.V., opgericht 30 december 1999, is de enig aandeelhouder en zelfstandig bevoegd directeur de Stichting Administratiekantoor Digi Holding (D/649). Van deze Stichting is per 19 mei 2003, [[Medeverdachte]] alleen/zelfstandig bevoegd directeur (D/650);

o. Op 1 november 2005 tekenen PR Invest B.V. (hierna: PR Invest) en Portère Management B.V. (hierna: Portère) een overeenkomst dat per 1 november 2005 Portère wordt tot manager bij PR Invest. De feitelijke uitvoering van deze overeenkomst zal worden vervuld door een werknemer van Portère D. [[Verdachte]] (hierna: [Verdachte]). Deze overeenkomst is ondertekend door [[Medeverdachte]] namens PR Invest enerzijds en namens Portère door [echtgenote van [Verdachte]] en door [[Verdachte]] 'voor zich privé' (D/021);

p. Sedert 27 oktober 2005 is [Medeverdachte] niet alleen gemachtigd rekeninghouder van de bankrekening van PR Invest (Fortis rekeningnummer 97.53.02.086) (D/373), maar ook van de rekeningen van PR Vastgoed B.V. (Fortis rekeningnummer 97.53.02.167), PR Holding B.V. (Fortis rekeningnummer 97.53.02.027) en Agité (Fortis rekeningnummer 97.53.01.683) (respectievelijk D/131, D/133 en D/115).

Voorts ontleent het hof aan de Uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en het dossier het volgende:

q. De besloten vennootschap Palm Invest BV is opgericht op 9 oktober 1987, met als laatste statutenwijziging 17 november 2006, adres Olympia 1 a/b te Hilversum, met als bedrijfsomschrijving 'investeringen'. Enig aandeelhouder is Palm Invest Holding B.V. te Hilversum. Als bestuurder wordt vermeld Palm Invest Holding B.V. te Hilversum (dossiernummer 33196052)(D/651);

r. Palm Invest B.V. heeft onder rekeningnummer 46.5605125 bij de ABN AMRO een rekening gehouden. [Getuige 3] is sedert 8 november 2006 algemeen en onbeperkt bevoegd op deze rekening ( D/031);

s. De besloten vennootschap Palm Invest Holding B.V., opgericht 11 maart 1987, met als omschrijving van de bedrijfsomschrijving: holdingsactiviteiten. Enig aandeelhouder en bestuurder is de Stichting Administratiekantoor Palm Invest te Hilversum (dossiernummer 32066150) (D652);

t. De Stichting Administratiekantoor Palm Invest te Hilversum is opgericht 30 oktober 2006. H.C.Th. [getuige 5], in functie getreden 19 januari 2007, is gezamenlijk bevoegd met andere bestuurder(s) onder wie [getuige 4] per 1 november 2007 (dossiernummer 3211922) (D653);

u. Als functionaris van de Stichting Administratiekantoor Palm Invest te Hilversum is vermeld in het handelsregister per 30 oktober 2006 A.R.E. Getuige 3; deze functionaris is uitgetreden op 19 januari 2007 (32119122) (D/653);

v. De Stichting Administratiekantoor Palm Invest te Hilversum is opgericht op 30 oktober 2006; bestuurder is [getuige 5], alleen zelfstandig bevoegd, in functietreding 19 januari 2007 (dossiernummer 32119122);

x. De Stichting Garantiegelden Palm Invest te Hilversum is opgericht 15 november 2006. Bestuurder is [getuige 1] (alleen/zelfstandig bevoegd) (dossiernummer 32119498).

2.Naast de hiervoor genoemde rechtspersonen waren [Medeverdachte] en [Verdachte] beschikkingsbevoegde over de rekeningen van een aantal zogenoemde offshore rechtspersonen naar Panamees recht: Darwin Assets (Banque J. Safra, bankrekeningnummer 24940), Falstream (Banque J. Safra, bankrekeningnummer 24180), SCI Riva Real Estate (beschikkingsbevoegd is [Medeverdachte], Banque J. Safra, bankrekeningnummer 25509) (AH/089, AH/090 en AH/93), First Rate FX ((D667 1/3) , Luna Capital (Emirates Bank, (AH/92) en Sarfix (beschikkingsbevoegde is [[Verdachte]] (AH/091), D/292, V11/7).

3.In dit verband merkt het hof op dat [[Verdachte]] en [[Medeverdachte]] elk voor 50% aandeelhouder zijn van de offshore maatschappij Palm Invest Dubai Limited (hierna: PID). Zij zijn beiden gemachtigd met betrekking tot de bankrekening van PID, (V6-003, p.5). De rekening van PID is verdeeld over een Euro- en een Dirhamrekening met de navolgende bankrekeningnummer eurorekening 0079-200161-015 (D/236) en Dirham rekeningnummer 0079-200161-001 (D/237).

4. De casus

De hiervoor genoemde rechtspersonen en natuurlijke personen zijn - naar het oordeel van het hof - hetzij direct hetzij indirect betrokken geweest bij de volgende feiten, waarvan de strafbaarheid moet worden vastgesteld.

Uit het dossier, de zittingen in eerste en tweede aanleg, inclusief de requisitoren en pleidooien, is af te leiden dat de [Verdachte]n [[Verdachte]] (hierna : [Verdachte]) en [[Medeverdachte]] (hierna: [Medeverdachte]) vanaf eind 2005 tot midden 2006 tezamen tot zodanige afspraken zijn gekomen, dat zij via PR Invest B.V. beleggers trachten te interesseren voor investeringen in onder meer deelnemingen en vast- goed. [Verdachte] kreeg daarvoor - vanwege zijn persoonlijke faillissement - een managementsfee. [Medeverdachte] was niet persoonlijk failliet. PR Invest B.V. heeft daartoe een prospectus uit doen geven, zonder dat deze was goedgekeurd, terwijl dat op grond van de geldende wet- en regelgeving wel noodzakelijk was. Diegenen die wilden investeren werd een obligatie-overeenkomst ter tekening voorgelegd. In die obligatie-overeenkomst werd vermeld dat ontvangen gelden van de beleggers zouden worden geïnvesteerd en/of belegd in (de aankoop, verkoop, verhuur van) vastgoedobjecten, in onder meer Duitsland en/of Turkije en/of zekerhe(i)d(en) waren en/of zouden worden ondergebracht in de Stichting Garantiegelden, althans een (of meer) Stichting(en), die onafhankelijk werd(en) bestuurd en/of 20% van het totale obligatiefonds eigen vermogen was en/of zou worden ingebracht (welk vermogen was achtergesteld ten opzichte van de obligatiehouder) en /of er geen of weinig risico's aan de investering en/of belegging zouden kleven en/of na afloop van de looptijd van de obligatieovereenkomst de (volledige) inleg zou worden uitgekeerd/geretourneerd/terugbetaald.

Ook bedragen onder de € 50.000,00 werden aanvaard door PR Invest B.V..Vanaf maart 2006 tot oktober 2006 heeft PR Invest B.V.in de persoon van [Verdachte] correspondentie gevoerd met de AFM over de eisen waaraan PR Invest B.V. moest voldoen, wilde zij niet strafbaar zijn op basis van de WED gelezen in verband met de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

De bedragen die door de beleggers werden gestort op een speciaal daartoe geopende Fortis-rekening, werden kort na storting doorgestort naar andere rekeningen waarover [Medeverdachte] en niet veel later [Verdachte] bij uitsluiting van ieder ander de bevoegdheid had. Van investeringen in noch deelnemingen, noch vastgoedbeleggingen binnen de ten lastgelegde en bewezenverklaarde periode is gebleken (zie hierna). Wel ontvingen de beleggers op tijd de hun toegezegde rente van 9% per jaar, terwijl een enkeling zijn inleg heeft teruggekregen toen hij daarom vroeg. In totaal is ruim anderhalf miljoen euro op deze wijze door beleggers ingelegd, terwijl uit de nog aanwezige activa niet de inleg van de 36 inleggers zou kunnen worden terugbetaald.

5. Het hof acht voorts bewezen dat dit patroon - starten van een B.V., beleggers trachten te interesseren met behulp van telefonisch benaderen en websites - zich heeft voortgezet vanaf eind november 2006 tot en met januari 2008 bij Palm Invest B.V., met dien verstande dat zowel [Verdachte] als [Medeverdachte] niet 'zichtbaar' waren voor diegenen die hun geld op een bankrekening, dit keer ABN/Amro-rekening - deponeerden. Hier werden de ontvangen gelden van de beleggers met wie op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden en condities als met PR Invest B.V. obligatie overeenkomsten waren afgesloten, zeer snel na storting, doorgestort naar Palm Invest Dubai, een naar het recht van Dubai opgerichte rechtspersoon, waarvan zowel [Verdachte] als Voortman elk voor 50% aandeelhouder was. Daarnaast gingen de gelden, zoals dat ook bij PR Invest gebeurde -naar andere entiteiten waarover [Verdachte] en [Medeverdachte] - middellijk dan wel rechtstreeks - zeggenschap hadden. Tijdens de veertien maanden dat Palm Invest B.V. beleggingsgelden heeft aangetrokken, heeft aan groot aantal beleggers geld gestort tot een totaal bedrag van ongeveer € 30.000.000,00. Van dat bedrag was op 21 januari 2008, de dag van de doorzoeking en aanhouding van de [Verdachte]n, weinig meer over dan wel traceerbaar.

6. Strafbaarheid rechtspersoon

Het hof overweegt dat de natuurlijke personen [Verdachte] en [Medeverdachte] wordt verweten dat zij tezamen en in vereniging feitelijk leiding hebben gegeven aan de hiervoor omschreven gedragingen. De strafbaarheid van de feitelijk leidinggevers is accessoir aan die van de rechtspersoon. Ten aanzien van de strafbaarheid van de rechtspersonen PR Invest en Palm Invest overweegt het hof volgende

De normadressaten

De genoemde rechtspersonen kunnen - gelet op artikel 51 Sr - als normadressaat worden aangemerkt van de ten laste gelegde feiten, oplichting, subsidiair verduistering (feit 1), valsheid in geschrift (feit 2), en (uitsluitend ten aanzien van PR Invest) overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (feit 4), nu geen rechtsregel daaraan in de weg staat en evenmin daarop enig verweer is gevoerd.

7. De redelijke toerekening

Vervolgens rijst de vraag of een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend.

Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is het antwoord op de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

a. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

b. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

c. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf en

d. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard (Drijfmest-arrest HR 21 oktober 2003, NJ 2006, 328).

Het hof overweegt dat het bij de gedragingen bij de feiten 1, 2 en 4 van de betrokken natuurlijke personen ([Medeverdachte], [Verdachte]) gaat om personen die feitelijk werkzaam zijn geweest (a.) voor de hier genoemde rechtspersonen.

Het trachten te interesseren van beleggers teneinde met hen obligatie-overeenkomsten te sluiten past eveneens binnen de normale bedrijfsuitoefening (b.) van PR Invest B.V. en Palm Invest B.V.rechtspersonen. Zowel PR Invest als Palm Invest hebben hun activiteiten omschreven als "ínvesteringsactiviteiten". Zij hebben op vergelijkbare wijze getracht van een algemeen publiek gelden te verwerven, terwijl zij de beleggers/investeerders in het vooruitzicht stelden dat de door hen ingelegde gelden belegd zou worden in vastgoed, al dan niet in Dubai (Palm Invest B.V.). De gedragingen van de feitelijk leidinggevers zijn ook dienstig geweest aan de rechtspersoon (c.), de door beleggers ingelegde gelden zijn ontvangen door de rechtspersonen.

Aan het beschikkingscriterium (d.) is voldaan nu de gedraging valt binnen de invloedsfeer van de rechtspersoon, dat wil zeggen nu de leiding van de rechtspersoon zeggenschap kan uitoefenen over de gedraging. Een juridische zeggenschapsverhouding is daarvoor niet vereist, een feitelijke gezagsrelatie kan ook beschikkingsmacht opleveren.

Zoals hierna nader zal worden besproken is het hof van oordeel dat zowel [Verdachte] als [Medeverdachte] feitelijk leiding hebben gegeven aan PR Invest en Palm Invest en daarbij tevens de gedragingen zoals tenlastegelegd hebben verricht. Aan het beschikkingscriterium is daarmee voldaan.

8. Opzet

Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de natuurlijke personen, de als feitelijk leidinggevers aan te merken [Verdachte] en [Medeverdachte], opzet op de gedragingen hebben gehad zoals de rechtspersonen deze uitvoerden. Daartoe overweegt het hof het volgende.

Naar het oordeel van het hof is de [Verdachte] aan te merken als feitelijk leidinggever van PR Invest BV en is hij verantwoordelijk te houden voor hetgeen binnen die vennootschap gebeurde en door die vennootschap is gedaan. Volgens achtereenvolgens de website, de brochure en de door PR Invest B.V. met investeerders gesloten overeenkomsten zou er met het in PR Invest B.V. ingelegde geld worden belegd in respectievelijk "vastgoed, participaties en fondsen", "deelnemingsprojecten" en "vastgoed". Vast staat dat de enige vorm van belegging door PR Invest BV waarvan sprake is geweest en die als zodanig zou kunnen worden aangeduid, een deelneming is in Commodore. Voor het overige is van beleggingen van enige omvang niet gebleken (AH/172, D/552, D/553, D/554). Het hof merkt hierover op dat deze deelneming medio 2005 nog slechts een intentie-karakter had en zich bovendien buiten de bewezenverklaarde periode afspeelde. De verplichting tot afname van de aandelen was medio 2005 aangegaan (D275), waarna al in februari 2006 (D269) ernstige betalingsproblemen ontstonden.

Enige aannemelijke of steekhoudende verklaring voor de omstandigheid dat met het geld van de investeerders niet is gedaan wat zij hadden mogen verwachten, is niet gekomen. Voor zover uit deze fondsen de contractueel verschuldigde rente is uitbetaald aan de investeerders, is sprake van een betalen van die rente met de "eigen" inleg. Voor het overige is het ingelegde geld uitgegeven aan andere zaken, waarvan, wat daarvan ook verder zij, in ieder geval niet is gebleken dat die de investeerders hebben gebaat. Nu voorts ook nog sprake is geweest van een van aanvang af onjuiste voorstelling van zaken op verschillende punten als door de Autoriteit Financiële Markten in haar aangifte(n) - voor zover door het hof voor het bewijs gebruikt - omschreven, en het onjuist informeren van beleggers over het ingelegde eigen vermogen (D-391) en al ingelegde bedrag (D-392, 24/33), is het hof van oordeel dat de onderneming PR Invest BV en de [Verdachte] als haar (mede) feitelijk leidinggever zich louter en van aanvang af hebben beziggehouden met oplichting. Bij het ontbreken van enige aanwijzing van het tegendeel gaat het hof er van uit dat dit het werkelijke doel was van de onderneming PR Invest BV. Dat betekent ook dat alles wat is uitgegeven aan "zakelijke" kosten ten behoeve van PR Invest BV, niet als zodanig kan gelden. In werkelijkheid zijn dit immers bedragen die zijn aangewend om de oplichting te kunnen beginnen en voort te zetten.

Wat Palm Invest BV betreft, stelt de [Verdachte] - kort en zakelijk weergegeven en overigens anders dan zijn raadsman, waarover hierna onder het kopje "Knollen voor citroenen" meer - dat sprake is geweest van een bonafide onderneming, waarin aanvankelijk verkeerde bestuurlijke beslissingen zijn genomen.

Blijkens de obligatie-overeenkomsten onder artikel 3.1 zou het in Palm Invest BV ingelegde geld worden geïnvesteerd in onroerend goed op de Palm Eilanden. Dat is niet gebeurd. Het hof verwijst in deze voor de volledigheid naar de gebezigde bewijsmiddelen.

9. Voor zover onroerend goed is aangekocht in Dubai, is dit op naam en voor rekening gebeurd van een andere juridische entiteit dan Palm Invest BV, te weten de rechtspersoon naar plaatselijk recht Palm Invest Dubai (hierna: PID). Voor zover op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is vast te stellen, werd deze entiteit financieel gevoed door Palm Invest BV. Wat dan het meest in het oog springt, is de omstandigheid dat niet is gebleken van enige juridische relatie tussen Palm Invest BV en Palm Invest Dubai. Met andere woorden: Palm Invest BV kan juridisch gezien geen enkele aanspraak maken op het geld dat Palm Invest Dubai van haar ontvangt, noch op het onroerend goed dat Palm Invest Dubai daarmee aanschaft, noch op de winsten die Palm Invest Dubai genereert met de verkoop van dat onroerend goed. Als verklaring hiervoor is door de verdediging aangevoerd dat een Nederlandse rechtspersoon als Palm Invest BV, kort samengevat, geen zaken kan doen in Dubai, maar dat daarvoor een lokale onderneming(svorm) nodig is. Daarmee is echter alleen verklaard waarom Palm Invest Dubai in het leven is geroepen. Een verklaring voor het ontbreken van enige juridische aanspraak van Palm Invest BV op de activa van Palm Invest Dubai geeft dit niet. Het hof vermag ook niet in te zien dat het creëren van een dergelijke aanspraak juridisch gezien onmogelijk zou zijn geweest.

10. Eerst in hoger beroep ter terechtzitting van 11 maart 2013 is - zonder enige nadere onderbouwing - door de [Verdachte] en [Medeverdachte] aangevoerd dat sprake zou zijn van een soort van samenwerkingsovereenkomst, waarmee wel degelijk juridische aanspraken van Palm Invest BV op Palm Invest Dubai zouden zijn gevestigd. Deze nooit eerder in de jarenlange procedure genoemde overeenkomst werd door hun aanvankelijk aangeduid als een 'maatschapsovereenkomst', kennelijk refererend aan een dergelijke overeenkomst waarvan in de met de investeerders afgesloten obligatie-overeenkomsten sprake is, overigens zonder dat op enig moment duidelijk is geworden wat dat dan voor overeenkomst zou zijn.

Het had op de weg van de [Verdachte] en [Medeverdachte] gelegen, gelet ook op het belang van het bestaan van een dergelijke overeenkomst gezien in het licht van de ter tafel liggende beschuldiging, om deze te produceren. Dat dit voor hun onmogelijk zou zijn, is gesteld noch gebleken. De [Verdachte] heeft meegedeeld dat de toenmalige advocaat van Palm Invest Dubai in Dubai over deze overeenkomst zou moeten kunnen beschikken. Niets stond derhalve de [Verdachte] in de weg om deze overeenkomst bij die advocaat op te vragen. Niet is gebleken dat dit ook maar is geprobeerd. In plaats daarvan menen [Verdachte] en [Medeverdachte] dat het hof een (nader) rechtshulpverzoek aan de Verenigde Arabische Emiraten zou behoren te entameren opdat deze overeenkomst alsnog kan worden geproduceerd. Het hof ziet daartoe echter in dit stadium van de procedure en gelet op wat hiervoor is overwogen, geen noodzaak.

11. Niet alleen juridisch kon Palm Invest BV op geen enkele wijze aanspraak maken op de aan PID overgemaakte gelden, ook uit het daadwerkelijke gebruik van de bankrekeningen van PID blijkt niet dat de tegoeden op één of andere wijze aan Palm Invest konden worden toegerekend.

PID beschikte in Dubai over een Euro- en een Dirham rekening. Uit het dossier blijkt dat op

€ 180.000,00 na, alle bijschrijvingen op de euro-rekening van de PID afkomstig zijn van Palm Invest B.V. In totaal wordt van Palm Invest 15,2 miljoen euro ontvangen (AH/144, p. 2).

De [Verdachte]n [Verdachte] en [Medeverdachte] beschikken direct na het overboeken als heer en meester over de gelden. Zo ontvangt Van Vliet truck al in februari 2007 € 475.000,00 als aanbetaling op een door [Medeverdachte] in januari 2007 aangeschafte Bentley en twee Rolls Royces (D592, D593 en AH/144, p.1535), betaalt [Verdachte] [Medeverdachte] vanaf de rekening van PID in maart voor 1,5 miljoen euro privé-schulden uit een oud-faillissement (D/009 en D/010), ontvangt de vader van de [Verdachte] [Medeverdachte] op 26 februari 2007 een lening van € 250.000,00, worden van het geld via PID, voor enkele miljoenen euro's onroerend goed ten behoeve van eigen bewoning van beide [Verdachte]n in het Gooi aangeschaft en wordt er ten behoeve van de aanschaf van boten meer dan € 2 miljoen rechtstreeks aan botenleveranciers overgemaakt.

Uit het dossier blijkt dat van de € 15,2 miljoen die van Palm Invest B.V. op de eurorekening van PID is ontvangen in totaal 11,7 miljoen euro is overgemaakt ten gunste van bankrekeningen van de [Verdachte]n dan wel voor betalingen voor [Verdachte]n, dat per saldo 1 miljoen euro is overgemaakt op de Dirham rekening van PID en dat van 2,5 miljoen euro onbekend is waarvoor het is overgemaakt. Op 31 december 2007 resteert een saldo op de eurorekening van € 28.196,55 (AH/144).

Op de Dirham-rekening wordt via First Rate ongeveer 2,5 miljoen euro van Palm Invest ontvangen. Van de Dirham rekening vinden in beperktere mate (€ 1,6 miljoen) overboekingen plaats naar (vennootschappen van) de [Verdachte]n. Vanaf de Dirhamrekening worden ook bedragen af- en bij geboekt in verband met de handel in aangekochte panden. Het aan- en weer verkopen van de afzonderlijke panden vond binnen enkele maanden tot een halfjaar na elkaar plaats (carrousel). De eerst aangekochte panden werden in de lente 2007 alweer verkocht. Hierdoor kon met een relatief beperkt deel van de ingelegde 30 miljoen euro achteraf toch gezegd worden dat voor 'in totaal 9 miljoen euro' aan panden via AA-properties in Dubai is aangekocht. Het werkelijke vermogensbeslag van de aankopen was door de carrousel echter minder, 3 x 3 is ook negen.

Ook de Dirham-rekening is aan het einde van 2007 vrijwel leeg (AH-146) terwijl er nog maar enkele panden bij AA-properties in portefeuille zijn.

Uit bovenstaande leidt het hof af dat ook uit het daadwerkelijk gebruik van de bankrekeningen van PID in het geheel niet blijkt dat de gelden ten behoeve van Palm Invest B.V. werden gehouden dan wel werden ingezet. Het hof concludeert dan ook dat er door of voor rekening van Palm Invest B.V. geen onroerend goed in Dubai is aangeschaft.

12. Het hof komt op grond hiervan, in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie dat Palm Invest BV en de [Verdachte] als haar (mede) feitelijk leidinggever, zich van begin af aan hebben beziggehouden met oplichting. Het hof gaat er dan ook van uit dat dit het werkelijke doel was van deze onderneming. Dat betekent ook dat alles wat is uitgegeven aan "zakelijke" kosten ten behoeve van Palm Invest BV, niet in werkelijkheid als zodanig is te beschouwen. In werkelijkheid zijn dit immers bedragen die zijn aangewend om de oplichting te kunnen beginnen en voort te zetten. Voor zover er geld van Palm Invest BV naar andere rekeningen is gegaan dan die van Palm Invest Dubai is voorts, mede gelet op het vorenstaande, niet gebleken dat de investeerders bij die uitgaven op enigerlei wijze zijn gebaat. Ook is het hof van oordeel dat er door of ten behoeve van Palm Invest BV geen onroerend goed in Dubai is aangeschaft. Ook hier geldt dat ruim voor de inval bij Palm Invest BV binnen de vennootschap geen geld meer over was om de beleggers hun inleg en rente uit te betalen. Dat de curator er nog in is geslaagd om 2 miljoen uit de panden in Dubai die PID nog bezat en de waarde van de privé-villa's van [Verdachte]n in het Gooi richting de boedel te laten vloeien doet daar niets aan af.

13. De [Verdachte] heeft ten slotte aangevoerd, ter ontkrachting van de stelling van het openbaar ministerie dat sprake zou zijn van bewuste malafide praktijken, dat zij op enig moment nadat er negatieve publiciteit ontstond zijn begonnen met wat zij als "de reorganisatie" van Palm Invest BV aanduiden, omdat hij zelf ook wel had ingezien dat er zaken niet op orde waren en verbetering behoefden. Voor zover het hof dit heeft kunnen opmaken uit het dossier en het verhandelde ter zitting heeft die reorganisatie hierin bestaan dat er een jurist is aangezocht, getracht is een accountant aan te trekken en een nieuwe directeur is aangesteld. Een en ander heeft het hof er echter niet van kunnen overtuigen - voor zover de tenlastegelegde strafbare feiten al niet waren voltooid - dat hier sprake is geweest van een serieuze poging van de [Verdachte] en zijn [Medeverdachte] om van Palm Invest BV een bonafide onderneming te maken. Onduidelijk is ook wat de jurist voor werkzaamheden heeft uitgevoerd. Uit het dossier blijkt dat de nieuwe directeur niet van de meest wezenlijke bedrijfsgegevens op de hoogte was (D285) en niet is gebleken dat dat op enig moment wel is gebeurd. Ook is niet gebleken dat er daadwerkelijk iets dat voor de beschuldiging van oplichting relevant is in de bedrijfsvoering van Palm Invest BV is gewijzigd. Verder was het geld bij Palm Invest BV eind 2007 vrijwel op.

De door de beleggers ingelegde 30 miljoen euro hadden hun bestemming voor het grootste deel gevonden in het privé-vermogen en de privé-bestedingen van de [Verdachte]n [Medeverdachte] en [Verdachte]. Het verweer brengt het hof derhalve niet tot een andere conclusie dan hiervoor is weergegeven.

Het voorgaande (de rechtsoverwegingen 8 tot en met 13) leiden het hof tot de conclusie dat de [Verdachte] en [Medeverdachte] opzet hadden op de litigieuze gedragingen.

14. Medeplegen van feitelijk leidinggeven van de [Verdachte] ter zake van PR Invest

De raadsman van de [Verdachte] heeft aangevoerd dat de [Verdachte] [Verdachte] van de feiten onder 1 2, 3 en 4 toeziende op PR Invest moet worden vrijgesproken, nu van medeplegen geen sprake is, maar slechts van faciliterende medewerking op marketinggebied, waarbij de opzet op enig strafbaar feit ontbreekt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Dit verweer moet worden verworpen. Het vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.

Ten overvloede overweegt het hof dat uit de inhoud van die gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd blijkt dat bij PR Invest tussen de [Verdachte] en [Medeverdachte], een zeer nauwe en bewuste samenwerking was, gericht op de bewezenverklaarde strafbare gedraging. Het hof wijst op de verklaringen van de [Verdachte] zelf, afgelegd bij de FIOD, ter zitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep van 11 maart 2013. Deze verklaringen houden wat de samenwerking betreft - kort gezegd - in dat [Verdachte], [Medeverdachte] heeft ontmoet eind 2005, toen hij nog werkte bij TRE, een soortgelijk bedrijf als het latere Palm Invest (V11-12 p. 4137) dat hij op 1 november 2005 als manager in dienst is getreden bij PR Invest en hij in opdracht van [Medeverdachte] "het commerciële verhaal heeft opgezet" van PR Invest en zich heeft beziggehouden met het opstellen van de brochure van PR Invest. Ook heeft hij de teksten van de obligatieovereenkomsten samen met [Medeverdachte] opgesteld. In de gevallen dat er minder dan 50.000 euro aan lening werd aangeboden heeft hij de tekst van de obligatieovereenkomst op dat punt in het contract aangepast, terwijl hij wist dat zonder goedgekeurde prospectus geen effecten beneden de 50 duizend euro mocht worden aangeboden. Ten slotte heeft de [Verdachte] zich namens PR bezig gehouden met het schrijven naar de AFM. De [Verdachte] heeft ten slotte verklaard dat hij samen met [Medeverdachte] op één kantoor zat en omdat hij elke dag samen met hem was, ook de dingen samendeed. De verklaring van [Medeverdachte] bij FIOD houdt op dit punt in dat hij verklaart dat hij de formele zaken bij PR deed en [Verdachte] de uitvoering.

15. Medeplegen van feitelijk leidinggeven aan de feiten 1, 2 en 4

Het hof overweegt dat beide [Verdachte]n, [Verdachte] en [Medeverdachte], tezamen en in vereniging verwijtbaar feitelijk leiding hebben geven aan de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde verboden gedragingen. Ten aanzien van PR Invest verwijst het hof allereerst naar hetgeen het hiervoor onder "Feitelijk leidinggeven [Verdachte] [Verdachte] ter zake van PR Invest" heeft overwogen. Dat [Medeverdachte] feitelijk leiding gaf aan PR Invest, volgt uit de bewijsmiddelen. Dat hun opzet ook op de samenwerking was gericht, volgt eveneens uit hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen.

16. Ten aanzien van Palm Invest overweegt het hof dat beiden van meet af aan samen het plan hadden opgevat Palm Invest op te bouwen. [Medeverdachte] had - naar zijn zeggen - [Verdachte] in de kroeg ontmoet. Nadat [Medeverdachte] medio 2006 had gehoord van één van de broeders [Makelaar] dat in Dubai allerhande mogelijkheden voor investeringen lagen hebben [Medeverdachte] en [Verdachte] de plannen voor Palm Invest BV gemaakt. Ter terechtzitting in hoger beroep (van 11 maart 2013) hebben beide [Verdachte]n verklaard dat bij Palm Invest [Verdachte] meer de uitvoerende kant van de bedrijvigheid op het kantoor voor zijn rekening heeft genomen en [Medeverdachte] zijn netwerk ter beschikking heeft gesteld. [Verdachte] heeft voorts verklaard ter terechtzitting in hoger beroep dat hij de brochure voor PR Invest en Palm Invest heeft gemaakt. Voorts deelden beiden het aandeelhouderschap van PID te Dubai. [Medeverdachte] heeft zijn bankrekeningen ter beschikking gesteld, terwijl [Verdachte] via zijn managementovereenkomst een vinger in de pap kon houden bij PR Invest en Palm Invest. Dat hij geen aandeelhouder dan wel bestuurder was, doet daaraan niet af. Het hof komt tot de conclusie dat sprake is geweest van het tezamen en in vereniging feitelijk leidinggeven bij beide rechtspersoon en Palm Invest zijn geweest, terwijl de [Verdachte] bij PR Invest manager is geweest (via Portère), terwijl hij die functie bij Palm Invest voortzette.

Bij deze stand van zaken houdt het hof het ervoor dat de gedragingen van beide [Verdachte]n er op gericht waren de verboden gedragingen uit te voeren op de wijze waarop zij dat hebben gedaan en geen activiteiten hebben ontwikkeld teneinde te verhinderen dat de verboden gedragingen plaatsvonden, terwijl zij daartoe bevoegd waren en redelijkerwijs waren gehouden.

17. Het voorgaande leidt naar het oordeel dat sprake is geweest van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling van zich en/of een ander in de periode van 1 november 2005 tot en met 21 januari 2008. De wederrechtelijkheid acht het hof gegeven nu de beide [Verdachte]n het vertrouwen dat beleggers/investeerders in PR Invest en Palm Invest hadden, ernstig hebben geschonden. Immers, vanaf het moment dat het geld van de rekening van PR Invest B.V. wordt gehaald en overgemaakt naar een of meer andere bankrekeningen waarover met name de [Verdachte] [Medeverdachte] als heer en meester kan beschikken, is sprake van bevoordeling van de [Verdachte] en [Medeverdachte]. Het uit de (juridische) macht van de belegger brengen van het door hem ingelegde geld brengt met zich dat sprake is van handelen dat zozeer indruist tegen hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en op grond waarvan kan worden vastgesteld dat sprake is schending van vertrouwen van de beleggers/inleggers dat sprake is van wederrechtelijk handelen waaraan de [Verdachte] en [Medeverdachte] zich hebben schuldig gemaakt.

Gevoerde bewijsverweren

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde: oplichting

"Knollen voor citroenen"

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit (oplichting) niet kan worden bewezen als oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). In het bijzonder laten de gebleken onjuistheden met betrekking tot de gestelde zekerheden die waren ondergebracht in de Stichting Garantie Gelden en het inbrengen van 20% eigen vermogen in het Garantiefonds ten behoeve van de obligatiehouders, in de onderhavige zaak zich niet kwalificeren als de in dit artikel genoemde oplichtingsmiddelen "listige kunstgrepen en/of "samenweefsel van verdichtsels".

De raadsman heeft daartoe gesteld hetgeen in zijn pleitnotities dienaangaande is opgenomen (2.0 tot en met 2.5). Kort gezegd houdt dit in dat deze door de [Verdachte] gebezigde mededelingen zo evident onmogelijk waren, of "te mooi waren om waar zijn" dat dit voor de slachtoffers aanleiding had behoren te geven die onwaarachtigheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. De slachtoffers hebben zich - een citaat van minister Modderman aanhalend - "knollen voor citroenen laten verkopen", en dat levert geen listige kunstgreep of een samenweefsel van verdichtsels op. De [Verdachte] dient aldus te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het standpunt van de verdediging ertoe strekkende dat de beleggers niet als voorzichtige burgers in de beleggerswereld hebben geopereerd en zich knollen voor citroenen hebben laten verkopen, hetgeen onnodig zou zijn geweest indien zij zich beter hadden laten voorlichten en zelf beter onderzoek hadden gedaan - door het hof opgevat als een kwalificatie-verweer -, kan het hof niet volgen, nu de beleggers er enerzijds wel rekening mee mochten houden dat hun geld daarin werd belegd waarvan van de zijde van PR Invest BV en Palm Invest BV was gezegd dat het zou worden belegd, maar niet dat hun geld - tegen de norm van het maatschappelijk verkeer in - vanaf het moment dat hun geld op de rekening van PR Invest en Palm Invest terechtkwam, werd doorgestort naar rekeningen waar PR Invest BV en Palm Invest BV geen zeggenschap meer over hadden. Evenmin hoefden zij er rekening mee te houden dat, anders dan was voorgespiegeld, als PR Invest dan wel Palm Invest niet meer aan hun verplichtingen konden voldoen, geen sprake was van een 'gevulde garantiepot' noch van een door de [Verdachte]n reeds gevulde rekening, met daaraan gekoppelde zekerheden waarop de beleggers konden terugvallen. Daarbij merkt het hof op dat de [Verdachte]n - gelet op de wijze waarop zij adverteerden: reclameborden, websites en het relatief bescheiden bedrag van inleg - rekening moesten houden met de beleggerspopulatie die zij als doelgroep zagen. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

De raadsman heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de [Verdachte] dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde, voor zover ten aanzien van een specifieke belegger niet kan worden vastgesteld dat deze is bewogen tot de afgifte van de gelden, naar aanleiding van één van de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen. Dit causale verband tussen afgifte en oplichtingsmiddel dient te worden vastgesteld. (HR NJ 1992,124) en indien dit ontbreekt kan het feit ten aanzien van die belegger niet worden bewezenverklaard. De raadsman heeft daartoe gesteld hetgeen in zijn pleitnotities dienaangaande uitgebreid is opgenomen (2.6). Het gevolg hiervan moet zijn dat het hof bij de oplegging van de straf niet kan uitgaan van benadeling/oplichting van veel meer slachtoffers voor miljoenen euro's.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat slechts ten aanzien van die beleggers van wie op grond van de wettige bewijsmiddelen in het dossier kan worden vastgesteld dat zij door één van de in de tenlastelegging vermelde oplichtingsmiddelen zijn bewogen tot de afgifte van enig geldbedrag aan PR Invest of PI invest, dit feit kan worden bewezenverklaard. In zoverre treft het verweer doel.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde: valsheid in geschrift

De raadsman heeft ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat wel degelijk bedragen zijn aangewend voor de aanschaf van vastgoed in Dubai en dat daarom niet bewezen kan worden dat de van de beleggers Lasschuijt, [benadeelde 4] en [benadeelde 5] ontvangen gelden niet zijn aangewend om vastgoed te kopen. De raadsman heeft in dit verband gewezen op de verklaring van F.S. makelaar van AA Properties, die heeft verklaard dat alle 23 transacties betrekking hebben op het Palm 2 eiland.

Het hof verwerpt het verweer. Het hof heeft, zoals hier is uiteen gezet, niet aannemelijk geacht dat door of ten behoeve van Palm Invest B.V. onroerend goed in Dubai is aangeschaft. Dit verweer wordt verworpen.

De raadsman van de [Verdachte] heeft voorts ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat in strijd met de waarheid, in de obligatieovereenkomsten van PR Invest B.V. en Palm Invest B.V. is opgenomen dat zij zekerheden zouden onderbrengen of hadden ondergebracht bij de Stichting Garantiegelden PR Vastgoed & Invest en/of Stichting Garantie Gelden. In bedoelde obligatieovereenkomsten is onder artikel 3.1 immers slechts vermeld dat de daar bedoelde stichting zekerheden te gelde mag maken, maar niet dat daadwerkelijk zekerheden zouden zijn overgedragen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In beide obligatieovereenkomsten, zowel die van PR Invest als die van Palm Invest onder het kopje "Artikel 3 zekerheden" is onder artikel 3.1. vermeld: "de obligatiehouder verleent hierbij de onherroepelijke last aan de Stichting om in eigen naam ten behoeve van de gezamenlijke obligatiehouders, de zekerheden gedaan aan de Stichting, te gelde te maken ten behoeve van de obligatiehouder".

In de obligatieovereenkomst staat, anders dan de raadsman stelt, dat zekerheden reeds zijn gesteld, hetgeen naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet anders is te begrijpen als "overgedragen aan" of "ondergebracht bij" de desbetreffende stichting, dan wel dat aan de desbetreffende stichting op de een of andere wijze de juridische beschikkingsmacht reeds is toegekend over die zekerheden. Zij waren zoals [Medeverdachte] zelf heeft verklaard (V6/04, p. 4015) niet 'keihard'.

Dit sluit ook aan bij de informatie hierover die in alle brochures stond die namens PR Invest en Palm Invest werden verstrekt. Hierin zijn immers opgenomen een 'zekerheidsconstructie' in de vorm van een onafhankelijke stichting en een aanzienlijk deel ingebracht eigen vermogen. In de brochure van Palm Invest is de volgende passage opgenomen: 'Palm Invest is aangesloten bij de Stichting Garantie Gelden. Deze is opgericht om de investeerder maximale zekerheid te bieden. In het geval dat Palm Invest haar verplichtingen niet kan nakomen, worden de zekerheden aangesproken die zijn ondergebracht bij de onafhankelijke stichting. (...). Deze worden, indien de verplichtingen tegenover de obligatiehouder niet worden nagekomen, te gelde gemaakt."

Uit de inhoud van de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van de [Verdachte] zelf, blijkt onmiskenbaar dat deze in de brochures, op internet en via de telefoon aan de beleggers gedane mededelingen over de Stichtingen (en de inbreng van 20% eigen vermogen in de onderneming) onjuist waren. De stichtingen waren een 'lege huls' en het was 'een papieren verhaal', aldus de [Verdachte] [Medeverdachte] bij de FIOD (V6-03 en zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2013. Van een daadwerkelijke inbreng van "achtergesteld" eigen vermogen - wat daaronder ook mag worden verstaan - is het hof niet gebleken. Deze onjuiste mededelingen werden - zo begrijpt het hof - juist gedaan om geïnteresseerde beleggers te bewegen geld over te maken. Het waren, zoals de [Verdachte]n hebben verklaard, 'commercial tools'. (verklaring [Verdachte] bij de FIOD V11-15)

Nu de zekerheden er niet waren en er ook niet zijn gekomen, hetgeen de [Verdachte]n ook wisten, op het moment dat met geïnteresseerde beleggers een obligatieovereenkomst werd afsloten met daarin het eerder vermelde artikel 3.1., zijn deze overeenkomsten op dit onderdeel onjuist en in strijd met de waarheid, en daarmee valselijk opgemaakt. Door vervolgens deze overeenkomsten te (laten) ondertekenen, ter bevestiging van de juistheid van de inhoud daarvan, hebben de [Verdachte]n zich schuldig gemaakt aan het geven van feitelijk leiding aan het plegen van valsheid in geschrift.

Uit de inhoud van de verklaring van [getuige 2] (G10/01, p. 5046) blijkt dat hij geen handtekening onder de obligatie-overeenkomst tussen PR Invest B.V. en [benadeelde 2] heeft gezet. [Getuige 1]] verklaart dat hij voor Palm Invest niets heeft gedaan en de handtekeningen onder de obligatie-overeenkomsten met Lasschuit (D/427), [benadeelde 4] (D/434) en [benadeelde 5] (D/ 441) niet heeft gezet (verklaring op 17 juni 2009 bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam). Nu bedoelde obligatieovereenkomsten niettemin door anderen dan [getuige 2] en [Getuige 1]] zijn voorzien van een handtekening, op de plaats waar de stichtingsbestuurder [getuige 2] of [Getuige 1]] behoorde te tekenen, hebben de [Verdachte]n, als feitelijk leidinggevers aan deze verboden gedragingen, zich ook op dat onderdeel schuldig gemaakt aan het geven van feitelijke leiding aan het plegen van valsheid in geschrift.

De raadsman heeft ten slotte in dit verband nog aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de gestelde ondertekening "ter bevestiging van de juistheid van de obligatielening" is, aangezien de ondertekening alleen de acceptatie van de in de overeenkomst genoemde voorwaarden impliceert.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Een handtekening onder een schriftelijk stuk met bewijsbestemming wordt, behoudens aanwijzingen van het tegendeel, gezet ter bevestiging van de juistheid van al hetgeen daarin is opgenomen. Dat dit in casu anders zou zijn, is niet aannemelijk geworden. Het feit dat de handtekening tevens acceptatie van de in de obligatielening eveneens genoemde voorwaarden kan inhouden, maakt dit niet anders.

Het verweer wordt mitsdien in al zijn onderdelen verworpen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde: witwassen

De verdediging heeft betoogd dat de [Verdachte] van dit feit dient te worden vrij gesproken. Zij ziet in de gedragingen van de [Verdachte]n geen witwashandeling, nog daargelaten de hoogte van het bedrag. De raadsman heeft aangevoerd dat niet bewezen (hof begrijpt: niet gekwalificeerd) kan worden dat door de ontvangst van de gelden op de bankrekeningen van PR Invest B.V. en/of Palm Invest B.V. sprake is van witwassen in de zin van de wet. De raadsman heeft daartoe gesteld hetgeen is vermeld in zijn pleitnotities op pagina 57. Dit houdt in - naar het hof begrijpt en kort gezegd - dat het enkel voorhanden hebben van de gelden van beleggers op de bankrekeningen van PR Invest B.V. en Palm Invest B.V., zijnde gelden waarvan vaststaat dat deze afkomstig zijn uit door de [Verdachte] begane misdrijven, zonder dat dat voorhanden heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die gelden, niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

Het hof kan de verdediging daarin niet volgen. Het overweegt daartoe dat in het onderhavige geval gelden van derden werden verkregen door het sluiten van obligatie-overeenkomsten ten einde deze gelden - volgens de brochure en andere reclame-uitingen - te beleggen en te investeren in 'deelnemingen' en vastgoed, onder meer in Dubai. Daartoe openden de [Verdachte]n bankrekeningen waarop zijzelf dan wel de door hen gemachtigden bij uitsluiting van ieder ander toegang hadden. Zodra de stortingen van derden - de obligatiehouders- binnenkwamen, werden deze bedragen direct doorgestort naar rekeningen waarop de [Verdachte] bij uitsluiting bevoegd was (bijvoorbeeld de Agité Groep B.V. of PID Dubai)(AH /80; D/208 t/m 224). Bijna al de gelden die de beleggers van Palm Invest hebben gestort zijn op deze wijze uit het 'juridisch zicht' en de juridische greep geraakt van de beleggers en in de macht gebleven van de [Verdachte]n. Vanuit PID Dubai hebben de gelden hun weg vervolgd naar allerhande offshore rechtspersonen, die hiervoor zijn genoemd. Bij deze stand van zaken wordt het delictsbestanddeel "overgedragen' feitelijk vervuld. De vraag of dit met zich brengt dat sprake is van strafbaar 'overgedragen' hangt af van de vraag of de [Verdachte] ook het opzet had op die gedragingen en of hij ook wist dat sprake was van 'voorwerpen', in casu 'geld', die/dat afkomstig waren/was van een misdrijf of misdrijven.

Het hof beantwoordt deze vragen bevestigend. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de [Verdachte] wist (opzet) dat het geld van de beleggers afkomstig was door misdrijf (deels van oplichting, valsheid in geschrift en -uitsluitend met betrekking tot feit 4 voor zover het PR Invest B.V. betreft - opzettelijke overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer 1995). In het licht hiervan kan het hof de stelling van het openbaar ministerie volgen dat zij al naar zijn opvattingen van derden binnengekomen gelden tot het witgewassen geld beschouwt.

De raadsman van de [Verdachte] heeft voorts in hoger beroep betoogd dat ter zake van het onder feit 3 ten laste gelegde slechts tot een bewezenverklaring kan worden gekomen voor gelden van die beleggers waarbij - voor zover het het onder feit 1 ten laste gelegde betreft - de oplichting bewezen is verklaard.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt

In het onderhavige geval acht het hof bewezen dat de [Verdachte] - tezamen met een ander als feitelijk leidinggever zich schuldig heeft gemaakt aan zowel oplichting, valsheid in geschrift en - voor zover het feit 4 betreft- met betrekking tot PR Invest B.V., opzettelijke overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer 1995. Alle beleggers, niet alleen de met name genoemden, beschikten over een gelijkluidende schriftelijke obligatieovereenkomst, waarin de valsheden zoals in de bewezenverklaring van feit 2 zijn omschreven voorkwamen. Op grond van die (valse) overeenkomsten is geld aan Palm Invest overgemaakt. Het hof is van oordeel dat die gelden "van enig misdrijf afkomstig zijn". Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het onder 4 ten laste gelegde feit: de opzettelijke overtreding van de Wet toezicht effectenverkeer 1995

Onder feit 4 is bewezenverklaard dat de [Verdachte] als feitelijk leidinggever van PR Invest B.V. in de periode van 1 november 2005 tot eind november 2006 effecten heeft aangeboden zonder dat ter zake de aanbieding een prospectus algemeen verkrijgbaar was.

Ten tijde van het plegen van dit feit werd deze overtreding aangemerkt als een economisch delict in artikel 1 sub 2 van de Wet op de economische delicten (hierna : WED) en als zodanig ook strafbaar gesteld (artikel 1, 2 en 6 WED).

De Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) is daarna op 1 januari 2007 komen te vervallen en het verbod van 3 lid 1 Wte 1995 is thans opgenomen in artikel 5:2 van de Wet op het Financieel toezicht (Wft) die wet per 1 januari 2007 inwerking is getreden. Bij de invoering van art 5:2. Wft heeft de wetgever per abuis nagelaten dit artikel aan te merken als een economisch delict in de zin van die wet.

Deze omissie in de wetgeving heeft de wetgever inmiddels ook weer hersteld. Bij wijziging van de WED (Staatsblad 2011, nr. 248) is artikel 1 van deze wet gewijzigd in die zin dat opnieuw artikel 5:2 is ingevoegd. In de kamerstukken betreffende deze wijziging (kamerstuk 2008/2009, nr 32036, memorie van toelichting) is vermeld dat deze aanpassing het mogelijk maakt opzettelijke overtreding van artikel 5:2 Wft strafrechtelijk af te doen, welke bevoegdheid per abuis was weggevallen bij de introductie van het boetestelsel financiële wetgeving.

Uit het voorgaande volgt dat de wetgever is overgegaan tot reparatie van de desbetreffende wetgeving.

De rechtbank heeft bij haar vonnis van 22 april 2010 geoordeeld dat deze omissie van de wetgever een misslag van de wetgever was en mitsdien geen sprake is geweest van een veranderd inzicht over de strafwaardigheid van de gedraging en geen aanleiding diende te geven tot het buiten toepassing laten van de strafbedreiging uit 2005/2006.

De raadsman en het openbaar ministerie hebben zich op het standpunt gesteld dat nu de 'misslag' ook thans nog niet is hersteld, de [Verdachte] dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt het verweer bij het ontbreken van feitelijke grondslag, nu het ervoor moet worden gehouden dat op het moment van begaan van het feit de verweten gedraging met straf was bedreigd en thans op het moment van berechting door de reparatiewetgeving opnieuw is strafbaar gesteld. Daaraan doet niet af dat gedurende enige tijd de omschreven gedraging door een misslag van de wetgever niet strafbaar was gesteld. Als tot uitgangspunt zou moeten worden genomen dat niet enig aan de wetgever toe te schrijven inzicht over de strafwaardigheid het bij de toepassing van artikel 1, tweede lid Sr als het leidende beginsel zou moeten genomen, maar het vertrouwen dat de burger mag stellen in de wet zelf, dan nog is dat vertrouwen in casu niet beschaamd, nu de gedraging van de [Verdachte] op het moment van begaan daarvan strafbaar was - en ook kenbaar voor hem -, is dat niet anders dan op het moment van berechting. Tussenliggende wijzigingen doen daar niet aan af, nu die wijzigingen inmiddels door de wetgever in de oude toestand zijn hersteld.

De verdediging heeft nog een beroep gedaan op het zogenoemde Scoppola-arrest (EHRM 17 september 2009, LJN BK6009) en de interpretatie die de Hoge Raad daaraan heeft gegeven (HR 12 juli 2011, LJN BP6878). Dit beroep kan de verdediging niet baten. De Hoge Raad heeft in dat arrest bepaald dat hij blijft bij zijn bestendige rechtspraak met betrekking tot veranderingen die verband houden met delictsomschrijvingen, waaronder begrepen het vervallen van strafbaarstellingen. De Hoge Raad heeft daarbij opgemerkt dat die rechtspraak goede grond heeft, omdat de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Een uitzondering daarop wordt echter gerechtvaardigd ingeval sprake is van een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten, welk inzicht naar het oordeel van de Hoge Raad door de wetgever wordt vastgelegd in bijzondere overgangsbepalingen. Uit het herstellen van de misslag leidt het hof af dat de strafbedreiging niet gunstiger is voor de [Verdachte]. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

feitelijk leiding geven aan oplichting, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

feitelijk leiding geven aan de opzettelijk begane overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Strafbaarheid van de [Verdachte]

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de [Verdachte] uitsluit, zodat de [Verdachte] strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de [Verdachte] ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht. Daarnaast heeft zij een aantal beslissingen genomen over de vorderingen benadeelde partijen.

Tegen voormeld vonnis is door de [Verdachte] en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de [Verdachte] voor dezelfde feiten als waarvoor de [Verdachte] in eerste aanleg is veroordeeld zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd dat de [Verdachte] in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de [Verdachte].

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De [Verdachte] heeft zich als feitelijk leidinggever opererend binnen een rechtspersoon, samen met ander, gedurende een periode van ruim twee jaar schuldig gemaakt aan ernstige vormen van vermogenscriminaliteit. De [Verdachte]n hebben een aantal personen opgelicht, valsheid in geschrift begaan ten opzichte van alle benadeelde partijen, een gewoonte gemaakt van witwassen en in het kader van een rechtspersoon voorschriften van het Wet op het toezicht op het effectenverkeer 1995 geschonden. In het kader van zijn activiteiten ten behoeve van PR Invest B.V. is 1,8 miljoen euro op de bankrekeningen waarover de rechtspersoon de beschikking had terechtgekomen; in het kader van Palm Invest B.V. is dat ongeveer 30 miljoen euro geweest.

Het hof beschouwt PR Invest B.V. en Palm Invest B.V. slechts als oplichtingsvehikels. Vanaf het allereerste begin verdween het overgrote deel van het ingelegde geld naar bankrekeningen waarop uitsluitend de [Verdachte]n toegang hadden. Een en ander heeft de [Verdachte] en zijn mededader miljoenen opgeleverd. Grootse reclame campagnes, tv-optredens, websites en telefonische contacten moesten ertoe leiden dat een groot aantal beleggingsovereenkomsten werden afgesloten ten behoeve van -zo werd voorgespiegeld - investeringen in vastgoed in het buitenland (PR Invest B.V.) en met name in Dubai (Palm Invest B.V.). De [Verdachte] en zijn mededader hebben de nodige moeite gedaan ervoor te zorgen dat de zogenoemde "paper trail" van de rechtspersonen die zich met de oplichting bezighielden niet, in ieder geval niet dan na omwegen, te traceren was.

In het kader van de oplichting heeft de [Verdachte] zich schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift ten aanzien van alle met investeerders in het beweerde beleggingsproduct gesloten obligatie-overeenkomsten en het witwassen van het door beleggers ingelegde geld. PR Invest B.V.wordt bovendien verweten dat het ondanks waarschuwingen door de AFM, bepalingen van de Wet op het toezicht effectenverkeer 1995 opzettelijk heeft overtreden

Het door de feitelijk leidinggevers verkregen geld is, voor zover dat valt na te gaan, voor een aanzienlijk deel al gespendeerd aan een levensstijl, waarbij het kennelijk "niet op" kon. De door de [Verdachte] gedupeerden hebben aanzienlijke geldbedragen verloren en hebben, blijkens de verklaringen van de benadeelden afgelegd bij de FIOD en ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep, grote financiële zorgen en ongemak gekregen toen bleek dat zij in plaats van de hun voorgespiegelde winsten te verkrijgen, naar alle waarschijnlijkheid het door hen ingelegde vermogen geheel of grotendeels/gedeeltelijk kwijt waren.

De integriteit van het financiële en economische verkeer valt of staat met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in partners in het zakelijke verkeer en financiële verkeer, en in de juistheid van de inhoud van stukken zoals overeenkomsten, stukken zoals het escrow agreement in kwestie. Dit vertrouwen is door het handelen van de [Verdachte] in ernstige mate aangetast.

De [Verdachte] heeft, toen hij eenmaal voor één en ander gerechtelijk ter verantwoording werd geroepen, gezegd spijt te hebben van de hele gang van zaken. Tegelijkertijd echter wijst hij de aan zijn adres gerichte strafrechtelijke verwijten af en richt deze op justitie. Van enig inzicht in het strafbare en het verwerpelijke van zijn handelen heeft hij slechts op het allerlaatste moment - tijdens het laatste woord tijdens de behandeling in hoger beroep - blijk gegeven

Het hof rekent de [Verdachte] deze feiten aan en is van oordeel dat (in beginsel) alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, in ieder geval van langere duur dan welke door de rechtbank is opgelegd, recht kan doen aan de ernst van de feiten.

Het hof heeft zich vervolgens voor de vraag gesteld gezien of strafverminderende factoren aanwezig zijn.

Strafvermindering wegens schending van het fair trial beginsel

1. De raadsman heeft - naar het hof begrijpt - aangevoerd dat strafvermindering moet volgen op de grond dat in strijd is gehandeld met het beginsel van fair trial, althans de beginselen van een behoorlijke procesorde, één en ander zoals mede neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hij heeft daartoe gesteld hetgeen in zijn pleitnotities daaromtrent is opgenomen (onderdeel 1. p. 3 tot en met 10.) Dit verweer houdt in - naar het hof kort en zakelijk weergeeft - dat de aanhouding van de [Verdachte]n op 21 januari 2008 is geschied naar aanleiding van hetgeen is gerelateerd in proces-verbaal AH/002a van 28 november 2007. Dit proces-verbaal verwijst weer naar de inhoud van het aanvangsproces-verbaal AH/001 en de aanvulling daarop AH/002. Geen van deze processen-verbaal, noch ieder afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang bezien, zo begrijpt het hof het standpunt van de verdediging, geeft een volledig beeld geven van de informatie waarover de Belastingdienst/FIOD/ECD op dat moment zou hebben beschikt. In het bijzonder is de rol van mr. D. [advocaat] (hierna : [advocaat]) in het opsporingsonderzoek niet geverbaliseerd.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat de FIOD/ECD [advocaat] zou hebben gevraagd aangifte te doen tegen Palm Invest B.V., omdat zonder aangifte de FIOD/ECD in het dossier onvoldoende feiten en omstandigheden zou hebben om een inval te rechtvaardigen. Daar staat tegenover dat de betreffende aangifte pas in een zeer laat stadium door het openbaar ministerie aan het dossier is toegevoegd ten einde - nog steeds volgens de verdediging - de contacten met [advocaat] juist te verhullen. Ten slotte heeft de verdediging betoogd dat [advocaat] een essentiële rol heeft gespeeld in het opsporingsonderzoek, maar dat de verdediging dit in hoger beroep niet nader kunnen onderbouwen, omdat, aldus de verdediging, het hof alle verzoeken om [advocaat] en degenen die zijn verklaring op dat punt zouden hebben kunnen bevestigen als getuige ter zitting te horen, heeft afgewezen. Het achterwege laten van het opmaken van een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de contacten die er zijn geweest tussen de Belastingdienst/FIOD/ECD en deze [advocaat] en de inhoud van de gesprekken van ambtenaren van voornoemde diensten met [advocaat], levert voorts een vormverzuim op dat niet voor herstel vatbaar is. Dit laatste blijkt al uit de verklaring van verbalisant Koornneef - als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord - die heeft verklaard zich niet veel meer te herinneren van de inhoud van zijn gesprekken met [advocaat]. De raadsman heeft aan dit deel van het verweer de conclusie verbonden dat deze hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden op de voet van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) dient te leiden tot strafvermindering.

Het hof overweegt hier omtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat met betrekking tot de vraag of een redelijk vermoeden aanwezig was en tijde van de huiszoeking en aanhouding op 21 januari 2008, het aansluiting zoekt bij de overwegingen, de feiten en omstandigheden waarop deze zijn gebaseerd en het oordeel van de rechtbank, zoals een en ander zijn verwoord in het vonnis waarvan beroep onder het kopje 3.1 en neemt die hier over. Daaruit volgt, kort weergegeven, dat op 21 januari 2008 voldoende redelijke verdenking van schuld ten aanzien van enig strafbaar feit tegen de [Verdachte] bestond teneinde op die datum toegepaste dwangmiddelen te rechtvaardigen. Het hof ziet geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van de verdediging dat [advocaat] dan wel de door diens kantoor gedane aangifte in deze zaak daarbij een rol, laat staan een rol van enige betekenis heeft gespeeld.

Het hof overweegt voorts met betrekking tot de verbaliseringsplicht op grond van artikel 152 Sv, dat van een raadsman die een beroep doet op het bestaan van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd wordt aangegeven tot welk in dat artikel omschreven rechtsgevolg dit verweer dient te leiden en waarom (HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, r.o. 3.7. en meer recent HR 19 februari 2013, LJN BY5322). Niet gezegd kan worden dat het verweer van de raadsman voldoet aan genoemde vereisten en dient reeds daarom te worden verworpen. De raadsman volstaat immers met de blote stelling dat ten onrechte de rol van [advocaat] in het opsporingsonderzoek niet is geverbaliseerd, hetgeen zou moeten leiden tot strafvermindering. Daarbij is door de raadsman niet gemotiveerd aangegeven welke belang, in de omstandigheden van dit geval, het geschonden voorschrift dient, wat de ernst is van het verzuim en wat het daadwerkelijke nadeel is dat daardoor voor de [Verdachte] zou zijn veroorzaakt.

Ten overvloede overweegt het hof nog dat voornoemd verweer niet tot het door de raadsman beoogde resultaat had kunnen leiden. Ook al wordt er van uit gegaan dat het door de verdediging bedoelde proces-verbaal van bevindingen ten onrechte en in strijd met het bepaalde in artikel 152 Sv niet is opgemaakt, dit een vormverzuim betreft dat op geen enkele wijze kan worden hersteld, dit een ernstig verzuim oplevert en dit het belang dat het bepaalde in artikel 152 Sv dient, raakt, dan nog geldt het volgende. Uit de verklaringen van de verbalisanten Koornneef en De Kam als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gehoord, volgt, dat hetgeen [advocaat] hun heeft verklaard en wat in de aangifte van [advocaat] stond, geen enkele voor het opsporingsonderzoek relevante of nieuwe concrete aanwijzing bevatte, zodat geen noodzaak aanwezig was daarvan proces-verbaal op te maken. Aldus, zo begrijpt het hof, konden de verklaringen van [advocaat] op geen enkele manier van belang zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing. Het hof heeft geen aanleiding aan deze verklaringen te twijfelen.

De verdediging erkent dat haar stellingen ter zake van het vermeende door de opsporingsinstanties verzwegen belang van de bemoeienissen van [advocaat] met het onderzoek door haar niet (nader) zijn onderbouwd, maar legt de grond daarvoor bij het hof, nu het hof heeft geweigerd op dat punt getuigen te horen. Deze stelling mist feitelijke grondslag, nu in hoger beroep op verzoek van de verdediging juist op dit punt de getuigen Koornneef en De Kam als getuige zijn opgeroepen en gehoord. Wat betreft de door het hof in hoger beroep afgewezen nadere onderzoekswensen verwijst het hof naar hetgeen ter terechtzitting van 11 maart 2013 ter zake door het hof overwogen. Nieuwe feiten of omstandigheden zijn niet naar voren gekomen, zodat het hof daarbij blijft. In dit verband merkt het hof nog op dat het hof is bij de behandeling van de onderzoekswensen is uitgegaan van de aan het hof toegezonden laatste, definitieve versie van 2 augustus 2011. Anders dan de raadsman stelt, had de raadsman weliswaar ook op 1 augustus 2011 zijn onderzoekswensen naar het hof per fax verzonden, maar deze versie is als het ware ingehaald door bovengenoemde latere, door de raadsman naar het hof verzonden en eveneens ondertekende en voorzien van de handgeschreven woorden "definitieve versie" van de onderzoekswensen op 2 augustus 2011.

Wellicht ten overvloede wijst het hof er voorts nog op dat, bij het ontbreken van enige aanwijzing dat onrechtmatigheden in het vooronderzoek zouden hebben plaatsgevonden - welke aanwijzing, als eerder gezegd, het hof niet ziet, ook niet in het ontbreken van een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de contacten met [advocaat] - geen noodzaak bestaat getuigen te horen louter, omdat de verdediging hoopt daarmee alsnog een dergelijk aanknopingspunt te verkrijgen.

Van een schending van het fair trial beginsel is, gelet op het vorenoverwogene, naar het oordeel van het hof geen sprake. Aan de vraag of die schending tot strafvermindering zou moeten leiden, komt het hof dan ook niet toe.

2. Publiciteit en persoonlijke omstandigheden

De [Verdachte] heeft voorts aangevoerd dat de rond zijn persoon ontstane negatieve publiciteit en de verstrekkende gevolgen die deze feiten voor hem persoonlijk en zijn gezin hebben gehad, redenen zijn te concluderen dat hij hierdoor reeds voldoende is gestraft. Het hof ziet geen aanleiding de rond de persoon van de [Verdachte] ontstane negatieve publiciteit voor wat betreft de op te leggen straf in het voordeel van de [Verdachte] mee te laten wegen. Nog afgezien van de omstandigheid dat strafbare feiten van enige omvang, en zeker van de omvang zoals hier aan de orde, nu eenmaal negatieve publiciteit meebrengen, is het de [Verdachte] zelf geweest, zoals hiervoor al is overwogen, die via de rechtspersonen waaraan hij feitelijk leiding gaf in hoge mate de publiciteit heeft gezocht voor zijn strafbare gedragingen. Dat die publiciteit dan bij ontdekking van positief naar negatief omslaat, komt voor zijn rekening. De omstandigheid dat het openbaar ministerie ter zake persberichten heeft uitgegeven, maakt dat niet anders, nu niet valt te concluderen dat dit om een andere reden is gebeurd dan het publiek op de hoogte te stellen van wat in deze zeer in de publieke belangstelling staande zaak gebeurde en was gebeurd - mede gelet op het grote aantal vermeende gedupeerden. Het hof erkent dat de gevolgen van deze zaak voor het persoonlijke leven van deze [Verdachte] groot zijn geweest, immers zelfs leidend tot een beperkte lichamelijke verminking na een ontvoering. Geconstateerd moet echter worden dat het de [Verdachte] is geweest, en niet het openbaar ministerie, die dit door zijn eigen gedrag over zich heeft afgeroepen, waarbij opmerking verdient dat niet is gebleken dat de publiciteit van de kant van het openbaar ministerie de grenzen van de proportionaliteit heeft overschreden. Hetzelfde geldt voor de negatieve gevolgen die de hele affaire voor het gezin van de [Verdachte] heeft gehad. Voor strafvermindering ziet het hof hierin geen aanleiding.

3. Uittreksel uit het Justitiële Documentatie Register

De [Verdachte] is blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 februari 2013 niet eerder met justitie en politie in aanraking is geweest. Dit strekt, naar het oordeel van het hof, nauwelijks te zijnen voordele, nu zijn strafbaar handelen zich uitstrekt over een periode van ruim twee jaar en sprake is van een complex van strafbare feiten.

4. Vergelijkbare strafzaken

Het hof heeft voorts bij de bepaling van de strafmaat acht geslagen op de door de raadsman van de [Verdachte] aangehaalde strafzaken waarin tot een lagere strafoplegging is gekomen dan thans door het openbaar ministerie is geëist. Tevens heeft het hof in de beschouwing betrokken vergelijkbare strafzaken waarin door het hof in meer of minder vergelijkbare gevallen straffen zijn opgelegd. Gelet hierop enerzijds, maar anderzijds ook gelet op de omvang van de hier aan de orde zijnde benadeling van de investeerders in de door de [Verdachte] aan de man gebrachte producten, komt het hof ten slotte, al het vorenstaande in acht genomen, tot de conclusie dat geen strafverminderende omstandigheden zodanig gewicht in de schaal leggen dat daarmee rekening zou moeten worden gehouden.

5. Overschrijding van de redelijke termijn

Het hof heeft voorts bezien of in dezen sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Anders dan de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat hiervan geen sprake is geweest. De perioden die gemoeid zijn geweest met het vooronderzoek, de behandeling in eerste aanleg en de behandeling door het hof zijn, gelet op de omvang van het internationaal uitgevoerde onderzoek, de onderzoekswensen van de zijde van de verdediging niet onredelijk lang geweest. Het hof stelt vast dat enige tijd in hoger beroep is verlopen die niet aan de [Verdachte] zelf is toe te rekenen, maar aan omstandigheden die samenhingen met de verdediging van de [Medeverdachte]. Het hof verbindt hieraan geen consequenties ten aanzien van de omvang van de straf. Voor strafvermindering op dit punt ziet het hof geen aanleiding.

6. Persoonlijke gezinsomstandigheden

In hoger beroep heeft de [Verdachte] op verschillende momenten de gelegenheid gekregen en genomen zijn persoonlijke omstandigheden uitvoerig onder de aandacht van het hof te brengen. Het hof ziet daarin geen aanleiding tot strafvermindering te komen.

Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in dezen passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 47, 51, 57, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 2 en 6 WED en artikel 3 van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Benadeelde partijen

De raadsman heeft ter terechtzitting de vorderingen van de benadeelde partijen betwist, voor zover in hoger beroep (opnieuw) gevoegd. Hij heeft gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden indien:

(1) de vorderingen al zijn toegewezen in een (onherroepelijke) civiele procedure;

(2) van de vorderingen niet vaststaat dat sprake is van rechtstreekse schade, toegebracht door het/de bewezenverklaarde feit(en);

(3) ten aanzien van de vorderingen waarover reeds door de curator in het faillissement van Palm Invest B.V. (meerdere) uitdelingen zijn gedaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Algemene inleidende opmerking.

In de strafzaak heeft een zeer groot aantal beleggers zich als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd. Deze benadeelde partijen staan vermeld op de aan het arrest gehechte lijst van benadeelde partijen. Het hof zal alle benadeelde partijen die zich in hoger beroep opnieuw hebben gevoegd in het strafgeding niet-ontvankelijk verklaren, nu de behandeling van al hun vorderingen tezamen een te grote belasting vormt voor het strafproces. Een uitzondering vormen de benadeelde partijen van wie uit de bewezenverklaring dan wel de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat zij als benadeelden betrokken zijn bij één van de hier aan de orde zijnde strafbare feiten, voor zover bewezen.

Ten aanzien van deze benadeelde partijen zal het hof hierna een aparte beslissing nemen.

Het betreft hier de benadeelde partijen (achter de naam is het nummer vermeld, zoals aangegeven op de aangehechte lijst):

Ad het onder feit 1 bewezen verklaarde feit betreffende de Obligatieovereenkomsten PR Invest:

1. [benadeelde 1], verder [benadeelde 1] (24)

2. [benadeelde 6] (4)

3. [benadeelde 9] (15)

4. Benadeelde 8 (31)

5. [benadeelde 10] (2)

6. [benadeelde 11] (29)

Ad idem betreffende de Obligatieovereenkomsten Palm Invest:

7. [benadeelde 2] (98)

8. Lasschuijt (197)

9. [benadeelde 4] (23)

10. [benadeelde 5] (117)

11. [benadeelde 12] (85)

12. [benadeelde 13] (262)

13. [benadeelde 14] (151)

14. [benadeelde 15] (181)

De advocaat-generaal heeft in haar requisitoir verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 9 december 2008 (LJN BF5074). In een volgens de advocaat-generaal soortgelijke casus als hier aan de orde zou in die zaak zijn beslist dat ook toewijzing van de vordering benadeelde partij mogelijk is ten aanzien van benadeelden die niet met naam in het arrest zijn genoemd.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat toewijzing ook mogelijk is ten aanzien van benadeelden die niet met naam in de bewezenverklaring worden genoemd, maar leidt uit genoemd arrest niet af dat toekenning van een schadevergoeding ook mogelijk is ten aanzien van benadeelde partijen van wie de [Verdachte] van het hem ten laste gelegde is vrijgesproken.

Fiscaal voordeel

De raadslieden hebben betoogd dat de beleggers een fiscaal voordeel hebben genoten, nu zij de afgelopen jaren hun obligatie PR Invest of Palm Invest niet voor het volledige nominale bedrag van € 50.000,00 als vermogen hebben hoeven te waarderen, maar dit voor een lagere (het hof begrijpt markt-) waarde mochten doen. Dit fiscale voordeel is volgens de verdediging moeilijk te berekenen, maar levert de benadeelden ieder jaar weer een belastingvoordeel op, nu zij door de beweerde oplichting minder vermogen hebben overgehouden.

Het hof verwerpt het verweer. Het verlies van hun vermogen levert de beleggers weliswaar als 'voordeel' op dat de beleggers geen belasting meer over dat verdwenen vermogen behoeven te betalen, maar zodanige toekomstige 'voordelen' komen slechts voor verrekening in aanmerking als ook de toekomstige 'nadelen', het geheel ontbreken van toekomstig rendement, in aanmerking wordt genomen. Het hof merkt daarbij op dat het 'voordeel' per obligatie aan belastingbesparing slechts 30% (tarief) van 4% (het fictief rendement) van € 50.000,00, (bij een waarde van € 0,0) is € 600,00 per jaar (1,2% rendement op jaarbasis) is.

Benadeelden PR Invest

Het hof stelt vast dat ten aanzien van de zes beleggers in PR Invest te weten [Benadeelde 6], [benadeelde 11], [Benadeelde 1], [Benadeelde 7], [Benadeelde 8] en [benadeelde 9] uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat zij door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden. Het hof begroot de schade op ten minste het bedrag van hun inleg, vermeerderd met de betaalde emissiekosten en verminderd met de ontvangen rentebetalingen.

1. De benadeelde partij [benadeelde 6] (4) heeft zich in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b Sv in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van door deze geleden schade als gevolg van het aan de [Verdachte] onder 4 ten laste gelegde feit. De materiële schade bedraagt € 20.000,00 vermeerderd met de emissiekosten van € 600,00 en verminderd met de ontvangen rente van € 2000,00 zijnde in totaal € 18.600. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 17.250,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv opnieuw gevoegd met de vordering zoals in eerste aanleg is ingediend.

De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting de (hoogte van de) vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van de [Verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal de vordering toewijzen, maar tot een lager bedrag dan gevorderd. Het hof vermindert de vordering met de ontvangen rente over de periode april t/m december 2007,

9 x € 150,00 = €1.350,00 en zal een bedrag van € 17.250,00 toewijzen. De [Verdachte] is tot vergoeding van die schade gehouden.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van het toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij voornoemd, de [Verdachte], die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit onder 4 is toegebracht, de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f Sr tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

2. De benadeelde partij [Benadeelde 1] (24) heeft zich - naar het hof begrijpt: mede namens [Benadeelde 1]- in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b Sv in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van door deze geleden schade als gevolg van het aan de [Verdachte] onder 1 ten laste gelegde feit. De materiële schade bedraagt

€ 100.000,00 vermeerderd met de emissiekosten van € 3.000,00 en verminderd met de ontvangen rente ad € 13.306,45 is in totaal € 89.693,55. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde heeft zich in hoger beroep ter zake van deze vordering opnieuw (art. 421, lid 3 Sv) gevoegd.

De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting de (hoogte van) de vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van [Verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. De [Verdachte] is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij voornoemd, de [Verdachte], die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit onder 4 is toegebracht, de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f Sr tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

3. De benadeelde partij [benadeelde 9] (15) heeft zich in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b Sv in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van door deze geleden schade als gevolg van het aan de [Verdachte] onder 4 ten laste gelegde feit. De materiële schade bedraagt € 20.000,00,vermeerderd met de emissiekosten van € 200,00 en verminderd met de ontvangen rente van € 103,50. In zijn voegingsformulier in eerste aanleg heeft de benadeelde zijn vordering beperkt tot € 17.275,00. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot dit bedrag.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv gevoegd met de vordering zoals in eerste aanleg is ingediend.

De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting de (hoogte van de) vordering betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van de [Verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal de gehele vordering toewijzen. De [Verdachte] is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij voornoemd, de [Verdachte] de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f Sr tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

4. De benadeelde partij Benadeelde 8 (31) heeft zich in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b Sv in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van door deze geleden schade als gevolg van het aan de [Verdachte] onder 4 ten laste gelegde feit. De materiële schade bedraagt € 30.000,00 vermeerderd met de emissiekosten van € 900 en verminderd met de ontvangen rente van € 2.160,00 zijnde in totaal € 28.740,00. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 27.060,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv gevoegd met de vordering zoals in eerste aanleg is ingediend.

De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting de (hoogte van de) vordering betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van de [Verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden tot het door haar gevorderde bedrag. De [Verdachte] is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de gehele vordering zal worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij voornoemd, de [Verdachte] de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f Sv tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

5. De benadeelde partij [benadeelde 10] (2) heeft zich in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b Sv in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van door deze geleden schade als gevolg van het aan de [Verdachte] onder 4 ten laste gelegde feit. De materiële schade bedraagt € 25.000,00 vermeerderd met de emissiekosten van € 750,00 en verminderd met de ontvangen rente van € 3.937,50 zijnde in totaal 21.812,50. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot dit bedrag.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv gevoegd met de vordering zoals in eerste aanleg is ingediend.

De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting de (hoogte van de) vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van de [Verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal de gehele vordering toewijzen. De [Verdachte] is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de gehele vordering zal worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij voornoemd, de [Verdachte] de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f Sr tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

6. De benadeelde partij [benadeelde 11] (29) heeft zich in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b Sv in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van door deze geleden schade als gevolg van het aan de [Verdachte] onder 4 ten laste gelegde feit. De materiële schade bedraagt € 50.000,00 vermeerderd met de emissiekosten van € 1.500,00 en verminderd met de ontvangen rente van € 8.250,00 zijnde een bedrag van € 43.250,00. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot dit bedrag.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv gevoegd met de vordering zoals in eerste aanleg is ingediend.

De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting de (hoogte van de) vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van de [Verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal de gehele vordering toewijzen. De [Verdachte] is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de gehele vordering zal worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij voornoemd, de [Verdachte] de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f Sr tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Benadeelden Palm Invest

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de vorderingen van benadeelde partijen die zich met hun vordering al tot de civiele rechter hebben gewend niet- ontvankelijk dienen te worden verklaard. Het betreft hier de volgende Palm Invest benadeelden die via A.L. van Vliet Holding B.V. c.s. (Groep [advocaat] Advocaten B.V.) hebben geprocedeerd:

[benadeelde 2] (98)

[benadeelde 3](197)

[benadeelde 4] (23)

[benadeelde 12] (85)

[benadeelde 13] (262)

[benadeelde 14] (151)

Voor Palm Invest resteren dan nog de benadeelde partijen [benadeelde 5] (117) en [benadeelde 15] (181) en [benadeelde 16] (200).

7. De benadeelde partij [benadeelde 15] (181) heeft zich in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b Sv in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van door deze geleden schade als gevolg van het aan de [Verdachte] onder 1 ten laste gelegde feit. De materiële schade bedraagt € 74.740,00 vermeerderd met niet nader genoemde emissiekosten en verminderd met de ontvangen rente van € 560,55 zijnde in totaal € 74.179,45.

Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat [benadeelde 15] zich zou hebben gevoegd in het faillissement van de curator.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv gevoegd met de vordering zoals in eerste aanleg is ingediend.

De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting de (hoogte van de) vordering - naar het hof de pleitnota op p. 38 begrijpt - niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de [Verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. Op grond van de door de advocaat-generaal overlegde lijst benadeelde partijen, welke lijst aan dit arrest is gehecht, en hetgeen zij daarover ter zitting in requisitoir (op p. 45) heeft verklaard, heeft deze benadeelde partij zich niet in het faillissement van Palm Invest gemeld. De [Verdachte] is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de gehele vordering zal worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij voornoemd, de [Verdachte] de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f Sr tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

8. De benadeelde partij [benadeelde 5] (117) heeft zich in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b Sv in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van door deze geleden schade als gevolg van het aan de [Verdachte] onder 1 ten laste gelegde feit. De materiële schade bedraagt € 80.000,00 vermeerderd met de emissiekosten van € 2.400,00 en met de niet ontvangen rentebetalingen over het jaar 2008 te weten € 8.640,00 en de kosten rechtsbijstand van € 1.200,00. zijnde in totaal een bedrag van totaal € 92.240,00.

Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat [benadeelde 5] zich zou hebben gevoegd in het faillissement van de curator.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, Sv gevoegd met de vordering zoals in eerste aanleg is ingediend.

De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting de (hoogte van de) vordering betwist op de grond dat niet vaststaat dat [benadeelde 5] het geld heeft overgemaakt als gevolg van een van de onder 1 door de rechtbank bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 5] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de [Verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. De [Verdachte] is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de gehele vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich, blijkens de aan dit arrest gehechte lijst benadeelde partijen in het faillissement van Palm Invest bij de curator gemeld en heeft een al meerdere uitdelingen ontvangen.

De verdediging heeft betoogd dat de vorderingen ten aanzien van de Palm Invest beleggers om die reden dienen te worden afgewezen nu behandeling van die vorderingen tot een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het hof overweegt als volgt. Het hof heeft de curator in het faillissement van Palm Invest tweemaal ter terechtzitting gehoord. Op 5 juni 2012 heeft de curator verklaard dat alle (handels)crediteuren met een preferente vordering zijn betaald, zodat alle vermogensbestanddelen die nu nog in de boedel vallen voor 98% zullen worden uitgekeerd aan de obligatiehouders. De curator schatte dat - als alle nog lopende procedures worden gewonnen - het uitkeringspercentage uiteindelijk zal uitkomen op ongeveer 30%. Op 18 maart 2013 heeft de curator verklaard dat er nog zeker een uitdeling zal komen en dat de curator verwacht dat het faillissement daarna wordt afgesloten. De hoogte van de te verwachten laatste uitkering is € 1,2 miljoen. Gezien het totale bedrag aan crediteuren van meer dan € 30 miljoen euro en met inachtneming van de beperkte slotuitdeling is het hof van oordeel dat op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld dat de concurrente schuldeisers (waaronder de beleggers) in het faillissement van PR Invest en Palm Invest ten minste 50% van hun vordering niet uit de boedel vergoed zullen krijgen. Het hof zal daarom de vordering van [benadeelde 5] voor 50% van de inleg met emissiekosten en met gederfde rentebetalingen zoals gevorderd en verminderd met de rentebetalingen, door het hof bepaald op een bedrag van € 5.140,00. Het hof komt op grond hiervan tot een bedrag van € 42.950,00 (50%). Voor het overige deel zal het hof de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat die ofwel al uit de failliete boedel is voldaan, ofwel omdat vaststelling van de precieze hoogte van - indien al - een overblijvend deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij voornoemd, de [Verdachte] de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f Sr tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

9. De benadeelde partij [benadeelde 16] (200) heeft zich in eerste aanleg overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b Sv in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van door deze geleden schade als gevolg van het aan de [Verdachte] onder 1 ten laste gelegde feit. De materiële schade bedraagt € 50.000,00 vermeerderd met de emissiekosten van € 500,00, zijnde een totaal bedrag van € 50.500,00.

Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet- ontvankelijk verklaard op de grond dat zij niet was gehoord als getuige en voorts dat zij zich zou hebben gevoegd in het faillissement van de curator.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van het bepaalde in artikel 421, derde lid, WvSv gevoegd met de vordering zoals in eerste aanleg is ingediend.

De raadsman van de [Verdachte] heeft ter terechtzitting de (hoogte van de) vordering betwist op de grond dat niet vaststaat dat [benadeelde 16] het geld heeft overgemaakt als gevolg van een van de onder 1 door de rechtbank bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen (pleitnota p. 44).

Anders dan de raadsman stelt, is uit het onderzoek ter terechtzitting, meer in het bijzonder uit haar verklaring afgelegd ter terechtzitting van 24 mei 2012, voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 16] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de [Verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden. De getuige heeft daar immers verklaard dat

"De obligatieovereenkomst was mede ondertekend door de heer Getuige 1 namens de Stichting Garantie Gelden. Ook dat heeft invloed gehad op mijn beslissing om te gaan in investeren in PI.

Hebben de opmerkingen in de brochure met betrekking tot de Stichting Garantiegelden een rol gespeeld bij uw beslissing om te investeren in PI?

Antwoord van de getuige: ja, dat heeft mij mede beïnvloed."

De [Verdachte] is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden.

Op grond van de door de advocaat-generaal overlegde lijst benadeelde partijen, welke lijst aan dit arrest is gehecht, en hetgeen zij daarover ter zitting in requisitoir heeft verklaard, heeft deze benadeelde partij zich in het faillissement van Palm Invest gemeld. De benadeelde partij [benadeelde 16] heeft zich, blijkens de aan dit arrest gehechte lijst benadeelde partijen in het faillissement van Palm Invest bij de curator gemeld en heeft al meerdere uitdelingen ontvangen.

Zoals hiervoor ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 5] overwogen acht het hof de vordering van de beleggers die zich in het faillissement van Palm Invest B.V. hebben gemeld toewijsbaar tot een bedrag van 50% van de inleg en de emissiekosten verminderd met de ontvangen rentebetalingen. Het hof zal daarom de vordering van [benadeelde 16] toewijzen voor 50% van de inleg met emissiekosten en met gederfde rentebetalingen zoals gevorderd en verminderd met de door [benadeelde 16] ontvangen rentebetalingen. [benadeelde 16] heeft het geld volgens de obligatieovereenkomst op 30 oktober 2007 overgemaakt. Het hof begroot de door [benadeelde 16] ontvangen rentebetalingen over de maanden november en december 2007 op (€ 375,00 per maand) € 750,00. Het hof zal gezien bovenstaande de vordering toewijzen tot een bedrag van 50% van € 49.750,00, zijnde € 24.875,00.

Voor het overige deel zal het hof de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat die ofwel al uit de failliete boedel is voldaan, ofwel omdat vaststelling van de precieze hoogte van - indien al - een overblijvend deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de toegewezen vordering van de benadeelde partij voornoemd, de [Verdachte] de verplichting op te leggen als bedoeld in artikel 36f Sr to betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Voorwaardelijk verzoek

Ten slotte heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan ertoe stekkende bij toekenning van de gevraagde schadevergoedingen het onderzoek te heropenen en de daarvoor in aanmerking komende benadeelde partijen te horen omtrent de vraag welk bedrag zij individueel retour hebben ontvangen van de curator (verweer dat slechts thans nog uitsluitend van toepassing zou zijn ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 5]) alsmede welk mogelijk financieel belastingvoordeel zij hebben verkregen vanwege hun vordering inzake PR Invest of Palm Invest.

Gezien vorenstaande overwegingen en beslissingen ziet het hof geen noodzaak voor het horen van getuigen als door de verdediging is verzocht. Het hof wijst dit verzoek daarom af.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de [Verdachte] het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de [Verdachte] hierbij meer of anders is ten laste gelegd dan

hierboven is bewezen verklaard en spreekt de [Verdachte] daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de [Verdachte] strafbaar.

Veroordeelt de [Verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Ten aanzien van de benadeelde partijen vermeld op de aan dit arrest gehechte lijst van benadeelde partijen.

Verklaart alle benadeelde partijen, van zowel PR Invest als Palm Invest vermeld op de aan dit arrest gehechte lijst van benadeelden partijen en die niet hieronder apart staan vermeld niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding en bepaalt dat - voor zover uit voormelde lijst niet blijkt dat zulks reeds is geschied - dat deze benadeelde partijen hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Ten aanzien van de overige benadeelde partijen.

Ingevolge art. 36f lid 6 (oud), Sr in verbinding met art. 24c lid 1 Sr dient de rechter bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, te bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast. Die vervangende hechtenis mag in een geval als het onderhavige waarin sprake is van samenloop als bedoeld in art. 57 Sr, op grond van art. 60a Sr in verbinding met art. 24c lid 3 Sr ten hoogste een jaar bedragen. Het hof zal de periode van een jaar gelijkelijk over de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen verdelen.

1. Wijst de vordering van de benadeelde partij Benadeelde 6 gedeeltelijk toe en veroordeelt de [Verdachte] die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien en voor zover de één aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 6] [woonplaats en adres en rekeningnummer] een bedrag van € 17.250,00, (zeventien duizend tweehonderdenvijftig euro) vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 6] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de [Verdachte] voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld groot

€ 17.250,00, (zeventienduizend tweehonderdenvijftig euro) zulks ten behoeve van [benadeelde 6] voornoemd. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 17 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft en voorts met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderling regres van de hoofdelijk aansprakelijke daders.

Bepaalt dat indien en voor zover [Verdachte] en/of een ander heeft voldaan een één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

2. Wijst de vordering van de benadeelde partij Benadeelde 1 toe en veroordeelt de [Verdachte] die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien en voor zover de één aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 1] [woonplaats en adres en rekeningnummer] een bedrag van € 89.693,55 (negenentachtig duizend zeshonderdendrieennegentig euro en vijfenvijftig cent) vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de [Verdachte] voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld groot € 89.693,55 (negenentachtig duizend zeshonderdendrieennegentig euro en vijfenvijftig cent) zulks ten behoeve van [benadeelde 1]voornoemd. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft en voorts met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderling regres van de hoofdelijk aansprakelijke daders.

Bepaalt dat indien en voor zover [Verdachte] en/of een ander heeft voldaan een één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

3. Wijst de vordering van de benadeelde partij Benadeelde 9 toe en veroordeelt de [Verdachte] die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien en voor zover de één aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 9] [woonplaats en adres en rekeningnummer 93.48.28.296] een bedrag van € 17.275,00 (zeventien duizend tweehonderdenvijfenzeventig euro) vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de [Verdachte] voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld groot € 17.275,00 (zeventien duizend tweehonderdenvijfenzeventig euro) zulks ten behoeve van [benadeelde 9] voornoemd. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 17 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft en voorts met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderling regres van de hoofdelijk aansprakelijke daders.

Bepaalt dat indien en voor zover [Verdachte] en/of een ander heeft voldaan een één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

4. Wijst de vordering van de benadeelde partij Benadeelde 8 toe en veroordeelt de [Verdachte] die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien en voor zover de één aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [Benadeelde 8] [woonplaats en adres en rekeningnummer] een bedrag van € 28.740,00 (achtentwintig duizend zevenhonderdenveertig euro) vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de [Verdachte] voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld groot € 28.740,00 (achtentwintigduizend zevenhonderdenveertig euro) zulks ten behoeve van Benadeelde 8 voornoemd. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 29 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft en voorts met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderling regres van de hoofdelijk aansprakelijke daders.

Bepaalt dat indien en voor zover [Verdachte] en/of een ander heeft voldaan een één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

5. Wijst de vordering van de benadeelde partij Benadeelde 7 toe en veroordeelt de [Verdachte] die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien en voor zover de één aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 10] [woonplaats en adres en rekeningnummer 36.48.77.480] een bedrag van € 21.812,50 (eenentwintig duizend achthonderdentwaalf euro en vijftig cent) vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de [Verdachte] voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld groot € 21.812,50 (eenentwintig duizend achthonderdentwaalf euro en vijftig cent) zulks ten behoeve van [benadeelde 10] voornoemd. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft en voorts met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderling regres van de hoofdelijk aansprakelijke daders.

Bepaalt dat indien en voor zover [Verdachte] en/of een ander heeft voldaan een één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

6. Wijst de vordering van de benadeelde partij D.G. [benadeelde 11] toe en veroordeelt de [Verdachte] die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien en voor zover de één aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 11] (wonende te Velp, Enkweg 16, rekeningnummer 53.51.35.025) een bedrag van € 43.250,00 (drieënveertig duizend tweehonderdvijftig euro) vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de [Verdachte] voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld groot € 43.250,00 (drieënveertig duizend tweehonderdvijftig euro), zulks ten behoeve van [benadeelde 11] voornoemd. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 43 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft en voorts met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderling regres van de hoofdelijk aansprakelijke daders.

Bepaalt dat indien en voor zover [Verdachte] en/of een ander heeft voldaan een één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

7. Wijst de vordering van de benadeelde partij C.J.C.M. [benadeelde 15] toe en veroordeelt de [Verdachte] die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien en voor zover de één aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 15] (wonende te Helmond, Baudevoort 28, rekeningnummer 66.28.57.798) een bedrag van € 74.179,45 (vierenzeventig duizend eenhonderdnegenenzeventig euro en vijfenveertig cent) vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de [Verdachte] voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld groot

€ 74.179,45 (vierenzeventig duizend eenhonderdnegenenzeventig euro en vijfenveertig cent) zulks ten behoeve van [benadeelde 15] voornoemd. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 74 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft en voorts met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderling regres van de hoofdelijk aansprakelijke daders.

Bepaalt dat indien en voor zover [Verdachte] en/of een ander heeft voldaan een één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

8 Wijst de vordering van de benadeelde partij Benadeelde 5 gedeeltelijk toe en veroordeelt de [Verdachte] die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien en voor zover de één aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 5] (wonende te Amsterdam, Koninginneweg 42 2, rekeningnummer 46.86.29.203) een bedrag van € 42.950,00 (tweeënveertig duizend negenhonderdenvijftig euro) vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 1.200,00.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de [Verdachte] voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld groot € 42.950,00 (tweeënveertig duizend negenhonderdenvijftig euro) zulks ten behoeve van [benadeelde 5] voornoemd. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 43 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft en voorts met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderling regres van de hoofdelijk aansprakelijke daders.

Bepaalt dat indien en voor zover [Verdachte] en/of een ander heeft voldaan een één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

9 Wijst de vordering van de benadeelde partij J.H.M. [benadeelde 16] gedeeltelijk toe en veroordeelt de [Verdachte] die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, in dier voege dat indien en voor zover de één aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 16] (wonende te Breda, Beukenlaan 2, rekeningnummer 14.45.79.979) een bedrag van € 24.875,00 (vierentwintig duizend achthonderdenachthonderdvijfenzeventig euro) vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 16] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de [Verdachte] voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld groot

€ 24.875,00 (vierentwintig duizend achthonderdenachthonderdvijfenzeventig euro) zulks ten behoeve van [benadeelde 16] voornoemd. Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft en voorts met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderling regres van de hoofdelijk aansprakelijke daders.

Bepaalt dat indien en voor zover [Verdachte] en/of een ander heeft voldaan een één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.C.P. Haentjens, J.L. Bruinsma en P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. F. Hardonk-Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 april 2013.

De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.