Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ5643

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
27-03-2013
Zaaknummer
200.103.083-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop. De overeengekomen prijs voor het verkochte schilderij is lager dan de later door een deskundige vastgestelde waarde ervan. De verkoper vordert het verschil van de koper. Het hof oordeelt dat de verkoper niet heeft gesteld dat hij heeft gedwaald over enige intrinsieke eigenschap van het schilderij en neemt geen dwaling, bedrog of onrechtmatige daad aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.103.083/01

zaaknummer rechtbank Alkmaar : 115342 / HA ZA 09-1049

arrest van de meervoudige kamer van 29 januari 2013

inzake

[ APPELLANT ],

wonend te [ woonplaats ],

APPELLANT,

advocaat: mr. G.P. Poiesz te Velzen-Noord, gemeente Velzen,

tegen:

de erven van wijlen [ GEÏNTIMEERDE ],

in leven gewoond hebbend te [ woonplaats ],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. P.M. Strengers te Hoogland, gemeente Amersfoort.

De partijen worden hierna [ appellant ] en de erven genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Bij dagvaarding van 24 februari 2012 is [ appellant ] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Alkmaar van 21 juli 2010 en 1 februari 2012, in deze zaak gewezen tussen [ geïntimeerde ] (hierna: [ geïntimeerde ]) als eiseres en [ appellant ] als gedaagde. Daarbij heeft [ appellant ] twaalf grieven tegen de vonnissen aangevoerd, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de vonnissen zal vernietigen en de vordering van [ geïntimeerde ] alsnog zal afwijzen en haar zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [ appellant ] ter uitvoering van het vonnis van 1 februari 2012 heeft betaald, met rente, en in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.

1.2 Bij akte van 15 mei 2012 heeft mr. Strengers voornoemd medegedeeld dat [ geïntimeerde ] op 6 april 2012 is overleden en verzocht om schorsing van het geding.

Bij akte van 29 mei 2012 heeft [ appellant ] zich verzet tegen de verzochte schorsing.

Bij akte van 12 juni 2012 heeft mr. Strengers medegedeeld dat [ X ] (hierna:

[ X ]) de enige erfgenaam van [ geïntimeerde ] is en de procedure wenst voort te zetten.

1.3 Bij memorie van antwoord van 24 juli 2012 heeft [ X ] in zijn gestelde hoedanigheid van enige erfgenaam van [ geïntimeerde ] de grieven bestreden, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof de vonnissen zal bekrachtigen en [ appellant ] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

1.4 Ten slotte is arrest op de stukken gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 Het griffiedossier bevat verdere producties bij de memorie van antwoord en een akte van [ X ] van 21 augustus 2012 met nog een productie. [ appellant ] heeft die stukken niet gefourneerd. Nu deze producties niet tot een ander oordeel kunnen leiden dan hieronder wordt gegeven, behoeft geen nader onderzoek te worden verricht naar de vraag waarom deze stukken niet zijn gefourneerd.

2.2 Uit de omstandigheid dat [ appellant ] arrest heeft gevraagd, volgt dat hij ermee instemt dat het geding is hervat door de daartoe strekkende akte van 12 juni 2012.

Nu [ appellant ] niet in de gelegenheid is geweest om zich uit te laten over de stelling van [ X ] dat hij de enige erfgenaam van [ geïntimeerde ] is, zal het hof de juistheid van die stelling in het midden laten en de instantie voortzetten op naam van de gezamenlijke erfgenamen van [ geïntimeerde ].

2.3 De rechtbank heeft in het vonnis van 21 juli 2010 onder rov. 2.1 tot en met 2.6 een aantal feiten vastgesteld. Die feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.4 Tussen partijen staat het volgende vast.

a. [ appellant ] is professioneel kunsthandelaar. Hij drijft een onderneming genaamd [ appellant ] en heeft een website genaamd: [ website ]

b. Op 25 augustus 2009 heeft [ geïntimeerde ] aan [ appellant ] twee schilderijen verkocht. Op de factuur d.d. 30 augustus 2009 staat vermeld:

"Schilderij van Vertin (?), getiteld 'Stadsgezicht'

Schilderij van Evertse (?), getiteld 'Stadsgezicht Enkhuizen' "

Laatstgenoemd schilderij is van de schilder Adrianus Eversen en is onderwerp van dit geschil (hierna: het schilderij).

c. [ appellant ] heeft voor de twee schilderijen gezamenlijk € 4.000,00 betaald. Hij heeft het schilderij van Eversen kort na de aankoop laten restaureren voor een bedrag van

€ 2.261,00 en laten inlijsten voor een bedrag van € 2.118,20.

d. Op 9 oktober 2009 heeft de partner van [ geïntimeerde ], [ X ], een uitnodiging ontvangen voor een verkoopexpositie in de expositieruimte van [ appellant ], met als bijlage een verkoopcatalogus. In deze catalogus staat het schilderij afgebeeld.

e. In de catalogus wordt met een stip in een bepaalde kleur een indicatie van de prijs van de daarin afgebeelde schilderijen gegeven. Bij het schilderij is de kleurcode oranje. Deze code verwijst naar een prijsindicatie van € 50.000,00 tot € 70.000,00.

f. Bij brief van haar raadsman van 29 oktober 2009 heeft [ geïntimeerde ] aan [ appellant ] het volgende medegedeeld:

"Ik roep hierbij buitengerechtelijk de vernietiging als bedoeld in artikel 3:50 BW van de tussen cliënte en u gesloten koopovereenkomst betreffende het schilderij stadsgezicht Enkhuizen van Adrianus Eversen in, en wel op grond van artikel 3:44 lid 3 BW, subsidiair artikel 6:228 lid 1 b BW."

g. De in dit geding door de rechtbank benoemde deskundige drs. L. Pijl, beëdigd taxateur, heeft op 10 juli 2011 het volgende over het schilderij gerapporteerd:

"De twee mij beschikbaar gestelde afdrukken van foto's in kleur van het schilderij van vóór restauratie tonen een werk met een sterk verkleurd en vervuild vernis. (...) (D)e twee reproducties (tonen) het schilderij (...) op een moment van vóór de schoonmaak. Op de reproducties is de goede schilderkunstige kwaliteit van het schilderij evident, met name in de weergave van de architectonische details. Was het schilderij niet van een authentieke signatuur voorzien, dan nog is het duidelijk dat het hier een eigenhandig werk van Adrianus Eversen betreft. In het jargon heet een dergelijk schilderij dan 'signed all over'.

In een zogenaamd vuile staat heeft het schilderij een waarde in het economische verkeer van 22.500 euro. De term 'waarde in het economische verkeer' dient hier als volgt te worden verstaan: het te verwachten bedrag waarvoor een werk op niet al te lange termijn bij een vrijwillige verkoop te gelde kan worden gemaakt. Hierbij zij het volgende opgemerkt: schilderijen met een integraal verkleurd vernis hebben voor de markt een belangrijk voordeel. Een vuil vernis betekent dat het werk in kwestie lange tijd niet is schoongemaakt of gerestaureerd. Bij schilderijen uit de tweede helft van de negentiende eeuw betekent dit vaak dat er nooit iets aan is opgeknapt. Schilderijen die schoongemaakt ter veiling worden aangeboden, hebben bovendien het aura dat ze in de handel onverkocht zijn gebleven en zijn daaddoor voor handelaren en particuliere verzamelaars minder aantrekkelijk. Anders gezegd: voor een goed veilingresultaat is het belangrijk dat een schilderij nieuw is voor de markt. Omdat het schilderij inmiddels is schoongemaakt en middels een brochure is aangeboden, verwacht ik dat wanneer het thans ter veiling wordt aangeboden het resultaat iets onder het genoemde bedrag van 22.500 euro zal uitkomen."

2.5 In dit geding heeft [ geïntimeerde ], samengevat weergegeven, primair gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat [ geïntimeerde ] terecht de nietigheid van de koopovereenkomst heeft ingeroepen, subsidiair dat de rechtbank de koopovereenkomst vernietigt, een en ander met afgifte van het schilderij. Meer subsidiair heeft [ geïntimeerde ], na vermindering van eis, schadevergoeding van € 20.000,00 gevorderd, met rente en kosten.

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat [ geïntimeerde ] de koopovereenkomst terecht heeft vernietigd op grond van dwaling, [ appellant ] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 20.000,00, met rente en kosten, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het hoger beroep is gericht tegen de toewijzingen.

2.6 De rechtbank heeft overwogen dat de discrepantie tussen het aankoopbedrag van

€ 2.500,00 en de verkoopwaarde van € 22.500,00 zo groot is dat op [ appellant ] als professioneel kunsthandelaar hieromtrent een mededelingsplicht rustte.

Tegen deze overweging is grief 4 gericht. Het hof zal deze grief eerst beoordelen. Hierbij is van belang dat de erven blijkens de memorie van antwoord niet (langer) aan de vordering ten grondslag leggen dat [ geïntimeerde ] niet wist dat het schilderij een authentiek werk van Eversen was en ook niet (langer) stellen dat de waarde in het economische verkeer ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst hoger was dan € 22.500,00.

2.7 De waarde in het economische verkeer van een schilderij is geen intrinsieke eigenschap van dat schilderij, maar vloeit uit de eigenschappen van het schilderij voort. De waarde is ook veranderlijk en kan verschillen in verschillende markten. Ten tijde van de verkoop waren [ geïntimeerde ] en [ X ] ervan op de hoogte dat het schilderij een authentiek werk van Eversen was. Ook overigens hebben zij niet gesteld dat zij dwaalden over de intrinsieke eigenschappen van het schilderij. Zij hebben het schilderij (samen met een ander schilderij) zelf te koop aangeboden voor de prijs die [ appellant ] ervoor heeft betaald. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat de koopovereenkomst tot stand is gekomen onder invloed van bedrog of dwaling of dat

[ appellant ] onrechtmatig heeft gehandeld door het aanbod te aanvaarden. In beginsel komt het voor risico van de verkoper dat bij de verkoop van een zaak waarvan hij de intrinsieke eigenschappen kent, een lagere koopprijs tot stand komt dan overeenkomt met de op dat moment en in die markt aan de zaak toe te kennen waarde in het economische verkeer. De discrepantie tussen de overeengekomen prijs en de door de deskundige vastgestelde waarde is niet zo groot dat in dit geval een uitzondering op voornoemd beginsel moet worden aangenomen, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat [ appellant ] zich beroepsmatig bezighoudt met de handel in schilderijen als de onderhavige en geacht moet worden op dat gebied deskundig te zijn. De grief slaagt dus.

2.8 Op grond van het voorgaande dient de vordering alsnog te worden afgewezen.

De bestreden vonnissen dienen te worden vernietigd. De andere grieven behoeven geen bespreking. De erven zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van de erven af;

veroordeelt de erven tot terugbetaling aan [ appellant ] van al hetgeen [ appellant ] ter uitvoering van het vonnis van 1 februari 2012 aan [ geïntimeerde ] of aan de erven heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2012 tot de dag van de voldoening;

verwijst de erven in de proceskosten van de eerste aanleg en begroot die kosten, voor zover aan de kant van [ X ] gevallen, op € 543,83 voor verschotten en op € 2.895,00 voor salaris van de advocaat (let op: deskundige en beslagkosten);

verwijst de erven in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot op heden aan de kant van [ X ] gevallen, op € 291,00 voor verschotten, op € 894,00 voor salaris van de advocaat, te vermeerderen met € 68,00 voor nasalaris van de advocaat en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na beteking van dit arrest tot de dag van de voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen, G.C.C. Lewin en R.J.Q. Klomp en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 29 januari 2013.