Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ0802

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
200.113.449-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging namens curandus verwerping erfenis. Hoger beroep afgewezen wegens verlopen termijn artikel 4:193 BW. Hof overweegt ten overvloede dat machtiging niet zou worden verleend, nu belang van curandus verwerping niet vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/30.21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 29 januari 2013

Zaaknummer: 200.113.449/01

Zaaknummer eerste aanleg: EB 1028-12, CBnr. 25.586

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

te dezer zake handelend als curatrice voor en namens

[Y],

advocaat: mr. M.A. Weenink te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante wordt hierna ook [X] genoemd.

1.2. Appellante is op 18 september 2012 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 juni 2012 van de rechtbank Amsterdam, sector kanton locatie Hilversum, met kenmerk EB 1028-12, CB nr. 25.586.

1.3. Appellante heeft op 19 oktober 2012 een brief aan het hof gezonden.

1.4. De zaak is op 6 december 2012 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- appellante, bijgestaan door haar advocaat;

- de hierna te noemen heer [F].

2. De feiten

2.1. Bij beschikking van 17 januari 2000 is [de moeder] (hierna ook: erflaatster of de moeder) benoemd tot curator van [Y] (hierna ook: [Y]), geboren [in] 1963. [Y] is sinds 1987 wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld. Hij heeft altijd in diverse woongemeenschappen en instellingen verbleven en verblijft sinds vier jaar in Trajectum, een instelling voor mensen met een combinatie van een verstandelijke handicap, een psychiatrische stoornis en onbegrepen risicovol gedrag. De machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis is voor het laatst verlengd bij beschikking van 3 april 2012 van de rechtbank Leeuwarden, tot en met 17 april 2013.

Erflaatster is op 4 januari 2012 overleden. Appellante is sindsdien curator van [Y].

Erflaatster was ten tijde van haar overlijden ongehuwd en liet [X] en [Y] achter.

Zij heeft op 8 april 2004 een testament laten verlijden. In dat testament zijn tot enig erfgenamen [X] en [Y] benoemd, met dien verstande dat ten aanzien van [Y] is bepaald dat hij niet meer uit haar nalatenschap zal ontvangen dan zijn legitieme portie. Voorts is een tweetrapsmaking opgenomen waarbij [Y] en [X] als ‘bezwaarden’ zijn opgenomen en de twee kinderen van [X] als ‘verwachters’. De tweetrapsmaking ziet op al hetgeen [Y] en [X] uit de nalatenschap van erflaatster zullen verkrijgen en daarvan zullen overhouden bij hun eigen overlijden. Tevens is bepaald dat iedere bezwaarde verplicht is op haar/zijn eigen vermogen in te teren voordat zij/hij inteert op het voorwaardelijk vermogen. [F] is benoemd tot executeur-testamentair.

Het vermogen van [Y] bedraagt thans circa € 885.000,-.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is afgewezen het verzoek van appellante om machtiging te verlenen voor en namens [Y] het aandeel in de nalatenschap van erflaatster, te weten zijn legitieme portie, te mogen verwerpen.

3.2. Appellante verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar inleidend verzoek toe te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Appellante is de wettelijk vertegenwoordiger van [Y]. Ingevolge artikel 4:193 Burgerlijk Wetboek (BW), eerste lid, kan een wettelijk vertegenwoordiger van een erfgenaam voor deze niet zuiver aanvaarden en behoeft deze voor verwerping een machtiging van de kantonrechter. Hij is verplicht een verklaring van beneficiaire aanvaarding of van verwerping af te leggen ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de nalatenschap, of een aandeel daarin, de erfgenaam toekomt, zo volgt uit de artikelen 4:193 lid 1, tweede zin, juncto 4:191 lid 1 BW. Deze termijn kan overeenkomstig artikel 4:192 lid 2, tweede zin, BW op verzoek een of meermalen worden verlengd door de kantonrechter, welke verlenging in het boedelregister wordt ingeschreven.

4.2. Appellante heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij binnen vijf weken na het overlijden van haar moeder met de notaris heeft besproken dat zij de erfenis namens haar broer wilde verwerpen. Dat is niet schriftelijk vastgelegd. Vervolgens is de kantonrechter verzocht machtiging te verlenen voor het verwerpen van de erfenis. Omdat de machtiging niet is verleend is hoger beroep van de beschikking van de kantonrechter ingesteld. De verklaring als bedoeld in artikel 4:193 lid 1 BW is dan ook nog niet afgelegd; deze kan immers niet zonder de machtiging worden gedaan, aldus appellante.

Ter zitting in hoger beroep is op grond van mededelingen daarover van appellante en [F] gebleken dat er geen verzoek aan de kantonrechter is gedaan om de termijn waarbinnen de verklaring kan worden afgelegd, te verlengen. Nu de nalatenschap op 4 januari 2012 is open gevallen, en geen verlenging van voornoemde termijn is verkregen, had appellante de verklaring uiterlijk op 4 april 2012 dienen af te leggen. Het gevolg van het verlopen van de termijn is, overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van artikel 4:193 BW, dat de nalatenschap als door de erfgenaam beneficiair aanvaard heeft te gelden. Nu dit gevolg van rechtswege intreedt, kan het beroep van appellante, met verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 juni 2012 (LJN: BW5695), op de redelijkheid en billijkheid niet opgaan. De conclusie is dan ook dat appellante geen belang heeft bij het hoger beroep en dat dit zal worden verworpen.

4.3. Ten overvloede merkt het hof op dat, indien het wel zou zijn toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak, de beschikking waarvan beroep zou zijn bekrachtigd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Appellante stelt- met verwijzing naar literatuur- dat voor beantwoording van de vraag of de machtiging moet worden verleend als voorwaarde heeft te gelden dat de verwerping van de nalatenschap de belangen van de curandus niet schaadt. Het hof is van oordeel dat de wet geen grondslag biedt voor dit - ruime - criterium. Naar ook in de beschikking waarvan beroep is overwogen, dient te worden onderzocht of verwerping van de nalatenschap in het belang van [Y] wenselijk is.

Vast staat dat de nalatenschap geen schulden omvat. Integendeel, zelfs de legitieme portie die aan [Y] toekomt heeft een aanzienlijke waarde. In beginsel valt dan ook niet in te zien dat het belang van [Y] verwerping van deze positieve nalatenschap vereist. Uit het feit dat [Y] zelf reeds over een aanzienlijk vermogen beschikt en hij het vermogen uit de nalatenschap niet nodig heeft c.q. daarover niet kan beschikken omdat hij, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, slechts weinig uitgaven heeft, volgt op zichzelf nog niet dat verwerping van de nalatenschap in zijn belang wenselijk is.

Appellante voert verder nog aan dat -bij verkrijging van een groot geldbedrag- de veiligheid van [Y] om verschillende redenen in het geding zou zijn en dat daarom de nalatenschap moet worden verworpen. Het hof volgt haar daarin niet. De veiligheid van [Y] moet naar het oordeel van het hof worden geacht voldoende te zijn gewaarborgd doordat appellante het vermogen beheert en [Y] daar niet feitelijk over beschikt. Voorts is de vraag of het vermogen doelmatiger kan worden belegd indien de nalatenschap wordt verworpen en aldus -volgens de wettelijke regels- aan appellante toekomt, niet relevant voor de beoordeling van de vraag of de verwerping in het belang van [Y] wenselijk is. Het hof is dan ook van oordeel dat in het onderhavige geval niet aan de voorwaarde voor verwerping van de nalatenschap, en daarmee voor de gevraagde machtiging, is voldaan.

4.4. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

verwerpt het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, C.G. Kleene-Eijk en A.R. van Wieren in tegenwoordigheid van mr. S. Rezel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2013.