Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2619

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2013
Datum publicatie
27-02-2013
Zaaknummer
23-002317-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2009:BI2163, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1360, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 5 jaren en 4 maanden wegens langdurig en veelvuldig seksueel misbruik van minderjarige stiefdochter.

Bespreking van verweren met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer. Verklaringen voldoende ondersteund door overige bewijsmiddelen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002317-09

datum uitspraak: 26 februari 2013

PROMIS

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 23 april 2009 in de strafzaak onder parketnummer 14-810191-07 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1970],

adres: [adres], [plaats].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Alkmaar vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2010, 20 oktober 2011, 29 januari 2013 alsmede 12 februari 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is, voor zover thans nog aan de orde, aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1 primair:

hij op een of meerdere tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 24 april 2007 te Lutjebroek, gemeente Stede Broec, en/of Hoogkarspel, gemeente Drechterland, en/of Andijk, gemeente Medemblik en/of in het Streekbos te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, en/of elders in Nederland en/of in het buitenland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer], geboren op [1992],(telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte zich (telkens) door die [slachtoffer] laten pijpen, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) uit de volgende, in onderling verband en samenhang te beschouwen feit(en) en/of omstandighe(i)d(en):

- verdachte heeft (telkens) de deur van zijn slaapkamer, alwaar die verkrachting(en) plaatsvond(en), op slot gedaan en/of

- verdachte heeft (telkens) die [slachtoffer] tegen het hoofd althans tegen het lichaam geslagen, wanneer die [slachtoffer] zich verzette en/of

- verdachte heeft (telkens) de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] omlaag gedaan en/of

- verdachte heeft (telkens) glijmiddel en/of spuug bij die [slachtoffer] aangebracht en/of

- verdachte heeft die [slachtoffer] (telkens) (op dwingende wijze) vastgepakt, omgedraaid, teruggezet en/of voorover geduwd en/of

- verdachte heeft die [slachtoffer] vanaf jonge leeftijd (telkens) met een riem en/of een pollepel tegen het hoofd, de rug en/of de billen, althans tegen het lichaam geslagen en/of

- verdachte heeft tegen die [slachtoffer] gezegd dat het hun geheimpje was en dat zij, als zij er met anderen over zou spreken, met een pollepel (de palu) geslagen zou worden;

- verdachte heeft (aldus) voor die [slachtoffer] (telkens) een bedreigende situatie doen ontstaan, althans een situatie, waar zij zich vanwege het (grote) leeftijdsverschil tussen die [slachtoffer] en verdachte en het fysieke en/of psychische overweicht van verdachte (telkens) niet heeft kunnen onttrekken;

1 subsidiair:

A

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 9 januari 2004 te Lutjebroek, gemeente Stede Broec, en/of Hoogkarspel, gemeente Drechterlanden, en/of Andijk, gemeente Medemblik en/of in het Streekbos te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, en/of elders in Nederland en/of in het buitenland, met [slachtoffer], geboren op [1992], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,(telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of deanus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte zich (telkens) door die [slachtoffer] laten pijpen;

en/of

B

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 10 januari 1999 tot en met 24 april 2007 te Lutjebroek, gemeente Stede Broec, en/of Hoogkarspel, gemeente Drechterland, en/of Andijk, gemeente Medemblik en/of in het Streekbos te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, en/of elders in Nederland en/of in het buitenland, met [slachtoffer], geboren op [1992], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte (telkens) zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte zich (telkens) door die [slachtoffer] laten pijpen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan, gelet op de in hoger beroep toegelaten wijziging in de tenlastelegging niet in stand blijven. Het hof neemt desalniettemin een groot aantal overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.

Bewijsmotivering

A. De vaststaande feiten

Het hof stelt de volgende feiten vast :

In 1996 heeft verdachte een relatie gekregen met [getuige 1], die op dat moment met twee kinderen uit een eerdere relatie, te weten [slachtoffer] (geboren op [1992] ) en haar 2 jaar jongere broer [getuige 2], woonde op de [adres] te Lutjebroek. Verdachte is in november 1996 bij [getuige 1] ingetrokken, is op 3 juni 1998 op genoemd adres ingeschreven en heeft samen met [getuige 1] 5 kinderen gekregen, [kind 1] (1997), [kind 2] (1998), [kind 3] (2000), [kind 4] (2002) en [kind 5] (2006).

In de periode 1999-2001 is [getuige 1] op donderdagavonden voor haar Pabo-opleiding naar Alkmaar gegaan en waren de kinderen met verdachte thuis in Lutjebroek. In die periode sliepen de ouders op een slaapkamer op de eerste verdieping. [slachtoffer] heeft in dat huis zowel op de eerste verdieping als later

-volgens verdachte vanaf 1999 of 2000- op de zolderverdieping geslapen.

Per 1 januari 2004 stond het gezin officieel ingeschreven op het adres de [adres] te Hoogkarspel. In dit huis sliepen verdachte en zijn vrouw op de tweede verdieping en de kinderen op de eerste verdieping. In dit huis kon alleen de ouderslaapkamer op slot, niet de kamers van de kinderen. [slachtoffer] sliep hier met [kind 4] op een kamer in een stapelbed, eerst bovenin en, daarna in het onderste bed .

In de periode tussen 2004 en april 2007 ging verdachte er met [slachtoffer] wel eens alleen op uit met de auto (om haar rijlessen te geven) of met de fiets. Het gezin is verschillende keren op vakantie gegaan en in de zomer van 2006, voor de geboorte van [kind 5], verbleef het gezin op een camping in Frankrijk. Ook daar liet verdachte [slachtoffer] wel auto rijden en gingen zij er samen op uit .

Verdachte kwam in het huis in Hoogkarspel vaak ’s avonds op de slaapkamer van [slachtoffer] en [kind 4] als deze in bed lagen en vanaf begin 2007 is verdachte regelmatig ‘s nachts uit bed gegaan om naar de wc te gaan, dit gebeurde naar eigen zeggen tussen de 3 of 5 keer per week op wisselende tijden. Verdachte ging dan daarna bij [kind 4] en [slachtoffer] op de slaapkamer kijken .

Verdachte heeft naar eigen zeggen met alle kinderen, behalve met [getuige 2], altijd een goede band gehad. In het gezin werden de kinderen wel geslagen, zowel door hun moeder als door de verdachte. De verdachte sloeg de kinderen onder meer met de “palu” (de pollepel) . Toen [getuige 2] 6 jaar oud was, is er een AMK-melding geweest en is met de verdachte afgesproken dat hij de kinderen niet meer op andere plaatsen dan op de billen zou slaan.

Op 10 januari 2007 is een ruzie geweest tussen verdachte en [slachtoffer] over het feit dat zij een vriendje ([naam]) had uitgenodigd op haar verjaardag, waarvan verdachte niet op de hoogte was en waarover hij boos is geworden .

In de periode van zaterdag 21 april 2007 tot en met maandag 23 april 2007 heeft [slachtoffer] via MSN-chatgesprekken aan een vriendje van haar, [getuige 3], aangegeven dat ze iets aan hem kwijt wilde, maar het moeilijk kon zeggen. Uiteindelijk heeft ze op 23 april 2007 via MSN aan hem verteld dat haar vader sinds ongeveer zeven jaar met haar naar bed gaat . [getuige 3] heeft [slachtoffer] geadviseerd het tegen haar moeder te zeggen, maar [slachtoffer] wilde eerst met [getuige 3] praten. [slachtoffer] en [getuige 3] hebben de volgende (dinsdag)ochtend afgesproken. [slachtoffer] heeft het nogmaals tegen [getuige 3] gezegd en [getuige 3] heeft haar wederom gezegd het aan haar moeder te vertellen .

Diezelfde dinsdag, 24 april 2007, heeft [slachtoffer] aan haar moeder gevraagd of zij haar onder vier ogen kon spreken. Vervolgens heeft [slachtoffer] aan haar moeder verteld dat haar vader steeds seks met haar wil, dat hij ’s nachts op haar ging liggen, dan “dat ding in haar stopt” en dat het begonnen was in 1999 toen haar moeder op donderavonden op de Pabo was .

Diezelfde dag heeft de moeder, [getuige 1], met haar kinderen het huis in Hoogkarspel verlaten en die avond om 22.44 uur telefonisch melding gedaan van seksueel misbruik van haar oudste dochter bij de politie Lelystad.

Op woensdag 25 april 2007 in de vroege ochtend om 00.30 uur heeft een eerste gesprek plaatsgevonden tussen de politie Lelystad en [getuige 1], waarin zij onder meer verklaarde dat zij de laatste tijd wel vermoedens had maar geen concrete aanwijzingen daarvoor had gekregen . Vervolgens heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de politie en [slachtoffer] waarin [slachtoffer] heeft verklaard dat het de laatste keer was gebeurd in de nacht van maandag 23 op dinsdag 24 april 2007 .

Op 25 april 2007 heeft [getuige 1] vervolgens aangifte gedaan tegen verdachte, zij heeft telefonisch contact opgenomen met verdachte en hem verteld waarvan hij werd beschuldigd. De verdachte is naar zijn huisadres gegaan en heeft zich later die dag bij de politie gemeld. Hij is aangehouden en in verzekering gesteld en is op 27 april 2007 in voorlopige hechtenis genomen.

Bij de verdachte thuis is na diens aanhouding en met zijn toestemming op 25 april 2007 onderzoek verricht door de politie en is van het bed van [slachtoffer] een hoeslaken in beslaggenomen en voor sporenonderzoek onder nummer DHA587 naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: het NFI) te Den Haag gezonden.

Eveneens op 25 april 2007 is om 02.00 uur een forensisch-medisch onderzoek bij [slachtoffer] ingesteld en is de hiervoor gebruikte zedenonderzoeksset, genummerd ZAI292 in beslag genomen. De groene damesslip die [slachtoffer] op dat moment droeg werd eveneens in beslag genomen (genummerd DHA586) .

Genoemde inbeslaggenomen voorwerpen zijn voor nader onderzoek ingezonden naar het NFI. In april 2007 is van verdachte en van [slachtoffer] celmateriaal afgenomen ter bepaling van hun DNA-profiel.

Op 28 april 2007 en op 29 april 2007 heeft [slachtoffer] ten overstaan van verbalisanten verklaard verklaard over seksueel misbruik door de verdachte, waarbij zij jarenlang meermalen anaal en vaginaal door verdachte met zijn penis zou zijn gepenetreerd. Tevens maakte [slachtoffer] tekeningen van de plattegronden van de twee woonadressen van het gezin.

Op 8 mei 2007 is [getuige 1] aanvullend verhoord en heeft daarin onder meer verklaard over specifieke voorvallen die inmiddels bij haar waren opgekomen. Op 9 mei 2007 is [getuige 2] verhoord naar aanleiding van hetgeen hij zijn moeder na het doen van de aangifte desgevraagd had verteld over dingen die hem waren opgevallen thuis met betrekking tot verdachte en [slachtoffer] .

Verdachte heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris in de periode van 25 april 2007 tot en met 3 augustus 2007 een zestal verklaringen afgelegd en heeft steeds ontkend dat hij seks zou hebben gehad met [slachtoffer], in welke vorm dan ook.

Het NFI heeft op 10 juli 2007 gerapporteerd over de voorlopige resultaten van het onderzoek naar biologische sporen. Daarin werd gerapporteerd als voorlopig resultaat dat bij onderzoek van de microscooppreparaten behorend bij de onderzoeksset zedendelicten (ZAI292) geen sperma is aangetroffen. Bij onderzoek aan de slip (DHA586) was op één locatie in het kruis van de slip een zwakke aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van spermavloeistof, waarbij geen spermacellen zijn aangetroffen .

Verdachte is op last van de officier van justitie op 11 juli 2007 in vrijheid gesteld en de voorlopige hechtenis is door de raadkamer van de rechtbank op 12 juli 2007 opgeheven.

Op 1 augustus 2007 is het deskundigenrapport van het NFI opgemaakt met de conclusies over de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en vergelijkend DNA-onderzoek. Geconcludeerd werd dat bij onderzoek aan de onderzoeksset zedendelicten (ZAI292) geen sperma is aangetroffen. Daarnaast is nader onderzoek aan een bemonstering van de slip (DHA586#1) verricht waarbij door middel van de zogeheten differentiële lysistechniek in de spermacelfractie van het bemonsterd spermavloeistofspoor, het volledig DNA-profiel is verkregen van een man, welk profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Dit betekent dat de onderzochte spermavloeistof in de bemonstering afkomstig kan zijn van de verdachte, waarbij de berekende frequentie van dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard. Tevens is in bedoelde bemonstering van de damesslip het onvolledig DNA-profiel verkregen van een vrouw, waarbij het DNA-profiel matcht met het profiel van [slachtoffer] .

Op 10 maart 2008 heeft het NFI gerapporteerd dat bij het onderzoek aan het laken (DHA587) geen sperma is aangetroffen en geen aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van spermavloeistof, zodat van het laken geen sporen zijn veiliggesteld voor een DNA-onderzoek .

In de periode eind 2007 en begin 2008 hebben er binnen het gezin van verdachte grote veranderingen plaatsgevonden. [getuige 1] had intussen weer contact met verdachte gekregen, [slachtoffer] en [getuige 2] zijn op eigen initiatief bij hun grootouders van moeders kant gaan wonen en de vijf jongste kinderen zijn vervolgens door de civiele rechter uit huis geplaatst ter observatie. Na deze uithuisplaatsing is [getuige 1] weer met verdachte in hun woning in Hoogkarspel gaan wonen.

In een brief aan de raadsman van de verdachte, gedateerd 4 februari 2008, heeft [getuige 1] verklaard de door haar gedane aangifte te willen intrekken . Naar aanleiding daarvan is zij op verzoek van de verdediging ter terechtzitting van de rechtbank van 5 juni 2008 als beëdigd getuige gehoord. Zij heeft verklaard intussen te geloven in de onschuld van de verdachte en te twijfelen aan de eerder afgelegde verklaringen van [slachtoffer]. Op verzoek van de verdediging en de officier van justitie heeft de voorzitter van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Alkmaar vervolgens op 12 juni 2008 in de hoedanigheid van rechter-commissaris in het bijzijn van de raadsman van de verdachte [slachtoffer] als beëdigd getuige gehoord . Van bedoeld verhoor zijn video-opnames gemaakt, die aan het dossier zijn toegevoegd.

Op de terechtzitting van 5 juni 2008 heeft de rechtbank het noodzakelijk geoordeeld dat de opstellers van de eerdergenoemde NFI-rapportages, drs. ing. T.J.P. de Blaeij en drs. H.N. Bauer als getuige-deskundige ter zitting zouden worden gehoord. Op de terechtzitting van 6 november 2008 heeft dit verhoor plaatsgevonden. Daar hebben de getuige-deskundigen nader verklaard over de door hun gebruikte onderzoeksmethodes en een verdere toelichting gegeven aangaande de uitkomsten van het verrichte onderzoek. Tevens hebben zij overgelegd een set foto’s van eerdergenoemde damesslip, welke set aan het dossier is toegevoegd, en is door hen nader verklaard over de locatie op de slip waar de bemonstering van het spermavloeistofspoor heeft plaatsgehad.

Bedoelde getuige-deskundigen hebben -zoals door de rechtbank ter zitting van 6 november 2008 bepaald- in februari 2009 hun verklaringen zoals die waren opgenomen in het proces-verbaal van de zitting, (met wijzigingen) voor akkoord terug gestuurd . De verklaringen zijn voorts op de zitting van 9 april 2009 in hun gewijzigde vorm vastgesteld.

De verdachte is vervolgens uitvoerig ter terechtzitting van 9 april 2009 gehoord. Hij heeft daarbij over allerlei feiten en omstandigheden verklaard en heeft nogmaals aangegeven dat hij [slachtoffer] niet seksueel heeft misbruikt.

De rechtbank heeft bij vonnis van 23 april 2009 de verdachte veroordeeld voor het onder 1 primair ten laste gelegde te weten: verkrachting meermalen gepleegd. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek en de vordering van de benadeelde partij ([slachtoffer]) is nagenoeg volledig toegewezen. Tegen dit vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft het hof verscheidene onderzoekshandelingen laten verrichten.

Zo heeft prof. dr. P.J. van Koppen een rapport (van 9 maart 2011) opgesteld omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer].

Voorts is, nadat door de verdediging een Quick-scan ten aanzien van het DNA-onderzoek, uitgevoerd door Independent Forensic Services (IFS) van 8 juli 2010 is overgelegd, door het NFI een aanvullend onderzoek uitgevoerd, en daarnaast is een door drs. H.N. Bauer op 27 januari 2011 opgemaakte schriftelijke puntsgewijze reactie op het IFS-rapport binnengekomen.

Bij het nadere onderzoek door het NFI is op twee plaatsen in het kruis van de voornoemde slip een aanwijzing verkregen voor de mogelijke aanwezigheid van sperma en/of spermavloeistof (in beide gevallen aan zowel de binnen- als de buitenzijde van de slip). Daarvan zijn vier bemonsteringen genomen. In alle vier bemonsteringen is spermavloeistof aangetroffen. In twee van die vier bemonsteringen (DHA586#04 en DHA586#05) is daarnaast een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid voor speeksel. In twee van de bemonsteringen (DHA586#02 en DHA586#03) is een onvolledig DNA profiel aangetroffen waarbij verdachte niet valt uit te sluiten. In de overige bemonsteringen, dezelfde als waarin mogelijk speeksel is aangetroffen, is een DNA mengprofiel aangetroffen waarmee zowel het DNA-profiel van [slachtoffer] als het DNA profiel van verdachte volledig overeenstemmen. Voor beiden geldt dat het hierbij gaat om de statistische waarde dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het DNA-profiel kleiner dan één op één miljard is.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2011 zijn [slachtoffer] en haar moeder nader als getuigen gehoord. Beiden hebben hier min of meer gelijkluidend verklaard als in eerdere verhoren.

Het hof heeft vervolgens beslist dat de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] en de getuige-deskundige S. van den Berg, dienden te worden gehoord door de raadsheer-commissaris. Deze getuigen zijn gehoord en de verklaringen zijn gevoegd bij de stukken.

Ten slotte is er op 12 juli 2012 door prof. dr. H.W. Bruinse, emiritus hoogleraar gynaecologie/verloskunde en drs. K. Schweitzer, gynaecologe, in het Universitair Medisch Centrum te Utrecht een medisch onderzoek gedaan bij [slachtoffer]. Hiervan is verslag gedaan door dr. Bruinse (op 16 juli 2012). De conclusie uit dit onderzoek luidt als volgt .

Het onderzoek en de bevindingen daarbij verschaffen geen nadere relevante informatie van het antwoord op de vraag of [slachtoffer] in en voor 2007 slachtoffer is geweest van (veelvoudige) anale (en vaginale) verkrachting, waarvan zij op 23-04-2007 aangifte heeft gedaan.

Daarbij dient echter wel te worden opgemerkt dat deze bevindingen veelvuldige anale en vaginale verkrachting zeker niet hoeven uit te sluiten aangezien hierbij geen letsels hoeven te ontstaan die later nog als litteken aantoonbaar zijn.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 29 januari 2013 heeft de verdachte verklaard bij zijn eerder afgelegde verklaringen te blijven.

B. Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde met vermelding van, kort samengevat, de volgende bewijsmiddelen:

- de verklaringen van [slachtoffer];

- de aangifte en de aanvullende verklaring van [getuige 1];

- de verklaringen van [getuige 2];

- de de-auditu verklaring van [getuige 3], ondersteund met de prints van de MSN-chatgesprekken;

- de verklaring van de lerares van [slachtoffer] (groep 3), die heeft verklaard over bloed in het onderbroekje van [slachtoffer];

- de resultaten van het DNA-onderzoek waaruit blijkt dat spermavloeistof en speeksel van de verdachte is aangetroffen in de onderbroek van [slachtoffer];

- de verklaring van de verdachte zelf, voor wat betreft bepaalde onderdelen.

De advocaat-generaal stelt voorop uit te gaan van de verklaringen van [slachtoffer]. Zij is in alle verhoren, zowel bij de politie, als bij de rechter-commissaris en als getuige ter terechtzitting in hoger beroep, consistent in haar verklaring.

Ook de resultaten van het DNA-onderzoek, de DNA match van verdachte met het DNA aangetroffen in het spoor in de slip van [slachtoffer], passen bij hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard. De advocaat-generaal acht het niet aannemelijk dat de spermavloeistof en het speeksel op een andere wijze in de slip zijn gekomen. Deze resultaten vormen volgens de advocaat-generaal een belangrijke ondersteuning voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]. Niet alleen ten aanzien van het seksueel contact dat met verdachte heeft plaatsgevonden, maar eveneens ten aanzien van het gebruik van speeksel als glijmiddel, waarover [slachtoffer] eveneens heeft verklaard.

Aan de uitkomsten van het onderzoek met betrekking tot de zedenkit, waarin geen sperma is aangetroffen, kan volgens de advocaat-generaal eigenlijk geen conclusie worden verbonden. Immers, uit de afwezigheid van dergelijke sporen kan niet worden geconcludeerd dat er dus geen sperma of spermavloeistof aanwezig is geweest. Slechts kan worden geconcludeerd dat het niet naderhand is aangetroffen. Blijkens de reactie van Bauer op de Quick-scan door het IFS in hoger beroep sluit de afwezigheid van sporen niet uit dat er inwendig seksueel contact is geweest (kort) voorafgaand aan de bemonstering.

Ten aanzien van het rapport van Van Koppen is de advocaat-generaal van mening dat dit niet goed bruikbaar is voor de waardering van de verklaringen van [slachtoffer]. Het rapport berust onder meer voor een belangrijk deel op verkeerde veronderstellingen. Daarnaast zijn de door Van Koppen gehanteerde waarschijnlijkheidsoordelen ondoorzichtig, wordt uitgegaan van een verkeerde weergave van de feiten en worden elementen bij de beoordeling betrokken die buiten de deskundigheid van de rapporteur vallen. Ten slotte bevat het rapport volgens de advocaat-generaal geen eenduidige conclusie.

De advocaat-generaal acht de aangifte en aanvullende verklaring van [getuige 1] in 2007 geloofwaardig en betrouwbaar en vindt deze passen bij de overige als bewijsmiddel te gebruiken verklaringen in het dossier. [getuige 1] heeft hierin aangegeven dat de verklaring van [slachtoffer] paste in de vermoedens die zij al had. Het blauwe oog dat [slachtoffer] een keer had en de uitjes van verdachte met [slachtoffer], waar verdachte enthousiast over vertelde terwijl [slachtoffer] er stil naast stond, waren omstandigheden die vragen bij haar hadden opgeroepen. Zij is in sommige gevallen zelfs al actief bezig geweest met haar vermoeden van seksueel misbruik. Zo heeft zij aangegeven haar man en [slachtoffer] te hebben bevraagd als zij lang samen weg waren geweest en zo heeft zij ook verklaard te zijn gaan luisteren bij de slaapkamer van [slachtoffer] en [kind 4] als haar man ’s nachts uit bed was.

Dat [getuige 1] er later op een andere manier over is gaan denken, doet daar, in de visie van de advocaat-generaal, niet aan af, aangezien haar redenen om te gaan twijfelen eigenlijk niets zeggen over de (on)betrouwbaarheid van [slachtoffer], immers de moeder heeft geen enkel concreet voorbeeld kunnen noemen waaruit zou blijken dat [slachtoffer] zou hebben gelogen.

C. Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting, zowel bij de rechtbank als bij het hof, verklaard zich niet schuldig te hebben gemaakt aan het hem tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van 29 januari 2013 verzocht de verdachte vrij te spreken van het hem tenlastegelegde. Het pleidooi van de raadsvrouw op grond van de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie kan als volgt worden samengevat.

“Formeel” verweer

Allereerst heeft de raadsvrouw een formeel verweer gevoerd. Volgens de raadsvrouw is sprake van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, nu voorafgaand aan de verhoren van [slachtoffer] processtukken aan haar zijn verstrekt. De aangeefster, meermalen gehoord als getuige, heeft zich hierdoor grondig kunnen voorbereiden op haar verhoren. De verdediging is hierdoor iedere mogelijkheid ontnomen om de aangeefster kritisch en zo authentiek mogelijk te bevragen. Gebleken is dat dit handelen niet is toe te schrijven aan het openbaar ministerie, een verzoek tot niet-ontvankelijkheid is aldus niet aan de orde. Wel acht de raadsvrouw de schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde dusdanig groot, dat alle verklaringen van de aangeefster, direct en indirect via derden afgelegd, dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Dit zal vervolgens moeten leiden tot vrijspraak van de verdachte. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat de geconstateerde schendingen dienen te worden meegewogen bij de beoordeling van de verklaringen van aangeefster en dat deze verklaringen niet aan de basis mogen liggen van een veroordeling.

Inhoudelijk verweer

Allereerst zijn volgens de raadsvrouw de verklaringen van [slachtoffer] niet betrouwbaar. [slachtoffer] heeft slechts een algemene verklaring afgelegd over hetgeen zou zijn gebeurd. Details kan zij zich niet herinneren en voor zover zij deze wel kan benoemen kunnen deze niet kloppen met de werkelijke situatie van destijds of zijn volstrekt ongeloofwaardig. Op de meest essentiële vragen weet [slachtoffer] geen antwoord te geven. De raadsvrouw benoemt vervolgens een drietal voorbeelden waarin [slachtoffer] haar verklaring tijdens haar verhoor in hoger beroep wel uitbreidt met details. Het feit dat deze details nooit eerder zijn genoemd maakt haar verklaring minder betrouwbaar.

Voorts is de raadsvrouw van mening dat de wijze van “disclosure”, namelijk de bekentenis van [slachtoffer] aan [getuige 3] op 21 april 2007 via MSN, geen ondersteuning is voor de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer].

De raadsvrouw wijst ten aanzien van de betrouwbaarheid van [slachtoffer] voorts op de inhoud van het rapport van Van Koppen en het rapport van Bruinse.

Vervolgens is de raadsvrouw van mening dat de “indirecte verklaring” van [getuige 1] geen ondersteuning kan bieden voor de aangifte. Deze verklaring is “in paniek” afgelegd en [getuige 1] heeft deze verklaring later gemotiveerd herroepen.

De verklaringen van [getuige 2] kunnen volgens de raadsvrouw evenmin worden gebruikt ter ondersteuning van het bewijs, nu [getuige 2] zeer inconsistent heeft verklaard gedurende diverse verhoren.

Ten aanzien van het verrichte DNA-onderzoek brengt de raadsvrouw naar voren dat allereerst de omstandigheid dat in de zedenkit geen spermacellen en ook geen spermavloeistof is aangetroffen een zeer belangrijk ontlastend gegeven vormt. Deze zijn evenmin aangetroffen in het kruis van de slip van [slachtoffer], terwijl zij deze reeds droeg in de nacht van het seksuele contact met de verdachte en dat ze deze niet heeft gewisseld. Voorts dient als ontlastend te worden aangemerkt de omstandigheid dat er geen spermasporen zijn aangetroffen op het onderlaken van het bed van [slachtoffer].

Voor de aangetroffen spermavloeistof aan de buitenzijde van de slip zijn door [getuige 1] alternatieve verklaringen geboden, welke niet zonder meer zijn uit te sluiten.

De raadsvrouw heeft voorts gewezen op de ontlastende verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5]. Beide personen hebben in de ten laste gelegde periode in de woning van de verdachte en [slachtoffer] verbleven en hebben niets gemerkt van mogelijk seksueel misbruik.

Ten slotte haalt de raadsvrouw een aantal ontlastende factoren aan, te weten:

- Hoe kan het zo zijn dat niemand in de kleine woningen het misbruik heeft gemerkt?

- Verklaringen van [slachtoffer] over het tijdstip van naar bed gaan worden weersproken door getuigen;

- Uit de dagboekaantekeningen van [slachtoffer] blijkt niets van seksueel misbruik;

- [slachtoffer] heeft geen problemen op school. Pas na de onthulling bleef ze zitten;

- [slachtoffer] heeft normaal seksueel contact met haar vriendje. Er is geen sprake van een trauma;

- De reactie van [slachtoffer] op de latere aanranding door een derde, zoals beschreven door [getuige 1];

- [slachtoffer] wilde de verdachte weer zien na de onthulling;

- [slachtoffer] zocht zelf momenten om alleen te zijn met de verdachte, dit is een contra-indicatie dat er sprake was van seksueel misbruik.

De raadsvrouw stelt dat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en bovendien dat er geen sprake is van ondersteunend bewijs voor de kern van de beschuldiging. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

D. Beoordeling van de tenlastelegging

Het hof stelt voorop dat het hier gaat om de verdenking van zeer ernstige zedendelicten begaan door een stiefvader tegen een minderjarig kind, waarbij –nu verdachte volhardt in zijn ontkenning en [slachtoffer] volhardt in haar beschuldigingen- uiterste zorgvuldigheid dient te worden betracht bij het beoordelen van de uit het dossier naar voren komende feiten en omstandigheden. Mede om die reden heeft het hof, evenals de rechtbank, op verschillende momenten in de strafzaak nader onderzoek gelast naar die feiten en omstandigheden.

Waar het in zedenzaken vaak het woord van de één tegen het woord van de ander is, springt in de onderhavige zaak in het oog dat er naast de verklaringen van [slachtoffer] ook ander wettig bewijs voorhanden is om tot een (al dan niet gedeeltelijke) bewezenverklaring te komen. De verdediging heeft de betrouwbaarheid dan wel de bruikbaarheid van deze beschikbare bewijsmiddelen gemotiveerd betwist.

Het hof zal hieronder allereerst het door de verdediging gevoerde formele verweer bespreken (onder 1). Voorts zullen de bedoelde bewijsmiddelen afzonderlijk worden besproken voor zover deze inhoudelijk tot het bewijs van het feit zouden kunnen dienen (2.1. t/m 2.5). Vervolgens zal het hof ingaan op de vraag of bedoelde bewijsmiddelen voldoende redengevend zijn om tot een veroordeling van verdachte te kunnen leiden. Daarbij zullen ook de verweren van de verdediging uitvoerig worden besproken (3.1 t/m 3.5). Vervolgens zal het hof (onder 4) tot een conclusie komen met betrekking tot de vraag of de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezenverklaard.

1. Bespreking van “formeel” verweer

De raadsvrouw heeft betoogd dat er sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde nu gebleken is dat zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep voorafgaand aan haar verhoor als getuige, stukken zijn verstrekt aan [slachtoffer].

De advocaat-generaal heeft hierop naar voren gebracht dat er geen sprake is van schending van een behoorlijke procesorde. Gelet op artikel 51b Wetboek van Strafvordering maakt de wet het mogelijk om stukken te verstrekken aan het slachtoffer, tenzij er sprake is van andere belangen die zich tegen een dergelijke verstrekking verzetten. Gelet op de beslissing tot verstrekking van de stukken door de rechtbank en het hof was er geen sprake van een dergelijk zwaarwegend belang.

De advocaat-generaal geeft aan dat zij zich kan voorstellen dat het wellicht beter was geweest om de stukken later te verstrekken, maar dat het feit dat deze wel verstrekt waren ook mogelijkheden bood voor de verdediging om de getuige hierover nader te ondervragen, hetgeen van belang kan zijn voor de waarheidsvinding. De advocaat-generaal ziet ten slotte geen aanleiding om aan te nemen dat de verklaringen van de getuige zijn beinvloed door het overleggen van de processtukken.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt.

In de door de raadsvrouw beschreven gang van zaken ziet het hof geen aanwijzing om aan te nemen dat er sprake is van een situatie waarin de verdachte doelbewust of met grove veronachtzaming van de diens belangen en recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Het hof stelt vervolgens vast dat krachtens het bepaalde in artikel 51b, eerste lid, (dan wel 51 d, eerste lid, oud) Sv, een benadeelde partij op haar verzoek toestemming wordt verleend om kennis te nemen van de processtukken waarbij zij belang heeft. Dit is slechts anders wanneer zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 51, b, tweede lid (dan wel 51, d, tweede lid,) Sv. Krachtens laatstvermelde bepaling dient het belang van de benadeelde partij op inzage in de processtukken te worden afgewogen tegen andere in het geding zijnde belangen, waaronder het opsporings/vervolgingsbelang.

In de onderhavige situatie kan uit hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd noch anderszins de conclusie worden getrokken dat de belangenafweging redelijkerwijs niet in het voordeel van de benadeelde partij heeft kunnen uitvallen zodat niet is gebleken dat sprake is van schending van artikel 51, tweede lid, (dan wel 51, d, tweede lid) Sv oud. Daaraan doet niet af dat, als gesteld door de advocaat-generaal, denkbaar zou zijn geweest dat enkele stukken op een iets later tijdstip aan de benadeelde partij ter kennis hadden kunnen worden gebracht.

Daarbij wordt opgemerkt dat gesteld noch gebleken is dat de benadeelde partij geen belang heeft bij kennisname van bedoelde stukken.

Reeds daarom kan geen sprake zijn van bewijsuitsluiting.

Ten aanzien van de bewijswaarde/inhoudelijke beoordeling van de verklaringen van de aangeefster na kennisname van bedoelde stukken overweegt het hof het volgende.

Voorop staat dat in het algemeen geldt dat getuigen uit eigen wetenschap moeten kunnen verklaren over hetgeen zij hebben meegemaakt en/of waargenomen. Hieraan kan afbreuk worden gedaan als de getuige voor aanvang van een verhoor bij de rechter-commissaris, danwel ter terechtzitting, beschikt over (alle) processtukken. Het hof heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer], afgelegd bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep, grotendeels overeenstemmen met de door haar eerder afgelegde verklaringen bij de politie. Daaraan verbindt het hof de gevolgtrekking dat van sterke beïnvloeding van de verklaringen door kennisneming van de processtukken, anders dan de raadsvrouw stelt, niet blijkt, noch aannemelijk is geworden. Derhalve zullen de verklaringen van [slachtoffer] niet op deze grond wegens onbetrouwbaarheid terzijde worden gesteld. Op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer], mede bezien in het licht van het rapport van Van Koppen, zal hieronder nader worden ingegaan.

2. De voorhanden zijnde bewijsmiddelen

2.1. De verklaringen van [slachtoffer]

[slachtoffer] (geboren op [1992] ) heeft verklaard dat verdachte haar vanaf haar zevende jaar en gedurende een periode van zeven jaar veelvuldig seksueel heeft misbruikt. Zij verklaart hierover -samengevat en zakelijk weergegeven- het volgende:

Het misbruik is begonnen in de periode 1999-2001 toen het gezin in Lutjebroek woonde. [slachtoffer] moest op de donderdagavonden dat haar moeder afwezig was, van verdachte naar de ouderslaapkamer komen. De verdachte deed deur van de ouderslaapkamer op slot en vervolgens deed verdachte haar broek naar beneden . Verdachte penetreerde haar vervolgens anaal met zijn penis. Dat deed haar pijn. Na afloop moest zij van haar vader douchen, soms zag zij dan dat zij bloedde . Als zij tegenstribbelde werd zij door verdachte geslagen met een palu (pollepel), soms op haar hoofd, maar meestal op de kont of op de benen. Verdachte sloeg haar ook met een riem.

Nadat haar moeder vanaf 2001 op de donderdagavonden thuisbleef haalde verdachte [slachtoffer] ’s nachts uit bed en misbruikte hij [slachtoffer], staande bovenaan de trap naar de zolderkamer. Zij verklaart niet te weten of hij het toen nog steeds anaal deed, maar zij denkt dat de eerste keer dat hij haar met zijn penis vaginaal penetreerde daar op de zoldertrap geweest is.

Toen [slachtoffer] twaalf jaar was, is het gezin verhuisd naar Hoogkarspel. [slachtoffer] heeft verklaard dat het seksueel misbruik voortduurde en op verschillende plaatsen in huis plaatsvond: nadat [slachtoffer] de keuken had opgeruimd en wanneer de andere gezinsleden al naar boven waren, gebeurde het in de keuken en op de bank in de woonkamer .

Ook gebeurde het op de ouderslaapkamer, waarbij verdachte gebruik maakte van glijmiddel uit een blauw flesje, dat lag in een mandje tussen de kussens van het bed .

Daarnaast kwam verdachte ’s nachts op verschillende tijden op de slaapkamer van [slachtoffer] en [kind 4], waar hij haar vaginaal penetreerde met zijn penis en heen en weer ging tot hij klaarkwam .

Verdachte heeft [slachtoffer], in de periode dat zij in Hoogkarspel woonden, rijles in zijn auto gegeven, waarbij zij samen op pad gingen. Tijdens deze rijlessen is zij 4 tot 5 keer seksueel misbruikt in de auto op een parkeerplaats achter een dijkje in Andijk. In de winter van 2006 heeft verdachte tijdens een fietstocht [slachtoffer] een of twee keer misbruikt in het Streekbos . Op vakantie in Frankrijk in de zomer van 2006 heeft verdachte [slachtoffer] drie keer seksueel misbruikt op een plek in het bos bij de rivier achter de camping .

Het lukte verdachte niet altijd met zijn penis in haar te komen. Dit was wanneer zij tegenwerkte. Soms, als zij weg wilde, trok hij haar net zolang terug totdat zij het liet gebeuren. Wanneer [slachtoffer] zich tegen verdachte verzette of weg wilde lopen sloeg hij haar ook met de vlakke hand, meestal op haar hoofd. Eenmaal heeft verdachte haar met de vuist geslagen, hetgeen resulteerde in een blauw oog bij [slachtoffer] . Ook gebruikte verdachte, wanneer de penetratie niet gemakkelijk lukte, spuug of glijmiddel.

Het laatste seksuele contact tussen verdachte en [slachtoffer] heeft volgens haar plaatsgevonden tussen maandagavond 23 en dinsdagmorgen 24 april 2007. Tijdens het intakegesprek met de politie op woensdag 25 april 2007 rond 00.30 uur heeft [slachtoffer] daarover verteld dat verdachte in de avond/nacht op haar kamer was gekomen, op haar was gaan liggen, zijn piemel in haar vagina had gedaan, heen en weer gaande bewegingen had gemaakt en uiteindelijk klaar was gekomen. Zij had zich daarna nog niet gewassen. Ook tegen haar moeder en tegen de arts die haar om 02.00 uur op 25 april 2007 inwendig heeft onderzocht heeft [slachtoffer] gezegd dat dit de laatste geslachtsgemeenschap is geweest. Bij de arts heeft zij daaraan nog toegevoegd dat zij zich na dit voorval niet heeft gewassen en wel heeft geplast.

[slachtoffer] heeft verklaard dat zij er nooit over heeft gedacht om over het misbruik met anderen te praten. Verdachte had haar gezegd dat het hun geheimpje was en dat zij, als zij er met anderen over zou praten, met de palu zou krijgen. [slachtoffer] geeft aan dat zij banger was voor de palu dan voor zijn piemel .

2.2 De aangifte en aanvullende verklaring van [getuige 1]

[getuige 1] heeft in haar aangifte verklaard dat zij al langere tijd een vermoeden had “dat er iets niet goed zat”. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat het haar zeker het laatste half jaar opvalt dat haar man ’s nachts het bed verlaat en dan geruime tijd wegblijft. De keren dat zij naar beneden is gelopen om te kijken waar hij is, kwam hij altijd direct naar haar toe en ging hij met haar mee naar boven. Terwijl in het verleden het licht op de overloop altijd aan bleef, is het tegenwoordig de wens van haar man dat alle lichten uit moeten. [getuige 1] heeft verklaard dat zij heeft geluisterd of zij geluid hoorde uit de slaapkamer van [slachtoffer] en haar zusje. Zij hoorde dan een ritselend geluid, waarvan zij vermoedde dat het werd veroorzaakt door de plastic hoezen om de matrassen van de meisjes. [getuige 1] heeft verklaard dat zij, toen [slachtoffer] met haar beschuldiging kwam, merkte dat zij niet eens zo erg verbaasd was, “omdat zij al vermoedens in die richting had”. De laatste maanden was zij steeds meer op haar man gaan letten als zij wist dat haar man ergens met [slachtoffer] alleen in huis was. Zij heeft ook aan haar man gevraagd wat hij met [slachtoffer] deed, maar haar man had dan altijd een verhaal.

Met betrekking tot de concrete beschuldigingen van [slachtoffer] heeft zij als volgt verklaard.

Toen het gezin in Lutjebroek woonde was het inderdaad zo dat [getuige 1] tussen 1999 en 2001 op donderdagavond afwezig was.

Zij heeft verklaard dat zij in de zomer van 2006, toen zij hoogzwanger was van haar jongste zoon, een verandering heeft opgemerkt in het patroon van seksuele omgang met haar man, waarbij hij minder dan gebruikelijk seksueel in haar geïnteresseerd was.

Tijdens de vakantie in de zomer van 2006 op de camping van Frankrijk heeft zij op een gegeven moment opgemerkt dat haar man en [slachtoffer] weg waren. Toen zij terugkwamen heeft haar man enthousiast verteld over waar zij waren geweest, terwijl [slachtoffer] er stil naast stond. Ook ging haar man tijdens deze vakantie alleen met [slachtoffer] met de auto brood halen, waarbij zij soms lang wegbleven.

Zij heeft gezien dat [slachtoffer] in januari 2007 een blauw oog had. Haar man had als verklaring voor het blauwe oog gegeven dat [slachtoffer] tijdens het slaapwandelen met haar hoofd tegen de wasbak was gevallen. Zij vond het wel een heel vreemd verhaal, maar omdat [slachtoffer] er niets over zei, kon zij er verder niets mee.

[getuige 1] heeft verklaard dat haar man in de nacht van 23 op 24 april 2007 uit bed is geweest. Volgens haar schatting is de verdachte drie kwartier tot een uur weggeweest. [slachtoffer] heeft haar verteld dat de verdachte die nacht bij haar is geweest en in haar heeft gespoten.

Zij heeft tevens verklaard dat haar man de kinderen heeft geslagen. In het verleden was de afspraak gemaakt dat er alleen op de billen zou worden geslagen, maar de laatste maanden heeft zij haar man meer kinderen zien slaan, waarbij andere plaatsen op het lichaam of het hoofd werden geraakt.

In haar aanvullende verklaring van 8 mei 2007 heeft [getuige 1] weer uitvoerig verklaard over alle omstandigheden die haar argwaan gewekt hadden. Ook heeft zij verklaard over het dwingende gedrag van haar man en het feit dat zij er heel zeker van is dat [slachtoffer] de waarheid heeft verteld. Aan deze overtuiging heeft ook bijgedragen dat [slachtoffer] haar vertelde dat er seksuele handelingen op bepaalde plaatsen hadden plaatsgevonden, bijvoorbeeld op een parkeerplaats in Andijk achteraan in een hoekje. Dat waren plaatsen waar zijzelf ook wel eens seks had gehad met haar man, of waarvan zij wist dat haar man daar seks had gehad met andere vrouwen voordat zij een relatie met hem kreeg .

2.3 De verklaring van [getuige 2]

[getuige 2] heeft op 9 mei 2007 bij de politie een verklaring afgelegd.

Op de vraag of [getuige 2] iets is opgevallen tussen zijn vader en [slachtoffer] heeft [getuige 2] als volgt verklaard. Toen het gezin in 2006 van vakantie in Frankrijk was teruggekomen gingen alle gezinsleden uitrusten op hun slaapkamer. Op een gegeven moment is [getuige 2] naar de kamer van [slachtoffer] gelopen, omdat hij een boek uit de zich daar bevindende boekenkast wilde pakken. [getuige 2] heeft verklaard dat hij zijn vader op zijn knieën zag zitten voor het bed van zijn zus. [slachtoffer] lag in bed en het leek alsof zij sliep. Zijn vader werd boos en stuurde hem naar zijn kamer. Een paar minuten later kwam zijn vader heel boos de kamer van [getuige 2] binnen en sloeg hem. Daarna pakte verdachte [getuige 2] bij zijn oor en heeft [getuige 2] naar de slaapkamer van [slachtoffer] geduwd. Verdachte vroeg [getuige 2] wat hij had gezien. [getuige 2] heeft gezegd dat hij alleen heeft gezien dat verdachte voor het bed zat. Toen leek het alsof zijn vader moest huilen, hij was verdrietig. [slachtoffer] deed nog net alsof zij sliep en [getuige 2] moest weer naar zijn kamer.

Daarnaast heeft [getuige 2] verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] soms van boven van de slaapkamer van zijn ouders is gekomen. [slachtoffer] ging dan naar de badkamer en zij had een rood hoofd. Het leek alsof zij gehuild had. Hij heeft verklaard dat het alleen was als zijn moeder weg was. Op de vraag of dit vaak gebeurde heeft [getuige 2] verklaard dat zijn zus altijd naar boven moest met zijn vader naar hun slaapkamer als zijn moeder weg was. Volgens [getuige 2] bleven zij dan wel een tijdje boven. De andere kinderen zaten dan voor de televisie.

Op de vraag of hem verder nog wat was opgevallen heeft [getuige 2] verklaard: “de geur” van [slachtoffer] soms heel raar te vinden. Hij heeft de geur niet kunnen beschrijven, maar gezegd deze geur alleen te herkennen van hoe het in de kamer van zijn ouders soms rook. [getuige 2] heeft over de geur ook tegen zijn moeder verteld. [getuige 2] heeft voorts verklaard vaak te zijn geslagen door zijn vader, overal, ook op zijn hoofd.

2.4 De verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft bij de politie in zijn tweede verklaring verklaard dat hij de laatste tijd vaak ’s nachts uit bed ging om naar de wc te gaan en daarna op de slaapkamer bij [slachtoffer] en [kind 4] ging kijken. Verdachte heeft dit ter terechtzitting van 9 april 2009 bevestigd.

Verdachte heeft in genoemde politieverklaring daarover nog in het bijzonder verklaard dat hij dan

-gekleed in een onderbroek- bij [slachtoffer] in bed ging liggen, bij haar lag en met haar oor begon te spelen .

Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 9 april 2009 onder meer het volgende verklaard:

Op de donderdagavonden dat mijn vrouw weg was, ben ik nooit met [slachtoffer] alleen op de ouderslaapkamer geweest. Later misschien wel, toen [slachtoffer] wat beter wist waar dingen lagen. Het klopt dat er glijmiddel in een blauw flesje bij ons tussen de kussens van het bed ligt.

Ik uitte wel eens boosheid naar de kinderen. De manier waarop ik dat deed hing af van hoe boos ik was. Soms kregen de kinderen een tik of klap met de “palu”, meestal niet met de handen. De opvoeding van de kinderen was eigenlijk vooral een taak van [getuige 1]. Maar als de kinderen niet wilden luisteren dan werd ik erbij gehaald.

Ik heb wel eens bij [slachtoffer] in bed gelegen. Ik ging ’s avonds gewoon bij ze kijken.

Als ik last van mijn buik heb, dan ga ik ’s nachts naar de wc. Ik ben dan maximaal 15 minuten of 20 minuten uit bed. Het klopt dat je de stappen van mijn vrouw op de trap hoort.

Het klopt dat ik elke dag seks had (en nog steeds heb) met mijn vrouw, zo’n drie keer per dag: voor we gaan slapen, ‘s morgens wanneer we wakker worden en soms overdag als ik uit mijn werk kom. Op de parkeerplaats in Andijk ben ik ook wel eens met [getuige 1] geweest. Ik heb daar een keer seks met haar gehad.

Ik ben wel een keer of twee wezen fietsen met alleen [slachtoffer]. [getuige 1] vroeg altijd waar we geweest waren. Meestal vertelde ik dat dan.

[slachtoffer] loog niet echt, maar ze hield wel dingen achter. Over die vriendjes bijvoorbeeld. Voor de aangifte was het eigenlijk altijd een eerlijke meid.

Over het blauwe oog van [slachtoffer] weet ik dat ik ’s nachts een niet normaal geluid hoorde. Ik ging er heen en zag dat [slachtoffer] in de badkamer, mogelijk over [kind 2] gevallen was.

Ter terechtzitting in hoger beroep op 29 januari 2013 heeft de verdachte aangegeven dat hij bij zijn reeds afgelegde verklaring blijft.

2.5. Sporen- en DNA-onderzoek door het NFI

Zoals bij de vastgestelde feiten al vermeld is in beginsel op één locatie in de onderbroek van [slachtoffer] een zwakke aanwijzing verkregen op de aanwezigheid van spermavloeistof. Van deze bemonstering van de onderbroek is een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van verdachte.

Ter terechtzitting van 5 juni 2008 is door de rechtbank ambtshalve aan de orde gesteld dat gelet op de uitkomsten van het NFI-onderzoek aan zedenset, onderbroek en laken het nader horen van de opstellers van de rapporten als getuige-deskundigen ter zitting noodzakelijk werd geacht. Op de terechtzitting van 6 november 2008 zijn H.N. Bauer en T.J.P De Blaeij nader bevraagd en hebben zij foto’s van de onderbroek overgelegd.

Meer in het bijzonder heeft getuige-deskundige Bauer daarbij het volgende aangegeven :

Het klopt dat bij het voorlopig onderzoek van de zedenset geen sperma en geen spermavloeistof is aangetroffen. Met sperma wordt gedoeld op spermacellen die microscopisch waarneembaar zijn als koppen al dan niet met staartjes. Met spermavloeistof wordt gedoeld op het ejaculaat, daarin hoeven geen spermacellen te zitten.

Het klopt dat in het voorlopig onderzoek op een locatie in het kruis van de onderbroek een zwakke aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van spermavloeistof. Met een zwakke aanwijzing wordt bedoeld dat de zure fosfasetest een positief testresultaat heeft opgeleverd. Deze test gaf een positief resultaat op de aanwezigheid van spermavloeistof op de buitenzijde van de slip aan de voorzijde van het kruis.

Getuige-deskundige de Blaeij heeft ter zitting verklaard :

De bemonsteringen van de zedenset en de onderbroek zijn vervolgens aan de zogenaamde differentiële lysistechniek onderworpen. Met betrekking tot de onderbroek is de conclusie dat in de spermacelfractie het volledige DNA-profiel is verkregen van een man, welk profiel matcht met verdachte, met een frequentie van kleiner dan 1 miljard. Dit is de standaardkans bij een volledig DNA-profiel waarbij geen sprake is van bloedverwanten. Die kans is extreem laag te noemen. In vrijwel alle gevallen zal de matchende persoon celdonor zijn van het spoor.

Bij de differentiële lysistechniek is een monster veiliggesteld door een vierkantje stof uit de slip te knippen, op foto 1 aangeduid met een zwart vierkantje van anderhalve bij tweeënhalve centimeter. De rest van de slip is niet helemaal op dezelfde wijze onderzocht zoals dit stukje stof. Er is meer wittig materiaal gevonden op andere locaties van de slip. Het is nog mogelijk alle andere aangetroffen plekken te onderzoeken.

Er was een positief testresultaat op de buitenkant van de slip. De conclusie dat de onderzochte vlek er op de buiten- of binnenkant van de slip is opgekomen, is niet te trekken. Dit heeft te maken met allerlei factoren, met name de zogenaamde capillaire werking van de enkellaags stof van de betreffende onderbroek, waarbij vloeistof in de stof trekt en later niet meer is vast te stellen aan welke kant de spermavloeistof op de slip is gekomen. Daarnaast kan ook sprake zijn van een vals negatief testresultaat op de binnenkant van de slip. Dit kan zijn veroorzaakt door de aanwezigheid van urinesporen. Hoe meer vervuiling, hoe groter de kans op een vals negatief resultaat. De mate waarin de slip is gebruikt, vergroot de kans op een vals positief en op een vals negatief testresultaat, maar de kans op een vals negatief resultaat zal eerder toenemen dan de kans op een vals positief resultaat. De buitenkant van de slip is over het algemeen schoner. Spermavloeistof trekt dan door de stof heen. Je krijgt dan aan de buitenkant en niet aan de binnenkant een positief testresultaat. Uitgebreider sporenonderzoek kan nog plaatsvinden maar zal niet meer duidelijkheid geven aan welke kant het spoor is aangebracht.

Op een vraag van de raadsman naar de hoeveelheid van het gevonden materiaal heeft getuige-deskundige de Blaeij nog het volgende verklaard:

Des te meer invloeden er zijn, des te minder spermacellen er over blijven. Door plassen is de kans groot dat een groot deel van het sperma het lichaam weer verlaat. Daar komt bij dat de anatomische bouw van elke vrouw anders is. Ook is van belang of er naderhand is gedoucht en of de onderbroek tijdens of pas na de zaadlozing is gedragen en hoelang de slip daarna is gedragen.

In hoger beroep is door het NFI een aanvullend onderzoek verricht naar sporen in het kruis van de slip van [slachtoffer] . Op twee plaatsen in het kruis van de voornoemde slip is een aanwijzing verkregen voor de mogelijke anawezigheid van sperma en/of spermavloeistof (in beide gevallen aan zowel de binnen- als de buitenzijde van de slip). Daarvan zijn vier bemonsteringen genomen. In alle vier bemonsteringen is spermavloeistof aangetroffen. In twee van die vier bemonsteringen (DHA586#04 en DHA586#05) is daarnaast een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid voor speeksel. In twee van de bemonsteringen (DHA586#02 en DHA586#03) is een onvolledig DNA profiel aangetroffen waarbij verdachte niet valt uit te sluiten. In de overige bemonsteringen, dezelfde als waarin mogelijk speeksel is aangetroffen, is een DNA mengprofiel aangetroffen waarmee zowel het DNA-profiel van [slachtoffer] als het DNA profiel van verdachte volledig overeenstemmen. Voor beiden geldt dat het hierbij gaat om de statistische waarde dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het DNA profiel kleiner is dan één op één miljard is.

3. De waardering van de beschikbare bewijsmiddelen

Het hof is van oordeel dat de hierboven weergegeven vaststaande feiten en bewijsmiddelen op zichzelf voldoende wettig bewijs opleveren om te kunnen concluderen dat verdachte [slachtoffer] langdurig en frequent seksueel heeft misbruikt.

De verdediging heeft evenwel zowel de betrouwbaarheid als de bruikbaarheid van de onderscheiden bewijsmiddelen op verschillende gronden betwist. Het hof zal hieronder ingaan op de vraag of het beschikbare bewijs als wettig en overtuigend kan worden beschouwd.

3.1 De vraag naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]

De verdediging heeft op een aantal gronden de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] betwist omdat het er alle schijn van zou hebben dat het niet klopt wat ze verklaart.

3.1.1 Details

Allereerst is door de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn, nu zij, volgens de verklaring, totaal geen details weet te benoemen en zover zij dit wel weet, de details uiterst ongeloofwaardig zijn.

Het hof stelt allereerst vast dat hetgeen door [slachtoffer] is verklaard zeer consistent is. Uit de verhoren blijkt inderdaad dat zij een aantal details niet meer weet te herinneren. [slachtoffer] verklaart hier zelf ook over dat zij dergelijke dingen ver heeft weggestopt. In hoger beroep heeft zij over sommige details wel kunnen verklaren omdat deze naar eigen zeggen weer naar boven waren gekomen.

Het hof acht dit, gezien de omstandigheden en de mogelijke impact van de ten laste gelegde feiten, niet onaannemelijk. Het hof wijst hierbij ook op de brief van 7 oktober 2011 van mevrouw D.J. Span van GGZ Noord-Holland-Noord, behandelend psycholoog/psychotherapeut bij van [slachtoffer] , waarin zij schrijft:

Herkenbaar in de uitspraak van prof. Van Koppen over [slachtoffer] is het vermijden van het denken aan en spreken over details, gedachten en emoties ten aanzien van het misbruik.

In het algemeen kan gesteld worden dat pogingen om gedachten, emoties en gesprekken te vermijden die horen bij of doen herinneren aan het misbruik, evenals het onvermogen zich details te herinneren van het misbruik, een reactie is die veel voorkomt bij slachtoffers van seksueel misbruik. In zijn algemeenheid kan dan ook gesteld worden dat een dergelijke reactie de schijn van oppervlakkigheid oproept, terwijl er in werkelijkheid sprake is van dissociatie, d.i. het ontsnappen van bepaalde herinneringen, gevoelens en lichamelijke sensaties aan de controle en soms zelfs aan de kennis van het bewustzijn.

3.1.2 Van Koppen

Ten tweede haalt de raadsvrouwe het rapport van Van Koppen aan. Volgens de raadsvrouwe komt Van Koppen tot de conclusie dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat het verhaal van [slachtoffer] verzonnen is.

Het hof overweegt hiertoe dat het desbetreffende citaat een “deelconclusie” betreft op punten die tegen de verklaring van [slachtoffer] in gaan. De eindconclusies van Van Koppen zijn genuanceerder:

Conclusies

[slachtoffer] vertelde een uitermate stereotype verhaal over misbruik en verkrachting. Grooming ontbreekt, verhalen over pijn ontbreken, lichamelijke klachten ontbreken, iedere vorm van context, gedachten of emoties ontbreekt in haar eigen verklaring, ze vertelt buiten de seksuele handelingen vrijwel niet over interactie en niemand heeft ooit iets gemerkt. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat het verhaal van Ro[slachtoffer] bin verzonnen is. Die conclusie kan echter niet zonder meer worden getrokken. Het verhoor van [slachtoffer] was van dermate slecht kwaliteit dat de wijze van verhoren ervoor kan hebben gezorgd dat haar verhaal meer stereotype geworden is. Deze manier van verhoren is nu eenmaal een slechte toets om te onderzoeken of het scenario dat het misbruik plaats vond waarschijnlijker is dan het scanario dat het misbruik niet plaats vond. Bij een waargebeurd verhaal had echter verwacht kunnen worden dat zelfs in een zo slecht verhoor tenminste een deel van de relevante elementen naar voren is gekomen. Het ware het hof in overwerging te geven zeer krtisch de verklaring van [slachtoffer] te bezien.

Voorts ontberen enkele uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de motivering van evengenoemd advies voldoende feitelijke grondslag nu deze (gedeeltelijk) hun weerlegging vinden in de overige inhoud van het dossier. Anders dan hetgeen Van Koppen stelt verklaart [slachtoffer] in haar verhoren wel degelijk over pijn en lichamelijke klachten. Zo verklaart zij dat ze tijdens de penetratie wilde schreeuwen omdat het pijn deed en dat zij naderhand bloedde.

Daarnaast verwijst het hof naar voornoemde brief van mevrouw Span, waaruit het hof de conclusie trekt dat het ontbreken van gedachten en emoties niet zonder meer hoeft te duiden op oppervlakkigheid, doch ook kan samenhangen met dissociatie. Voorts schrijft Span in haar brief dat [slachtoffer] tijdens haar behandeling wel heeft verteld over grooming, pijn, de context van het misbruik en over de interactie.

Het hof acht het goed voorstelbaar dat een slachtoffer van seksueel misbruik in een meer vertrouwde setting zoals die van een behandeling door een psycholoog hierover anders of meer verklaart, dan bij een gespannen situatie als een getuigenverhoor.

Ten aanzien van de grooming overweegt het hof voorts dat [slachtoffer] weldegelijk heeft verklaard dat zij dure cadeaus kreeg van verdachte . Daarnaast is in dit geval sprake van seksueel misbruik binnen de gezinssituatie. Grooming speelt een andere rol wanneer het om een situatie buiten het gezin gaat. Er is in het gezin immers al sprake van een vertrouwensrelatie tussen betrokkenen.

3.1.3 Lichamelijk onderzoek

Volgens de raadsvrouw ondersteunt de uitslag van het lichamelijk onderzoek, weergegeven in het schriftelijk verslag van prof. dr. H.W. Bruinse van 16 juli 2012 de aangifte niet.

Hoewel deze deskundige opmerkt dat het ontbreken van (oude) littekens of letsels veelvuldige anale en vaginale verkachting niet hoeven uit te sluiten, acht de raadsvrouw het niet aannemelijk dat [slachtoffer] door verdachte kan zijn verkracht zonder aanzienlijk lichamelijk letsel.

Zij wijst hierbij op het feit dat [getuige 1] heeft verklaard dat de penis van verdachte in erectie 20 tot 22 cm lang is en dat zij de verklaring van [slachtoffer] niet geloofwaardig acht omdat hetgeen door [slachtoffer] beschreven wordt zelfs voor een volwassen vrouw niet te verdragen zou zijn, zonder het uit te schreeuwen van de pijn.

Om bovenstaand verweer te ondersteunen heeft de verdediging bij dupliek een fotoprint (welke volgens de raadsvrouw een screenshot van een videobeeld zou betreffen) overgelegd waarop de penis van de verdachte in erectie te zien zou zijn.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. [slachtoffer] heeft in haar verhoren meermalen aangegeven dat zij erge pijn heeft ondervonden van de verkrachtingen. Daarnaast verklaart zij over het bloeden naderhand en dat zij hierna moeilijk naar het toilet kon gaan . Ook is door een lerares van de basisschool eenmaal bloed in de onderbroek van [slachtoffer] aangetroffen .

De uitkomsten van het lichamelijk onderzoek door Bruinse sluiten evenmin lichamelijk letsel uit. In zoverre draagt het rapport weliswaar niet bij aan het bewijs, maar is evenmin onverenigbaar met een bewezenverklaring.

De door de raadsvrouw overgelegde fotoprint wordt buiten beschouwing gelaten, reeds omdat geenszins vaststaat dat de daarop afgebeelde penis van de verdachte is.

Door de raadsvrouw is voorts een aantal aanvullende punten genoemd, welke eveneens dienen mee te wegen in de toetsing van de verklaring van [slachtoffer] .

Allereerst heeft de verdediging aangevoerd dat het onwaarschijnlijk is dat het misbruik jarenlang meermalen keren per week in een overvol huis plaatsvindt (veel andere kinderen die ook met elkaar op een kamer slapen, hun moeder, een inwonende neef [getuige 4], meerdere mensen als oppas in huis) en dat niemand iets in de gaten zou hebben gehad.

Het hof is van oordeel dat -anders dan de raadsvrouw stelt- het niet onmogelijk is dat het misbruik heeft kunnen plaatsvinden op de wijze zoals door [slachtoffer] beschreven zonder dat genoemde personen hiervan op de hoogte waren. Daarbij is van belang dat uit de verklaringen van [slachtoffer] kan worden afgeleid dat de handelingen van de verdachte heimelijk hebben plaatsgevonden.

Daarnaast heeft de moeder van [slachtoffer] heeft immers in haar aangifte expliciet gezegd dat zij op enig moment, in ieder geval al in de zomer van 2006 in de gaten kreeg dat er iets niet goed zat. Ze beschrijft vervolgens een aantal concrete situaties (de camping in Frankrijk, de verandering in het seksuele patroon met haar man, het ’s nachts uit bed gaan met de lampen uit en geruime tijd wegblijven, waarbij zij probeert te zien of horen waar hij is, het steeds meer op haar man letten als hij alleen met [slachtoffer] ergens in huis was), die haar leidden tot deze conclusie.

In haar aanvullende verklaring heeft moeder daarnaast nog een aantal voorvallen genoemd die haar destijds een onbehaaglijk gevoel gaven, en die een vraagteken opriepen over wat er nu eigenlijk aan de hand was. Als voorbeeld noemt de moeder de keer dat verdachte midden in de nacht uit bed was gegaan en later in paniek haar kwam halen omdat [slachtoffer] met haar oog op de rand van het badkamermeubel zou zijn gevallen. Ook wanneer de verdachte met [slachtoffer] wegging om auto te rijden en uren wegbleef terwijl hij en [slachtoffer] allebei hun telefoon niet opnamen, kreeg moeder de vermoedens heel sterk. Als ze hen bij terugkeer dan bevroeg over waar ze waren geweest, stond [slachtoffer] er stil bij en zei niks, terwijl verdachte een enthousiast verhaal vertelde.

Dat de verdachte, buiten het geval waarover [getuige 2] heeft verklaard, nooit is betrapt doet daar niets aan af. Immers, van incest als zodanig kan gezegd worden dat het zich veelal juist in het geheim afspeelt, waarbij daders van dergelijke feiten er juist extra op zullen letten niet betrapt te worden.

Voorts heeft de raadsvrouw aangegeven dat de verklaring van [slachtoffer] over het als laatste naar bed gaan worden weersproken door [getuige 2] en [getuige 1]. Het hof stelt vast dat over dit detail verschillend is verklaard. dit doet echter naar het oordeel van het hof niet af doet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] op wezenlijke punten.

De overige door de raadsvrouw aangevoerde punten (zie onder C) acht het hof niet ontlastend, nu deze gedragingen van [slachtoffer] , wat daar van zij, niet afdoen aan haar verklaringen. Het hof is van oordeel dat er geen standaardgedrag valt te omschrijven voor een slachtoffer van seksueel misbruik. Uit haar gedragingen valt dan ook niets af te leiden betrekking hebbende op het al dan niet aanwezig zijn van seksueel misbruik.

Alles overwegende acht het hof de verklaringen van [slachtoffer] –mede gelet op de ondersteunende verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en de verdachte zelf, waarover hierna meer- voldoende consistent en betrouwbaar en derhalve zullen deze worden gebruikt voor het bewijs.

3.2 De vraag naar de bruikbaarheid van de aangifte en aanvullende verklaring van [getuige 1] uit 2007

De raadsvrouw heeft betoogd dat het benoemen van vermoedens door de moeder niet kan bijdragen tot het bewijs, omdat diverse handelingen van verdachte opeens met terugwerkende kracht als vreemd zouden zijn bestempeld en ingekleurd zouden zijn door de beschuldiging. Dit temeer daar dergelijke vermoedens niet langer meer leven bij moeder.

Op zichzelf is het juist dat onder de verklaring van een getuige moet worden verstaan de mededeling van feiten en omstandigheden die de getuige zelf heeft waargenomen of ondervonden. Het enkele vermoeden zonder daarbij toe te lichten welke waarnemingen aan dit vermoeden ten grondslag liggen, zou neerkomen op een niet voor het bewijs bruikbare speculatie. Van een dergelijke speculatie is naar het oordeel van het hof hier evenwel geen sprake, nu [getuige 1] wel degelijk benoemt welke voorvallen haar hebben gesterkt in bedoeld vermoeden. Dit vermoeden bestond verder, volgens haar verklaring, reeds vóór de datum van haar aangifte.

Het hof voegt hieraan toe dat [getuige 1] noch in haar brief van 4 februari 2008 noch in haar ter terechtzitting afgelegde verklaringen, haar verklaring, voor zover deze betrekking had op genoemde voorvallen als zodanig heeft herroepen.

Aan de omstandigheid dat [getuige 1] in de loop der tijd op andere gronden is gaan twijfelen aan de verklaringen van [slachtoffer], hecht het hof niet die betekenis die de raadsvrouw daaraan toegekend wenst te zien.

Het hof acht hierbij van belang dat de nadien opgekomen twijfel van [getuige 1] niet is ingegeven door concrete feiten of omstandigheiden die rechtstreeks de conclusie zouden rechtvaardigen dat eerder door [slachtoffer] in strijd met de waarheid is verklaard. Daarbij acht het hof van belang dat de door haar benoemde observaties met betrekking tot het gedrag van haar dochter betrekking hebben op de periode nadat [slachtoffer] heeft verteld over het misbruik. Zowel [getuige 1] als verdachte hebben steeds gezegd dat zij –voordat [slachtoffer] met het verhaal naar buiten kwam- hun dochter kenden als iemand die niet loog. Daarnaast doet de omstandigheid dat [slachtoffer] in de periode na april 2007 niet (in detail) met moeder over het misbruik zou hebben willen praten, als zodanig niets af aan de betrouwbaarheid van haar eerdere verklaringen.

Het hof komt tot de conclusie dat de eerste verklaringen van [getuige 1] ondanks haar latere verklaringen, bruikbaar zijn voor het bewijs, voor zover daarin concrete, ook door [slachtoffer] genoemde voorvallen zijn beschreven. Daarnaast kunnen deze verklaringen van moeder een rol spelen in de overtuiging dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

3.3 De vraag naar de bruikbaarheid van de verklaring van [getuige 2]

De raadsvrouw heeft betoogd dat uit de verklaring van [getuige 2] in combinatie met hetgeen [slachtoffer] bij de rechter-commissaris heeft verklaard over dit voorval, niet de conclusie kan worden getrokken dat verdachte een keer is betrapt.

Ten eerste kan volgens de raadsvrouw niet worden uitgesloten dat beiden hun verklaringen aan elkaar hebben aangepast. Ten tweede merkt de raadsvrouw op dat de verklaringen niet op elkaar aansluiten en er door [getuige 2] inconsistent is verklaard.

Het hof overweegt hierover het volgende. [slachtoffer] heeft over dit voorval verklaard op 12 juni 2008 nadat [getuige 2] er al eerder in 2007 over heeft verklaard. [slachtoffer] zegt op de vraag of het wel eens gebeurd is dat verdachte seks had met haar en dat er iemand binnenkwam dat zij weet van een keer in Hoogkarspel, dat ze net terug waren uit Frankrijk en verdachte op haar kamer seks met haar aan het hebben was, dat ze heeft gezien dat de deur open ging en dat ze het gezicht van [getuige 2] zag. Dat ze later van [getuige 2] heeft gehoord dat hij toen binnenkwam om een boek uit de kast te halen. Dat ze niet meer weet of [getuige 2] echt is binnengekomen. Dat volgens haar verdachte op haar lag en toen opsprong en dat ze niet meer weet of verdachte toen kleren aanhad.

Het hof stelt vast dat [slachtoffer] niet verhult dat zij kennelijk met [getuige 2] over bedoeld incident heeft gesproken. De verklaring van beiden verschilt echter op onderdelen zoals over de vraag of verdachte naast het bed zat dan wel op [slachtoffer] lag toen [getuige 2] binnenkwam. Het hof vindt dit evenwel als zodanig geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2], temeer daar [getuige 2] er zelf over heeft verklaard dat [slachtoffer] tegen hem heeft gezegd dat verdachte net was opgesprongen toen hij binnen kwam. Het hof hecht overigens vooral waarde aan de verklaring van [getuige 2] op dit punt, omdat deze een concreet door [slachtoffer] benoemd voorval ondersteunt dat kan duiden op een betrapping door een derde, waarbij hij bovendien melding maakt van opvallend te noemen gedrag van verdachte, die boos wordt over het feit dat [getuige 2] is binnengekomen, hem daarna slaat en vervolgens wil weten wat [getuige 2] heeft gezien.

Dat [getuige 2] over dit voorval bij de raadsheer-commissaris in hoger beroep niet exact gelijkluidend heeft verklaard doet hier, naar oordeel van het hof, niet aan af. In de kern blijft de verklaring van [getuige 2] gelijkluidend. Hij kwam de slaapkamer binnen van [slachtoffer] en trof hierbij [slachtoffer] aan in bed en de verdachte in haar directe nabijheid. Verdachte schrok zichtbaar van zijn binnenkomst en het was duidelijk dat dit niet werd gewaardeerd door verdachte.

Daarnaast stelt het hof vast dat de verklaring van [getuige 2] de verklaringen van [slachtoffer] over de gebeurtenissen gedurende de afwezigheid van hun moeder op de donderdagavonden in Lutjebroek ondersteunt. [getuige 2] heeft daarover immers opgemerkt dat [slachtoffer] van verdachte naar diens slaapkamer moest, dat zij dan een tijdje wegbleven en dat [slachtoffer] later met een rood hoofd naar de badkamer ging, waarbij het leek of zij gehuild had.

Hetzelfde kan worden betoogd voor [getuige 2] waarneming van de geur, die hij bij [slachtoffer] heeft waargenomen en die hij als opvallend betitelt. Hij zegt de geur raar te vinden en verklaart de geur alleen te kunnen vergelijken met de geur die hij soms in de slaapkamer van zijn ouders rook. Als zodanig kan deze verklaring niet direct tot het bewijs dienen, maar gevoegd bij de aanvullende verklaring van [getuige 1] kan deze wel van belang zijn voor de overtuiging. [getuige 1] verklaart immers voorafgaand aan het politieverhoor van [getuige 2] dat [getuige 2] ook aan haar heeft verteld dat hij wel eens aan [slachtoffer] rook dat er net zo’n lucht om haar heen hing als bij de ouders ’s morgens in de slaapkamer. De moeder merkt daar dan vervolgens over op dat hij kennelijk bedoelde de lucht nadat je seks hebt gehad. In het weekend kwam het volgens moeder namelijk vaak voor dat ze in de ouderlijke slaapkamer ‘s morgens seks had met verdachte en dat daarna de kinderen binnen konden komen.

Concluderend is de verklaring van [getuige 2] naar het oordeel van het hof, in combinatie met de verklaringen van [slachtoffer], op onderdelen bruikbaar voor het bewijs, en voorts van mogelijk belang voor de overtuiging van het hof.

3.4 De vraag naar de bruikbaarheid van de eigen verklaringen van de verdachte

De verdachte heeft het tenlaste gelegde seksueel misbruik in iedere vorm van aanvang af ontkend. Niettemin zijn de verklaringen van verdachte naar het oordeel van het hof op onderdelen bruikbaar voor het bewijs. Het gaat dan met name om de onderdelen die de verklaringen van [slachtoffer] ondersteunen, als het gaat om de vraag of verdachte veelvuldig in de gelegenheid is geweest met [slachtoffer] alleen te zijn en daarmee in de gelegenheid is geweest het hem ten laste gelegde te begaan. Zo heeft verdachte in zijn tweede politieverklaring aangegeven ’s nachts, nadat hij naar de wc is geweest, vaak de kamer van [kind 4] en [slachtoffer] binnen te zijn gelopen, waarbij hij dan wel bij [slachtoffer] in bed ging liggen . Hij heeft voorts ter zitting in eerste aanleg aangegeven dat het hoorbaar is wanneer zijn vrouw op de trap naar beneden komt.

Verdachte bevestigt voorts dat hij er wel eens alleen op uit ging met [slachtoffer], bijvoorbeeld om een eind met de auto te rijden. Ter zitting bij de rechtbank heeft hij aangegeven ook met haar alleen te zijn gaan fietsen. In zijn tweede verklaring bij de politie bevestigt verdachte dat hij op de camping in Frankrijk op een gegeven moment weg is gegaan met [slachtoffer] en dat zij hadden rondgelopen om de omgeving van de camping te bekijken, waarbij zij achter de camping door de struiken naar een riviertje zijn gegaan . Verdachte heeft daarnaast aangegeven behoefte te hebben aan meermalen seks per dag. En ten slotte heeft verdachte bevestigd dat hij de kinderen wel slaat met de pollepel als hun gedrag hem daartoe aanleiding geeft.

Het hof is van oordeel dat bovengenoemde verklaringen van verdachte de verklaring van [slachtoffer] ondersteunen in zoverre dat verdachte veelvuldig onder verschillende omstandigheden alleen is geweest met [slachtoffer] op de plaatsen waarvan zij zegt dat het misbruik daar plaatsvond. Daarnaast bevestigt verdachte dat hij er binnen het gezin onder andere door te slaan, voor zorgde dat de kinderen hem gehoorzaamden. Zijn verklaringen zijn in die zin bruikbaar voor het bewijs.

3.5 De vraag naar de waardering van de uitkomsten van het spermasporen- en DNAonderzoek

Onderscheid moet naar het oordeel van het hof worden gemaakt tussen het onderzoek en de uitkomsten daarvan met betrekking tot de zedenset, de onderbroek en het laken. Daarbij stelt het hof voorop dat het hier gaat om sporen in relatie tot mogelijk seksueel verkeer tussen verdachte en [slachtoffer] in de periode tussen maandagavond 23 april en dinsdagmorgen 24 april 2007. Over die door [slachtoffer] hierboven reeds beschreven laatste keer zijn een aantal details wel en een aantal details niet bekend geworden. Dit bemoeilijkt het trekken van conclusies als het gaat om de waardering van de verschillende verkregen onderzoeksresultaten.

De raadsvrouw heeft op een aantal punten gemotiveerd aangegeven dat de uitkomsten van het onderzoek door het NFI niet kunnen bijdragen tot het bewijs. Het hof zal hieronder ingaan op bedoelde verweren en zich vervolgens uitlaten over de al dan niet bruikbaarheid van het forensisch onderzoeksresultaat voor het bewijs van het aan verdachte ten laste gelegde.

3.5.1 Onderzoek naar het laken door het NFI

De raadsvrouw noemt kort het feit dat er geen sporen op het laken van het bed van [slachtoffer] zijn aangetroffen een ontlastend gegeven.

Het hof deelt de conclusie van de raadsvrouw dat bij het NFI-onderzoek aan het laken geen sperma of een aanwijzing voor spermavloeistof is aangetroffen. Volgens het deskundigenrapport van 10 maart 2008 zijn daarom van het laken geen sporen veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

Het hof wijst erop dat bij de waardering van onderhavig onderzoeksresultaat ook de volgende aspecten van belang zijn.

Allereerst heeft de getuige-deskundige Bauer ter terechtzitting in eerste aanleg van 6 november 2008 het volgende verklaard:

Het laken is eerst visueel bekeken met een forensische lichtbron. Er was één oplichtende vlek. Op deze vlek is de zure fosfasetest toegepast. Het testresultaat was negatief. Er is specifiek naar spermasporen gezocht, andere sporen zijn niet onderzocht.

Ten tweede is uit het politieonderzoek destijds niet komen vast te staan of bedoeld laken die nacht tijdens het door [slachtoffer] beschreven seksueel verkeer op haar bed heeft gelegen. Slechts kan worden vastgesteld dat de politie het laken op woensdagavond 25 april van het bed van [slachtoffer] gehaald op een tijdstip nadat verdachte was aangehouden. Dit betekent naar het oordeel van het hof dat de uitkomsten met betrekking tot het laken –positief of negatief- niet als belastend en ook niet als ontlastend kunnen worden bestempeld.

3.5.2 Onderzoek zedendelicten

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de bij [slachtoffer] afgenomen zedenkit (ongeveer 24 uur na het door [slachtoffer] beschreven laatste seksueel verkeer), waarbij verdachte zou zijn klaar gekomen en [slachtoffer] zich nadien niet heeft gewassen, een belangrijk ontlastend gegeven is.

Het hof merkt allereerst op dat door de getuige-deskundige de Blaeij ter zitting in eerste aanleg op 6 november 2008 ook is ingegaan op de mogelijke betekenis van de uitkomsten van dit onderzoek. Zij heeft daarover het volgende verklaard:

U vraagt mij naar de reden waarom –ondanks het feit dat in ZAI292 bij het eerdere onderzoek geen sperma is aangetroffen- de bemonsteringen toch zijn onderworpen aan de differentiële lysistechniek. Er wordt dan gekeken of er toch dieper in het wattenstaafje spermacellen aanwezig zijn. Deze methode resulteert in twee fracties, een fractie met het DNA van de spermacellen en een fractie met het DNA van de overige cellen. U vraagt mij of de conclusie met betrekking tot de zedenset betekent dat met zekerheid kan worden gezegd dat in de vagina/baarmoedermond geen sperma(vloeistof) aanwezig is geweest op het moment van de afname van het materiaal. Nee het is mogelijk dat de spermacellen zich dusdanig in de diepere lagen bevinden dat bij later DNA-onderzoek toch nog spermacellen worden aangetroffen. Het kan ook zijn dat spermacellen in de vagina sterk worden overtroffen door vaginale cellen. De vraag of onderzoek een bruikbaar profiel oplevert, hangt af van verschillende factoren zoals de kwaliteit DNA van het spoor en de condities waaronder het spoor is veiliggesteld. In het algemeen is het tijdsverloop tussen het seksueel verkeer en de afname van materiaal zeker van belang, dat tijdsinterval moet zo kort mogelijk zijn. Daarbij wordt binnen het NFI de termijn van 24 uur als een soort gemiddelde beschouwd. Ook van belang is het leef- en beweegpatroon van de vrouw in kwestie. Tevens speelt mee hoe ervaren de arts is die het monster afneemt en hoe exact het monster is afgenomen.

De raadsman in eerste aanleg heeft zijn destijds ingenomen stelling ook ter zitting in de vorm van een vraag aan de getuige-deskundige geponeerd, namelijk hoe waarschijnlijk het is dat geen spermacellen worden aangetroffen in de situatie dat een vruchtbare man in een vrouw een zaadlozing heeft, waarbij de vrouw naderhand haar slip heeft aangetrokken, niet heeft gedoucht en binnen 24 uur de zedenkit wordt afgenomen. De getuige-deskundige heeft daarop verklaard:

Dit is van heel veel factoren afhankelijk. Ik kan daar geen uitspraak over doen. Je weet bijvoorbeeld niet hoe representatief de bemonstering is geweest. Wanneer iemand naar het toilet gaat, gaat er al een heleboel materiaal naar buiten. Des te meer invloeden, des te minder spermacellen er overblijven. Daar komt bij dat de anatomische bouw van iedere vrouw anders is.

In hoger beroep is door drs. H.N. Bauer een brief d.d. 27 januari 2011 opgesteld, betreffende een reactie op de Quick-scan DNA-onderzoek van 8 juli 2010 van R. Eikelenboom van Independent Forensic Services (IFS). In deze brief schrijft Bauer (onder punt 7) ten aanzien hiervan:

Onder het zevende punt (naar het hof begrijpt: punt 7 in de quick-scan van het IFS) wordt gesteld dat in sommige gevallen na 3 tot 7 dagen na ejaculatie nog spermacellen worden aangetroffen in de zedenkit. Daarnaast wordt gesteld dat er op grond van de resultaten van het NFI geen steun is voor de hypothese dat er sperma op de uitstrijkjes van de vagina aanwezig was.

Het klopt dat in sommige gevallen na het verstrijken van meerdere dagen nog spermacellen in inwendige bemonstering van een lichaam kunnen worden aangetroffen. Het niet aantreffen van spermacellen betekent echter niet zondermeer dat er geen ejaculatie of geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden. Ook de tijd tussen delict en bemonstering en de wijze van bemonstering ten tijde van het afnemen van de onderzoeksset zedendelicten en het ‘was- en plasgedrag’ van de bemonsterde persoon zijn hierop van invloed.

Vaststaat dat [slachtoffer] voorafgaand aan het onderzoek in elk geval heeft geplast. Het hof is van oordeel dat de conclusie die de raadsvrouw verbindt aan het negatieve testresultaat inzake de zedenkit niet kan worden getrokken en niet wordt ondersteund door de deskundige van het NFI. Dat [slachtoffer] zich niet heeft gewassen doet hier niets aan af. Ook de verklaring van de moeder dat er veel vloeistof vrijkomt als verdachte ejaculeert doet hier niets aan af. Te meer omdat dit niet objectief is vastgesteld en de hoeveelheid vloeistof per ejaculatie kan verschillen.

3.5.3 Onderzoek van de onderbroek door het NFI

3.5.3.1 De onderbroek in relatie tot de verdenking van seksueel verkeer in de nacht van 23 op 24 april 2007

Zoals bij de vaststaande feiten reeds weergegeven, betreft het onderzoek van het NFI hier de groengekleurde onderbroek die [slachtoffer] droeg op woensdag 25 april 2007 rond het moment dat zij bij de politie Lelystad het intakegesprek voerde en om 02.00 uur in het IJsselmeerziekenhuis medisch is onderzocht.

Het hof is allereerst van oordeel dat het betreurenswaardig is dat in het onderzoeksrapport van de politie/arts geen nadere gegevens zijn ingevuld met betrekking tot deze onderbroek, zoals de vraag of de onderbroek gedragen is voor, tijdens en/of na het vermeende laatste seksueel contact. Aan de getuige-deskundige Bauer is dit ter zitting in eerste aanleg voorgelegd en zij heeft verklaard dat bedoelde vragen voor het onderzoek door het NFI niet van belang zijn. In zoverre heeft het oningevuld zijn van deze vragen geen directe consequentie voor de bruikbaarheid van het NFI-onderzoek.

Wel is het zo dat het ontbreken van details over het dragen van de onderbroek, niet alleen het onderzoek naar de precieze toedacht van het door [slachtoffer] aangeduide laatste seksueel verkeer bemoeilijkt, maar ook de waardering van de door het NFI gerapporteerde onderzoeksresultaten.

De politie is daarbij –naar het oordeel van het hof ten onrechte- in het verhoor van [slachtoffer] op 28 en 29 april 2007 niet verder ingegaan op relevante details van voornoemde laatste keer, zodat men niet binnen korte tijd na het feit nadere informatie over de precieze toedracht van die keer heeft vergaard. Op de zitting van de rechtbank van 5 juni 2008 is dit punt door de rechtbank ambtshalve aan de orde gesteld. [slachtoffer] is vervolgens op 12 juni 2008 door de voorzitter van de rechtbank in de hoedanigheid van rechter-commissaris en door de raadsman bevraagd over dit voorval. [slachtoffer] heeft toen het volgende verklaard:

Woensdagmorgen nadat we aangifte hadden gedaan ben ik in het ziekenhuis in Lelystad inwendig onderzocht. Ik heb ook daar de onderbroek die ik op dat moment droeg aan de politie gegeven. U vraagt mij of ik nog weet hoe die onderbroek eruit zag. Ik dacht dat het een groene was. U vraagt mij wat ik aanheb als ik in bed lig. Ik draag altijd een onderbroek. U vraagt mij wat ik nog weet van die dinsdagmorgen. Ik weet nog dat [verdachte] (verdachte) rond 7.30 uur op de kamer van [kind 4] en mij kwam. U vraagt mij of ik weet of [verdachte] eerder die nacht op onze kamer is geweest. Dat weet ik niet meer. U vraagt mij of ik die ochtend heb gedoucht. Nee. U vraagt mij of ik weet wanneer ik de onderbroek die ik aan de politie heb gegeven heb aangetrokken. Als het goed is had ik die de nacht van maandag op dinsdag al aan. Ik weet dat niet zeker. Ik trek ’s morgens niet altijd een schone onderbroek aan. Ik trek een schone onderbroek aan als ik ’s morgens gedoucht heb. U vraagt mij of ik nog weet wat ik aan de politie heb gezegd toen ze mij vroegen wat de laatste keer is geweest dat er seks was tussen [verdachte] en mij. Ik weet dat niet meer.

(op vragen van de raadsman) U vraagt mij hoe ik zeker weet dat ik die dinsdagochtend 24 april 2007 niet heb gedoucht, terwijl ik niet zeker weet of er die nacht seks is geweest met [verdachte]. Dat van het douchen weet ik zeker omdat ik na het douchen altijd natte haren heb, ik föhn mijn haren niet en weet dat ik bij die afspraak met [getuige 3] geen natte haren had. U vraagt mij of ik niet juist zou willen douchen na seksueel contact. Dat weet ik niet, eigenlijk wel. Dat zou wel fris zijn, maar ik weet zeker dat ik die ochtend niet heb gedoucht.

Het hof concludeert dat op basis van het beschikbare bewijsmateriaal niet met zekerheid is komen vast te staan dat [slachtoffer] de onderzochte slip heeft gedragen voor of tijdens het vermeende seksuele verkeer van de nacht van maandag 23 op dinsdag 24 april 2007. Wel is komen vast te staan dat zij de onderbroek droeg op enig moment na dat vermeende seksuele verkeer en dat in deze onderbroek in het aangetroffen spermavloeistofspoor een DNA-profiel is aangetroffen dat matcht met verdachte.

Daarnaast zijn bij aanvullend onderzoek op meerdere plekken in de slip spermavloeistofsporen en speekselsporen aangetroffen, waarvan bij een tweetal hiervan een DNA-mengprofiel is aangetroffen dat volledig overeenstemt met dat van de verdachte en [slachtoffer] .

[getuige 1] heeft een aantal alternatieve verklaringen gegeven waardoor deze sporen in de onderbroek van [slachtoffer] terecht gekomen zouden kunnen zijn, te weten, via de was, haar nagels of de toiletbril. Deze verklaringen acht het hof volkomen onaannemelijk,nu niet valt in te zien dat [slachtoffer] het desbetreffende kledingstuk, komend uit de wasmand ongewassen zou hebben aangetrokken, er voorts uitsluitend celmateriaal van enerzijds [slachtoffer] en anderzijds de verdachte op is aangetroffen, en bevuiling op onderzochte plaatsen in de onderbroek bij normaal gebruik van de toiletbril zo ongebruikelijk zou zijn dat aan deze mogelijkheden voorbij dient te worden gegaan.

3.5.4 Conclusie met betrekking tot de waardering van het forensisch onderzoek door het NFI

Op grond van het bovenstaande is naar het oordeel van het hof de uitkomst van het onderzoek door het NFI aan de onderbroek van [slachtoffer], te weten de match met verdachte inzake het in het spermavloeistof en speeksel gevonden DNA-profiel, bruikbaar voor het bewijs in combinatie met hetgeen de getuige-deskundigen daarover ter terechtzitting bij de rechtbank hebben verklaard en ter onderbouwing van hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard over het seksueel misbruik. De uitkomsten van het onderzoek aan de zedenkit en het laken doen daaraan volgens het hof niet of niet voldoende af.

Bij pleidooi is door de raadsvrouw het voorwaardelijk verzoek gedaan dat zij, indien de resultaten van het DNA onderzoek door het NFI voor het bewijs gebezigd worden, zij de getuige-deskundige drs. H.N. Bauer, nader wil horen. Dit verzoek is in de pleitnotities nader toegelicht.

Het hof wijst dit verzoek af.

De verzochte getuige-deskundige is reeds in eerste aanleg ter terechtzitting gehoord, onder meer over de onderwerpen waarover de raadsvrouw deze getuige opnieuw wil bevragen. Het hof acht het opnieuw horen van deze getuige-deskundige niet noodzakelijk voor enig in deze strafzaak te nemen beslissing en wijst het verzoek derhalve af.

4. Het aan verdachte ten laste gelegde feit onder 1 primair

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend is komen vast te staan dat verdachte zijn stiefdochter [slachtoffer] vanaf haar zevende tot haar vijftiende jaar seksueel heeft misbruikt door middel van het anaal en vaginaal met zijn penis bij haar binnendringen.

Ten overvloede merkt het hof op dat daarbij voor het bewijs geen gebruik is gemaakt van de -door de verdediging bestreden aanvullende OCK-groepsverslagen en hetgeen door [kind 4] zou zijn verklaard-zodat het verweer van de raadsvrouw op dat punt geen verdere bespreking behoeft en dat het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [kind 4] en de medewerker van Het Spalier geen beoordeling en beslissing meer behoeft.

4.1 Nadere overwegingen met betrekking tot feit 1 primair: dwang door middel van (bedreiging met) geweld of een feitelijkheid

Zoals uit de weergegeven bewijsmiddelen naar voren komt, heeft verdachte binnen zijn gezin het gebruik van geweld tegen zijn kinderen niet geschuwd: hij heeft hen geslagen op onder andere het hoofd en op de billen. [getuige 1] heeft over haar man verklaard dat hij driftig kan zijn en een agressieve houding aan kan nemen. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij haar man diverse kinderen heeft zien slaan, waarbij dan (tegen de afspraken in) ook andere plaatsen op het lichaam of het hoofd geraakt werden .

[getuige 2] heeft verklaard door zijn stiefvader geslagen te zijn en dat verdachte tegen hem altijd boos deed en hem overal sloeg, ook op zijn hoofd .

Over het gebruik van geweld, specifiek in relatie tot het seksueel misbruik heeft [slachtoffer] verklaard dat als zij zich tegen het misbruik door verdachte verzette doordat zij probeerde weg te gaan, hij haar begon te slaan, waaronder op haar hoofd . Een keer heeft hij haar, toen ze hem een keer wegduwde, in zijn kwaadheid met de vuist geslagen. Dit resulteerde in een blauw oog bij [slachtoffer] . Tegen haar moeder moest zij van verdachte vertellen dat dit blauwe oog het resultaat was van een valpartij waarbij zij met haar oog op de rand van het badkamermeubel was gevallen . Zowel door verdachte zelf als door moeder is dit voorval van het blauwe oog bevestigd.

Meer specifiek over het misbruik dat in de keuken plaatsvond toen zij met het gezin reeds naar Hoogkarspel waren verhuisd, heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte haar dan tegen het keukenblad aanzette en haar voorover duwde. Verdachte deed dan haar broek los en deed deze naar beneden. Als zij tegenwerkte werd haar vader boos. Als zij rechtop ging staan en weg wilde lopen trok hij haar terug en zette haar weer voor zich neer. Hij ging dan net zo lang door tot [slachtoffer] het misbruik liet gebeuren . In haar verklaring bij de rechter-commissaris van 12 juni 2008 heeft [slachtoffer] verteld dat als de seks plaatsvond op verdachte's slaapkamer, hij dan de deur op slot draaide.

Op grond van het bovenstaande komt het hof tot de conclusie dat sprake is geweest van het gebruik van geweld en een andere feitelijkheid om [slachtoffer] daarmee tot het seksueel binnendringen te dwingen.

Niet van alle keren binnen de tenlaste gelegde periode van 8 jaren waarover [slachtoffer] verklaart, kan het vereiste causaal verband tussen het binnendringen en het gebruikte geweld steeds voldoende worden vastgesteld, nu in de verklaringen van [slachtoffer] op dat punt niet met betrekking tot alle keren afzonderlijk voldoende informatie kan worden gevonden. Zo is niet duidelijk of het binnendringen altijd op alle verschillende plaatsen en op alle verschillende momenten met geweld of een andere feitelijkheid door verdachte werd afgedwongen.

In de tenlastelegging onder 1 primair is evenwel ook de mogelijkheid benoemd dat verdachte door bedreiging met geweld of een feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen het binnendringen te ondergaan.

Wat dit betreft acht het hof de volgende omstandigheden van belang:

a) [slachtoffer] heeft verklaard dat het misbruik op zeer jonge leeftijd is begonnen, namelijk in 1999. In het begin, toen het misbruik plaatsvond op de ouderslaapkamer in het huis in Lutjebroek, gebeurde dit volgens [slachtoffer] , terwijl de deur door haar vader op slot was gedraaid . Verdachte deed in die situaties [slachtoffer]’s broek naar beneden . Als zij tegenstribbelde werd ze door verdachte geslagen.

b) Het misbruik gebeurde gedurende 8 jaren en vond regelmatig plaats. Aanvankelijk eens per week, maar later ook meermalen per week .

c) [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte heel dwingend kon zijn jegens de kinderen. Zijn wil was wet. Als voorbeeld heeft zij genoemd dat de kinderen het vaak niet leuk vonden als verdachte in hun oor beet of in hun beentjes kneep, omdat hij dat vaak te hard deed. Hij ging dan net zo vaak door, totdat hij zijn zin had. Ook noemde ze als voorbeeld een situatie waarin [slachtoffer] op vakantie niet meer het koude water van een rivier in wilde. Verdachte bleef echter zodanig op zijn strepen staan, dat [slachtoffer] uiteindelijk toch weer het water in ging . [getuige 1] heeft hierover ook opgemerkt dat de dwingende wijze van optreden van haar man niet altijd haar goedkeuring had, maar dat het ook zijn voordelen had: de kinderen luisterden altijd naar hem .

d) Verdachte heeft in zijn tweede politieverklaring specifiek over [slachtoffer] gezegd dat als hij haar boos aankijkt, de traantjes al beginnen te komen vanwege het tikken met de palu waar zij wel eens letsel van heeft opgelopen. Verdachte verklaart daarover dat hij dit slaan met de pollepel sinds zij 10 of 11 jaar oud is, niet meer doet en zegt dan letterlijk: “ze heeft het wel geleerd denk ik”.

e) Ook heeft verdachte verklaard dat de opvoeding in beginsel in handen was van zijn vrouw, maar als de kinderen niet wilden luisteren, hij erbij werd gehaald en dat hij sloeg met de palu .

In samenhang met het bovenstaande, kan naar het oordeel van het hof geconcludeerd worden dat verdachte binnen het gezin waarin ook [slachtoffer] leefde, onder meer door te slaan, gehoorzaamheid afdwong. Ook [slachtoffer] was het derhalve bekend dat er geslagen kon worden wanneer gedrag van de kinderen haar vader niet naar de zin was. Het hof is van oordeel dat, wanneer met enige regelmaat binnen een gezin geweld wordt gebruikt, terwijl ook seksueel misbruik met geweld gepaard kan gaan, ook het misbruik dat niet onmiddellijk volgt op het gebruikte geweld maar eerst na enige tijd plaatsvindt, mede wordt afgedwongen door het gebruik van dat eerdere geweld.

In die situaties waarin misbruik in directe zin te ver verwijderd is van een geweldsincident om daardoor veroorzaakt te zijn, is [slachtoffer] naar het oordeel van het hof in ieder geval ook door bedreiging met geweld tot het ondergaan van het misbruik is gedwongen.

Daarnaast is de vraag of het bestaan van een overwichtsituatie, zoals ook in de tenlastelegging onder 1 primair benoemd, voldoende is om een (bedreiging met) een feitelijkheid op te leveren.

Vooropgesteld moet worden dat van door een feitelijkheid dwingen als bedoeld in artikel 242 Wetboek van Strafrecht slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan .

In deze zaak concludeert het hof op grond van de verklaring van [slachtoffer] , haar broer [getuige 2], de verklaring van [getuige 1] en de verklaring van verdachte, dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de verhouding die er op grond van zijn dwingende persoonlijkheid tussen hem en zijn stiefdochter bestond, waarbij hij misbruik heeft gemaakt van het gezag dat hij over elk van zijn kinderen en daarmee ook over [slachtoffer] had.

Daarnaast heeft hij [slachtoffer] vanaf jonge leeftijd seksueel benaderd, waarbij in de eerste periode de slaapkamerdeur door verdachte op slot werd gedraaid zodat [slachtoffer] zich niet zonder meer aan de situatie kon onttrekken en verdachte vervolgens [slachtoffer] naar zijn wens voor het bed posteerde en hij haar broek naar beneden deed. Het hof merkt hierbij op dat de weerbaarheid van een meisje van de leeftijd van 7 jaar met een als streng te omschrijven vader zeer beperkt geacht mag worden te zijn ten opzichte van gedragingen van die vader, ook als die haar onwelgevallig zijn. Tenslotte is als relevant aan te merken dat het misbruik stelselmatig en van lange duur is geweest .

Op basis van de voornoemde factoren, in onderling verband en samenhang bezien, is naar het oordeel van het hof, sprake geweest van een zodanig samenstel van feitelijkheden en (bedreiging met) geweld alsmede een zodanige geestelijke, fysieke en sociale ongelijkheid tussen aangeefster en verdachte dat het voor aangeefster niet mogelijk was zich aan de seksuele contacten met verdachte te onttrekken, zodat zij door verdachte daartoe is gedwongen.

Gelet op de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank dat hij wist dat hij binnen het gezin werd ingezet om gehoorzaamheid af te dwingen, is het hof bovendien van oordeel dat hij wist dat [slachtoffer] zijn toenaderingen niet zou kunnen weerstaan en dat van vrijwilligheid bij het slachtoffer geen sprake kon zijn en dat verdachte dit heeft beseft. Derhalve is tevens sprake van opzet op de onvrijwilligheid.

Bewezenverklaring feit 1 primair

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 24 april 2007 te Lutjebroek, gemeente Stede Broec, en Hoogkarspel, gemeente Drechterland, en Andijk, gemeente Medemblik en in het Streekbos te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec, en in het buitenland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] , geboren op [1992], telkens heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte zich door die [slachtoffer] laten pijpen, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheid telkens uit de volgende, in onderling verband en samenhang te beschouwen feiten en/of omstandigheden:

- verdachte heeft de deur van zijn slaapkamer, alwaar die verkrachtingen plaatsvonden, op slot gedaan en/of

- verdachte heeft die [slachtoffer] tegen het hoofd althans tegen het lichaam geslagen, wanneer die [slachtoffer] zich verzette en/of

- verdachte heeft de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] omlaag gedaan en/of

- verdachte heeft die [slachtoffer] op dwingende wijze vastgepakt, omgedraaid, teruggezet en/of voorover geduwd en/of

- verdachte heeft die [slachtoffer] vanaf jonge leeftijd met een riem en/of een pollepel tegen het hoofd, de rug en/of de billen, althans tegen het lichaam geslagen en/of

- verdachte heeft tegen die [slachtoffer] gezegd dat het hun geheimpje was en dat zij, als zij er met anderen over zou spreken, met een pollepel (de palu) geslagen zou worden.

- verdachte heeft aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie doen ontstaan, althans een situatie, waar zij zich vanwege het grote leeftijdsverschil tussen die [slachtoffer] en verdachte en het fysieke en/of psychische overweicht van verdachte niet heeft kunnen onttrekken;

Hetgeen onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op: verkrachting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het onder 1 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde en tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle aan hem tenlastegelegde feiten.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende een zeer lange periode zijn stiefdochter [slachtoffer] vele malen verkracht. Er was sprake van gewelddadig en dwingend gedrag waarbinnen ook het seksueel misbruik geplaatst kan worden. Het seksueel misbruik van zijn stiefdochter is aangevangen toen zij slechts (bijna) zeven jaar oud was en heeft voortgeduurd tot kort voor de aangifte, toen zij vijftien jaar oud was.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde acht het hof een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Daarbij is rekening gehouden met:

? de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

? de lange duur van de periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden en de hoge frequentie daarvan, alsmede de omstandigheid dat het slachtoffer aan de zorg van de verdachte als stiefvader was toevertrouwd, terwijl het seksueel misbruik is aangevangen toen [slachtoffer] nog zeer jong was;

? het feit dat verdachte ernstig misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke en morele overwicht op zijn stiefdochter en daarbij in ernstige mate het vertrouwen heeft geschonden dat [slachtoffer] in hem als (stief)vader mocht stellen;

? het feit dat verdachte bij het plegen van het bewezenverklaarde geen rekening heeft gehouden met de gevoelens van [slachtoffer] en uitsluitend was gericht op de bevrediging van zijn seksuele behoeften.

Anders dan bepleit door de raadsvrouw ligt in het vorenstaande besloten dat niet kan worden volstaan met de door de rechtbank opgelegde straf.

Het hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 januari 2013 verdachte niet eerder ter zake van zedenmisdrijven met politie en justitie in aanraking is geweest.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden.

Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden, nu tussen de datum waarop het hoger beroep tegen het vonnis is ingesteld en de datum waarop de behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden, meer dan twee jaren is verstreken en deze termijnoverschrijding niet (geheel) aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het hof houdt met deze schending bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf in die zin rekening, dat het hof in plaats van een, het vorenstaande in aanmerking genomen, in beginsel passend te achten gevangenisstraf van 6 jaren, een gevangenisstraf van 5 jaren en 4 maanden zal opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.541,26. De vordering is na herberekening door de rechtbank bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.532,80. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partij te kennen gegeven de vordering te beperken tot het bedrag zoals in eerste aanleg toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden en de hoogte van de vordering is in hoger beroep door de verdediging niet betwist, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 10.532,80 (tienduizend vijfhonderdtweeëndertig euro en tachtig cent) bestaande uit € 532,80 (vijfhonderdtweeëndertig euro en tachtig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 10.532,80 (tienduizend vijfhonderdtweeëndertig euro en tachtig cent) bestaande uit € 532,80 (vijfhonderdtweeëndertig euro en tachtig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 87 (zevenentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welke beslissing afzonderlijk is geminuteerd.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.E.A. Wildenburg, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. van Rede, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 februari 2013.