Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4706

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2013
Datum publicatie
20-03-2013
Zaaknummer
11-00639
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2011:BT2028, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3178, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op terugbetaling op de voet van artikel 236 CDW. Belanghebbende heeft niet voldaan aan de bewijslast dat meer douanerechten zijn geheven dan wettelijk verschuldigd waren. De UTB gebaseerd op goederencode 1904 3000 (bulgurtarwe), in plaats van op de aangegeven goederencode 1001 1000 (harde tarwe), blijft in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00639

28 februari 2013

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: mr. Y.E.J. Geradts (Geradts & Vetter, advocaten - belastingkundigen),

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 10/795 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Rotterdam,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende op 22 februari 2006 een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uitgereikt ten bedrage van € 12.089,28 aan douanerechten. Bij brief van 16 april 2007 heeft belanghebbende verzocht om terugbetaling van voornoemd bedrag. De inspecteur heeft dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak van 26 maart 2008, het bezwaar toegewezen waar het de termijnoverschrijdingen van de bezwaarbehandeling betreft en de overige bezwaren afgewezen.

1.2. Bij uitspraak van 6 november 2009, AWB 08/4363, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de inspecteur opgedragen met inachtneming van de uitspraak opnieuw uitspraak op bezwaar te doen op het door belanghebbende gemaakte bezwaar tegen de genoemde beschikking en de inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 288 te vergoeden.

1.3. Bij uitspraak van 8 januari 2010 heeft de inspecteur wederom het bezwaar toegewezen waar het de termijnoverschrijding van de bezwaarbehandeling betreft en de overige bezwaren afgewezen. Belanghebbende heeft ook tegen deze uitspraak beroep ingesteld. Bij uitspraak van 11 juli 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Het tegen de onder 1.3. vermelde uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 10 augustus 2011, aangevuld bij brief van 7 oktober 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Op 13 november 2012 heeft een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Het onderzoek in de onderwerpelijke zaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden met het onderzoek in de zaak met kenmerk 11/00640. Het Hof heeft na gedeeltelijke behandeling van beide zaken het onderzoek ter zitting geschorst. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.6. Het onderzoek ter zitting is voor beide zaken op 18 januari 2013 hervat in de stand waarin zij zich bevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende heeft op 7 oktober 2005 aangifte voor het vrije verkeer gedaan (nr. ***/01 05 00103894) voor 3.120 colli “harde tarwe, andere dan zaaigoed” uit Turkije, onder vermelding van goederencode 1001 1000 en een nettogewicht van 47.040 kilogram. In de aangifte zijn de containernummers TRLU 477963-7 en TRLU 655745-4 vermeld. De goederen zijn geproduceerd door [producent A], Turkije.

2.2. Tot de gedingstukken behoren de paklijsten (çeki listesi) van de containers TRLU 477963-7 en TRLU 655745-4. Deze paklijsten vermelden in zowel de koptekst als de voettekst de naam van de verkoper: “[verkoper A] en zijn gericht aan [importeur A]. Blijkens de tekst aan de bovenrand zijn deze lijsten op 27 september 2005 per fax verzonden door [producent A].

Container TRLU 477963-7 bevat volgens de paklijst (FIOD-ECD bijlage nr. D/48a) 24 pallets met daarop 1200 colli, elk bevattende 4 zakken van 5 kilogram “Köftelik Bulgur”.

Container TRLU 655745-4 bevat volgens de paklijst (FIOD-ECD bijlage nr. D/48b) 24 pallets met daarop 1920 colli, elk bevattende 12 zakken van 1 kilogram “Köftelik Bulgur”.

2.3. Tot de stukken van het geding behoort een formulier Fysieke controle, dossiernummer 8872. Op het eerste en tweede blad is onder meer vermeld:

“Aangiftenummer: ***/01 05 00103894

Airwaybill:

Aantal colli/in bulk: 3120 Soort colli/in bulk: ZAK (BAG)

Merken en nummers: (=48 PLTS)

(...)

Bevindingen

Identiteit vervoermiddel/container: trlu 477963-7

Nr. verzegeling: 1x 1207489msc conform

Merken en nummers: zie monster

(...)

Aantal geteld: 24 pallets

Inhoud per v.p.e. 50 kts a 4x5kg

(...)

Aantal monsters: 3x 5 kg”

2.4. Voorts behoort tot de stukken van het geding een ‘Bijlage Fysieke controle’, waarin is vermeld:

“(…)

Merken en nummers.

Shredded wheat 47040kg netto 3120 colli. De aangever zal niet bij het onderzoek zijn maar laat zich vertegenwoordigen door het loodspersoneel. Gebeld omstreeks 11:27 gesproken met [de heer Y] d.d. 11 oktober 2005 en werd teruggebeld omstreeks 12:31 ivm wie aanwezig zou zijn bij de opname. Fyco doorgezet door [medewerker].

Fase bevindingen

Afspraak gemaakt op 13-10-2005 om 09,00 uur bij [loods] (…)”

2.5. Voorts behoort tot de stukken van het geding een planlijst fysieke controle van de douanepost Reeweg, waarin de ambtenaar Mulder op donderdag 13 oktober 2005 tussen 09.00 en 10.00 uur op de locatie [loods] staat ingepland, onder verwijzing naar dossiernummer 8872.

2.6. De uitslag van het monsteronderzoek door het douanelaboratorium is bij brief van 23 november 2005 aan belanghebbende medegedeeld. De bijlage bij deze brief luidt als volgt:

“Onderzocht product: Koftelik bulger

(...)

Het monster bestaat uit grof of fijn gesneden of gebroken tarwe, die een

warmtebehandeling heeft ondergaan: bulgurtarwegrutten.

Geraadpleegde instantie: RIKILT.

Dit product wordt ingedeeld onder goederencode: 1904 3000 00”

2.7. Bij brief van 25 november 2005 heeft belanghebbende om een heronderzoek verzocht en aangegeven het niet eens te zijn met de indeling in goederencode 1904 3000. Als bijlage bij deze brief is een brief gevoegd van Loyens & Loeff, gedagtekend 18 november 2005 en gericht aan [importeur A]. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Geachte [heer X],

Naar aanleiding van ons gesprek over het importeren van Turkse Duru van het merk “[merk A]” bericht ik u hierbij het door u aangevraagde indelingsadvies.

Inleiding

Door de firma [importeur A] wordt Duru Bulgur (hierna genoemd: Bulgur) geïmporteerd uit Turkije. De Bulgur is verpakt in een doorzichtige plastic zak met een gewicht van 1000 gram. De [importeur A] importeert deze Bulgur in zeecontainers vanuit Turkije.

(...)

Naar mijn inzien is Hoofdstuk 11: “Producten van de meelindustie; mout; zetmeel; inuline; tarwegluten” van toepassing. De onderverdeling waar ik voor heb gekozen is Taric-code 1104 2911 00. Dit zijn bewerkte granen van tarwe gepeld, al dan niet gesneden of gebroken: van tarwe. het douanerecht met ATR certificaat is nihil.

Conclusie

Ondanks het feit dat er een douanemonster is genomen zie ik geen reden om bezorgd te zijn ten aanzien van de mogelijkheid van eventuele heffing van douanerechten.”

2.8. Op 6 december 2005 is een heronderzoek ingesteld. Bij brief van 23 januari 2006 heeft het douanelaboratorium de eerdere bevindingen van dit onderzoek aan de douane Rotterdam/kantoor Rotterdam Reeweg bevestigd.

2.9. De uitslag van het heronderzoek is bij brief van 9 februari 2006 aan belanghebbende medegedeeld. Hierbij is vermeld dat tegen de uitslag van het heronderzoek geen bezwaar mogelijk is. Vervolgens is op 22 februari 2006 de verificatie van de onder 2.1 genoemde aangifte beëindigd, waarbij de goederencode is gewijzigd in 1904 3000 (bulgurtarwe). Belanghebbende heeft geen bezwaarschrift ingediend tegen de uitgereikte UTB.

2.10. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van een e-mailbericht van [bedrijf B] aan belanghebbende van 13 februari 2006. Belanghebbende heeft dit e-mailbericht doorgestuurd naar de inspecteur. Het bericht luidt als volgt:

“Belastingdienst/Douane/Rotterdam

Reeweg 16

3088KA Rotterdam

TAV Hr. [XX]

Betr: uitslag monsteronderzoek – produkt Bulgur

[importeur A] – uw kenmerk B16452956

----

Ondergetekende, [importeur A], gaat akkoord met het monsteronderzoek ingesteld door de douane en de landbouwheffing van euro 12.089,28 en de daarbij volgende boete voor het niet correct aangeven van de aangifte ten invoer.

In afwachting van uw bericht verblijven wij,

[importeur A]

Piekstraat 61

3071 EL Rotterdam”

2.11. Tot de stukken van het geding behoort een Nederlandse vertaling van een brief van de Turkse autoriteiten, ondertekend op 16 februari 2009, gericht aan het Douane Informatie Centrum te Rotterdam, waarin voor zover hier van belang, het volgende is vermeld:

“5. De door de firma [producent A] naar de firma [importeur A] [onleesbaar, mogelijk: middels douanedienst Ankara] geëxporteerde ‘Asurelik bugday’ betreft de gepelde tarwesoort zoals aangemerkt in tariefpost 1104.29.11;

6. Er is via [onleesbaar, mogelijk: voornoemde douanedienst] gedurende de jaren 2004-2005 geen product in de vorm van bulgur geëxporteerd door de firma [producent A] naar de firma [importeur A], noch is dit door zes andere genoemde leveranciers gedaan. ”

2.12. Tot de gedingstukken behoort een Franstalige vertaling van de voornoemde Turkse brief. In deze taalversie luidt punt 6:

“6. qu’au cours des années 2004-2005, les exportations du genre gruau réalisées par la firme [producent A] ou par les 6 autres fournisseurs à destination de la société néerlandaise [importeur A] ne sont pas effectuées du bureau de douane mentionné cidessus;”

Toelichting op het verloop van het geding, hiervoor al beknopt opgenomen onder 1.

2.13. Met dagtekening 16 april 2007 heeft belanghebbende aan de inspecteur brief gezonden waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Betr.: Verzoek om teruggaaf met betrekking tot uitnodiging tot betaling nr. ***/01/05/103894.

Hiermede komen wij in bezwaar tegen Uw uitnodiging tot Betaling met betrekking tot aangifte nummer ***/01/05/103894, waarvoor de verschuldigdheid definitief werd vastgesteld op 22 februari 2006. Wij verzoeken U dit bezwaar te doen beschouwen als een verzoek om teruggaaf van rechten.

(…)

Op grond van vorenstaande redenen, elk punt individueel doch ook in onderlinge samenhang, tekenen wij bezwaar aan tegen Uw definitieve beëindiging verificatie en Uw uitnodiging tot betaling met nr. ***/01/05/103894.

Wij verzoeken U dit bezwaar te doen behandelen als een verzoek om terugbetaling.”

2.14. De inspecteur heeft in reactie op de onder 2.13. vermelde brief op 16 augustus 2007 een “uitspraak op een verzoek om terugbetaling” gedaan. De inspecteur heeft dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard met het volgende argument: “een verzoek om terugbetaling is geen rechtsmiddel tegen de wijze van monstername”.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak van 26 maart 2008, het bezwaar toegewezen waar het de termijnoverschrijdingen van de bezwaarbehandeling betreft en de overige bezwaren afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld. De rechtbank is, zie uitspraak 6 november 2009, AWB 08/4363, van oordeel dat sprake is van een verzoek om terugbetaling als bedoeld in artikel 236 van het Communautair douanewetboek (hierna CDW) en niet van een zelfstandig bezwaar tegen de wijze van monsterneming. De rechtbank heeft daarbij overwogen:

“Nu de UTB waarbij de verschuldigdheid van rechten aan eiseres is medegedeeld, is gedateerd op 22 februari 2006 en het als verzoek om terugbetaling aan te merken geschrift op 17 april 2007 bij verweerder is ingekomen, derhalve binnen een termijn van drie jaren na deze mededeling, is het verzoek om terugbetaling tijdig ingediend en had verweerder het als zodanig in behandeling moeten nemen. Verweerder had hierop een beschikking moeten nemen. Verweerder heeft het verzoek om terugbetaling derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.”

De rechtbank heeft de inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen op het door belanghebbende gemaakte bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak.

2.15. De inspecteur heeft op 8 januari 2010 een nieuwe uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft het bezwaar toegewezen waar het de termijnoverschrijdingen van de bezwaarbehandeling betreft en de overige bezwaren afgewezen.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarbij zij het volgende heeft overwogen:

“4.1.1. Ingevolge artikel 236, eerste lid, van het CDW wordt overgegaan tot terugbetaling van rechten bij invoer wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel in strijd met artikel 220, tweede lid, van het CDW werd geboekt.

Een dergelijke terugbetaling wordt krachtens artikel 236, tweede lid, eerste alinea, van het CDW verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren, te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.

4.1.2. De rechtbank neemt in aanmerking dat uit de hiervoor onder 2.10 weergegeven aanhef en redactie van de onder 1.2 bedoelde brief blijkt dat eiseres (Hof: belanghebbende) een verzoek om terugbetaling in de zin van artikel 236 van het CDW heeft gedaan. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de brief geuite klachten ertoe strekken dat het bedrag dat als douanerecht in de utb is nagevorderd geheel of gedeeltelijk wordt kwijtgescholden dan wel wordt terugbetaald omdat het bedrag - naar de mening van eiseres - wettelijk niet verschuldigd was. Immers, de monsterneming ziet volgens eiseres niet op de aangegeven goederen en kan, mede gezien de wijze waarop deze is geschied, niet tot de conclusie leiden dat een andere goederencode dient te worden toegepast dan de goederencode die door eiseres is aangegeven. Om deze redenen is de rechtbank van oordeel dat de onder 1.2 bedoelde brief moet worden aangemerkt als een verzoek om terugbetaling in de zin van artikel 236 van het CDW en niet als een zelfstandig bezwaar tegen de wijze van monsterneming.

4.2.1. Nu verweerder (Hof: de inspecteur) afwijkt van de goederencode vermeld in de onder 2.1 genoemde aangifte, rust op hem de bewijslast om aannemelijk te maken dat deze goederen moeten worden ingedeeld onder de goederencode 1904 3000, zoals hij stelt.

4.2.2. Verweerder heeft daartoe verwezen naar de onder 2.5. tot en met 2.8. vermelde uitslagen van de monsteronderzoeken van het douanelaboratorium, welke onderzoeken zijns inziens uitwijzen dat de onder 2.1 genoemde goederen moeten worden ingedeeld onder de goederencode 1904 3000.

4.2.3. Nu vaststaat dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de wijze van monsterneming en uit het onder 2.9 vermelde e-mailbericht kan worden afgeleid zij met de monsterneming akkoord is gegaan, leidt dit tot het oordeel dat de resultaten van de monsteronderzoeken kunnen dienen als grondslag voor de indeling van de onder 2.1 genoemde goederen in de gecombineerde nomenclatuur. Verweerder heeft hiermee aan zijn bewijslast voldaan. Vervolgens ligt het op de weg van eiseres om aan te tonen dat de goederen conform de aangifte moeten worden ingedeeld onder de goederencode 1001 1000.

4.3.1. Eiseres heeft in dat kader grieven geuit met betrekking tot de wijze van monsterneming. Deze grieven kunnen niet slagen. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.

4.3.2. Voor zover de grieven van eiseres betrekking hebben op het recht van eiseres om bij de monsterneming aanwezig zijn, kunnen deze niet slagen omdat uit de onder 2.3. genoemde feiten blijkt dat een werknemer van eiseres, [heer Y], door de douane is uitgenodigd om bij de monsterneming aanwezig te zijn. Voorts heeft verweerder onweersproken gesteld dat de regiekamer niet op eigen initiatief afspraken voor fysieke controles plant maar dit enkel doet nadat de aangever hiertoe contact heeft opgenomen. Deze werkwijze heeft eiseres ter zitting bevestigd. De grief ontbeert feitelijke grondslag.

4.3.3. Voor zover de grieven van eiseres betrekking hebben op de representativiteit van de monsterneming, kunnen deze evenmin slagen. Uit het arrest Derudder van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 2004, zaak C-290/01 volgt dat hierover alleen met succes kan worden geklaagd zolang de goederen nog niet zijn vrijgegeven, tenzij kan worden aangetoond dat de staat van de goederen na de vrijgave niet op enige manier is gewijzigd, zodat met name de mogelijkheid bewaard blijft om onderzoek te verrichten en in voorkomend geval aanvullende monsters te nemen. Het Hof heeft met betrekking tot klachten over de representativiteit van de monstername het volgende overwogen:

“43. Hoewel uit de voorgaande overwegingen voortvloeit dat een douane-expediteur of diens vertegenwoordiger het recht kan worden verleend om de representativiteit van een monster van ingevoerde goederen te betwisten, ook al was hij tijdens de monsterneming aanwezig en heeft hij daartegen op dat moment geen bezwaar geuit, verzetten echter zowel het beginsel van rechtszekerheid als het nuttig effect van de richtlijnen 79/695 en 82/57 alsook het communautair douanewetboek zich ertegen dat deze mogelijkheid tot betwisting onbeperkt is. Zij dient te vervallen op het moment waarop de douaneautoriteiten de betrokken goederen vrijgeven, behalve in de gevallen waarin kan worden aangetoond dat de staat van de goederen na de vrijgave niet op enige manier is gewijzigd, zodat met name de mogelijkheid bewaard blijft om onderzoek te verrichten en in voorkomend geval aanvullende monsters te nemen.

44. (…)

45. De beperking in de tijd van de mogelijkheid om de representativiteit van een monsterneming van de genoemde goederen te betwisten, beantwoordt voorts aan de strekking van de richtlijnen 79/695 en 82/57 en van het communautair douanewetboek, die beogen snelle en doeltreffende procedures te waarborgen voor het in het vrije verkeer brengen. Zo het een aangever onbeperkt zou vrijstaan om die representativiteit te betwisten, zouden de douaneautoriteiten immers verplicht zijn, zich tegen een dergelijk risico in te dekken door ambtshalve alle goederen die worden aangegeven aan een grondig onderzoek te onderwerpen. Zulks zou noch in het belang zijn van de deelnemers aan het economisch verkeer, die er over het algemeen, zoals ook in het hoofdgeding, op gespitst zijn om de vrijgave te vragen teneinde de goederen die zij aangeven snel in het vrije verkeer te kunnen brengen, noch in het belang van genoemde autoriteiten, omdat een systematisch onderzoek van aangegeven goederen voor hen een aanzienlijke verhoging van de werklast met zich mee zou brengen.

46. Ten slotte wordt de uitlegging volgens welke de mogelijkheid om de representativiteit van een monster te betwisten, beperkt moet worden tot de periode waarin de ingevoerde goederen nog beschikbaar zijn om in voorkomend geval een aanvullend monster te kunnen nemen, bevestigd door de bewoordingen van het communautair douanewetboek, in het bijzonder artikel 78, lid 2 daarvan, dat bepaalt dat de douaneautoriteiten, na de goederen te hebben vrijgegeven en ten einde zich van de juistheid van de vermeldingen in de aangifte te vergewissen, kunnen overgaan tot een onderzoek van deze goederen „wanneer deze nog kunnen worden aangebracht”. Nu de mogelijkheid voor genoemde autoriteiten om aangiften bij de douane achteraf te controleren, derhalve afhankelijk is van de beschikbaarheid van de aangegeven goederen, dient noodzakelijkerwijs hetzelfde te gelden voor een douane-expediteur of diens vertegenwoordiger die de representativiteit van een monster wenst te betwisten. Deze mogelijkheid tot betwisting vooronderstelt derhalve dat de betrokken goederen niet zijn vrijgegeven of, indien vrijgave heeft plaatsgevonden, dat zij niet op enige wijze zijn veranderd, hetgeen de expediteur of diens vertegenwoordiger dient te bewijzen.”

4.3.4. De overige klachten van eiseres met betrekking tot de monsterneming kunnen evenmin slagen. Eiseres heeft het recht om bij de monsterneming aanwezig te zijn. Dit recht strekt er toe dat eiseres er op kan toezien dat van de door haar aangegeven goederen een monster wordt genomen en dat dit monster representatief is en verzegeld wordt. Dit recht strekt er niet toe dat eiseres ook aanwezig dient te zijn bij het uit praktische overwegingen onder ambtelijk toezicht ompakken van de monsters in kleinere verpakkingen in verband met het opsturen van de monsters naar het douanelaboratorium.

Ook de klacht van eiseres over de wijze van gebruik en invullen van het fycoformulier door verweerder kan niet slagen. Verweerder heeft de klacht voldoende weerlegd door te stellen dat het een voor intern gebruik bestemde versie van het formulier betreft, uitgeprint uit een douanesysteem ter begeleiding van de controle. De controlerend ambtenaar vult ter plekke de gegevens op deze versie in. Deze gegevens worden later in het systeem ingevoerd. Eiseres kan aan dit voor intern gebruik bestemde formulier geen vertrouwen of rechten ontlenen.

4.3.5. De slotsom is dat de klachten van eiseres over de monsterneming falen en dat eiseres niet heeft voldaan aan haar bewijslast dat de onder 2.1 genoemde goederen moeten worden ingedeeld onder de goederencode 1001 1000.

4.4. Eiseres heeft voorts gesteld dat de uitslagen van de monsteronderzoeken niet juist zijn omdat daarin niet de (essentiële) volgorde van bewerking is aangeven noch is vastgesteld dat het om harde tarwe gaat, terwijl bulgur toch van harde tarwe gemaakt wordt. Deze grieven worden verworpen. Ten eerste omdat in de bewoording van post 1904 30, die beslissend is, alleen het woord bulgurtarwe wordt genoemd. De omstandigheid dat in de toelichting op post 1904 wordt gesproken over harde-tarwekorrels doet daar niet aan af nu een toelichting slechts als hulpmiddel bij de indeling kan dienen en zij de draagwijdte van een post niet kan wijzigen. Ten tweede omdat uit het laboratoriumonderzoek blijkt dat de interne structuur van de korrel is veranderd, hetgeen betekent dat het product in elk geval een andere warmtebehandeling heeft ondergaan dan die bedoeld bij post 1001. De aldaar bedoelde warmtebehandeling dient ter verbetering van de houdbaarheid, waardoor het zetmeel gedeeltelijk wordt gegelatineerd en de graankorrels soms openspringen.

4.5. Eiseres heeft zich voorts beroepen op het communautaire vertrouwensbeginsel als bedoeld in artikel 220, tweede lid, van het CDW. De douane had aan de hand van de bij de aangifte gevoegde documenten kunnen zien dat de aangifte niet juist was. Dit beroep van eiseres faalt. Nog afgezien van het feit dat eiseres zelf ook heeft getwijfeld aan de juistheid van de goederencode en al daarom het beroep op het communautaire vertrouwensbeginsel moet worden afgewezen, heeft eiseres niet een zodanig document kunnen aanwijzen, ook niet bij de 30 aangiften welke in de procedure met nummer AWB 10/5351 die op dezelfde dag ter zitting is behandeld, betrokken zijn.”

4. Geschil in hoger beroep

Partijen houdt verdeeld of belanghebbende in aanmerking komt voor terugbetaling op de voet van artikel 236 van het CDW, omdat het bedrag van de geheven douanerechten op het moment van betaling niet wettelijk verschuldigd was, zoals belanghebbende stelt, doch de inspecteur betwist. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een boeking van douanerechten in strijd met artikel 220, tweede lid, van het CDW.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

Vooraf

6.1. De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 november 2009, AWB 08/4363, geoordeeld dat de inspecteur het verzoek om terugbetaling ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en daarmee het bezwaar tegen deze beschikking ten onrechte heeft afgewezen. Het Hof deelt dit oordeel van de rechtbank in deze uitspraak en maakt de overwegingen ter zake tot de zijne. De rechtbank heeft de inspecteur opgedragen, met inachtneming van haar uitspraak, opnieuw uitspraak op bezwaar te doen. Nu de inspecteur vervolgens, met inachtneming van deze uitspraak, het bezwaar wederom, voor zover hier van belang, heeft afgewezen en daarmee de niet-ontvankelijk verklaring van het verzoek om terugbetaling in stand heeft gelaten, heeft de inspecteur niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank. De inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat het verzoek ontvankelijk dient te worden verklaard. Het Hof volgt de inspecteur hierin. Het beroep van belanghebbende tegen de tweede uitspraak op bezwaar is reeds hierom gegrond. Het bezwaar is ten onrechte afgewezen en het verzoek om terugbetaling dient ontvankelijk te worden verklaard en inhoudelijk te worden behandeld.

6.2. Partijen hebben in bezwaar, beroep en hoger beroep hun standpunten betreffende het geschil inzake het verzoek om terugbetaling op de voet van artikel 236 van het CDW expliciet, zowel schriftelijk als mondeling, kenbaar gemaakt en toegelicht. Met name gelet op de wens van partijen zal het Hof afzien van terugwijzing en zelf beslissen op het verzoek om terugbetaling.

Verzoek om terugbetaling

6.3. Belanghebbende heeft, ter onderbouwing van haar verzoek om terugbetaling, gesteld dat van haar meer douanerechten zijn geheven dan wettelijk verschuldigd waren, omdat de inspecteur zijn UTB ten onrechte heeft gebaseerd op goederencode 1904 3000 (bulgurtarwe), in plaats van de aangegeven goederencode 1001 1000 (harde tarwe). Het ligt naar ’s Hofs oordeel bij een verzoek om terugbetaling op de weg van de belanghebbende om bewijs bij te brengen voor deze stelling.

6.4. Ter voldoening aan de op haar rustende bewijslast heeft belanghebbende een groot aantal grieven aangevoerd betreffende het onder 2.3 tot en met 2.10 genoemde monsteronderzoek. Naar ’s Hofs oordeel kunnen gebreken in de procedures rond de monsterneming en het onderzoek van het genomen monster, wat daar verder ook van zij, nimmer bijdragen aan het door belanghebbende te leveren bewijs van de aard van de ingevoerde goederen. Ook indien zou komen vast te staan dat, als gevolg van een gebrekkige monsterneming of een gebrekkig monsteronderzoek, de inspecteur destijds bij de behandeling van de aangifte niet tot correctie van de tariefindeling had mogen overgaan – omdat hij niet kon voldoen aan de op dat moment op hem rustende bewijslast dat de aangegeven goederencode onjuist was – kan dit in zijn algemeenheid niet bijdragen aan het door belanghebbende te leveren bewijs dat van haar meer douanerechten zijn geheven dan zij wettelijk verschuldigd is.

6.5. In dit verband geldt dat het Hof in de overige stukken van het geding evenmin bewijs vindt voor de stelling van belanghebbende dat van haar meer rechten zijn geheven dan zij wettelijk verschuldigd was. Blijkens de onder 2.2 genoemde paklijsten, die door de FIOD-ECD bij de importeur zijn aangetroffen, zijn de containers TRLU 477963-7 en TRLU 655745-4 geladen met “Köftelik Bulgur”. Dit vindt steun in de onder 2.7 aangehaalde brief van Loyens & Loeff aan importeur [A]. en de onder 2.6 aangehaalde vermelding in de bijlage bij de uitslag van het monsteronderzoek.

6.6. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de verkeerde container zou zijn bemonsterd. Uit de onder 2.3 aangehaalde vermeldingen op het fyco-formulier blijkt dat de ambtenaar de inhoud van container TRLU 477963-7 heeft onderzocht en dat hij daarin dezelfde aantallen pallets en colli heeft aangetroffen als zijn vermeld op de onder 2.2 genoemde paklijst. Uit voormelde feiten volgt dat juist aannemelijk is dat bulgurtarwe is ingevoerd.

6.7. De onder 2.11 aangehaalde brief van de Turkse autoriteiten voert niet tot een ander oordeel, nu in punt 6 van genoemde brief slechts wordt verklaard dat de uitvoer van bulgur naar [importeur A] niet via het douanekantoor Ankara heeft plaatsgevonden (zie ook de Franstalige versie van deze brief, aangehaald onder 2.12). Deze verklaring laat naar ’s Hofs oordeel de mogelijkheid open dat uitvoer van bulgurtarwe naar [importeur A] via een ander douanekantoor heeft plaatsgevonden.

6.8. Gelet op het vorenoverwogene heeft belanghebbende niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast dat meer douanerechten zijn geheven dan wettelijk verschuldigd waren.

6.9. De door belanghebbende aangehaalde uitspraken van Gerechtshof Amsterdam, d.d. 19 december 2006, nr. 04/1424 (LJN AZ6338), d.d. 14 juni 2005, nr. 02/405 (LJN AQ6558) en d.d. 18 juni 2004, nr. 02/3855 DK (LJN AQ6559), voeren niet tot een ander oordeel, daar genoemde uitspraken geen betrekking hebben op beschikkingen op de voet van artikel 236 van het CDW, doch op uitnodigingen tot betaling, zodat in die zaken – anders dan in het onderwerpelijke geval – de bewijslast op de inspecteur rustte.

Rechten van de verdediging

6.10. Belanghebbende heeft gesteld dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd wegens schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging. Partijen hebben zich ter zitting eenparig op het standpunt gesteld dat zij zich op dit punt om procesrechtelijke redenen wensen aan te sluiten bij het oordeel van het Hof in het parallelle hoger beroep met zaaknummer 11/00640, waarin het Hof heden eveneens uitspraak doet. Het Hof zal aan de wens van partijen tegemoet komen. Het beroep op schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging is door het Hof verworpen in zaak 11/00640, zodat dit ook in het onderwerpelijke hoger beroep geschiedt.

Slotsom

6.11. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de inspecteur, vernietigt de beschikking op het verzoek om terugbetaling, verklaart dit verzoek ontvankelijk en wijst het verzoek om terugbetaling af.

7. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit)

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2,5 (hoger beroepschrift, zitting, nadere zitting) x € 472 x 2 (gewicht van de zaak) = € 2.360.

Tevens komt belanghebbende in aanmerking voor vergoeding van de in artikel 1, onderdeel c van het Besluit vermelde reiskosten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit wordt het bedrag van deze kosten vastgesteld op de voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting (2x) gemaakte reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse, [ZZ] – Amsterdam v.v. ad € 43 x 2 = € 86. Voor de reiskosten in de procedure bij de rechtbank is door de rechtbank reeds een vergoeding toegekend in de procedure met zaaknummer AWB 10/5351, welke door de rechtbank gelijktijdig is behandeld met de onderwerpelijke zaak. Het Hof zal daarom niet nogmaals een vergoeding toekennen.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikking;

- wijst het verzoek om terugbetaling af;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.446;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 297 (beroep bij de rechtbank) en € 454 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 751 te vergoeden.

Aldus gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en D.B. Bijl, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 28 februari 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.