Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ0220

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
23-000685-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de Klimop-zaken heeft het hof uitspraak gedaan over de verzoeken tot het horen van getuigen en andere onderzoekswensen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van het gerechtshof Amsterdam op het ter terechtzitting van 17 december 2012 verzochte in de strafzaak met opmeld parketnummer tegen de verdachte,

[Verdachte],

gevestigd te [adres]

1. Getuigenverzoeken

Op uitnodiging van het hof heeft, voorafgaand aan de regiezitting, een schriftelijke conclusiewisseling plaatsgevonden, waarbij de verdediging en het openbaar ministerie in de gelegenheid zijn gesteld om kennis te nemen van en te reageren op elkaars onderzoekswensen, voor zover deze er zijn.

Bij brief van 20 september 2012, vóór de eerste terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2012 heeft de raadsman, in het kader van een schriftelijke conclusiewisseling, aan het Hof verzocht om onder meer de oproeping van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6],

[getuige 7] en [getuige 8], die als getuigen gehoord dienen te worden over de navolgende onderwerpen, zijnde

a) de overname van [bedrijf] in 1995,

b) het mediabeleid van de [bedrijf],

c) de interne en externe controle bij [bedrijf], en

d) het zogeheten "toestemmingsmemo”.

Ter zitting van 7 december 2012 zijn de verzoeken, met uitzondering van één getuigeverzoek ([getuige 7], welk verzoek is ingetrokken) herhaald.

Het hof wijst, met inachtneming van de maatstaf van het verdedigingsbelang, het verzoek tot het horen van voornoemde personen als getuigen af, nu de punten waaromtrent de getuigen zouden moeten worden bevraagd in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak van de verdachte te nemen beslissingen.

In hoger beroep is (alleen nog) aan de orde de vraag of de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), waarbij aan de orde zijn de bewijsvragen, of sprake is van een criminele organisatie en, zo ja, of de verdachte heeft deelgenomen aan die organisatie en of het oogmerk van de organisatie gericht was op het plegen van misdrijven, waarbij wordt opgemerkt dat dit andersoortige bewijsvragen zijn die dienen te worden beantwoord dan de vraag of de verdachte zelf heeft deelgenomen aan een strafbaar feit.

In redelijkheid is niet te verwachten dat de inhoud van de af te leggen verklaringen op enigerlei wijze van belang kan zijn voor enige in de strafzaak van de verdachte te nemen beslissing(en), gelet op de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord. Voor zover het gaat om de interne en externe controle wijst het hof nog op het ambtshalve gevoegde rapport van het Verweij-Jonker Instituut van juni 2011 waarin uitgebreid wordt ingegaan op de interne organisatie en het toezicht binnen Bouwfonds. Bovendien is de vertegenwoordiger van de verdachte zelf de primaire informatiebron over het toestemmingsmemo en over hoe hij zijn taken heeft vervuld als bestuurder binnen Bouwfonds en kan hij daarover ter terechtzitting in hoger beroep nader verklaren.

2. Verzoek tot inzage in de dataroom

De verdediging heeft op 17 december 2012 op de in hoger beroep gehouden nadere regiezitting verzocht om inzage in de dataroom. Het hof verstaat dit verzoek als ingetrokken - en zal daar dan ook niet (meer) op beslissen - aangezien de advocaat-generaal reeds ter terechtzitting heeft laten weten dat dit verzoek geen probleem vormt.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het horen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 8] als getuige.

Deze uitspraak is gegeven door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Jurgens, mr. S. Clement en mr. A. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van

mr. R. Cozijnsen als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit hof van

30 januari 2013.