Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4094

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
14-03-2013
Zaaknummer
200.111.263-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Is ontslagvergoeding aan de vrouw verknocht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/56
FJR 2013/74.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht, team III familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 22 januari 2013

Zaaknummer: 200.111.263/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 421272/FARK09-1627

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: dr.mr. E. Tahitu te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.M. van Maanen te Amsterdam,

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 8 augustus 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de tussenbeschikking van 8 september 2010 en de beschikking van 9 mei 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 421272/FARK09-1627. De vrouw verzoekt te bepalen dat zij uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 5.690,39 aan de man verschuldigd is.

1.3. De man heeft op 4 oktober 2012 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld, waarbij hij zijn verzoek heeft vermeerderd en gewijzigd. Voor de inhoud van het verzoek van de man verwijst het hof naar het verweerschrift.

1.4. De vrouw heeft op 15 november 2012 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend en de grieven van de man bestreden.

1.5. De zaak is op 12 december 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

2. De feiten

Partijen zijn [in] 1999 gehuwd in gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is op 19 juni 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 4 maart 2009 in de registers van de burgerlijke stand. Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zal worden aangehouden.

3. De beoordeling in hoger beroep

3.1. De rechtbank heeft op 8 september 2010, 27 april 2011, 18 januari 2012 en 9 mei 2012 beschikkingen gegeven ter zake van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Daarbij is de peildatum voor de omvang en de waarde van de gemeenschap bepaald op 19 juni 2012. Hiertegen is niet gegriefd. In de eindbeschikking van 9 mei 2012 heeft de rechtbank een verdeling vastgesteld en heeft zij de vrouw veroordeeld tot betaling van € 32.105,89 aan de man wegens overbedeling.

3.2. Het hoger beroep is beperkt tot vijf punten. De vrouw grieft in principaal appel over de ontslagvergoeding; zij heeft één grief aangevoerd. De man grieft in incidenteel appel over (1) een lening van zijn moeder, (2) het kapitaalgroeiplan bij Reaal Verzekeringen, (3) de gebruiksvergoeding voor de woning en (4) de inboedel; hij heeft vijf grieven aangevoerd.

De ontslagvergoeding

3.3. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 8 september 2010 overwogen dat niet in geschil is dat de vrouw in 2002 een ontslagvergoeding heeft ontvangen € 43.033,70, die zij heeft ondergebracht in een stamrecht dan wel levensverzekering, welke waarde thans € 52.561,- bedraagt en in 2012 tot uitkering zal worden gebracht. De rechtbank heeft de ontslagvergoeding aan de vrouw toebedeeld onder de voorwaarde dat zij de helft aan de man zal toescheiden. In de eindbeschikking is aldus geoordeeld.

3.4. In hoger beroep klaagt de vrouw dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de ontslagvergoeding in de gemeenschap valt. Volgens haar is de ontslagvergoeding aan haar verknocht. Zij voert daartoe aan dat in 2002 haar dienstverband is beëindigd in verband met ziekte. De werkgever van de vrouw heeft in die periode aan de vrouw kenbaar gemaakt dat er een reorganisatie op touw stond en dat er voor de vrouw, mede vanwege haar ziekte en haar leeftijd, geen plaats zou zijn in de nieuwe organisatie, aldus de vrouw.

Aan de vrouw is na haar ontslag een volledige WIA-uitkering toegekend van ongeveer € 800,- per maand. Door haar ziekte en ontslag was sprake van een inkomstendaling en een pensioentekort. Volgens de vrouw dient de aanspraak uit de stamrechtverzekering mede ter aanvulling van haar WIA-uitkering en (te zijner tijd) ter vervanging van haar niet opgebouwde pensioen.

Ter mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw nog toegelicht dat de stamrechtverzekering in juli 2012 in één keer tot uitkering is gekomen. De uitkering staat thans nog bij de verzekeraar, naar het hof begrijpt: mede in afwachting van de uitkomst van deze procedure.

3.5. De man heeft de stellingen van de vrouw bestreden. Hij voert in de eerste plaats aan dat de vrouw niet-ontvankelijk is omdat sprake is van een gedekt verweer. In de eerste aanleg heeft de vrouw zich steeds op het standpunt gesteld dat de ontslagvergoeding in de gemeenschap viel. Daar kan zij nu niet meer op terugkomen, aldus de man.

3.6. Het hof verwerpt dit verweer. Het hoger beroep strekt mede ertoe de mogelijkheid te bieden in de eerste aanleg gemaakte fouten te herstellen. De enkele omstandigheid dat de grief van de vrouw onverenigbaar is met een in de eerste aanleg ingenomen proceshouding is onvoldoende om te spreken van een gedekt verweer. Daarvoor is uitsluitend plaats indien uit deze proceshouding ondubbelzinnig voortvloeit dat het desbetreffende verweer is prijsgegeven. Hetgeen de man heeft aangevoerd, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de vrouw dit verweer heeft prijsgegeven.

3.7. De man voert voorts aan dat de vrouw in 2002 niet wegens ziekte is ontslagen; zij was in 2002 nog niet ziek. Haar ziekte MS is pas in 2005 geconstateerd. Het ontslag vond plaats in verband met een reorganisatie bij de werkgever waarbij de boventallige werknemers de keuze kregen voorgelegd deel uit te gaan maken van een zogeheten mobiliteitsteam of akkoord te gaan met een ontslagvergoeding op basis van een door de Ondernemingsraad goedgekeurd sociaal plan, welke vergoeding neerkwam op de ‘kantonrechtersformule’. De vrouw heeft toen gekozen voor een ontslagvergoeding.

De vrouw heeft deze omstandigheden als zodanig niet weersproken, met dien verstande dat zij aanvoert dat de keuze voor het mobiliteitsteam in haar geval niet realistisch was gezien haar leeftijd en haar gezondheid. Zij heeft ter mondelinge behandeling toegelicht dat zij in 2002 nog niet volledig arbeidsongeschikt was, maar al wel geregeld met ziekte te kampen had.

3.8. Het hof overweegt als volgt. Naar vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vragen of een goed op bijzonder wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat dat goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. In het arrest HR 17 oktober 2008, NJ 2009, 41 waarop de vrouw zich beroept, oordeelde de Hoge Raad over de verknochtheid van een ontslagvergoeding als volgt:

“[Het arrest HR 22 maart 1996, NJ 1996, 640] betreft een door de werkgever in verband met beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer toegekende en uitbetaalde schadeloosstelling in de vorm van een bedrag ineens; geoordeeld werd dat in dat geval geen plaats was voor het maken van een uitzondering op de hoofdregel van art. 1:94 lid 1 BW dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. Thans gaat het echter om aanspraken voortvloeiende uit een tussen de man en diens werkgever in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gesloten overeenkomst op grond waarvan de werkgever bij die beëindiging een zodanige koopsom voor een stamrechtverzekering onder een verzekeringsmaatschappij heeft gestort dat de man tot de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen periodieke uitkeringen ontvangt waardoor zijn inkomen wordt aangevuld tot 70% van zijn laatstgenoten salaris. Bij de beantwoording van de vraag of die aanspraken, waaronder mede begrepen de uitkeringen waartoe zij inmiddels hebben geleid, in de huwelijksgemeenschap vallen, moet onderscheid worden gemaakt tussen aanspraken die zien op de periode vóór en aanspraken die zien op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Deze laatste vallen, nu zij strekken tot vervanging van inkomen dat de man bij voortzetting van de dienstbetrekking na die ontbinding zou hebben genoten, evenmin in de gemeenschap als de uit een bestaande arbeidsverhouding voortvloeiende aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon. Voor de aanspraken die zien op de periode vóór de ontbinding, en waarvan de waarde in ieder geval niet meer bedraagt dan de som van de in die periode verschuldigde uitkeringen, geldt daarentegen dat zij evenals ontvangen loon in de gemeenschap vallen. Nu de vrouw het tegendeel niet heeft gesteld, moet ervan worden uitgegaan dat die uitkeringen aan beide partijen ten goede zijn gekomen, zodat ook in zoverre voor verdeling geen grond bestaat. De door het hof gegeven beslissing is derhalve, wat er ook zij van de motivering waarop deze berust, juist.”

3.9. Anders dan in de bovengenoemde zaak die door de Hoge Raad is beslist, is de onderhavige ontslagvergoeding niet gestort in een stamrechtverzekering waaruit de vrouw periodieke uitkeringen ontvangt waardoor haar inkomen wordt aangevuld tot een bepaald percentage van haar laatstgenoten salaris. In de onderhavige zaak is de ontslagvergoeding (in 2002) gestort in een stamrechtverzekering die gedurende tien jaar niet tot enige uitkering is gekomen. Het bedrag is recentelijk beschikbaar gekomen en het is aan de vrouw te beslissen op welke wijze zij daarover wil beschikken: in de vorm van een periodieke uitkering of als bedrag in één. Aldus valt haar ontslagvergoeding niet (gedeeltelijk) aan te merken als vervanging van inkomen dat de vrouw na de ontbinding van de gemeenschap en bij voortzetting van haar dienstbetrekking zou hebben genoten. Er kan dus niet worden gezegd dat de ontslagvergoeding verknocht is. De overige omstandigheden van het geval, te weten het gegeven dat de vrouw inmiddels arbeidsongeschikt is en weinig tot geen perspectief op herstel heeft en dat zij thans moet rondkomen van een (lage) WIA-uitkering en – na haar pensionering – van een niet volledig opgebouwd pensioen, zijn niet van dien aard dat moet worden geconcludeerd dat toch sprake is van verknochtheid van de in 2002 ontvangen ontslagvergoeding.

3.10. De conclusie is dat het principaal appel faalt.

De lening van de moeder van de man

3.11. De man heeft in hoger beroep in een ongenummerde grief aangevoerd dat partijen in 2006 een bedrag van € 27.000,- van zijn moeder hebben geleend. Zijn moeder heeft inmiddels gevraagd om terugbetaling van dat bedrag inclusief de overeengekomen rente van 3%. Per saldo moet er € 32.000,- worden terugbetaald, waarvan de vrouw € 16.000,- voor haar rekening dient te nemen. Ten bewijze heeft de man een geldleningovereenkomst overgelegd die door hemzelf en zijn moeder is ondertekend, alsmede een brief van 30 juli 2012 van zijn moeder waarin zij terugbetaling van de lening verlangt.

3.12. De vrouw heeft het bestaan van de lening betwist. Zij is weliswaar op een zeker moment met de man naar Zwitserland gereisd om daar een bedrag van € 27.000,- op te halen, maar zij is nimmer erover geïnformeerd dat het zou gaan om een lening. Het bevreemdt de vrouw dat in de eerste aanleg uitvoerig is geprocedeerd over de vraag of het geld in Zwitserland van de man of van zijn moeder was, maar dat toen nooit is gerept van het bestaan van een lening. De vrouw betwist de authenticiteit van de onderhandse akte tussen de man en zijn moeder en van de brief van de moeder van 30 juli 2012.

3.13. Het hof overweegt als volgt. Weliswaar kan de door de man in het geding gebrachte onderhandse akte tussen hem en zijn moeder dienen als dwingend bewijs van het bestaan van de lening. In het geschil tussen de man en de vrouw is dat niet het geval. Nu de vrouw het bestaan van de lening gemotiveerd betwist en de man geen bewijs heeft aangeboden van zijn stellingen, is het bestaan van de lening niet komen vast te staan. Deze grief treft dus geen doel.

Het kapitaalgroeiplan bij Reaal Verzekeringen

3.14. In de tussenbeschikking van 8 september 2010 heeft de rechtbank overwogen dat het kapitaalgroeiplan aan de man zal worden toegedeeld, met dien verstande dat de man de helft van de waarde per peildatum aan de vrouw dient te vergoeden. In de eindbeschikking is de rechtbank – ondanks argumenten van de man die ertoe strekten het kapitaalgroeiplan buiten de gemeenschap te laten – bij deze beslissing gebleven. Het kapitaalgroeiplan is aan de man toegedeeld, de waarde ervan is bepaald op € 7.745,- en bepaald is dat de man uit dien hoofde een bedrag van € 3.872,50 aan de vrouw is verschuldigd.

3.15. De grieven 1, 2 en 3 in incidenteel appel strekken ten betoge dat het kapitaalgroeiplan buiten de gemeenschap valt. De man heeft toegelicht dat het kapitaalgroeiplan destijds bij de geboorte van hun oudste zoon [x] is afgesloten. De verzekeraar heeft op 1 december 2009 – een paar maanden na de achttiende verjaardag – een bedrag van € 7.745,- aan de man uitgekeerd. Hij heeft dit geld besteed aan studiekosten van [x]. De man acht het redelijk dat de waarde van het kapitaalgroeiplan buiten de gemeenschap blijft, althans dat hij niet gehouden is de helft van de verzekeringsuitkering aan de vrouw te betalen.

3.16. Het hof volgt dit betoog niet. Vaststaat dat het kapitaalgroeiplan op naam van de man stond en dat de verzekering – na de peildatum en na de achttiende verjaardag van [x] – tot uitkering aan de man is gekomen. De man heeft ervoor gekozen de uitkering onder zich te houden en daarvan studiekosten van [x] te betalen. De uitkering is aldus nimmer onderdeel gaan uitmaken van het vermogen van [x] en valt derhalve in de huwelijksgemeenschap. Daaruit vloeit voort dat de uitkering in de verdeling dient te worden betrokken. De omstandigheid dat de man het geld heeft gebruikt om de studie van [x] te bekostigen, maakt niet anders. Het hof wijst in dit verband op artikel 1:395a BW waarin is bepaald dat ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt.

De gebruiksvergoeding voor de woning

3.17. De man heeft in eerste aanleg de rechtbank verzocht een door de vrouw te betalen gebruikvergoeding voor de echtelijke woning vast te stellen. De rechtbank heeft dit verzoek in de tussenbeschikking van 8 september 2010 afgewezen. Daartoe heeft zij overwogen dat de woning met verlies is verkocht. Reeds om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank vastgesteld worden dat er geen (positief) vermogen is geweest waarvan de vrouw alleen het genot heeft gehad op grond waarvan zij een gebruiksvergoeding verschuldigd zou zijn.

3.18. Met grief 4 in incidenteel appel klaagt de man over deze afwijzing. Hij stelt dat er aanleiding is een vergoeding vaststellen volgens de volgende maatstaf: een redelijke huur bedraagt 4% van de waarde van de woning. Vaststaat dat de woning is verkocht voor € 380.000,- zodat de huur is vast te stellen op € 15.200,- per jaar ofwel € 1.267,- per maand. Wanneer rekening wordt gehouden met de (door de man te betalen) kosten van de voormalige echtelijke woning van € 1.100,- per maand, resteert een bedrag van € 167,- per maand. De man acht het redelijk dat de vrouw hem een bedrag van € 167,- x 18 maanden voldoet, hetgeen neerkomt op € 3.006,- in totaal.

3.19. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende aangevoerd om af te wijken van de in dit soort gevallen gebruikelijke maatstaf die inhoudt dat voor vergoeding in aanmerking komt 4% van de overwaarde van de echtelijke woning, zijnde het rendement dat de echtgenoot die de woning niet bewoont, heeft misgelopen. De man heeft niet bestreden dat er geen overwaarde is, zodat zijn grief geen succes heeft.

De inboedel

3.20. De rechtbank is in de tussenbeschikking van 8 september 2010 ervan uitgegaan dat de inboedel reeds tussen partijen is verdeeld, omdat de voormalige echtelijke woning inmiddels is verkocht en geleverd. Het verzoek van de man om een vergoeding uit overbedeling van € 10.000,- is daarom afgewezen.

3.21. In grief 5 in incidenteel appel klaagt de man over deze afwijzing. Hij verzoekt de waarde van de inboedel te bepalen op € 10.000,- en te bepalen dat de vrouw hem € 5.000,- uit hoofde van overbedeling dient te voldoen. De man voert aan dat hij bij zijn vertrek uit de echtelijke woning slechts enkele spullen heeft meegenomen en dat de vrouw hem naderhand nimmer de gelegenheid heeft gegeven andere zaken te komen ophalen. De man wijst erop dat de vrouw de vrijwel de gehele inboedel heeft opgeslagen in een (grote) opslagbox waarvoor zij € 400,- per maand betaalt.

3.22. De vrouw heeft aangevoerd dat zij na de verkoop van de echtelijke woning vele maanden niet over vast onderdak heeft beschikt en bij verschillende familieleden heeft gelogeerd. Om die reden was zij genoodzaakt inboedelspullen op te slaan, waarvoor zij een grote opslagbox nodig had. Bovendien heeft de man zelf ervoor gekozen geen spullen uit de echtelijke woning mee te nemen. De vrouw is van mening dat de waarde van de inboedel op het moment dat zij de echtelijke woning verliet (28 april 2010) niet meer dan € 5.000,- bedroeg.

3.23. Gelet op de betwisting van de vrouw kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de waarde van de opgeslagen inboedel op de peildatum € 10.000,- bedroeg. De vrouw heeft wel erkend dat de waarde van de inboedel enkele maanden na de peildatum, toen zij de echtelijke woning verliet, € 5.000,- bedroeg. Naar het hof begrijpt is deze inboedel opgeslagen; de vrouw heeft niet gesteld dat er bij haar vertrek (noemenswaardige) zaken zijn achtergebleven in de woning. Evenmin heeft de vrouw betwist dat zij de opgeslagen zaken heeft gebruikt voor de inrichting van haar nieuwe woning, zodat moet worden aangenomen dat de inboedel volledig aan haar ten goede is gekomen.

Hieruit vloeit voort dat de vrouw de man wegens overbedeling een bedrag van € 2.500,- dient te betalen. Bij gebreke aan nadere gegevens gaat het hof ervan uit dat de waarde op de peildatum gelijk was aan de waarde op het tijdstip dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten. De omstandigheid dat de man (naar de vrouw stelt) geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid spullen te komen ophalen, staat daar niet aan in de weg. De grief is dus gegrond.

Slotsom

3.24. De slotsom is dat het principaal appel geen succes heeft. Dat geldt ook voor het incidenteel appel, met uitzondering van grief 5. Nu deze grief slaagt kan de veroordeling van de vrouw tot betaling van € 32.015,89 niet in stand blijven. Het hof zal de vrouw in plaats daarvan veroordelen tot betaling van een bedrag van € 34.515,89.

3.25. Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal het hof de kosten compenseren.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van 9 mei 2012 voorzover de vrouw ([…]) daarin onder 3.2 is veroordeeld tot betaling aan de man ([…]) van € 32.015,89 en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 34.515,89;

bekrachtigt de bestreden beschikkingen voor het overige;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van den Bergh, mr. C.A. Joustra en mr. M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2013.