Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ0223

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
23-000660-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de Klimop-zaken heeft het hof uitspraak gedaan over de verzoeken tot het horen van getuigen en andere onderzoekswensen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van het gerechtshof Amsterdam op het ter terechtzitting van 14 november 2012 in het kader van de onderzoekswensen verzochte, in de strafzaak met opmeld parketnummer tegen de verdachte,

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoekswensen

De raadsman heeft bij schriftuur, nadere schriftuur en bij pleidooi onderzoekswensen geformuleerd en toegelicht die bestaan uit verzoeken die zien op de inzage in, onderscheidenlijk de voeging van stukken en uit verzoeken die zien op het horen van getuigen.

1. De verzoeken ter zake de inzage in en voeging van stukken

1.1 Beoordelingsmaatstaf

Het hof stelt ten aanzien van de door de raadsman gedane verzoeken tot inzage in en voeging van stukken het navolgende voorop.

Verzoeken tot inzage in en voeging van stukken die het openbaar ministerie in zijn bezit heeft, maar die - ten gevolge van de door het openbaar ministerie gemaakte selectie - niet in het dossier zijn opgenomen dienen te worden gehonoreerd, indien die stukken zijn aan te merken als stukken die redelijkerwijze van belang kunnen zijn voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen (aldus het nieuwe artikel 149a Wetboek van Strafvordering (Sv), dat ziet op voeging en waarvan niet alleen kan worden aangenomen dat het onmiddellijke werking heeft, maar welk artikel ook gezien kan worden als een bepaling waarin de al geldende jurisprudentie is verwerkt), behoudens de uit artikel 149b Sv voortvloeiende uitzonderingen.

Deze verzoeken dienen dan wel voldoende te zijn onderbouwd. Indien verzoeken evenwel aan die voorwaarde voldoen, moet niet te snel worden aangenomen dat deze stukken niet relevant zijn. De vraag rijst wanneer van een voldoende onderbouwing kan worden gesproken. Naar uit het Bendenoun-arrest (EHRM 24 februari 1994, NJ 1994, 496) blijkt, dienen argumenten aan te worden gedragen ter onderbouwing van de verzoeken. Voorts kan worden aangenomen dat bij omvangrijke dossiers er op zijn minst een objectieve aanwijzing dient te zijn dat inzage in de gevraagde stukken enige bijdrage kan leveren aan een beter verloop van het (proces)recht.

Met inachtneming hiervan oordeelt het hof over de verzoeken als volgt.

1.2 De verzoeken ter zake de kast van [betrokkene 1], de TPO-verslagen en de controledossiers

De raadsman heeft de navolgende verzoeken gedaan:

• het verzoek tot inzage in de kast van [betrokkene 1] (nummers 7 t/m 12, nadere schriftuur en nummer 25, mondelinge toelichting verzoeken regiezitting);

• het verzoek tot inzage in de TPO-verslagen (nummers 7 t/m 12, nadere schriftuur); en

• het verzoek tot inzage in het controledossier van de Belastingdienst (nummers 7 t/m 12, nadere schriftuur).

Naar het oordeel van het hof lenen de verzoeken tot inzage in de kast van [betrokkene 1], het verzoek tot inzage in de TPO-verslagen en het verzoek tot inzage in het controledossier van de Belastingdienst zich voor gezamenlijke behandeling, omdat naar uit de in de nadere schriftuur gegeven toelichting (pagina 3 en 4, nummers 7 tot en met 12) - naar de kern genomen - blijkt dat deze verzoeken zijn gestoeld op het standpunt dat er sprake is van détournement de pouvoir en/of schending van het nemo tenetur beginsel. Ter nadere onderbouwing wordt gesteld (onder 10 en 11 van de nadere schriftuur) dat - naar het hof begrijpt - er verklaringen afhankelijk van de wil zijn afgelegd ten tijde van de door de Belastingdienst gevraagde toelichting met betrekking tot de belastingteruggave bij [bedrijf 1].

In verband met de vraag of in de onderhavige zaak de verzoeken tot inzage in eerder genoemde stukken voldoende zijn onderbouwd wordt het navolgende overwogen.

Naar uit de jurisprudentie blijkt, en hiervoor al is opgemerkt, mogen aan de onderbouwing van dit soort verzoeken niet al te zware eisen worden gesteld, omdat het voor de verdediging veelal niet mogelijk is haar verzoeken nader te onderbouwen. In de onderhavige zaak is door de verdediging gesteld dat er verklaringen afhankelijk van de wil zijn afgelegd en is verwezen naar bijlage D-0129. Bij deze bijlage gaat het om een factuur van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1]. d.d. 15 maart 2007 waarop staat vermeld:

“Betreft: Ingevolge overeenkomst dd 21-12-2004 brengen wij u in rekening (project Eurocenter te Amsterdam).

- Op grond van punt 1 deze overeenkomst € 1.050.000,-

- Op grond van punt 2 deze overeenkomst - 315.000,-

- Op grond van punt 3 deze overeenkomst - 25.000,-

€ 1.390.000,-

19% BTW - 264.100,-

Totaal € 1.654.100,- “

Achter deze factuur zit bijlage D-0130 en daarbij gaat het om een geschrift (een kopie van een overeenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1]. gedateerd 21 december 2004, ondertekend door [bedrijf 1] en [bedrijf 2]). Vóór deze factuur zit bijlage D-1028, waarbij het gaat om een kopie van de brief d.d. 28 februari 2005 van mevrouw [betrokkene 2] van de Belastingsdienst, “betreft derdenonderzoek [bedrijf 3]“, en gericht aan de heer [betrokkene 3].

Het hof is van oordeel dat - nu slechts wordt verwezen naar voornoemde factuur - de onderbouwing van de verzoeken te kort schiet, aangezien verder geen op de onderhavige procedure enigszins toegespitst argument is aangevoerd. Minst genomen had kunnen worden aangegeven wanneer er controlebevoegdheden ten aanzien van deze verdachte zijn uitgeoefend en welke (voor de verdachte nadelige) informatie toen is verstrekt. Dat aan de onderbouwing van dit soort verzoeken niet al te zware eisen worden gesteld - omdat het voor de verdediging veelal niet mogelijk is haar verzoeken nader te onderbouwen - speelt hier niet, nu dit juist informatie is waarvan niet blijkt dat de verdediging daar niet over kan beschikken. Het ligt daarentegen op de weg van de verdediging - zoals hiervoor overwogen - om ter onderbouwing van het verzoek aan te geven op welk moment bij het uitoefenen van welke controlebevoegdheden de belangen van de verdachte zijn veronachtzaamd. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de BTW-teruggave maakt dat niet anders, aangezien dit het gebrek in de onderbouwing van het onderhavige verzoek niet wegneemt. Deze verzoeken zullen dan ook worden afgewezen.

1.3 Verzoek tot voeging van opgenomen OVC-gesprekken en getapte telefoongesprekken

De verdediging heeft dit verzoek voorwaardelijk gedaan, in die zin dat zij het verzoek (slechts) doet voor het geval (aan) haar geen digitale kopie van de inhoud van de dataroom ter beschikking wordt gesteld (nummers 13 t/m 16, nadere schriftuur en nummer 26 t/m 33, mondelinge toelichting verzoeken regiezitting). Het openbaar ministerie heeft - kort samengevat - betoogd dat redenen van privacy aan het verstrekken van een digitale kopie in de weg staan.

Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de voor de verdediging thans gecreëerde mogelijkheden tot inzage in de dataroom aan het voeren van een gedegen verdediging in de weg staan waarmee aan het beroep dat door de verdediging is gedaan op de tussen haar en het openbaar ministerie bestaande ongelijkheid in de wijze van toegang tot de stukken wordt voorbijgegaan. Tegen deze achtergrond zal het hof de door het openbaar ministerie geschetste (privacy)belangen van derden zwaarder laten wegen dan de door de verdediging naar voren gebrachte praktische bezwaren. Een en ander brengt mee dat het verstrekken van een digitale kopie van de inhoud van de dataroom niet aan de orde is, zodat de voorwaarde is vervuld en op het verzoek zal worden beslist.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de andere verzoeken is overwogen en in het licht van het in de relevante Bendenoun-arrest (EHRM 24 februari 1994, NJ 1994, 496) wordt overwogen dat indien het gaat om omvangrijke dossiers, waarvan in casu zeker sprake is, bij verzoeken om voeging van stukken toch wel mag worden verlangd dat nader wordt aangegeven om welke stukken - in casu om welke OVC-gesprekken en/of getapte telefoongesprekken - het gaat. Een en ander klemt temeer, nu de verdediging in de onderhavige zaak inzage heeft in de dataroom en derhalve tot selectie in staat is.

Dat die inzage wordt beperkt doordat inzage slechts in de dataroom mogelijk is, levert onvoldoende grond op (om) tot een ander oordeel te komen, aangezien de (geschetste) praktische mogelijkheden tot inzage - zoals hiervoor overwogen - voor de verdediging naar het oordeel van het hof thans afdoende zijn. Een en ander brengt mee dat ook dit verzoek zal worden afgewezen.

2. Getuigenverzoeken

2.1 Beoordelingsmaatstaf

Voor de beantwoording van de vraag welke maatstaf dient te worden gehanteerd, het verdedigingsbelang of het noodzaakcriterium, is allereerst het bepaalde in art. 410, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van belang. In genoemd artikellid is bepaald dat de verdachte binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, kan indienen.

In onderhavige zaak is door de verdachte op 9 februari 2012 hoger beroep ingesteld en is op

23 februari 2012 de schriftuur binnengekomen ter griffie. Dit is binnen de daarvoor gestelde termijn.

De te hanteren maatstaf ter zake de getuigenverzoeken van de getuigen [getuige 1], [getuige 2],

[getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] is het verdedigingsbelang.

Ter zake van het verzoek tot het horen van [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11] als getuige is de te hanteren maatstaf het noodzaakcriterium, als bedoeld in artikel 418, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, nu deze getuigen, in eerste aanleg, op de terechtzitting of door de rechter-commissaris, zijn gehoord.

2.2. De verzochte getuigen

De getuigen [getuige 6], [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]

Ter toelichting op het horen van deze getuigen is betoogd dat deze getuigen bevraagd dienen te worden omtrent hun wetenschap over de cultuur bij Philips, Philips Real Estate Investment Management (PREIM) en Philips Pensioenfonds (PPF), met betrekking tot (eerdere) signalen van fraude en hetgeen naar aanleiding van die signalen is ondernomen door Philips, PREIM en PPF (pagina 3, schriftuur d.d.

22 februari 2012).

Voor zover het gaat om de cultuur bij Philips, PREIM en PPF wijst het hof op het ambtshalve aan het dossier gevoegde rapport van het Verweij-Jonker Instituut van juni 2011, waarin uitgebreid wordt ingegaan op de interne organisatie en het toezicht binnen Philips. Onvoldoende onderbouwd is op welke punten de getuigen gehoord zouden moeten worden, anders dan op de punten die in het rapport van het Verweij-Jonker Instituut reeds aan de orde zijn gebracht.

De getuige [getuige 5]

Door de raadsman is ter toelichting op het verzoek betoogd dat de getuige [getuige 5] gehoord dient te worden over de financiering van project 126. Het horen van de getuige is van belang nu de rechtbank heeft overwogen dat de verdachte geen reële activiteiten met betrekking tot de financiering zou hebben ontplooid (p. 5, schriftuur d.d. 22 februari 2012).

Het hof wijst het verzoek tot het horen van de getuige vooralsnog af. Ter zitting in eerste aanleg van

30 mei 2011 heeft de verdachte zich, ter zake van project 126, op zijn zwijgrecht beroepen (pagina 4 e.v.). De raadsman heeft aangegeven dat de verdachte in hoger beroep hieromtrent wel zal gaan verklaren. Naar het oordeel van het hof is het dan ook eerst aan de verdachte omtrent het project 126 nader te verklaren, hetgeen volgens de raadsman in hoger beroep ook zal gaan gebeuren (nummer 40, nadere schriftuur d.d. 20 september 2012).

De getuige [getuige 10]

Ten aanzien van de getuige [getuige 10] is betoogd dat deze getuige vragen dienen te worden gesteld naar aanleiding van hetgeen de getuigen [getuige 7], [getuige 8] en [getuige 9] als getuigen zullen verklaren, en dat de getuige nog recentelijk heeft verklaard in de zaken van medeverdachten en daarin is ingegaan op de rol van de verdachte (nummer 26, repliek d.d. 31 oktober 2012 en nummer 24, pleitnota).

De getuige [getuige 10] is in de zaak van de verdachte, in eerste aanleg, gehoord op 24 juni 2011 en op 6 juli 2011 en bij de rechter-commissaris in de zaken van de medeverdachten op 5 september 2012 en

8 oktober 2012. In de verhoren ter terechtzitting heeft de getuige [getuige 10] uitgebreid verklaard over een veelheid van onderwerpen, waaronder de rol van de verdachte. Het hof ziet in de aangehaalde verhoren van 5 september 2012 en 8 oktober 2012 geen nieuwe argumenten, als door de raadsman betoogd, die zouden moeten leiden tot het opnieuw horen van de getuige [getuige 10]. Het getuigenverzoek wordt daarom afgewezen.

De getuigen [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 11]

Het hof wijst toe de getuigenverzoeken ter zake [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 11].

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot inzage in de kast van [betrokkene 1], de TPO-verslagen en de controledossiers van de Belastingdienst;

Wijst af het verzoek tot voeging van opgenomen OVC-gesprekken en getapte telefoongesprekken;

Wijst af het verzoek tot het horen van [getuige 6], [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 10] als getuige;

Wijst toe het verzoek tot het horen van [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 11] als getuige. Deze getuigen zullen op een nader te bepalen terechtzitting worden gehoord.

Deze uitspraak is gegeven door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. S. Clement en mr. A. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van

mr. R. Cozijnsen als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit hof van

30 januari 2013.