Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ0343

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
23-003181-12
Formele relaties
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2012:BW4254, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

taxichauffeur die zich zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen en voetganger heeft aangereden

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2013/70
JWR 2013/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003181-12

datum uitspraak: 1 februari 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen -na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 3 juli 2012- op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-518027-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres] [woonplaats]

Procesgang

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en voorts een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren met een proeftijd van twee jaren.

Het openbaar ministerie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest van 26 augustus 2010 het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan.

De verdachte heeft tegen het arrest van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 3 juli 2012 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teruggewezen teneinde, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad, deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van

8 oktober 2009 en, na terugwijzing, op de terechtzitting van dit hof van 18 januari 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 17 januari 2008 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (taxi) -in de hoedanigheid van beroepschauffeur- , daarmee rijdende over de weg, de tram/busbaan van de Marnixstraat zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenletsel en/of een gebroken linker onderbeen werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan; bestaande dat gedrag hieruit:

hij, verdachte, heeft toen aldaar, als bestuurder van voornoemde personenauto gereden over de tram/busbaan van de Marnixstraat, komende uit de richting van de Rozengracht en gaande in de richting van het Leidseplein,

- terwijl het donker was en/of

- terwijl het wegdek vochtig was en/of

- terwijl hij niet in het bezit was van een ontheffing om de tram/busbaan te mogen berijden en/of

- terwijl hij, verdachte, met de (verkeers)situatie ter plaatse (goed) bekend was;

verdachte heeft, bij nadering van de kruising van de Marnixstraat met de Elandsgracht waargenomen dat er zich een voetganger ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats -gelegen, gezien verdachtes rijrichting, vlak na de kruising van de Marnixstraat met de Elandsgracht- bevond;

verdachte is vervolgens voornoemde kruising overgestoken, althans over gaan steken en heeft daarbij zijn snelheid opgevoerd, terwijl hij, verdachte, de tram/busbaan is blijven berijden en/of heeft zich daarbij niet, althans niet tijdig en/of is er zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende van blijven vergewissen dat voornoemde voetganger (zijnde [slachtoffer]) voornoemde voetgangsoversteekplaats wilde oversteken en/of heeft verdachte zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende van vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende van blijven vergewissen dat hij deze voetganger op voornoemde voetgangersoversteekplaats voorrang diende te verlenen, althans voor diende te laten gaan;

immers heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken voor deze voetganger, die doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats, gezien verdachtes (rij)richting) van rechts naar links, over te steken, althans die zich (daartoe) op voornoemde voetgangersoversteekplaats bevond;

hierdoor is verdachte tegen voornoemde voetganger aangereden en/of aangebotst, waardoor aan deze voetganger ([slachtoffer]) voren omschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

subsidiair:

hij op of omstreeks 17 januari 2008 te Amsterdam als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Marnixstraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt;

bestaande dat gedrag hieruit:

hij, verdachte, heeft toen aldaar, als bestuurder van voornoemde personenauto gereden over de tram/busbaan van de Marnixstraat, komende uit de richting van de Rozengracht en gaande in de richting van het Leidseplein,

- terwijl het donker was en/of

- terwijl het wegdek vochtig was en/of

- terwijl hij niet in het bezit was van een ontheffing om de tram/busbaan te mogen berijden en/of

- terwijl hij, verdachte, met de (verkeers)situatie ter plaatse (goed) bekend was;

verdachte heeft, bij nadering van de kruising van de Marnixstraat met de Elandsgracht waargenomen dat er zich een voetganger ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats -gelegen, gezien verdachtes rijrichting, vlak na de kruising van de Marnixstraat met de Elandsgracht- bevond;

verdachte is vervolgens voornoemde kruising overgestoken, althans over gaan steken en heeft daarbij zijn snelheid opgevoerd, terwijl hij, verdachte, de tram/busbaan is blijven berijden en/of heeft zich daarbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende vergewist en/of is er zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende van blijven vergewissen dat voornoemde voetganger (zijnde [slachtoffer]) voornoemde voetgangersoversteekplaats wilde oversteken en/of heeft verdachte zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende van vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende van blijven vergewissen dat hij deze voetganger op voornoemde voetgangersoversteekplaats voorrang diende te verlenen, althans voor diende te laten gaan;

immers heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende uitgeweken voor deze voetganger, die doende was voornoemde voetgangersoversteekplaats, gezien verdachtes (rij)richting van rechts naar links, over te steken, althans die zich (daartoe) op voornoemde voetgangersoversteekplaats bevond;

hierdoor is verdachte tegen voornoemde voetganger aangereden en/of aangebotst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich aan de hand van een door haar overgelegd schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat de verdachte schuld heeft aan het ongeval en dat de schuld van de verdachte bestaat uit de zwaarste vorm van schuld, te weten roekeloosheid. Onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting heeft zij gesteld dat het rijgedrag van de verdachte als roekeloos aangemerkt moet worden. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat de verdachte:

- in zijn hoedanigheid als beroepschauffeur in de Marnixstraat over de trambaan reed, hoewel daar gelet op de verkeerssituatie geen noodzaak toe was;

- niet in het bezit was van een daartoe vereiste ontheffing;

- op de trambaan risicovol heeft gereden, wat onder meer bestond uit de omstandigheid dat hij met een hogere snelheid heeft gereden dan toegelaten, terwijl het donker was en het wegdek vochtig;

- het kruispunt heeft genaderd met een snelheid van 57 tot 67 km/uur;

- voordat hij het kruispunt naderde het slachtoffer bij de voetgangersoversteekplaats heeft zien staan;

- bij het oversteken van het kruispunt zijn snelheid niet heeft aangepast en met een snelheid van 58 tot 67 km/uur het kruispunt is overgestoken;

- na het passeren van het kruispunt zijn snelheid heeft geminderd tot een snelheid die lag tussen de 39 en 49 km/uur;

- op de hoogte was dat deze snelheid, in verband met de langere remweg van auto’s op de trambaan, te hoog was en de snelheid volgens de regels van de trambaanontheffing ter hoogte van de tramhalte 20 à 30 km/uur hoorde te zijn.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte, van wie juist als professioneel verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij de verkeersregels kent en naleeft, er bewust voor heeft gekozen zonder ontheffing op een trambaan te rijden en wel met een hoge snelheid. Zij is van mening dat de verdachte door aldus te handelen, mede gelet op de omstandigheden zoals deze hiervoor zijn beschreven, welbewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen en daarmee op lichtzinnige wijze is omgegaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich aan de hand van door haar overgelegde pleitaantekeningen op het standpunt gesteld dat de verdachte zowel van het primair als van het subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden, nu in haar visie de enige verwijtbare overtreding bestaat uit het rijden op de trambaan zonder ontheffing en de enkele omstandigheid dat de verdachte te hard heeft gereden nog niet met zich meebrengt dat hij roekeloos heeft gereden. Zij merkt daarbij op dat hij na het passeren van het kruispunt vaart heeft geminderd. Zij heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de feiten en omstandigheden, zoals deze uit het dossier naar voren komen, niet zijn gewijzigd sinds de zaak door de Hoge Raad is beoordeeld en derhalve geen nieuwe argumenten aanwezig zijn om aan te nemen dat uit diezelfde feiten en omstandigheden afgeleid kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan roekeloos rijgedrag.

De raadsvrouw acht evenmin bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ‘zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden.’ Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte het slachtoffer heeft zien staan bij het politiebureau op de hoek van de Marnixstraat met de Elandsgracht, maar daarbij dacht dat het slachtoffer naar het Leidseplein zou gaan en niet hoefde te verwachten dat hij zou oversteken. Derhalve valt hieruit niet af te leiden dat de verdachte onvoorzichtig, onoplettend, dan wel onachtzaam heeft gehandeld.

Dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt valt volgens de raadsvrouw evenmin uit het dossier af te leiden.

Bewijsoverwegingen

Het hof overweegt als volgt.

Voor de beoordeling van het verkeersgedrag van de verdachte in het onderhavige geval, beziet het hof het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval.

1) Ten aanzien van de plaats van het ongeval

Het ongeval vond plaats op de Marnixstraat, net na de kruising met de Elandsgracht; dit is in het centrum van Amsterdam. De Marnixstraat bestaat daar uit één rijbaan met één verkeersstrook voor het verkeer komende uit de richting van de Rozengracht en gaande in de richting van het Leidseplein. Links naast deze rijstrook bevindt zich een afgescheiden baan voor trams en bussen in beide richtingen, waarop de verdachte met zijn auto reed. Vanuit die richting bezien, is direct na het kruisen van het kruispunt op de Marnixstraat een voetgangersoversteekplaats gelegen en enkele meters daarna een tram/nachtbushalte.

Vaststaat dat het slachtoffer kort na 2 uur ’s nachts de Marnixstraat, ter hoogte van de hoek van het politiebureau, is gaan oversteken. Uit beelden van de camera die is bevestigd aan het politiebureau, valt op te maken dat het slachtoffer, (bezien vanaf de Elandsgracht-Kinkerstraat) in de lijn van het midden van de onderdoorgang van het politiebureau, de Marnixstraat is overgestoken. Dit is ter hoogte van genoemde voetgangersoversteekplaats. Het slachtoffer heeft de Marnixstraat dus overgestoken op of vlak na een voetgangersoversteekplaats en in de directe nabijheid van een tramhalte.

Daarnaast staat vast dat het slachtoffer, voordat de verdachte hem heeft aangereden reeds de eerste verkeersstrook had overgestoken en inmiddels bezig was de trambaan over te steken.

2) Ten aanzien van de gereden snelheid

Het NFI heeft aan de hand van camerabeelden de snelheid van de door de verdachte bestuurde auto met een grote mate van nauwkeurigheid kunnen vaststellen, zoals weergegeven in het NFI-rapport van

13 april 2010. De bevindingen van het NFI komen er op neer dat de verdachte bij het benaderen van het kruispunt met een snelheid gelegen tussen 57 en 68 km/u heeft gereden. Voorts blijkt dat de verdachte het kruispunt met een snelheid gelegen tussen de 58 en 67 km/u is overgestoken en dat hij in het laatste traject, namelijk gelegen na het kruispunt tot vlak voor het punt van aanrijding een snelheid had, gelegen tussen de 39 en 49 km/u. De verdachte heeft aldus veel te snel gereden. Niet alleen voor wat betreft het rijden binnen de bebouwde kom, maar ook voor wat betreft het naderen van een kruispunt. Voor wat betreft de gereden snelheid ter hoogte van de tramhalte geldt het hiernavolgende.

3) Ten aanzien van de trambaan

De verdachte is ter hoogte van de Rozengracht op de trambaan van de Marnixstraat (in de richting van het Leidseplein) gaan rijden. Het is voor automobilisten verboden om over deze trambaan te rijden, maar taxichauffeurs kunnen daarvoor een ontheffing krijgen. Daartoe is onder meer vereist dat de taxichauffeur een specifieke opleiding volgt en met goed gevolg afrondt. De verdachte is – en was ook ten tijde van het ongeval op 17 januari 2008 – taxichauffeur in Amsterdam, maar op die datum nog niet in het bezit van een trambaanontheffing. Wel was de verdachte in die periode bezig met de opleiding voor het verkrijgen daarvan en hij was op de hoogte van de regels die gelden voor het rijden op de trambaan.

Eén van deze regels houdt in dat ter hoogte van een tramhalte met een gepaste snelheid van 20 à 30 km/u dient te worden gereden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat, vanwege de zich in het wegdek bevindende gladde tramrails, auto’s op een trambaan een langere remweg hebben. Uit genoemd NFI-onderzoek blijkt echter dat de verdachte met een veel te hoge snelheid de tramhalte is genaderd en zeker niet heeft gereden conform de daarvoor geldende ontheffingsregels.

4) Ten aanzien van de weers- en verkeerssituatie

Ten tijde van het ongeval (rond 2 uur ’s nachts) was het droog, maar het wegdek was nog vochtig van een eerdere regenbui. Er was weinig verkeer op de Marnixstraat en het kruispunt was goed verlicht. Het zicht van de verdachte was onbelemmerd.

5) Ten aanzien van de positie van het slachtofferen de oplettendheid van de verdachte

In zijn verklaringen van 17 en 18 januari 2008 en op de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij vóór het kruispunt het slachtoffer met zijn fiets in de richting van het Leidseplein aan de hand, heeft zien staan bij het politiebureau op de hoek van de Marnixstraat met de Elandsgracht. De verdachte dacht daarom dat het slachtoffer naar het Leidseplein zou gaan. Daarna heeft de verdachte niet meer op het slachtoffer gelet. Deze verklaringen heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd.

Het slachtoffer bevond zich op het moment dat de verdachte hem voor het eerst had waargenomen vlakbij een voetgangersoversteekplaats. De verdachte had hier alert op moeten zijn én blijven, nu het slachtoffer zeer wel er toe kon besluiten gebruik te maken van deze voetgangersoversteekplaats. Doordat de verdachte zich er niet van is blijven vergewissen wat het slachtoffer zou gaan doen, heeft hij niet gezien dat het slachtoffer reeds bezig was met het oversteken van de Marnixstraat.

De veronderstelling van de verdachte dat het slachtoffer vast van plan zou zijn geweest zich richting het Leidseplein te begeven zodat hij niet meer op hem hoefde te letten is een ernstige beoordelingsfout geweest. Hierbij komt dat de verdachte werkt(e) als taxichauffeur in Amsterdam en aldus ruime ervaring behoort te hebben met het waarnemen en inschatten van het gedrag van andere verkeersdeelnemers, juist ter hoogte van voetgangersoversteekplaatsen in het centrum van Amsterdam. Juist van een taxichauffeur mag wat dat betreft een verhoogde alertheid worden verwacht.

Conclusie

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die tot de conclusie zouden moeten leiden dat verdachtes rijgedrag roekeloos is geweest. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat roekeloosheid als de zwaarste vorm van het culpose delict geldt, die tot onder meer een verdubbeling van het maximum van de op te leggen vrijheidsstraf heeft geleid. De door de advocaat-generaal genoemde omstandigheden zijn onvoldoende voor het bewijs dat de verdachte‘roekeloos rijgedrag’ heeft vertoond. Het hof zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

In het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW dient te worden vastgesteld dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden, dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip 'schuld' in het kader van de Wegenverkeerswet houdt in, dat voor strafbaarheid minimaal sprake dient te zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen. Handelen dat als‘onvoorzichtig’ kan worden gekenmerkt, is dus onvoldoende om tot een bewezenverklaring van 'schuld' te kunnen komen.

In de voorliggende zaak dient derhalve te worden beoordeeld of – tenminste – kan worden bewezen dat de verdachte 'aanmerkelijk onvoorzichtig' heeft gehandeld. Het komt daarbij aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW

Gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden (punten 1 t/m 5), staat vast dat:

- de verdachte de ter plaatse toegestane maximumsnelheid heeft overschreden;

- de snelheid van de verdachte, bij het naderen van het kruispunt en een tramhalte aanmerkelijk te hoog

was;

- de verdachte op de hoogte was van het feit dat vanwege de zich in het wegdek bevindende gladde tramrails auto’s op een trambaan een langere remweg hebben en zijn snelheid daaraan niet heeft aangepast;

- terwijl het zicht van de verdachte niet werd belemmerd en hij vóór het kruispunt het slachtoffer in de richting van het Leidseplein heeft zien staan, hij daarna niet meer op het slachtoffer heeft gelet;

- de verdachte, terwijl het slachtoffer zich op het moment dat de verdachte hem voor het eerst had waargenomen vlakbij een voetgangersoversteekplaats bevond, de verdachte zich daarbij niet heeft vergewist of is blijven vergewissen wat het slachtoffer zou gaan doen.

Het hof is van oordeel dat de verkeersovertredingen die door de verdachte zijn begaan ernstig zijn.

Het is een feit van algemene bekendheid dat door te hard rijden een langere remweg ontstaat en de bestuurder minder goed kan anticiperen op een onverwachte verkeersituatie. In casu reed de verdachte op de trambaan en was er sprake van een glad wegdek in verband met de zich aldaar bevindende vochtige tramrails. De verdachte was daarvan op de hoogte. Door zijn rijgedrag niet aan te passen aan de daarvoor geldende maximumsnelheid én de omstandigheid dat daar extra gevaarzettende componenten, te weten gladde tramrails, een tramhalte en een voetgangersoversteekplaats aanwezig waren, terwijl hij ter plaatse een voetganger had waargenomen, heeft de verdachte het risico genomen dat hij niet op tijd kon remmen en een aanrijding voorkomen.

In de feiten en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden ligt naar het oordeel van het hof besloten dat er sprake is geweest van de voor bewezenverklaring van het primaire feit vereiste schuld. De verdachte heeft zich ook blijkens zijn eigen verklaring niet gehouden aan de aldaar geldende regels en aldus niet alert gereageerd, zoals dat van hem verwacht mocht worden. Hij heeft zijn rijstijl niet afgestemd op de situatie ter plaatste en zich daarmee zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedragen.

Dit geldt te meer, zoals reeds onder punt 5 is overwogen, nu van een taxichauffeur, nog meer dan van een gemiddelde autobestuurder, gevergd mag worden dat hij zijn rijgedrag aanpast aan de maximum snelheid en de plaatselijke omstandigheden, zoals het gladde wegdek en de nabijheid van een voetgangersoversteekplaats, en zodoende zijn rijgedrag tijdig kan bijstellen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op 17 januari 2008 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto taxi -in de hoedanigheid van beroepschauffeur- , daarmee rijdende over de weg, de tram/busbaan van de Marnixstraat zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenletsel en een gebroken linker onderbeen werd toegebracht, bestaande dat gedrag uit het volgende:

de verdachte heeft toen daar als bestuurder van voornoemde personenauto gereden over de tram/busbaan van de Marnixstraat, komende uit de richting van de Rozengracht en gaande in de richting van het Leidseplein,

- terwijl het donker was en

- terwijl het wegdek vochtig was en

- terwijl hij niet in het bezit was van een ontheffing om de tram/busbaan te mogen berijden en

- terwijl hij met de verkeerssituatie ter plaatse goed bekend was;

de verdachte heeft bij nadering van de kruising van de Marnixstraat met de Elandsgracht waargenomen dat er zich een voetganger ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats -gelegen, gezien verdachtes rijrichting, vlak na de kruising van de Marnixstraat met de Elandsgracht- bevond;

de verdachte is vervolgens die kruising overgestoken terwijl hij de tram/busbaan is blijven berijden en heeft zich er daarbij niet van vergewist en is er zich niet van blijven vergewissen dat die voetganger, [slachtoffer], wilde oversteken;

immers heeft de verdachte niet tijdig en niet voldoende afgeremd en is de verdachte niet tijdig en niet voldoende uitgeweken voor deze voetganger, die doende was, gezien verdachtes rijrichting, van rechts naar links over te steken;

hierdoor is de verdachte tegen voornoemde voetganger aangereden en aangebotst waardoor aan deze voetganger, [slachtoffer] het hiervoor omschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en voorts een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren met een proeftijd van twee jaren.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig ongeval door zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag te vertonen. De verdachte was ten tijde van het ongeval taxichauffeur. In zijn algemeenheid mag worden verwacht dat hij in die hoedanigheid als voorbeeld dient voor andere weggebruikers. Dit klemt te meer nu voor het rijden op een trambaan strikte snelheidsbeperkingen gelden en ook in dit verband mag van taxichauffeurs verwacht worden dat zij zich hieraan houden. Door hoogst onvoorzichtig te rijden heeft de verdachte een zeer ernstig ongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan [slachtoffer] zeer zwaar letsel heeft bekomen met blijvende gevolgen. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan. Blijkens de slachtofferverklaring, die door de ouders ter terechtzitting in hoger beroep is voorgelezen, zijn de gevolgen van het ongeval zeer ingrijpend en is het nog maar de vraag of er in de toekomst enige verbetering zal zijn in de gezondheidstoestand van [slachtoffer]. Niet alleen voor het slachtoffer, maar ook voor de ouders zijn de gevolgen van het ongeval nog dagelijks voelbaar.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 januari 2013 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Tevens blijkt daaruit dat de verdachte acht maanden na het ongeval opnieuw een forse snelheidsovertreding heeft begaan.

Op grond van genoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat, alles afwegende, een onvoorwaardelijke werkstraf en voorts een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaring omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. N.A. Schimmel en mr. H.J. Bronkhorst, in tegenwoordigheid van mr. A. Sahin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 februari 2013.