Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4640

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
20-03-2013
Zaaknummer
10-00393
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende toont niet overtuigend aan dat hij de ter beschikking gestelde Landrover op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privédoeleinden heeft gebruikt. De boete wordt verminderd tot 40%. De door belanghebbende ontvangen schadevergoeding is niet belast. De in de aangifte opgevoerde juridische kosten komen niet voor aftrek in aanmerking.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.145
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/750
V-N 2013/24.6 met annotatie van Redactie
FutD 2013-0817
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 10/00393

31 januari 2013

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, wonende te Y(…), belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 08/2997 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 7 juni 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 206.187 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 47.048, alsmede bij beschikking met diezelfde dagtekening een boete van € 3.158.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, gedagtekend 29 februari 2008, de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 202.195, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 3.991 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 47.048 en de boete verminderd tot een bedrag van € 2.618.

1.3. Bij uitspraak van 17 mei 2010 (belanghebbende wordt in de uitspraak aangeduid als “eiser” en de inspecteur als “verweerder”), heeft de rechtbank op het door belanghebbende ingestelde beroep als volgt beslist:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 202.196, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.995 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 47.048 en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de beschikking heffingsrente overeenkomstig de in deze uitspraak verminderde navorderingsaanslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- vermindert de boete tot 40% van het belastingbedrag over de correcties betreffende het privégebruik auto en de verblijfskosten zoals deze in beroep zijn komen vast te staan en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit, en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van ten bedrage van € 644.”

1.4. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 juni 2010 en aangevuld bij brief van 12 juli 2010. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2012. Daar zijn gezamenlijk behandeld de zaken die bij het Hof bekend zijn onder de nummers 10/00391 tot en met 10/00393. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

Het Hof vindt aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.

Algemeen

2.1. Belanghebbende is het onderhavige jaar gehuwd en binnenlands belastingplichtig. Belanghebbende is directeur en (enig)aandeelhouder van A B.V. Tot 31 juli 2000 was belanghebbende in loondienst bij A B.V. Deze vennootschap heeft twee deelnemingen B B.V. en I B.V. In B B.V. en I B.V. zijn de adviesdiensten van belanghebbende ingebracht. Adviesdiensten verricht door belanghebbende vinden soms ook plaats in A B.V. A B.V. is directeur en aandeelhouder in B B.V. en I B.V.

2.2. In december 1999 koopt belanghebbende de panden [...]straat 24 en 30 en […]straat 2a te F (hierna tezamen ook: pand [...]straat) van Woonstichting C (hierna: C). In 2001 sluit belanghebbende een koopovereenkomst voor het pand [...]straat met U B.V. (hierna: U). Deze koop is uiteindelijk niet doorgegaan. In 2001 verkoopt hij het pand [...]straat uiteindelijk (terug) aan C. Als gevolg van de niet doorgegane verkoop aan U ontvangt belanghebbende op 9 mei 2002 een bedrag van € 27.000 aan schadevergoeding van U. Voor de feiten inzake de relatie tussen belanghebbende en C en overige aspecten van de transacties met betrekking tot het pand [...]straat wordt verwezen naar de feiten zoals vastgesteld in de zaak met procedurenummer 10/00392 (onderdelen 2.5.1 tot en met 2.6.46) betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2001, waarin heden eveneens uitspraak wordt gedaan.

2.3. De inspecteur is bij de onderhavige navorderingsaanslag en de uitspraak op bezwaar afgeweken van het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning (volgens de aangifte en (primitieve) aanslag bedroeg dit € 145.572) en het aangegeven belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (volgens de aangifte en de (primitieve) aanslag bedroeg dit nihil). De afwijking betreft de volgende correcties:

- Privégebruik Landrover

- Vergoeding U inzake pand [...]straat

- Juridische kosten

- Verblijfskosten

Privé gebruik Landrover

2.4.1. A B.V. heeft op 17 maart 2000 een Landrover RR classic, kentekennummer [...] (hierna: de landrover) gekocht en deze ter beschikking gesteld aan belanghebbende. Tot de stukken van het geding behoort een door belanghebbende opgestelde “kilometeradministratie’ betreffende de Landrover. Hierin is opgenomen:

“Kilometer Administratie

Naam :X Totaal aantal km’s :448

Periode :di. 1jan. 2002 t/m di. 31 dec. 2002 Totaal aantal km’s zakelijk : 416

Voertuig : […] – Landrover RR classic Totaal aantal km’s privé :32 + 389

Datum RitNr. Beginstand Eindstand Van/naar Opmerking/ Bezoekadres Zakelijk/

(km) (km) Gereden route Prive

zaterdag 1 104363 104461 Thuis- 196 ? […]laan 70 Zakelijk

26-01-2002 […] […]

zaterdag 2 104461 104559 […] - […] 29 Zakelijk

26-01-2002 Thuis […])

zaterdag 1 104559 104669 Thuis- 220 […] […]weg 322 Zakelijk

09-03-2002 Hotel […] […]

Zaterdag 2 104669 104779 Hotel […] […] 29

09-03-2002 Thuis […] Zakelijk

Dinsdag 1 104779 104795 Thuis- […] Prive

30-04-2002 Prive

Dinsdag 2 104795 104811 Prive - […] 29 Prive

30-04-2002 Thuis […]

Km stand bij verkoop 105.200

30-4-2002 - 24/6/2002 privé 389.”

2.4.2. Tot de stukken van het geding behoort een op 30 juni 2002 gedateerde factuur van A B.V. aan a1 B.V. Opgenomen is:

“Aan u heden geleverd de auto volgens de hieronder vermelde specificatie:

Merk: Range Rover

Bouwjaar: 1994

Kenteken: […]

Kilometerstand: 105.200.”

Juridische kosten

2.4.3. Tot de stukken van het geding behoort een factuur, d.d. 11 september 2002, van

M. Ravesteijn (gerechtsdeurwaarder) aan belanghebbend inzake “[…]/ X”. De factuur vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Op 9 september 2002 betekende een onzer aan u een executoriale titel d.d. 31 juli 2002. Hieronder geven wij een overzicht van hetgeen per heden door u dient te worden voldaan, te weten:

Proceskosten € 10.189,51

Betekening € 74,65

Nasalaris € 172,00

Subtotaal € 10.436,16

Saldo € 10.436,16.”

Tot de stukken van het geding behoort een ongedateerde brief, van mr. … aan […] advocaten inzake, voor zover van belang, “[…]s c.s./X, Rechtbank Zwolle zaak-/rolno.”. Voorts is vermeld: “Bij het op 31 juli jl. in de hiervoor kort aangeduide procedure gewezen vonnis is uw cliënt verwezen in de kosten, voorzover aan de zijde van mijn cliënten gevallen, begroot op € 11.301,51.”

Deze brief behelst voorts een verzoek om in verband met genoemde procedure een bedrag van in totaal € 11.414,51, te voldoen.

Boekenonderzoek, correcties 2002, navorderingsaanslag 2002 en boete

2.5.1. De inspecteur heeft een onderzoek ingesteld naar de aanvaarbaarheid van de aangiften IB/PVV van belanghebbende over de jaren 1999 tot en met 2002. Dit onderzoek is tezamen uitgevoerd met een boekenonderzoek naar de drie vennootschappen waarvan belanghebbende directeur-grootaandeelhouder was. Aanleiding voor het onderzoek was een oriënterend materieel boekenonderzoek bij C waarbij de aankoop door belanghebbende van het pand [...]straat opviel. Van dit onderzoek heeft de controlerend ambtenaar op 22 april 2006 een conceptrapport en op 9 oktober 2006 een definitief rapport opgemaakt, waarvan een afschrift is verzonden aan belanghebbende en aan Tuinier en Dieperink van Mazars Belastingadviseurs.

In dit (definitieve) rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“2.2.5 Verkoopovereenkomst met U

In maart 2001 heeft X een koopovereenkomst gesloten met U BV (hierna U). Het gehele pand (kantoor plus dienstwoning en bedrijfsruimte) is verkocht voor fl. 3,6 mio.

Er zijn feitelijk twee overeenkomsten opgemaakt:

1. een ‘koopovereenkomst’ waarbij het pand wordt verkocht voor een koopsom van

fl. 1.840.000;

2. een ‘nadere overeenkomst’ waarin gesproken wordt over een koopsom van fl. 3.600.000.

In deze nadere overeenkomst is de prijs gespecificeerd:

- 12 keer de huur fl. 250K (is fl. 3.000.000);

- plus fl. 350.000 voor de dienstwoning en

- fl. 250.000 voor de bedrijfsruimte; in totaal fl. 3,6 mio.

Volgens de nadere overeenkomst stond deze prijs niet voor 100% vast, maar is de prijs bij wijze van compromis vastgesteld.

Op 9 mei 2001 meldt X nog aan de Raad van Commissarissen van C (hierna RvC) dat het pand door hem verkocht is, maar dat de transportakte nog niet vast staat. Toch wordt deze koopovereenkomst niet nagekomen omdat U nadien de voorwaarde stelde dat het huurcontract met C van 5 naar 10 jaar moest worden verlengd. Hieraan kon X echter niet meewerken.

Op 9 mei 2002 ontvangt X € 27.000 schadevergoeding van U inzake het niet doorgaan van de koop.

(…)

2.6. Gebruik auto’s

X en zijn vrouw rijden zowel in privé-auto’s als in auto’s op naam van A BV. In deze zakenauto’s rijden beiden zowel zakelijk als privé.

(…)

2.6.4 Forfaitaire bijtellingen privé gebruik auto

De heer X houdt van de zakenauto’s die hij rijdt een rittenadministratie bij. De daaruit blijkende privé kilometers vallen onder de grens voor de forfaitaire bijtelling. Uit onderzoek blijkt dat de rittenadministraties niet altijd zijn opgemaakt overeenkomstig de werkelijkheid.

We hebben dit voor drie auto’s vastgesteld aan de hand van gegevens van de NAP en aan de hand van gegevens van de garage. Het gaat om de:

(…)

? Landrover R.R. Classic, […], (op naam A BV gedurende de periode 17 maart 2000 – 24 juni 2002);

(…)

Landrover

De Landrover R.R. Classic met kenteken[…] is door de BV op 17 maart 2000 van […]Autobedrijven gekocht. Op de aankoopnota staan geen km-stand gegevens vermeld. De wagen is op 24 juni 2002 verkocht.

De rittenadministratie start op 17 maart 2000 met een stand van 98.294 km. Volgens de NAP is de km-stand per 16 maart 2000 echter 83.003 km (gemeld door […]), dus 15.291 minder.

Op 23 en 24 augustus 2001 staat de auto in de garage van Autoservice […]. Km-stand volgens rittenadministratie 104.351 en 104.355. Volgens NAP op is 24 aug. 2001 de km-stand 101.731, dus een verschil van ca. 2.600 km.

De rittenadministratie wijkt dus op diverse data af van de NAP-melding en kan derhalve niet dienen als bewijs.

Uit het bovenstaande volgt dat X bijtellingen wegens privé-gebruik auto had moeten plegen. Uit het bijhouden van de kilometeradministratie blijkt dat hij zich het belang daarvan realiseerde en uit het onjuist opmaken van de administratie blijkt dat hij opzettelijk ten onrechte geen bijtelling heeft gedaan.

(…)

Overzicht:

Privé-gebruik 1999 2000 2001 2002

(…)

Landrover 28.491 37.428 17.973

(…)

Correctie 2002 : meer p.g.a. €. 8.155

(…)

2.9.2 Verblijfskosten

In de BV’s worden door X veel kosten van lunches en diners ten laste van de winst gebracht. Uit controle van de bonnetjes blijkt dat m.n. in de jaren 2000-2003 veel kosten als privé-kosten zijn aan te merken (vrijdagavonden, zaterdag en zondag, kerst).

Zakelijke etentjes e.d. vanaf 1 april 2000 voor zaken m.b.t. afspraken ten behoeve van werkzaamheden voor C kunnen gedeclareerd worden, wat X ook gedaan heeft.

(…)

Correctie 2002: uitdeling € 3.991

(…)

3.1 Advieskosten

De vennootschappen van de heer X nemen in de jaren 1999-2004 veel juridische kosten en verplichtingen voor hun rekening die voor een groot deel te maken hebben met beslissingen van de heer X in zijn hoedanigheid van voormalig aandeelhouder en belanghebbende van […]BV.

(…)

Als uitvloeisel van één van de gevoerde procedures verantwoordt de heer X in zijn aangifte IB 2002 € 31.734 als opbrengst uit ROW. Dit heeft betrekking op een geschil waarbij Hof F de heer […] heeft veroordeeld tot een betaling van FL. 70.000 aan de heer X.

Op de bate brengt de heer X een bedrag van € 21.468 in mindering als aftrekbare kosten, zijnde kosten juridische bijstand.

Hiervan hebben wij geen specificatie aangetroffen. Bij brief van 29 september 2006 gaat belastingplichtige wel op dit punt in, maar geeft slechts aan dat de kosten bestaan uit juridische kosten ter verkrijging van loon, namelijk veroordeling in de proceskosten in de rechtzaak tussen X en […, … en…]. Een specificatie van de kosten wordt niet meegestuurd. Daarmee is het bestaan en de zakelijkheid van de kosten niet aannemelijk gemaakt. (…)

Correctie 2002: minder aftrek kosten, meer inkomen € 21.468.”

2.5.2. Tot de stukken van het geding behoort een verslag van het hoorgesprek gehouden op 26 januari 2007 naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften tegen de (navorderings-) aanslagen IB/PVV 1999 t/m 2002 ten name van belanghebbende en navorderingsaanslagen Vpb 1999 en 2000 ten name van A B.V., B B.V. en I B.V. In het verslag, zoals door belanghebbende aangepast op 13 februari 2007, is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Bel.pl. verklaarde de km.administratie naar eer en geweten te hebben bijgehouden; hiertoe is de km.administratie per 1 à 2 maanden achteraf opgesteld aan de hand van zijn agenda. Door deze wijze van registratie zijn misschien op een enkel meetpunt enkele honderden km’s verschil ontstaan, maar dit betekent niet dat uit de km.administratie volgt dat de bijtelling toegepast moet worden.”

2.5.3. Met dagtekening 26 april 2006 heeft de inspecteur aan Barneveld Schevers Accountants, voormalig gemachtigde van belanghebbende, een “Kennisgeving navorderingsaanslag IB 2002 en boete” gestuurd. De in de kennisgeving voorgestelde correcties berusten op het nog niet afgeronde boekenonderzoek bij belanghebbende en het boekenonderzoek bij C. Vervolgens is op 7 juni 2006 tot behoud van rechten de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 opgelegd tot de in de aankondiging genoemde correcties. Daarbij is een boete van 50% opgelegd met betrekking tot de correctie privégebruik auto en de correctie uitdeling verblijfskosten.

Uitspraak op bezwaar

2.6. De uitspraak op bezwaar is op 29 februari 2008 gedaan. Op basis van het rapport van het ingestelde boekenonderzoek en de besprekingen in de bezwaarfase is gedeeltelijk aan het bezwaarschrift tegemoetgekomen. Na bezwaar luiden de correcties als volgt:

Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens de (primitieve)aanslag 145.572

A. Privé-gebruik landrover 8.156

B. Vergoeding U inzake kantoorpand te F 27.000

C. Juridische kosten 21.468

Belastbaar inkomen uit werk en woning (uitspraak op bezwaar) 202.196

D: Verblijfskosten 3.991

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang( uitspraak op bezwaar) 3.991

2.7. Belanghebbende is in beroep bij de rechtbank gegaan tegen deze correcties en tegen de opgelegde boete.

3. Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank houden bij het Hof de volgende correcties partijen verdeeld:

- Privé-gebruik Landrover

In geschil is of belanghebbende heeft doen blijken dat de Landrover voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

- Vergoeding U inzake pand [...]straat

In geschil is of de door belanghebbende van U ontvangen schadevergoeding voor hem belastbaar inkomen uit werk en woning vormt.

- Juridische kosten

In geschil is of belanghebbende recht op aftrek heeft ter zake de door hem gestelde juridische kosten.

- Boete

In geschil is of de (resterende) boete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

Anders dan aanvankelijk bij de rechtbank is bij het Hof de correctie verblijfskosten niet meer in geschil.

Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om vergoeding van immateriële schade (gelet op de behandelingsduur van het bezwaar en (hoger) beroep).

Tot slot is de proceskostenveroordeling van de rechtbank in geschil.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

Privégebruik Landrover

Relevante bepalingen

4.1.1. Artikel 3.145 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001, tekst 2002) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 25% van de waarde van de auto. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

(…)

3. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil.

4. Indien het door de belastingplichtige op jaarbasis voor privé-doeleinden gereden aantal kilometers blijkt uit een rittenregistratie, wordt het voordeel:

a. indien dit aantal meer is dan 500 maar niet meer dan 3000, gesteld op ten minste 10% van de waarde van de auto;

b. indien dit aantal meer is dan 3000 maar niet meer dan 6000, gesteld op ten minste 15% van de waarde van de auto.

c. Indien dit aantal meer is dan 6000 maar niet meer dan 8000, gesteld op ten minste 20% van de waarde van de auto.

(…).

6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

7. De waarde is:

a. van een personenauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen;

(…).”

4.1.2. Artikel 22, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 houdt in:

“2. De rittenregistratie als bedoeld in artikel 3.145 van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1º. datum;

2º. beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3º. beginadres en eindadres;

4º. de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5º. het karakter van de rit.”

4.2. Op belanghebbende rust de last om overtuigend aan te tonen dat de Landrover voor minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

4.3. Als bewijs dat in 2002 de hem ter beschikking gestelde Landrover minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, heeft belanghebbende de onder 2.4.1. opgenomen “kilometeradministratie” overgelegd.

4.4. Uit constateringen in het boekenonderzoek zoals weergegeven in 2.5.1. volgt dat kilometerstanden in de door belanghebbende achteraf opgestelde kilometeradministratie (in niet geringe mate) in 2000 en 2001 afwijken van de kilometerstanden volgens de garagefacturen/ kilometerstanden van de Nationale Auto Pas (terwijl deze gelijk zouden moeten zijn). Zo wijkt de door belanghebbende genoteerde beginstand bij de aankoop van de

Landrover (98.294 kilometer) meer dan 15.000 kilometer af van de door de garage/Nationale Auto Pas geregistreerde kilometerstand (83.003 kilometer) en bedraagt de kilometerstand volgens belanghebbendes kilometeradministratie op 23 en 24 augustus 2001 104.351 en 104.355 kilometer en bedraagt deze volgens de Nationale Auto Pas op 24 augustus 2001, 101.731 kilometer (verschil van ca. 2.600 km).

Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de kilometeradministratie van belanghebbende in de aan 2002 voorafgaande jaren geen getrouw beeld geeft van de werkelijke kilometerstanden (waarbij het Hof aannemelijk acht dat de door de garage/Nationale Auto Pas geregistreerde kilometerstanden de werkelijke kilometerstanden weergeven). Hieruit volgt dat met de (op de voorgaande jaren aansluitende) door belanghebbende genoteerde beginstand in 2002 niet is aangetoond dat dit de werkelijke beginkilometerstand voor het jaar 2002 is. Voorts neemt het Hof in aanmerking het feit dat belanghebbende heeft erkend - door belanghebbende is in het hoorgesprek verklaard dat door zijn wijze van (achteraf)registreren van de kilometers er misschien op een enkel meetpunt enkele honderden km’s verschil kunnen ontstaan - dat de administratie achteraf is opgemaakt en hij derhalve niet meer exact per dag de begin- en eindkilometerstanden kan reproduceren en welke route hij heeft gereden. Onder genoemde omstandigheden is het Hof van oordeel dat belanghebbendes kilometeradministratie niet een rittenregistratie als bedoeld in artikel 3.145, zesde lid van de Wet IB 2001 is en hij daarmee ook overigens niet het vereiste bewijs heeft geleverd.

Belanghebbende heeft geen ander bewijs bijgebracht om zijn stelling te onderbouwen dat er met de Landrover minder dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gereden. Belanghebbende heeft weliswaar het bestaan van een aantal door de inspecteur in de kilometerregistratie geconstateerde onnauwkeurigheden weersproken dan wel daarvoor een verklaring gegeven, maar heeft ter onderbouwing daarvan voorts geen bewijs, laat staan voldoende bewijs aangedragen.

4.5. Een en ander leidt het Hof tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat belanghebbende overtuigend heeft aangetoond dat hij de ter beschikking gestelde Landrover op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privé doeleinden heeft gebruikt.

4.6. Belanghebbendes subsidiaire stelling dat de bijtelling op de voet van het vierde lid van artikel 3.145 Wet IB 2001 beperkt moet worden tot 10% van de waarde van de Landrover slaagt eveneens niet nu (zoals hiervoor is overwogen onder 4.4.) geen sprake is van een rittenregistratie als bedoeld in het vierde en zesde lid van voormelde bepaling.

Vergoeding U inzake pand [...]straat

4.7. De inspecteur heeft aangevoerd dat het (in 2001 verkochte) pand [...]straat niet tot de rendementsgrondslag ter bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen behoorde, maar als een vermogensbestanddeel waarmee belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van artikel 3.90 Wet IB 2001 wordt gegenereerd, moet worden aangemerkt. Gelet hierop geniet belanghebbende volgens de inspecteur de in 2002 van U ontvangen schadevergoeding (ter zake het niet doorgaan van de verkoop aan U van het pand [...]straat) van € 27.000 als opbrengst van deze werkzaamheid. Dit voordeel vloeit volgens hem voort uit de door belanghebbende verrichte werkzaamheden, en is hem als (ver)kopende partij toe te rekenen.

4.8. In rechtsoverwegingen 4.1-4.5. van de heden gedane uitspraak in de zaak van belanghebbende betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 met kenmerk 10/00392, heeft het Hof geoordeeld dat zo er al sprake is van een bij belanghebbende te belasten voordeel ten aanzien van het pand [...]straat dit een voordeel betreft dat bij de aankoop van het pand in 1999 als loon uit dienstbetrekking bij belanghebbende in aanmerking had moeten worden genomen. Vanaf het aankoopmoment vormen de voordelen die getrokken worden uit het pand [...]straat inkomsten uit vermogen (2000) c.q. behoort het pand tot de rendementsgrondslag ter bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen (vanaf 1 januari 2001).

4.9. De door belanghebbende in 2002 ontvangen schadevergoeding van U is een opbrengst ter zake van de niet doorgegane verkoop van het pand [...]straat aan U in 2001. Een dergelijke opbrengst - ook al is het desbetreffende pand opgenomen in de rendementsgrondslag ter bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen (box 3) - is niet belast.

De inspecteur heeft ook onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die tot de conclusie nopen dat sprake is van het rendabel maken van vermogen als bedoeld in artikel 3.91 Wet IB 2002

Juridische kosten

4.10. Ter zake van de door belanghebbende in zijn aangifte opgevoerde juridische kosten ligt het op de weg van belanghebbende om feiten en omstandigheden aan te voeren die de conclusie rechtvaardigen dat deze kosten voor aftrek in aanmerking komen. Belanghebbende is van mening dat de kosten in mindering gebracht kunnen worden op een bate ter grootte van € 31.734, zijnde een zogenaamd resultaat overige werkzaamheden.

Gelet op de artikelen 3.94 en 3.95 Wet IB 2001 is van belang of de kosten met het oog op de verwerving van de inkomsten zijn gemaakt, dan wel daardoor zijn opgeroepen. Met hetgeen belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd (onder meer de onder 2.4.3. genoemde brieven), heeft hij naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de juridische kosten daartoe gemaakt zijn. De in de onder 2.4.3. opgenomen brieven genoemde partijen (waaronder [… en …]) zijn, zonder een afdoende nadere toelichting die ontbreekt, niet te relateren aan een door belanghebbende in zijn aangifte verantwoorde opbrengst. De enkele verklaring dat belanghebbende verschillende rechtszaken heeft gevoerd waaronder rechtszaken tegen “de heren […], […..], […] en […]” is daartoe onvoldoende. Dat de opgevoerde kosten verband houden met de procedure tegen […], waarvoor belanghebbende wel opbrengsten heeft verantwoord, is niet aannemelijk geworden. Gelet hierop is het gelijk op dit punt aan de inspecteur.

4.11. Gelet op al het vorenoverwogene dient het belastbaar inkomen uit werk en woning van belanghebbende te worden verminderd tot € 175.195. Dit bedrag is als volgt berekend:

Belastbaar inkomen uit werk en woning na uitspraak op bezwaar € 202.195

Af: Vergoeding U (onderdeel 4.9.) 27.000

€ 175.195

Bij de rechtbank is tussen partijen een compromis gesloten omtrent de hoogte van de in aanmerking te nemen uitdeling ter zake verblijfskosten. Voor 2002 houdt dit in dat in plaats van een bedrag van € 3.991, een bedrag van € 1.995 (50% van € 3.991) als uitdeling (inkomen uit aanmerkelijk belang) aan belanghebbende wordt aangemerkt.

Boete

4.12. De inspecteur heeft op grond van artikel 67e van de AWR, aan belanghebbende een vergrijpboete van 50% opgelegd. Hij verwijt belanghebbende (voorwaardelijk) opzet. De boete betrof de correcties in de navorderingsaanslag betreffende het privégebruik auto en de verblijfskosten.

Op de inspecteur rust de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, die het oordeel rechtvaardigen dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de (primitieve) aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.

4.13. Voor opzet in de lichtste variant (voorwaardelijke opzet) is vereist dat belanghebbende bij het doen van de aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat door het niet tot het inkomen rekenen van de hiervoor genoemde voordelen te weinig belasting zou worden geheven onderscheidenlijk een onjuiste of onvolledige aangifte zou worden gedaan, en tevens dat hij die kans bewust heeft aanvaard.

Privégebruik Landrover

4.14. Belanghebbende stelde eens per één á twee maanden achteraf een rittenadministratie op aan de hand van zijn agenda, waarbij, zoals belanghebbende erkent, op enkele meetpunten honderden kilometers verschil op zijn getreden met de werkelijk verreden kilometers. Het Hof acht onaannemelijk dat deze – grote – afwijkingen uitsluitend het gevolg zijn van een onzorgvuldige, slordige werkwijze van belanghebbende maar acht veeleer aannemelijk dat belanghebbende op deze wijze bewust heeft bedoeld het werkelijk privégebruik te maskeren.

Aldus heeft belanghebbende – minst genomen – de aanmerkelijke kans aanvaard dat de (primitieve) aanslag tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld De inspecteur verwijt hem derhalve in zoverre terecht opzet, en een boete ter zake van 50% acht het Hof op zichzelf passend en geboden.

Verblijfkosten

4.15.1. Bij de rechtbank hebben partijen een compromis omtrent de hoogte van de in aanmerking te nemen uitdeling ter zake verblijfskosten gesloten. Voor 2002 houdt dit in dat in plaats van een bedrag van € 3.991, een bedrag van € 1.995 (50% van € 3.991) als uitdeling aan belanghebbende wordt aangemerkt. De uitdeling ziet op kosten van lunches en diners welke ten dele ten onrechte ten laste van de winst van B B.V. zijn gebracht. Ter zake deze (niet meer in geschil zijnde) uitdeling heeft belanghebbende (bewust) in zijn hoedanigheid als (uiteindelijk) aandeelhouder van B B.V. een voordeel gehad van € 1.995. In de aangifte IB/PVV 2002 naar aanleiding waarvan de (primitieve) aanslag is opgelegd heeft belanghebbende geen uitdeling opgenomen.

4.15.2. Nu aannemelijk is dat belanghebbende zich ervan bewust was dat er sprake was van een uitdeling ter zake van verblijfskosten (voor het bedrag van het compromis) in het onderhavige jaar en het Hof tevens aannemelijk acht dat hij deze uitdeling ten onrechte en bewust niet in een aangifte IB/PVV heeft verantwoord, heeft hij daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. Dit betekent dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Op deze grond acht het Hof op zichzelf een boete van 50 % passend en geboden.

4.16. Het oordeel van de rechtbank dat de boete met 20% dient te worden verminderd (tot een boete van 40%) omdat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn is in hoger beroep niet in geschil, zodat het Hof die vermindering in stand zal laten.

Noch het tijdsverloop na het instellen van hoger beroep, noch de totale behandelingsduur van de zaak tot de uitspraak van het Hof geven aanleiding tot verdere vermindering van de boete. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat, gelet op de omstandigheid dat het een zowel feitelijk als juridisch omvangrijke en complexe zaak betreft met een groot aantal geschilpunten, het gegeven dat de behandeling in hoger beroep ongeveer 2 jaar en 7 maanden in beslag heeft genomen geen aanleiding is tot verdere vermindering.

Schadevergoeding

4.17. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

4.18. Tussen de indiening van het (pro forma) bezwaarschrift op 21 juni 2006 en de uitspraak van de rechtbank (17 mei 2010) is een periode van drie jaar en bijna elf maanden verstreken. Tussen de indiening van het (pro forma) hogerberoepschrift op 24 juni 2010 en deze uitspraak van het Hof is een periode van twee jaar en zeven maanden verstreken. Dit tijdsverloop is weliswaar langer dan volgens de Hoge Raad (zie zijn arresten van 10 juni 2011, nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, opgenomen in BNB 2011/232 tot en met 234) in het algemeen nog als redelijk is aan te merken, maar het betreft hier een zowel feitelijk als juridisch dermate complexe en omvangrijke zaak dat de behandelingsduur (zowel in de verschillende fasen als in zijn totaliteit) weliswaar lang is, doch niet als onredelijk of onaanvaardbaar moet worden gekwalificeerd.

De lange behandelingsduur geeft derhalve geen aanleiding tot schadevergoeding.

Slotsom

4.19. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof

het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de inspecteur vernietigen en de navorderingsaanslag verminderen tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.195, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.995 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 47.048.

De boete zal worden verminderd tot 40%. De boetegrondslag zal overeenkomstig de vermindering van de navorderingsaanslag worden verminderd.

5. Kosten

5.1. Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

5.2. Belanghebbende vordert in hoger beroep niet (meer) dat de inspecteur de werkelijke proceskosten dient te vergoeden. De rechtbank heeft de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken vastgesteld op € 644. Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn eigen belangen behartigd. Er is alsdan geen sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit en er bestaat aldus op die grond geen aanleiding kosten te vergoeden.

5.3. Nu de reiskosten (voor de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep) reeds zijn vergoed in de zaak met procedurenummer 10/00392, zal het Hof op dit punt geen afzonderlijke vergoeding toekennen.

5.4. De proceskosten bedragen alsdan de door de rechtbank vastgestelde € 644. Zowel bij de rechtbank als bij het Hof is ter zake van de onderhavige zaak geen griffierecht betaald (wel in de zaak met nummer 10/00391) zodat een vergoeding hiervan achterwege blijft

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissing omtrent de proceskosten;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 175.195, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.995 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 47.048;

- vermindert de boete tot 40%.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en P.F. Goes, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 31 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.