Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ0420

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
11-00284
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank komt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende wel ontvankelijk is in zijn beroep. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende het beroepschrift tijdig ter post heeft bezorgd. Volgt terugwijzing naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling in volle omvang.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 8:115
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/321
V-N 2013/21.25.1
FutD 2013-0419
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 11/00284

31 januari 2013

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/445 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 11 september 2009 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.039.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 10 december 2009, de aanslag gehandhaafd.

1.3. Bij uitspraak van 29 maart 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.4. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 11 april 2011, aangevuld bij brief van 14 april 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“2.1. Eiser heeft bij beroepschrift gedagtekend 20 januari 2010, door de rechtbank ontvangen op 25 januari 2010, beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 10 december 2009.

2.2. Het beroepschrift van eiser is per post verzonden. De envelop waarin het beroepschrift is verzonden, is voorzien van een poststempel met de datum 22 januari 2010.”

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan en voegt daaraan nog het volgende toe.

2.2. In het bij de rechtbank ingediende verweerschrift van 2 december 2010 schrijft de inspecteur onder meer het volgende:

“Indien het beroepschrift per post is verzonden is het tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Het is niet duidelijk wanneer het beroepschrift ter post is bezorgd. Mogelijk dat de poststempel hier uitsluitsel over geeft. Een poststempel met datum 21 januari 2010 (of eerder) betekent dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd. Een poststempeldatum van 22 januari 2010 (de vrijdaglichting) kan betekenen dat het beroepschrift op 21 januari 2010 vóór 24.00 uur is gepost. In dat geval wil ik de Rechtbank in overweging geven het beroep ontvankelijk te verklaren. Indien de poststempel een latere datum dan 22 januari 2010 vermeldt (bijvoorbeeld zondag 24 januari 2010) dan is naar mijn mening het beroepschrift te laat ingediend.”

2.3. In het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank staat onder meer het volgende vermeld (in het proces-verbaal wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):

“In antwoord op vragen van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het beroep verklaart eiser:

U vraagt mij wanneer ik het beroepschrift heb verzonden. Volgens mij is de brief door het administratiekantoor verzonden. Ik weet de exacte datum dat zij dat gedaan hebben niet meer. Maar ze hadden uitgerekend dat het stuk net op tijd zou worden verzonden. U wijst mij erop dat het beroepschrift door mij zelf is ondertekend en niet is geprint op briefpapier van het administratiekantoor [Y]. Nu ik het beroepschrift zie herinner ik mij dat het administratiekantoor de brief voor mij heeft opgesteld, maar dat ik de brief zelf heb verzonden. Ik weet niet precies meer wanneer. Ik heb de brief zelf gedateerd en verzonden. Ik denk dat het op 20 januari is geweest. Normaal gesproken verzend ik de brieven direct nadat ik ze heb uitgeprint. Ik weet niet meer hoe laat ik de brief op de post gedaan heb. Ik denk dat het ’s middags geweest is. Meestal stuur ik dit soort dingen aangetekend. Vreemd dat ik dat nu niet zo heb gedaan.

Het administratiekantoor zou een conceptbrief voor mij opstellen. De behandelaar van mijn dossier is een tijd ziek geweest. Een collega kon de brief niet opstellen. Ik weet niet waarom. Ik moest er steeds zelf achteraan. Ik heb de brief net op tijd gekregen en hem direct verstuurd.

In antwoord hierop verklaart de gemachtigde van verweerder:

Het blijft een ongewis verhaal. De ware toedracht van het moment van ter postbezorging blijft onduidelijk. Het enige objectieve gegeven is de poststempel. Ik kan niet controleren wanneer het beroepschrift gepost is.

Dat het administratiekantoor wegens ziekte van één van haar medewerkers pas in een laat stadium het concept beroepschrift aan eiser heeft gestuurd dient voor zijn rekening te komen.”

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard en daarbij het volgende overwogen:

“4.1. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 Awb). In afwijking van artikel 6:8 van de Awb is in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaald dat de beroepstermijn aanvangt met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.

Ingevolge artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.2. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 10 december 2009. Gesteld noch gebleken is dat de uitspraak op bezwaar is verzonden na de dag van de dagtekening. De beroepstermijn is derhalve aangevangen op 11 december 2009. De laatste dag waarop het beroepschrift (tijdig) kon worden ingediend was donderdag 21 januari 2010. Nu het beroepschrift binnen een week na die datum, op 25 januari 2010, door de rechtbank is ontvangen, had het beroepschrift, gelet op artikel 6:9 van de Awb, uiterlijk op 21 januari 2010 ter post moeten zijn bezorgd.

4.3. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij het beroepschrift op de datum van de dagtekening op woensdag 20 januari 2010 ter post heeft bezorgd. De algemeen bekende werkwijze van TNT Post houdt in dat, behoudens zon-/ en feestdagen, poststukken worden afgestempeld op de dag waarop zij ter post worden aangeboden doch, in het geval dat het poststuk is aangeboden na de laatste lichting doch voor 24:00 uur, uiterlijk de dag na die van ter post bezorging. Die werkwijze heeft tot gevolg dat er in het algemeen vanuit dient te worden gegaan dat een op woensdag 20 januari 2010 ter post bezorgd stuk op diezelfde dag doch uiterlijk op 21 januari 2010 wordt afgestempeld. Nu de enveloppe met daarin het beroepschrift op 22 januari 2010 is afgestempeld, komt de niet nader onderbouwde stelling van eiser de rechtbank niet aannemelijk voor. Weliswaar laat de hiervoor omschreven werkwijze van TNT post de mogelijkheid open dat een op 22 januari 2010 afgestempelde enveloppe op 21 januari 2010 na de laatste lichting doch voor 24:00 uur en dus voor het einde van de beroepstermijn, ter post is bezorgd, maar nu eiser die mogelijkheid niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, gaat de rechtbank aan die mogelijkheid voorbij en gaat zij er van uit dat in dit geval de ter post bezorging op 22 januari 2010 heeft plaatsgevonden. Dit leidt tot de conclusie dat de termijn waarbinnen het beroepschrift had moeten zijn ingediend, is overschreden.

4.4. Op grond van artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ter zitting genoemde omstandigheid dat eiser een administratiekantoor heeft ingeschakeld om een concept beroepschrift op te stellen, en dat het administratiekantoor pas op een laat moment en na aandringen van eiser met het concept is gekomen, is een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser dient te blijven. De rechtbank is uit het dossier evenmin van omstandigheden gebleken waaruit verschoonbaarheid ten aanzien van de termijnoverschrijving volgt.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Aan behandeling van de inhoudelijke geschilpunten komt de rechtbank daarom niet toe.”

4. Geschil in hoger beroep

4.1. Bij het Hof is in geschil of het beroep bij de rechtbank ontvankelijk is en de rechtbank terecht niet aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes tegen de aanslag gerichte grieven is toegekomen.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Evenals de rechtbank stelt het Hof voorop dat een beroepschrift bij verzending per post op grond van artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tijdig is ingediend indien het voor het einde van de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen.

5.2. In de hiervoor geciteerde overweging 4.2 van de (rechtbank)uitspraak heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de beroepstermijn is geëindigd op (donderdag) 21 januari 2010. Het op 25 januari 2010 bij de rechtbank binnengekomen beroepschrift is derhalve niet later dan een week na afloop van de wettelijke termijn ontvangen. Het beroepschrift is alsdan tijdig ingediend indien het uiterlijk 21 januari 2010 ter post is bezorgd.

5.3. De rechtbank overweegt in 4.3 van haar uitspraak dat “zij er van uit [gaat] dat in dit geval de ter post bezorging op 22 januari 2010 heeft plaatsgevonden”. Het Hof is echter van oordeel dat de stukken van het geding - waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting van de rechtbank - dit uitgangspunt niet rechtvaardigen.

5.3.1. Daarvoor neemt het Hof in aanmerking dat de aan dat uitgangspunt ten grondslag liggende overweging van de rechtbank dat belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat hij het beroepschrift op woensdag 20 januari 2010 ter post heeft bezorgd (overweging 4.3, eerste volzin), zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Uit het proces-verbaal (de enige kenbron van hetgeen op de zitting is voorgevallen) volgt dat belanghebbende op een vraag van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het beroep als volgt heeft verklaard (zie ook onder 2.3): “U vraagt mij wanneer ik het beroepschrift heb verzonden. Volgens mij is de brief door het administratiekantoor verzonden. Ik weet de exacte datum dat zij dat gedaan hebben niet meer. Maar ze hadden uitgerekend dat het stuk net op tijd zou worden verzonden. U wijst mij erop dat het beroepschrift door mij zelf is ondertekend en niet is geprint op briefpapier van het administratiekantoor [Y]. Nu ik het beroepschrift zie herinner ik mij dat het administratiekantoor de brief voor mij heeft opgesteld, maar dat ik de brief zelf heb verzonden. Ik weet niet precies meer wanneer. Ik heb de brief zelf gedateerd en verzonden. Ik denk dat het op 20 januari is geweest. Normaal gesproken verzend ik de brieven direct nadat ik ze heb uitgeprint. Ik weet niet meer hoe laat ik de brief op de post gedaan heb. Ik denk dat het ’s middags geweest is. Meestal stuur ik dit soort dingen aangetekend. Vreemd dat ik dat nu niet zo heb gedaan”.

Uit deze verklaring van belanghebbende volgt minst genomen dat bij belanghebbende twijfel bestaat over de wijze en het tijdstip waarop de terpostbezorging heeft plaatsgevonden. Hij zegt immers eerst dat niet hij maar zijn administratiekantoor de terpostbezorging zou hebben gedaan en dat hij de exacte datum niet weet. Vervolgens zegt hij (nadat hij het beroepschrift ziet) dat hij toch de verzending zelf heeft gedaan maar niet meer weet wanneer. De verklaring van belanghebbende dat hij denkt “dat het op 20 januari is geweest” houdt niet meer in dan dat belanghebbende dit als mogelijkheid heeft geopperd en rechtvaardigt geenszins de hiervoor weergegeven, aan het uitgangspunt van de rechtbank ten grondslag liggende overweging.

5.3.2.1. De rechtbank overweegt voorts - kennelijk in het licht van haar uitgangspunt dat belanghebbende heeft verklaard dat “hij het beroepschrift op woensdag 20 januari 2010 ter post heeft bezorgd” - dat door belanghebbende gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat de enveloppe op 21 januari 2010 ter post is bezorgd (na de laatste lichting maar voor 24.00 uur).

Alsdan dient volgens de rechtbank (met inachtneming van de door haar algemeen bekend veronderstelde werkwijze van het postvervoerbedrijf) tot uitgangspunt worden genomen dat “in dit geval de ter post bezorging op 22 januari 2010 heeft plaatsgevonden”. Ook voor dit uitgangspunt acht het Hof onvoldoende grond.

5.3.2.2. In het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2011, nr. 10/02285, LJN: BP2138 is als volgt overwogen:

“3.5.2. De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door het postvervoerbedrijf is afgestempeld, sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd (vgl. HR 17 juni 2005, nr. 40737, LJN AT7649, BNB 2005/305).

3.5.3. Dat neemt niet weg dat het datumstempel van het postvervoerbedrijf veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. Dit uitgangspunt sluit aan bij de rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters.

3.5.4. Voor afwijking van dit uitgangspunt bestaat aanleiding indien de rechter aannemelijk acht dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd.”

5.3.2.3. In belanghebbendes verklaringen ter zitting van de rechtbank (onder meer “ik heb de brief net op tijd gekregen en hem direct verstuurd”) ligt besloten dat hij stelt tijdig beroep te hebben ingediend. De door hem geopperde mogelijkheid dat de (tijdige) verzending op 20 januari 2010 heeft plaatsgevonden sluit niet uit dat de verzending (terpostbezorging) op 21 januari 2010 heeft plaatsgevonden (eveneens tijdig). Gelet op deze verklaringen ter zitting en de datum van het beroepschrift (20 januari 2010) acht het Hof onvoldoende grond aanwezig om aan belanghebbendes betoog inhoudende dat hij het beroepschrift tijdig ter post heeft bezorgd geen geloof te hechten en acht het derhalve aannemelijk dat belanghebbende het beroepschrift ter post heeft bezorgd vóór 22 januari 2010.

Ten overvloede merkt het Hof nog op dat de inspecteur de rechtbank in overweging heeft gegeven het beroep ontvankelijk te verklaren indien sprake is van een poststempeldatum van 22 januari 2010 (zie onder 2.2).

5.3.2.4. Daarnaast overweegt het Hof dat zo al sprake is van de door de rechtbank geschetste “algemeen bekende werkwijze van TNT Post” welke mee zou brengen dat een op 20 januari 2010 ter post bezorgd stuk op diezelfde dag doch uiterlijk op 21 januari 2010 wordt afgestempeld niet uitsluit dat het mogelijk is dat in een incidenteel geval bijvoorbeeld ten gevolge van een vertraging in de postverwerking bij het postvervoerbedrijf een poststuk op een latere datum wordt afgestempeld. Het staat dus geenszins vast dat een ter post bezorgd stuk op 20 januari 2010 alleen op 20 januari 2010 of 21 januari 2010 kan zijn afgestempeld.

5.4. Voorgaande brengt het Hof tot de conclusie dat zij aannemelijk acht dat het beroepschrift uiterlijk 21 januari 2010 ter post is bezorgd en het derhalve binnen de onder 5.2 genoemde beroepstermijn is ingediend.

5.5. Nu het beroepschrift tijdig is ingediend is belanghebbende ontvankelijk in zijn beroep. In de omstandigheid dat de rechtbank belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep en niet aan een inhoudelijke beoordeling is toegekomen, vindt het Hof aanleiding de zaak op voet van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Awb terug te wijzen naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling in volle omvang.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Het Hof zal de zaak terugwijzen naar de rechtbank om opnieuw te worden behandeld.

6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep ontvankelijk;

- wijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze uitspraak terug naar de rechtbank;

- draagt de griffier op na het onherroepelijk worden van deze uitspraak de gedingstukken met een afschrift van deze uitspraak te zenden aan de rechtbank;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 112 (hoger beroep bij het Hof) te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, F.J.P.M. Haas en M. Greebe, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 31 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.