Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ7231

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2013
Datum publicatie
16-04-2013
Zaaknummer
200.098.436/01 (zaak A) en 200.099.771/01 (zaak B)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenleven als waren zij gehuwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 19 februari 2013

Zaaknummers: 200.098.436/01 (zaak A) en 200.099.771/01 (zaak B)

Zaaknummer eerste aanleg: 471076 / FA RK 10-8192 (HHA TM)

in zaak A van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen,

tegen

[…],

wonende te […],

GEINTIMEERDE,

advocaat: mr. P. Tijsterman te Uithoorn,

en in zaak B van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. P. Tijsterman te Uithoorn,

tegen

[…],

wonende te […],

GEINTIMEERDE,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen.

1. Het verdere geding in hoger beroep

1.1. Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in zijn beschikking van 3 juli 2012.

1.3. De man heeft op 2 augustus 2012 bericht welke getuigen hij wenst te horen.

1.4. De vrouw heeft op 25 september 2012 een nader stuk ingediend.

1.5. Op 24 oktober 2012 heeft een enquête plaatsgevonden aan de zijde van de man, waarbij zes getuigen zijn gehoord. Het proces-verbaal van de getuigenverhoren bevindt zich bij de stukken.

1.6. De man heeft het hof bij brief van 30 oktober 2012 nadere stukken toegezonden. Voorts is op 4 december 2012 een brief van de zijde van de man binnengekomen.

1.7. De vrouw heeft het hof op respectievelijk 30 oktober 2012, 31 oktober 2012 en 21 november 2012 een brief doen toekomen. De brief van 31 oktober 2012 is vergezeld van nadere stukken.

2. De verdere feiten

2.1. Bij vonnis in kort geding van 25 september 2012 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam is, op verzoek van de vrouw, de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2010 en 5 oktober 2011 (de bestreden beschikking) geschorst, totdat dit hof in hoger beroep in zaak A en zaak B heeft beslist.

2.2. Bij beschikking van dit hof van 16 oktober 2012 is de beschikking van 26 juli 2012 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam vernietigd en is de vrouw verlof verleend voor de op € 34.328,- begrote vordering om ten laste van de man conservatoir beslag te doen leggen op alle gelden, geldswaarden en/of roerende zaken die ABN AMRO Bank N.V. en/of ING Bank N.V. van de man onder zich hebben.

3. Het geschil in hoger beroep

De vrouw heeft na de tussenbeschikking van 3 juli 2012 haar (subsidiaire) verzoek in hoger beroep aangevuld in die zin dat zij het hof verzoekt te bepalen dat de man een bedrag van € 34.328,- aan haar dient te betalen. Voorts verzoekt de vrouw te bepalen dat de man de kosten aan haar dient te vergoeden die door haar zijn voldaan aan het onderzoeksbureau, te weten een bedrag van € 14.256,20. Ten slotte verzoekt zij te bepalen dat de man de kosten aan haar dient te vergoeden die zij heeft moeten maken in verband met het leggen van beslag, te weten een bedrag van € 538,19.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Het primaire verzoek van de vrouw in zaak A is de door haar te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de man met ingang van 24 februari 2010 op nihil te stellen omdat de man samenwoont als ware hij gehuwd met mevrouw [x]. In de tussenbeschikking van 3 juli 2012 heeft het hof op grond van de inhoud van de door de vrouw overgelegde rapporten van Bureau de Rijk voorshands voldoende bewezen geacht dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 1:160 BW en dat derhalve tussen de man en mevrouw [x] sprake is van een samenleven in de zin van genoemde bepaling. De man is in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren.

4.2. Op 24 oktober 2012 heeft de door het hof benoemde raadsheer-commissaris zes getuigen gehoord, te weten [x], [a], [b], [c], [d] en [e]. Daarna heeft de man nog schriftelijke verklaringen aan het hof doen toekomen van [f], [g] en [h]. Met betrekking tot de schriftelijke verklaringen overweegt het hof dat de vrouw niet in de gelegenheid is geweest aan deze getuigen vragen te stellen, waarmee het hof bij de beoordeling rekening zal houden.

De man stelt dat hij is geslaagd in het leveren van tegenbewijs, zodat de conclusie van het hof dient te zijn dat de man niet samenwoont in de zin van artikel 1:160 BW. De vrouw stelt dat de man niet is geslaagd in het door hem te leveren tegenbewijs.

4.3. Het hof overweegt als volgt. Door Bureau de Rijk zijn een tweetal rapporten uitgebracht. In het eerste rapport van 15 september 2010 zijn de bevindingen naar aanleiding van de observaties van dat bureau gedurende de periode van 29 januari 2010 tot 7 september 2010 vastgelegd. In rechtsoverweging 4.6 van de tussenbeschikking van 3 juli 2012 heeft het hof een samenvatting gegeven van de observaties in genoemde periode. Voorts is in deze rechtsoverweging overwogen dat in het aanvullende rapport van 18 februari 2012 waaruit observaties blijken in de periode van 3 februari 2012 tot en met 17 februari 2012, niet is gebleken van een wijziging van de situatie. Op grond van genoemde twee rapporten heeft het hof voorshands voldoende bewezen geacht dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 1:160 BW. De man dient derhalve twijfel te zaaien ten aanzien van de voorshands door de vrouw aannemelijk gemaakte stelling dat vanaf 24 februari 2010, de datum waarop de vrouw verzoekt de alimentatieverplichting op nihil te stellen, sprake is van een situatie waarin de man en mevrouw [x] samenleven als waren zij gehuwd. Het hof is van oordeel dat de man daarin niet is geslaagd, gelet op het navolgende.

4.4. De man stelt een kamer te huren in de woonark die eigendom is van de getuige [a]. Ook diens zoon, de getuige [e], woont in die ark. In het dossier bevindt zich een huurovereenkomst, gesloten tussen [a] en de man met ingang van 1 februari 2011. De door de beide getuigen [a en e] afgelegde verklaringen hebben betrekking op de woonsituatie vanaf laatstgenoemde datum. Uit de verklaring van [a] dat hij in de periode vóór februari 2011 de man regelmatig, circa drie à vier keer per week, zag en dat de man dan meestal bij hem kwam, maar dat hij ook wel naar de man ging in [k], kan niet worden afgeleid dat de man vanaf 24 februari 2010 niet samenwoonde met mevrouw [x]. Evenmin kan dat worden afgeleid uit de door de getuigen [e], [b], [c] en [d] afgelegde verklaringen. Mevrouw [x] heeft verklaard dat zij alleen woont. Zij heeft voorts verklaard dat zij sinds ongeveer vier jaar een affectieve relatie heeft met de man, dat de man gemiddeld twee à drie dagen bij haar is, dat hij dan steeds blijft eten en slapen en dat zij samen boodschappen doen. Zij verklaart dat zij in de meeste gevallen de boodschappen betaalt en de man meestal niet en dat zij nooit in de woning van de man in [a] (de woonark) komt. Deze verklaring acht het hof in het licht van de verrichte observaties onvoldoende om het door het hof vastgestelde bewijsvermoeden te ontzenuwen. De overgelegde schriftelijke verklaringen maken dit niet anders. De verklaring van [h] bevat niets terzake dienends over het onderwerp waarop het door de man te leveren tegenbewijs betrekking dient te hebben. Voor zover de verklaringen van [f] en [g] zien op de periode vanaf 24 februari 2010, is daarin geen, althans onvoldoende steun te vinden voor het door de man te leveren tegenbewijs.

4.5. De conclusie is dat in zaak A het primaire verzoek van de vrouw toewijsbaar is. De beschikkingen waarvan beroep zullen worden vernietigd en de verplichting van de vrouw tot het verschaffen van levensonderhoud aan de man zal met ingang van 24 februari 2010 worden beëindigd op de grond dat de man met ingang van die datum is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

Het verzoek van de man in de zaak B zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, worden afgewezen.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat hetgeen de vrouw over de periode vanaf 24 februari 2010 aan de man als uitkering tot zijn levensonderhoud heeft voldaan, onverschuldigd is betaald, zodat op de man ter zake een terugbetalingsverplichting rust. Het bedrag van € 34.328,- als hiervoor vermeld onder 3 is evenwel niet toewijsbaar, nu dit pas bij brief van 31 oktober 2012 door de vrouw is verzocht en de man niet meer op (de hoogte van) dit bedrag heeft kunnen reageren. Dat geldt ook voor de overige in die brief genoemde bedragen. Het hof zal derhalve ermee volstaan te beslissen als na te melden, overeenkomstig hetgeen de vrouw in het petitum van haar beroepschrift tevens heeft verzocht, waarbij het hof ervan uitgaat dat dit verzoek abusievelijk subsidiair is gedaan.

4.7. Anders dan de vrouw in zaak B heeft verzocht, is er onvoldoende aanleiding de man te veroordelen in de proceskosten van die zaak, nu partijen voormalige echtgenoten zijn. Deze kosten dienen op de gebruikelijke wijze te worden gecompenseerd.

4. 8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.098.436/01 (zaak A)

vernietigt de beschikkingen van de rechtbank Amsterdam van 8 juni 2011 en 5 oktober 2011, en, opnieuw rechtdoende:

beëindigt, met wijziging van de beschikking van 24 februari 2010 van de rechtbank Amsterdam, de verplichting van de vrouw uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de man met ingang van 24 februari 2010, op de in artikel 1:160 BW vervatte grond als vermeld onder 4.5;

bepaalt dat de man aan de vrouw dient terug te betalen al hetgeen de vrouw hem over de periode vanaf 24 februari 2010 als uitkering tot zijn levensonderhoud heeft betaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

in de zaak met nummer 200.099.771/01 (zaak B)

wijst af het in hoger beroep verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. van Haeringen, mr. G.J. Driessen-Poortvliet en mr. R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2013 door de oudste raadsheer.

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 3 juli 2012

in de zaak met zaaknummer 200.098.436/01 (zaak A) van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. P. Tijsterman te Uithoorn,

en in de zaak met zaaknummer 200.099.771/01 (zaak B) van:

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. P. Tijsterman te Uithoorn,

t e g e n

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is in zaak A op 7 december 2011 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 8 juni 2011 en 5 oktober 2011 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 471076 / FA RK 10-8192 (HHA TM). De man is in zaak B op 3 januari 2011 van deze beschikkingen in hoger beroep gekomen.

1.3. De man heeft op 14 februari 2012 een verweerschrift in zaak A ingediend. De vrouw heeft op 31 januari 2012 een verweerschrift in zaak B ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 21 december 2011, 17 februari 2012 en 20 februari 2012 nadere stukken ingediend.

1.5. De zaken zijn op 1 maart 2012 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

-de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

-de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1975 gehuwd. Hun huwelijk is op 31 maart 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2008 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Bij beschikking van 24 februari 2010 van de rechtbank Amsterdam is een door de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud van de man bepaald van € 1.909,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. Bij vonnis in kort geding van 11 november 2010 is de vordering van de vrouw, kort gezegd, de onderhoudsbijdrage op nihil te stellen en de man te bevelen getroffen executiemaatregelen ongedaan te maken of deze te verbieden tot het moment dat definitief over het verzoek van de vrouw tot nihilstelling van de door haar te betalen uitkering is beslist, afgewezen.

Persoonlijke omstandigheden

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1953.

2.5. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1949. Hij heeft een relatie met mw. […] (hierna: [x]).

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking van 8 juni 2011 is het primaire verzoek van de vrouw, te bepalen dat haar onderhoudsverplichting jegens de man is beëindigd omdat hij samenwoont als ware hij gehuwd in de zin van artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), afgewezen.

Bij de bestreden beschikking van 5 oktober 2011 is -met wijziging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2010- de door de vrouw te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de man met ingang van 17 maart 2011 op € 1.142,- per maand bepaald. Deze beschikking is gegeven op het (gewijzigde) verzoek van de vrouw de uitkering met ingang van 24 februari 2010 op nihil te stellen, dan wel de uitkering op € 737,- per maand te bepalen.

3.2. De vrouw verzoekt in zaak A, met vernietiging van de bestreden beschikkingen, en met wijziging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2010:

-de door haar te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de man met ingang van 24 februari 2010, althans 15 maart 2011, althans een door het hof te bepalen datum op nihil te stellen, althans een zodanig lagere bijdrage te bepalen dan de rechtbank bij de bestreden beschikking van 5 oktober 2011 heeft bepaald;

-althans te bepalen dat de man aan de vrouw dient terug te betalen het bedrag dat de vrouw op basis van de aanstaande beschikking van het hof ten onrechte aan de man heeft betaald, althans dat dit ten onrechte betaalde mag worden verrekend met een eventueel door de vrouw nog te betalen bijdrage;

-althans te bepalen dat, voor het geval betaling door de vrouw nog achterstallig is, de vrouw, gezien haar financiële situatie, aan haar verplichtingen heeft voldaan met hetgeen is betaald;

-althans te bepalen dat de vrouw voor het geval dat het hof toch nog tot een bijdrage komt, kan en mag volstaan met het betalen van de (door het hof of rechtbank) aangepaste bijdrage en er dus een streep door de achterstand wordt gehaald;

-althans te bepalen dat hetgeen de vrouw van de man dient te ontvangen en hetgeen de man van de vrouw dient te ontvangen tegen elkaar wegvalt;

-althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

3.3. De man verzoekt in zaak A de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door haar in hoger beroep verzochte af te wijzen.

3.4. De man verzoekt in zaak B, met vernietiging van de bestreden beschikkingen in zoverre, het inleidend verzoek van de vrouw af te wijzen.

3.5. De vrouw verzoekt in zaak B het in hoger beroep verzochte af te wijzen en de man in de kosten van de procedure te veroordelen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid vrouw in haar hoger beroep in zaak A.

4.1. De man betoogt primair dat de vrouw in zaak A niet-ontvankelijk in haar hoger beroep moet worden verklaard. Hij voert daartoe aan dat zij reeds eerder van de beschikking van de rechtbank van 8 juni 2011 in hoger beroep is gekomen, te weten op 10 augustus 2011. Omdat zij vervolgens het hoger beroep tegen deze beschikking op 21 september 2011 heeft ingetrokken heeft het hof bij beschikking van 11 oktober 2011 haar hoger beroep verworpen. Zij kan daarom thans niet opnieuw in hoger beroep komen van deze beschikking, aldus de man.

Het hof volgt de man niet in deze stelling. De vrouw heeft het hoger beroep tegen de beschikking van 8 juni 2011 ingetrokken omdat het een tussenbeschikking betrof die op dat moment niet voor appel vatbaar was, maar waarvan pas gelijktijdig met de eindbeschikking van 5 oktober 2011 geappelleerd kon worden. Van berusting is om die reden dan ook geen sprake, zodat de vrouw ontvankelijk is in haar hoger beroep.

Beoordeling in beide zaken

4.2. In beide zaken is de door de vrouw te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de man aan de orde. In zaak A heeft de vrouw primair grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat zij haar stelling -indien zij al voldoende heeft gesteld- dat de man samenleeft met [x] als ware hij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW, onvoldoende heeft onderbouwd zodat zij jegens hem nog steeds alimentatieplichtig is. De vrouw stelt dat op grond van de door haar hierna overgelegde rapporten van recherchebureau De Rijk voldoende is komen vast te staan dat aan alle vereisten voor een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW is voldaan, zodat haar onderhoudsverplichting is geëindigd. De man heeft dit betwist.

4.3. Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de andere gewezen echtgenoot onder meer wanneer deze is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Een bevestigende beantwoording van de vraag of artikel 1: 160 BW van toepassing is heeft verstrekkende gevolgen, nu daarmee definitief en in zijn geheel een einde komt aan de verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud. Het artikel dient dan ook restrictief te worden uitgelegd. De stelplicht en bewijslast ligt bij de alimentatieplichtige, in dit geval de vrouw.

Voor de vaststelling dat sprake is van samenleven als waren zij gehuwd zoals bedoeld in artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de partners een affectieve relatie van duurzame aard bestaat die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen en dat zij met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

4.4. De man erkent dat tussen hem en [x] sprake is van een affectieve relatie die van duurzame aard is. Hij heeft echter weersproken dat hij met haar samenwoont, dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren en elkaar wederzijds verzorgen.

4.5. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stellingen in eerste aanleg een rapport overgelegd van Bureau de Rijk van 15 september 2010 alsmede, ter gelegenheid van de behandeling in hoger beroep, een verslag aanvullende observatie van 18 februari 2012 van datzelfde bureau. In het eerste rapport zijn de bevindingen naar aanleiding van de observaties gedurende de periode van 29 januari 2010 tot 7 september 2010 vastgelegd. In die periode heeft het bureau de man geobserveerd om te onderzoeken of hij met [x] samenwoont. Daartoe is onder meer de woning van [x] in [u] geobserveerd. In het aanvullend rapport zijn de bevindingen van observaties in de periode van 3 februari 2012 tot en met 17 februari 2012 vastgelegd.

4.6. Het hof overweegt als volgt. De woning van [x] aan het […] te [u] is in de periode waarop het eerste rapport betrekking heeft gedurende een periode van ruim zeven maanden veelal meerdere keren per week geobserveerd. Uit die observaties is gebleken dat de destijds in het bezit van de man zijnde auto daar zeer regelmatig wordt gesignaleerd. Eveneens wordt regelmatig gesignaleerd dat de man in de ochtend vanuit de woning van [x] vertrekt, onder meer naar de sportschool, en dat hij ook weer terugrijdt naar de woning van [x]. In die periode wordt de auto van de man nimmer bij de op zijn naam staande woning in [k] gesignaleerd. Wel wordt gesignaleerd dat de man daar eenmaal komt, de woning niet binnengaat maar alleen zijn post ophaalt en vervolgens weer naar de woning van [x] rijdt. Voorts wordt gesignaleerd dat de man en [x] regelmatig samen boodschappen doen waarbij de man en [x] afwisselend betalen. De man gaat samen met [x] op vakantie. Daarnaast blijkt dat de auto van de man sinds 3 september 2010 op naam van een nieuwe eigenaar staat en maakt de man regelmatig gebruik van de Volkswagen Polo van [x]. In de aanvullende rapportage is niet gebleken van een wijziging van de situatie. Ook in deze periode wordt meerdere keren geobserveerd dat de man vanuit de woning van [x] in de Volkswagen stapt en naar verschillende bestemmingen, onder meer de kapper en de sportschool rijdt. Daarnaast wordt wederom gesignaleerd dat de man samen met [x] boodschappen doet. Daarbij zoeken zij gezamenlijk zaken uit en wordt door de observator gehoord dat de man tegen de verkoper in de Media markt zegt “wat ik wil…” of “wat we willen…”. De man zoekt dan een muziekinstallatie uit welke wordt afgerekend door [x].

4.7. Het hof acht op grond van de inhoud van de door de vrouw overgelegde rapporten van Bureau de Rijk zoals hiervoor weergegeven, voorshands voldoende bewezen dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 1:160 BW en dat derhalve tussen de man en [x] sprake is van een samenleven in de zin van die bepaling. Hetgeen de man in eerste aanleg en in hoger beroep tegen deze rapporten heeft ingebracht leidt niet tot een ander oordeel. Het feit dat er in bepaalde periodes gedurende de periode van ruim zeven maanden in 2010 niet is geobserveerd, doet aan de overige bevindingen in de beide rapporten niet af, evenmin als het feit dat op drie data van observatie de naastgelegen woning abusievelijk voor die van [x] is aangezien en enige andere door de man in eerste aanleg genoemde vermeldingen in het rapport van 15 september 2010, nu deze door Bureau de Rijk in zijn in eerste aanleg overgelegde brief van 1 februari 2011 voldoende zijn verklaard of hersteld. Ook werpt de door de man in eerste aanleg en in hoger beroep aangevoerde reden van zijn gebruik van de auto van [x] geen ander licht op de bevindingen in de beide rapporten die het hof van belang acht voor zijn oordeel. Naar het oordeel van het hof heeft de man ook overigens de desbetreffende stellingen van de vrouw onvoldoende gemotiveerd betwist.

De man wordt in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren. Het hof zal daartoe uit zijn midden een raadsheer-commissaris benoemen die datum en tijdstip zal bepalen waarop getuigen door de man kunnen worden voorgebracht.

4.8. Met het oog op het vorenstaande zal elke verdere beslissing worden aangehouden.

5. Beslissing

Het hof:

in beide zaken:

laat de man toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van de vrouw dat sprake is van samenleven van de man en [x] in de zin van artikel 1:160 BW;

bepaalt dat, indien de man getuigen wil doen horen, deze getuigen zullen worden gehoord door mr. R.G. Kemmers, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris, in een der zalen van het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht 436 te Amsterdam, op een door deze nader te bepalen datum en tijdstip na schriftelijke opgave door partijen - aan het enquêtebureau van de griffie van het hof - van de verhinderdata van alle betrokkenen in de periode augustus tot en met november 2012 en onder schriftelijke opgave door de man van het aantal en de namen van de door hem voor te brengen getuigen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, M. Wigleven en R.G. Kemmers in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2012.